• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

23 augustus: Tot solidariteit geroepen

[print]

21e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jozua 24,1-2,15-18; Nooit zullen wij de Heer verlaten

  • Efeziërs 5,21-32; Dienstbaar en vol liefde

  • Johannes 6,60-69; Dit woord is hard

De Eucharistie is het grote mysterie dat wij iedere week vieren
en altijd weer in zijn diepste betekenis overwogen mag worden.

We lazen nu vijf weken lang
uit een van de meest diepzinnige hoofdstukken
van de Bijbel: Johannes’ zesde hoofdstuk.

Het speelde ná de wonderbare broodvermenigvuldiging.
Na dat bijzondere teken volgt Jesus’ lange toespraak
waarover Johannes, de jongste leerling ons schrijft.

Hij haalt daarbij de oude verhalen
uit de Wet van Mozes en de profeten in herinnering.
Het verhaal over de joden die morden in de woestijn
en toch het Manna troffen om zich mee op de been te houden.
Iedere dag voldoende.

We horen ook het verhaal over de profeet Elia in de woestijn
die ontmoedigd was en niet meer wilde leven:
hij zei dat met even zo veel woorden tegen God.
‘Het wordt mij teveel, Heer, laat mij maar sterven’.
In het verhaal wordt hij door een engel aangestoten
die zegt: STA OP EN EET!
En er kwam weer leven in zicht: Elia staat op en eet
en ‘gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en veertig nachten
tot hij de berg van God bereikte’.

En dan nu als eerste lezing het verhaal van Jozua die zijn mensen toespreekt
die enthousiast reageren: ‘nooit zullen wij de Heer verlaten.’
Ik kom er straks op terug.

We lezen vandaag voor het laatst dit jaar uit Johannes 6
en horen de slotregel:
‘ willen jullie soms weggaan?’.
Waarom zo’n cru slot?
Het is omdat Jesus gezegd had:
WIE MIJN VLEES EET ZAL LEVEN.

Al het vorige was bedoeld om bij deze conclusie uit te komen:
WIE MIJN VLEES EET ZAL LEVEN.
En dan moeten we toch iets uitleggen.
Het woord dat voor ‘eten’ wordt gebruikt
klinkt in de grondtekst nog erger dan in het Nederlands.

Er wordt voor het eten een woord gebruikt
dat alleen maar wordt gebruikt
als er gesproken wordt over een roofdier
dat zijn prooi verscheurt.
Letterlijk vertaald staat er dus:
‘WIE MIJN VLEES VERSCHEURT ZAL LEVEN.’
Allicht dat de hoorders van Jesus’ woorden schrokken.

Maar het staat er niet voor niets zoals het er staat.
Er wordt door dit afstotende woordgebruik
naar een geheim verwezen.
Het geheim van Jesus’ dood!

Deze mens zal immers worden vernietigd,
door zijn vijanden,
als door roofdieren worden verscheurd.

Dat zal de uiteindelijke aanstoot zijn
de ergernis waar velen niet tegen zullen kunnen.

Toen Jesus begon te preken waren vele reacties weliswaar afwijzend
maar ze bleven nog binnen de perken.
Vele hoorders geloofden Hem niet en zeiden:
‘Is dit niet Jesus, de zoon van Jozef?’
Ze geloofden niet dat deze mens van betekenis kon zijn
voor hun eigen leven,
ze geloofden waarschijnlijk helemaal niet
dat een ander mens voor hen belangrijk kan zijn.
Maar dan wordt het 6e hoofdstuk van Johannes
besloten met die wrede tekst die ik u net uitlegde.

De mensen die Jesus’ woorden
over het brood van de Eucharistie voor het eerst hoorden
zijn verbijsterd, geërgerd, ja woedend:

‘Dit woord is hard, wie kan dit aanhoren’.

Dramatisch is het besluit van Johannes’ 6e hoofdstuk:
‘ten gevolge hiervan trokken velen
van Zijn leerlingen zich terug en verlieten het gezelschap’.

Wij stellen ons dat graag anders voor.
Jesus sprak en iedereen was enthousiast.
Zo was het allerminst.
Het woord van Jesus was hard,
zijn getuigenis was een ergernis.

Het is ontroerend te horen hoe braafjes
alle volgelingen van Jezus’ naamgenoot Jozua
(de opvolger van Mozes)
zeggen dat ze alle woorden van God
die ze gehoord hebben zullen doen.
Hun aanhankelijkheid aan de Heer is opvallend:
‘nooit zullen wij de Heer verlaten’.

Het overtuigt echter niet helemaal:
het klinkt een beetje als een klein kind
dat zegt dat het nooit
het huis van zijn vader en moeder zal verlaten.

We weten dat de geschiedenis van God met de mensen
ons andere dingen te zien heeft gegeven.
Het zal de volgelingen van Jozua, van Mozes indirect,
niet meevallen trouw te blijven aan hun roeping.
En dat hoeven wij hen niet te verwijten:
mensen, alle mensen, ook wij
balanceren nu eenmaal tussen trouw en ontrouw.
We willen het goede maar we doen vaak het kwade.

Wat moeten wij dan met de roerende aanhankelijkheidsverklaring
die de volgelingen van Jozua ten beste geven?
Antwoord: beseffen dat alle menselijke goede wil
zijn waarde heeft. Maar dan alleen
omdat er een Ander is die alle menselijke goede wil aanvaardt
en ondersteunt: de Ene ware God
die zelf werkelijk trouw is
en het werk van Zijn handen niet los laat.
Hij kan de mensen niet eens loslaten
al zou Hij dat (bij wijze van spreken) willen.

Samen zijn wij kerk in deze parochie…
Het is goed dat wij steeds
tot de orde geroepen worden rond het woord van God.
Hij is degene die trouw is en het werk van Zijn handen niet loslaat.
Dat is de zekerheid waarop ook wij kunnen bouwen.

En dat vonden wij ook in Jesus’ toespraak al aangegeven:
‘Denk eraan’ -lijkt Hij ons te zeggen-
‘zoals je brood nodig hebt iedere dag opnieuw,
zo wil ik in het teken van het brood duidelijk maken
dat het echte leven de verbondenheid is met mij
en de Vader met wie ik één ben.

Als je bij deze God wil horen zul je zelf ook veel moeten verlaten:
je zelfverzekerdheid moeten prijsgeven, moeten lijden met de lijdenden,
alleen zijn met de eenzamen, solidair zijn met de mensen die die solidariteit nodig hebben. Actie is dus geboden,
Eucharistie vieren is geen vrijblijvende zaak,
we worden gesterkt maar vooral roepen tot solidariteit
met alle mensen in nood. We herinneren we ons nog hoe
enkele jaren terug onze joodse medeburgers herdachten
hoe zeventig jaar geleden hier op de westergracht
hun medejoden werden bijeengedreven en afgevoerd naar de kampen.
We hebben toen onze solidariteit laten zien door met hen mee te lopen;
rabbijn Spiro heeft gezegd dat hij dat erg op prijs stelde.
Dat was in 2002. Maar ook in deze dagen worden we opgeroepen
onze Heer te volgen in zijn dienstbaarheid en liefde voor onze naasten.

En Paulus roept ons op tot dienstbaarheid aan elkaar
(de vertaling ‘onderdanigheid’ is slecht) maar vooral
(en dat zegt hij dan tegen de mannen) veel van elkaar te houden:
evenveel als Christus van zijn Kerk (zijn mensen) houdt nota bene!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor