• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

14 februari: Je opdracht ligt voor je

[print]

1e Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Deuteronomium 26,1-10

  • Romeinen 10,8-13; Het woord is dichtbij

  • Lucas 4,1-13

Het klassieke joodse gebed,
het kerngebed dat iedere jood kent
begint met de woorden ‘HOOR ISRAËL’.
In de synagoge gaat iedereen als die woorden klinken, staan
(zoals bij ons bij het evangelie)
opdat iedereen beseffen kan:
Het gaat om mij:
mijn volk wordt aangesproken,
IK wordt aangesproken..
hopelijk doe ik mee.

Het gaat, beste parochianen, in synagoge moskee en kerk
altijd om jou zelf.

– Iedere generatie opnieuw
zal zich moeten bezinning op zijn eigen taak,
– iedere mens zal zich steeds weer opnieuw moeten bezinnen
op het doel van zijn eigen bestaan.

En om daarbij geholpen te worden
zijn er de veertig dagen die we nu meemaken samen:
dagen van bezinning en ernst,
voorbereiding op Pasen,
de opstanding van de Heer
maar ook op het opstaan van
ieder van ons, van u en van mij
zodat we weer kunnen zeggen:
hier sta ik, ik ben beschikbaar
ik wil er zijn voor U Heer
en voor allen die U op mijn levensweg brengt.

We lazen vandaag uit het belangrijkste boek
van het eerste testament, het boek Deuteronomium.
U zou het eens moeten nalezen thuis.

Het is het boek bij uitstek over
de roeping van de mens persoonlijk.
Om die te kunnen kennen
moet je tevoren enkele dingen weten.

Het boek Deuteronomium speelt nog in de woestijn
waarin de woorden van God klinken
maar er is al land in zicht
want ze zijn aan het einde van hun reis
en moeten de rivier de Jordaan over.

Voor ze dat doen scherpt Mozes zijn mensen
nog één keer in waar alles nu om draait.

Besef TEN EERSTE dat je het feit dat je hier staat
aan je God te danken hebt
die je bevrijd heeft uit het duffe bestaan van alle dag
-uit Egypte noemt de Bijbel dat ook-
en jou geroepen heeft om mee te doen met Hem.

En weet TEN TWEEDE
Je hoeft niet meer ver te gaan zoeken
de woorden die God sprak hebben geklonken op de Sinaï,
nu is het wachten op mensen die antwoord geven:
alles hangt nu van jou van zelf af:
wil jij zo’n mens te zijn?

En TEN DERDE:
je zult niet te hoog van de toren moeten blazen.
Dat hoorden we vertellen in de geloofsbelijdenis
die tot ons kwam in de eerste lezing.

Ieder mens is maar gewoon een mens, een zoeker, een zwerver.
‘Mijn Vader was een zwervende Arameeër’
en zelf ben ik ook een zwervende, zoekende, onzekere mens.

Maar mijn leven heeft zin
want Hij roept mij… Hij heeft mij nodig.

Alle evangelisten zijn het er over eens dat Jesus Messias,
als Hij in de rivier de Jordaan, de grensrivier, heeft gestaan
om zich door Johannes te laten dopen …
terug moet naar de woestijn… waar vanuit Mozes
stond te kijken naar het nieuwe land.
Jesus ging naar de woestijn, neen niet om daar
een rustige retraite te houden, maar om opnieuw
verbonden te worden met de God van Israël
die zijn volk in de woestijn tot trouw heeft geroepen.

Iedere generatie opnieuw
zal -zeiden we immers- de oude woorden
van de tien geboden die daar geklonken hebben
opnieuw moeten horen. En dat gold ook voor Jesus.

En we volgen Hem op de eerste zondag van de vasten naar die woestijn.
En we horen spreken over onze Messias
die, net als wij vragen heeft
en die, net als wij,
met alle bekoringen waar wij mensen maar al te gemakkelijk
in kunnen vervallen, te maken krijgt.

Een verhaal om serieus te nemen en niet om direct al te zeggen…
o, ja dat kan Hij wel aan. Onze Heer is mens met de mensen,
dat betekent dat de beproevingen van Hem ernstige beproevingen zijn.

Er worden er drie genoemd.

DE EERSTE is de bekoring van het egoisme
‘Maak van deze stenen brood en eet… alleen’.

Het is de bekoring om gewoon maar te vergeten
hoe het met andere mensen is.
Dat bijv. de arme mensen van de sloppenwijken van Calcutta
aan Amerikaanse handelaren voor een klein prijsje één hun nieren verkopen,
je hebt immers aan één nier genoeg.

De mens die dat vergeet heeft rust:
hij heeft geen last van de anderen,
hoe komt er gewoon niet toe
om te delen en te breken.

DE TWEEDE bekoring is de bekoring van de macht.
‘Kies voor de bestaande orde,
betoon je respect aan degenen die nu de macht hebben’
is de bekoring die in Jesus’ tweede beproeving aan de orde is.
‘Alles is van jou als je neervalt en mij aanbidt.’

Je doet dan afstand van iedere kritische zin
in je relatie tot het wereldgebeuren.

Jesus laat zich geen zand in de ogen strooien,
Hij zal niet buigen voor de bestaande machtsstructuren
zoals Satan die graag in stand houdt:
Hij zal zijn trawant niet worden.

Hij zal niet vanaf een positie ver boven anderen
op ze neer kijken maar juist afdalen naar beneden
en daar zijn weg gaan van solidariteit en trouw
langs de kleinen en de minsten.

DE DERDE bekoring
vindt volgens Lucas in Jeruzalem plaats. Bij de tempel, bij het heiligdom.

Nu komt onze manier van omgaan met God aan de orde.
Wat betekent onze band met Hem, die alle eer verdient, werkelijk.

‘Werp u vanaf deze plaats naar beneden’
raadt de tegenspeler aan.
‘Er staat immers geschreven:
-in de psalm die net als tussen-zang heeft geklonken-
‘aan Zijn engelen zal Hij omtrent u het bevel geven
u te beschermen.’

Maar Jesus wil de Schrift niet misbruiken.

Gaan met God en opgaan naar Jeruzalem houdt iets anders in
dan je blind storten in de armen van de Eeuwige.

De ware opgang naar Jeruzalem zal
betekenen dat Hij de juiste weg zal volgen
die door Hem gegaan moet worden.

Een weg van dienst,
een weg van ‘je leven verliezen om het te vinden,’
een weg langs de mensen beneden.

Jesus heeft de Satan weerstaan
en gekozen voor trouw aan Gods opdrachten
aan zijn Tora.
Jesus heeft de Tora, de Wet van Mozes,
van Genesis 1 tot en met Deuteronomium 34 goed verstaan:
Het verhaal van Abrahams roeping,
van de Uittocht uit Egypte,
van de leer-tocht door de woestijn vanaf de Sinaï-berg

is Zijn verhaal geworden.

Hij heeft gestaan waar Mozes stond aan de jordaan.
Hij nam zonder aarzelen de goede woorden in de mond:

‘de mens leeft niet van brood alleen.’

‘De Enige, uw God, zult Gij aanbidden
en Hem alleen dienen.’
en
‘Gij zult de Enige uw God, niet op de proef stellen.’

Het Paasfeest ligt in het verschiet,
Jeruzalem ligt aan den einder.

Jesus zal zijn opgang naar het heiligdom volbrengen,
Hij zal de berg opgaan van Golgotha
en het offer aller offers volbrengen.

De andere evangelisten vertellen ons
dat Jesus na de drie beproevingen
door de engelen wordt gediend. Lucas laat dat weg,
zijn evangelie eindigt een beetje dreigend:
‘de satan ging van hem heen
tot de vastgestelde tijd.’

Wanneer zal dat zijn?

Ik denk dat het slaat op Jesus’ strijd in de hof van olijven.
Nog eenmaal is er de angst en de twijfel:
‘Vader als het mogelijk is laat
dan deze kelk aan mij voorbijgaan.’
En misschien ook later nog een keer
als Hij hangt aan het kruis
en vertwijfeld en wanhopig uitroept:
‘God mijn God, waarom hebt U mij verlaten.’

Pas als Hij zijn moeilijke, goede weg gegaan is
tot het allerlaatste toe
komen de engelen waar de duivel over spreekt aanzetten.
Op Pasen, de dag van de bekroning van Jesus’ leven.

Pas dan mag Jesus zich laten vallen
in de armen van de engelen van de levende God.
Pas dan mogen de engelen komen
om hem te dienen en tot koning te kronen.

De gewone Christen die zijn eigen kleine weg gaat
zal, net als zijn meester
ook de weg door de woestijn moeten gaan.

Hij zal zo pijnlijk ervaren dat hij inderdaad
maar een arme zwerver is die bevrijding nodig heeft.

En daar staat hij dan,
daar staan wij dan.
Hulpeloos, weerloos, onzeker, aarzelend.
Maar dan komt er hulp aangesneld:
want de boodschap van het evangelie is:
hoe hulpelozer wij staan in onze tijd
hoe beter dezelfde God die ook Jesus trouw was
ons tegemoet kan treden
hoe dichter Hij ons kan naderen,
en hoe intenser Hij onze God kan zijn
die ons leven vervult.

En Hij heeft zijn eigen Zoon uitgezonden
om met ons mee te wandelen, van dag tot dag.

Hij zal onze gids zijn
bij onze eerste aarzelende stapjes in dit bestaan
als wij in zijn naam gedoopt worden
tot de laatste stap die wij overschrijden zullen
als wij sterven.

En antwoorden wij ieder in ons hart:
Hier ben ik, ik ben tot uw dienst.
Hij zegt: ‘Je opdracht ligt voor je, ga aan de gang!’

Hein Jan van Ogtrop, pastoor