• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

2 augustus: Kostbaar Brood

[print]

18e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Exodus 16,2-15; Brood uit de hemel

  • Johannes 6,24-35; Brood van eeuwig leven

Brood is bijzonder.
Ik heb het wel eens gezien bij mensen op het platte land in België,
waar mijn oudoom pastoor was.
De vrouw des huizes bij wie wij ’s avonds aten
pakte een brood, zo’n groot rond Belgisch brood,
en sneed het niet aan voordat zij met het mes
dwars op dat grote ronde brood een kruis had getekend.

Brood is een gave Gods, brood is heilig.
-het is moeilijk om dat nog te ervaren
als je die in plastic opgesloten broden
in de supermarkt ziet met die akelige plakbandjes
die je nooit los kunt krijgen. Toch blijft brood bijzonder,
brood belandt daarom –als het goed is- nooit in het vuilnisvat.

Je zou kunnen zeggen: Brood is een beginsel, een principe.
Daar neemt het leven een aanvang,
het is de basis om te groeien, om verder te leven
en opgewassen te zijn tegen de slopende krachten
die dagelijks een aanval doen op het menselijk bestaan.
Daarom is brood ook de weergave van een geheim,
want niets is zo geheimzinnig als het begin van het leven.

Hoe goed het joodse volk dit begrepen heeft,
blijkt uit het woestijnverhaal
beschreven in het boek van de ‘Uittocht’
waarin gesproken wordt over de kracht en de troost van God
beschreven als ‘brood uit de hemel’
om te kunnen overleven op je pelgrimstocht.

De gelovige ervaart zijn leven
– zeiden we de vorige week -als een reis,
niet zo maar een reis maar een pelgrimstocht.
Het boek van de uittocht vertelt daarover met verve
de prachtigste verhalen waarin we onze eigen levenssituaties
maar al te gemakkelijk kunnen herkennen.

We horen vertellen een groepje bevrijde slaven uit Egypte
die na hun doortocht de rode zee,
(- een soort doop van heel een volk namens de mensheid -)
aan hun grote reis met God gaan beginnen:
hun pelgrimstocht door de woestijn.

Dezelfde bladzijde van het boek Exodus
die over Israëls luisterrijke bevrijding uit Egypte vertelt
vermeldt de eerste stop van de pelgrims bij een oase
waar ze naar verkwikking zoeken maar ….. het water is bitter..
ja zo is het leven. Maar er wordt in voorzien:
het water wordt drinkbaar gemaakt en even later
komen ze echt bij een kostelijke plek
waar 70 palmbomen zijn en 12 waterbronnen: kan het mooier.

Hoogtepunten maak je ook mee in het leven.
Maar die duren meestal niet lang. Het komt op het gewone leven aan.

Mozes maakt zijn tocht met gewone mensen
– zo vertelde ons de eerste schriftlezing -.
en daarom heeft Mozes een moeilijke strijd
te strijden gehad met zijn volk.
Soms wilden ze plotseling niet meer verder:
– net als kinderen op een vakantietripje-
‘Waren we maar in Egypte gestorven’
roepen ze in een wanhoopsmoment uit.
De woestijngangers hadden zulke grote problemen
dat ze de hele situatie omkeerden,
Egypte, het land van de slavernij waar ze met Gods hulp uit bevrijd zijn
werd van een oord van onderdrukking
plotseling een luilekkerland: waren we maar in Egypte gebleven
waar we tenminste iets te eten hadden.

De sfeer is gespannen en daarom roept Mozes
de gehele gemeenschap op
om aan te treden voor het heiligdom,
En dan verschijnt de wolk van troost:
als een wolk komen de kwartels in de avond aangevlogen
en dan komt ook nog het brood, de morgen daarna: het Manna.
Mozes zegt daarvan:
‘Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald.’

Tijdens de lange reis door de woestijn
is plotseling de vleugelslag van Gods Geest hoorbaar
de zegen komt uit de hemel gevlogen en gevallen ter beschaming
van de Israëlieten die geen vertrouwen hadden in Gods leiding.

Het bevel luidde, dat zij van dat manna nooit méér mochten verzamelen
dan ze voor één dag nodig hadden.
Dat dwong hen om iedere dag opnieuw
uit te zien naar de leeftocht voor die ene dag
als een geschenk van de Enige.

Menselijk gesproken waren ze nooit zeker van het eten van de volgende dag
de enige zekerheid die ze hadden was de hoop,
het vertrouwen dat Hij hen niet zou vergeten:
iedere dag waren dood en leven in het geding.

