• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

28 juni: Genezende kracht

[print]

13e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Wijsheid 1,13-15; 2,23-24

  • 2 Korintiërs 8,7-15

  • Marcus 5,21-43

Marcus 5 begint met te vertellen over Jesus’ overtocht over de zee. Een mysterieuze reis naar het land aan de overzij. Het gebied waar het gebeuren speelt, heet Dekapolis (streek van de 10 steden). Die steden hadden weinig eenheid onderling. Wel hadden ze één gemeenschappelijke politieke wil: zo weinig mogelijk contact met Israël. De streken ten oosten van het meer van Galilea, waar het hier om gaat, waren al vroeg verloren gegaan voor Israël. Het was het gebied van de vroegere koning Og en was alleen tijdens de intocht onder Jozua ‘joods’ geweest. Verder had het nog twee joodse koningen zien binnenstormen: Salomo en heel veel later de Hasmonese priestervorst Alexander Janneüs (103-76 v.Chr). Beiden bleven maar korte tijd. In Jesus’ tijd was de laatst genoemde bezetting al achter de rug. Men was er anti-joodser dan ooit.

Het begin van Marcus’ 5e hoofdstuk waar wij vandaag het slot van lezen vertelt hoe er in dit voor Israël verloren gebied een man rondwaart, in kracht aan Simson gelijk, die woont ‘in de graven’ (Mc. 5,3). Hij is uit de mensengemeenschap verwijderd, werkelijk nedergedaald ‘ter helle’ (in de ‘Sjeool’, de onderwereld). Maar de heer vaart de zee over (een soort omgekeerd uittochtsverhaal) en zoekt hem daar op. De confrontatie met Jesus is onthutsend. Hij rent op Jesus toe (v. 6) en roept zo hard hij kan: ‘Wat is er tussen mij en jou, Jesus zoon van de Allerhoogste God? Ik bezweer je – bij God – dat je mij niet pijnigt!’ Weer een complete geloofsbelijdenis (waar de leerlingen nog steeds niet toe kunnen komen) en weer een stem uit de diepte (vgl. Mc. 1,24 waar de onreine geest in de synagoge Jesus ‘Heilige Gods’ noemt). Jesus vraagt de boze geest naar zijn naam. Die is: ‘legioen, want we zijn met velen’. De boze geesten worden verdreven door een enkel woord en Satan en alle andere boze geesten worden in de hel teruggedreven. De (zeer onreine!) varkens zijn voortreffelijk bruikbaar om als ‘bodedienst’ richting Sjeool (nu het donkere water) te fungeren.

De genezingen (en opwekkingen uit de dood) zie Jesus tot stand brengt zijn geen wondergebeurtenissen sec, maar daden van éénwording (jichoed) met God, manifestaties van de Geest, daden van naastenliefde waarbij de kracht van God zegeviert over ziekte en dood. Deze evolutie correleert met de komst van de Geest Gods (de Elohoeth), die wil wonen in de schepping, in de mens. In de messiaanse mens is deze Geest volledig aanwezig.

Daarom kan Jesus ook getuigen: ‘Ik en de Vader zijn een.’ Samenvattend: overwinning van ziekte en dood zijn heilsfeiten die in ten profetische perspectief liggen. De van Gods Geest vervulde mens heeft hier ten bijzonder vermogen, omdat hij zich tot Gods instrument heeft gemaakt. Deze vervulling geschiedt niet verticaal als indaling, maar horizontaal als ten historisch gebeuren, dat in de messiaanse rnens volledig wordt. Bij deze messiaanse mens heeft ook het gebed een levenwekkende kracht (zie de opwekking van Lazarus, Joh. 11,41: ‘Ik dank U, Vader, dat U mij verhoord hebt’, en zijn woord tot het dochtertje van Jaïrus, Mc. 5,4 1: ‘Meisje ik zeg je, sta op’). Zijn trouw aan de Tora, zijn één zijn met de Vader is anderen tot zegen. Zijn werken dienen niet gezien te worden als resultaten van een magisch vermogen of van een in de mens sluimerende goddelijke kracht, maar als tekenen van een alles overwinnende liefde en van een vertrouwen, dat weet, dat voor God niets onmogelijk is. We zijn in de perikoop van vandaag die bij vers 21 begint, weer terug aan de Kafarnaüm-kant van het meer. Jesus is uit de streek van de Dekapolis (het doodse land) weggejaagd (v. 17). Alleen de genezen bezetene houdt daar het gerucht over Jesus gaande (v. 20). Jesus is nu weer thuis bij de gemeenschap waar alles begon in Kafarnaüm. In de synagoge wordt week na week de Tora gelezen: het getuigenis over God die voor zijn volk het leven wil. De vernieuwende kracht van Gods Geest wordt hier verwacht. Daarom kon Jesus’ verkondiging van het Koninkrijk hier beginnen. God zoekt zich een gemeente, een ‘bruid’ die met Hem door de geschiedenis wil gaan, die wil kiezen voor zijn nieuwe leven. Worden daarom vandaag twee vrouwen genoemd? Zijn zij niet bij uitstek in het geding als het om het leven gaat?
Twee vrouwen in het evangelie. Een jonge vrouw (ten kind eigenlijk), het dochtertje van de overste van de synagoge met de mooie naam Jaïrus (=God kijkt naar hem) en een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt. In deze verwachtingsvolle gemeenschap hebben ziekte en dood toch nog macht. Een meisje zal in de loop van het verhaal sterven, en de zieke vrouw, die al twaalf jaren aan haar kwaal lijdt, en door de geneesheren niet van haar kwaal kan worden verlost. Zij kan niet meer garant staan voor het leven en moet (ze is onrein) volgens de officiële wet buiten de gemeenschap blijven. In beide gevallen komt er genezing.

Jesus is op weg naar het huis van het meisje. Maar onderweg wordt hij opgehouden door de vrouw die hem aanraakt. Ze grijpt Jesus bij de kwasten van zijn mantel, de gebedsmantel, die iedere jood herinnert aan de Tora. Voor alle volkeren is dat een teken. Had de profeet niet gezegd: ‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van de mantel van een Judese man en zeggen: We willen met u gaan want we hebben gehoord dat God met u is.’ (Zach. 8,23) Marcus maakt zijn evangelie nog dramatischer door een vrouw uit Israël zelf te beschrijven die grijpt naar de slip van de mantel van een joodse man. Ze grijpt naar de gebedsmantel die gedragen wordt door een mens die helemaal één was met de Tora. En ze wordt helemaal genezen. Zo brengt God zijn heil onder de mensen.

Na dit onmisbare tussen-verhaal over de vrouw, die zich vastklampt aan de tekenen van de trouw aan de Tora zoals Jesus die draagt, gaat de geschiedenis verder. Van de bestuurder van de synagoge komt de boodschap dat zijn dochtertje inmiddels gestorven is. De dood heeft toch nog toegeslagen. Maar de Messias kent geen weg terug. Zijn intimi moeten mee de diepte in en met hem het sterfhuis binnengaan om het gejammer en het rouwmisbaar te horen en te zien. De Messias getuigt hier dwars tegen in: ‘Het kind is niet gestorven, maar het slaapt’ (in het schip van Mc. 4,38 sliep hijzelf als een dode). En hij spreekt namens God: ‘Meisje ik zeg je, sta op’. Terstond staat ze op en loopt heen en weer (v. 42). Pas nu het verhaal ten einde loopt horen we hoe oud (nee, hoe jong!) ze was: pas twaalf jaren. Ze staat aan de drempel van de volwassenheid; haar vruchtbaarheid kan nu beginnen. Onmiddellijk herinneren we ons dan dat de vrouw uit het midden-verhaal twaalf jaar onrein was geweest. De jonge en de oudere vrouw zijn zusters in de nood, lotgenoten onder de doem van de dood. Onder die doem vandaan kunnen ze nu beiden, dankzij Jesus’ komst in hun bestaan, tot moeders van het leven opbloeien.
Het evangelie eindigt met een nuchter gebod van de Heer om (v. 43) het opgestane meisje te eten te geven. De geschiedenis van het Koninkrijk moet verder gaan. Jesus gaat ons voor op de weg van het leven. Hij zal het levend brood zijn voor onderweg. Willen de leerlingen (en wij) deze tekenen verstaan?

Hein Jan van Ogtrop, pastoor