Tegen die achtergrond moeten we het 6e hoofdstuk van Johannes
waaruit we deze weken in de zomer mogen lezen- verstaan.
De mensen die Jesus volgden, hebben brood gekregen,
toen ze Hem volgden in de eenzaamheid.
Dat had ze een beetje brood-dronken gemaakt,
voor brood op de plank, voor brood alleen zijn mensen altijd in.
Maar heel voorzichtig begint de Heer afstand te nemen
van de wonderbare spijziging die mensen gered had in hun nood.
Daar ging Hij niet mee door.
De mens leeft niet van brood alleen.

Wij lezen eerder in het evangelie van Johannes (Joh.4).
Jesus was op reis door het noordelijke land
met zijn leerlingen. Hij praat met een vrouw,
een Samaritaanse nota bene. Maar wat daarna gebeurt
is nu interessant. De leerlingen komen uit de stad terug
en zeggen: “eet toch iets rabbi”. Het antwoord is verrassend:
“Ik heb een spijs die gij niet kent!
MIJN SPIJS IS HET, DE WIL TE DOEN VAN HEM,
DIE MIJ GEZONDEN HEEFT.”
Vanuit die spijs wil Hij leven.

Manna of brood op de plank mogen nooit het eindpunt zijn
in het leven van een mens. Een goede baan, vast werk
het zijn wezenlijke noodzaken en het is geen schande
om er gelukkig mee te zijn. Maar er zal altijd een gemis blijven
dat niet te noemen is en we komen dan niet vanzelfsprekend
aan de eigenlijke levenszaken toe. Om daar meer over te weten
te komen moet u hier zijn, in de kerk!

Er is in de pers tegenwoordig veel aandacht voor geloof en kerk.
Vooral voor de negatieve dingen. Die moeten inderdaad genoemd worden,
eerlijk en open duurt het langst.
Toch is er een kentering vergeleken met zo’n tien jaar terug.
Er is ook aandacht, (soms komt het niet verder dan verbazing)
voor en over het feit dat het geloof er is of nog is.
Na de eerste verbazing: ‘vreemd dat geloof er nog is,
sommigen hebben dat kennelijk nodig
een beetje te genieten van liturgie en mooie rituelen
komt er een vermoeden dat het te maken heeft
met het zoeken naar diepte in je bestaan.

Toch begrijpen ze dan nog steeds niet waar het echt over gaat.

Zo onmisbaar als voor jou brood is –zegt Jesus-
zó onmisbaar ben ik voor jou:
Ík ben het brood dat jou in leven houdt.

Alles van het goede leven is ons gegund,
een dak boven ons hoofd, brood op de plank, een fijne baan,
de weelde van het geluk samen met anderen.
Maar er is meer: Hij, God met ons, wil in ons leven binnen dringen.
Hij wil brood zijn, het beginsel van ons leven,
van iedere dag en de totaliteit van ons bestaan.
Dat betekent voor ieder van ons dat er een nieuw fundament gekomen is,
waarop ons leven en de hele menselijke samenleving moet worden gebouwd.

De Heer wil in ons leven als gelovigen niet functioneren
als randversiering, als verfraaiing…
Hij wil voor ons in volle kracht ons LEVENSBROOD zijn,
niets meer en niets minder.

Het betekent dat wij, levend vanuit Zijn Geest, kiezen moeten, in eer en geweten, voor datgene wat werkelijk goed is voor deze wereld.
Vanuit Zijn Geest moeten we durven spreken en handelen.

Dan is, als wij leven met Hem, werken aan vrede niet langer een vroom verlangen maar een opdracht die onze voortdurende inspanning vergt.

Als wij Hem, ons levensbrood, als levensbeginsel aanvaarden
zal de verhongering van de helft van de wereld ons niet onberoerd laten.

Wij zullen binnentreden in zijn droefheid dat het zo met de aarde gesteld is
en luisteren, in dialoog met Hem naar datgene
wat Hij ons op het hart wil drukken: en dat is:
wees er voor de ander, helemaal, zoals ik er voor jou wil zijn.

Wij worden zelfs opgeroepen om nieuwe mensen te worden
– waartoe Paulus ons uitdaagt -,
nieuwe mensen die leven in een creatieve relatie met God.

Daar werken we aan in ons leven
daar bouwen we als we hier luisteren naar Zijn woord.
We groeien in die verbondenheid
als wij het Brood van de Eucharistie gaan eten
en als het goed is gaan we zo steeds meer op Hem lijken.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor