• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

10 april: De tegenkrachten weerstaan

[print]

3e Zondag van Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 5,27-41; De leerlingen volharden samen

  • Johannes 21,1-19; Simon, hebt gij mij waarlijk lief.

Iets verbieden is de manier om iets aantrekkelijk te maken.
Dat merkten de joods overheden die de apostelen het preken wilden beletten.
Dat mochten ze niet, een aantal verraders, die heb je altijd ook in de kerk,
-ik heb de memoires van pater van Kilsdonk gelezen- had hen aangebracht.
Toen de leerlingen van Jesus werden aangebracht bij de tempelpolitie
was er grote paniek bij de hogepriesters en farizeeën. Wat moesten ze met die lui?
De meesten wilde harde maatregelen maar één niet: Gamaliël.
De mensen die vrijdagmorgen in de kerk waren hoorden over hem.
Terwijl iedereen zich opwond zei hij, heel wijs:
‘ Maak je toch niet dik, laat je niet in met deze mensen;
laat hen begaan.
Want als het mensenwerk is wat zij willen en doen,
zal het op niets uitlopen;
maar komt het van God dan kun je toch niet tegen hen op
en blijf je je verzetten dan zou zelfs kunnen blijken
dat je je zich tegen God verzet’ (Handelingen 5,38-39).
Gamaliël (zijn naam betekent: ‘God heeft mij goed gedaan’)
was een kleinzoon van de beroemde schriftgeleerde Hillel,
zelf ook een schriftgeleerde en van de partij der Farizeeën,
een kleinzoon van Rabbi Hillel,
van wie veel uitspraken in de Joodse Talmud staan.

Hij was een wijs man, in zijn schoolklas had ook een jongetje gezeten
die Saulus heette, de latere apostel Paulus.
Volgens een christelijke legende zou Gamaliël in het geheim christen geweest zijn.
Volgens de joodse traditie was hij een van de meest beroemde schriftgeleerden.
Hij was onder de indruk van de kracht van de christenen: hoe hadden ze die gekregen ?
Van zichzelf zomaar.. neen van God en van Zijn gezondene Jesus.
Hij had ze, dat hoorde u in het evangelie,
na zijn dood weer op de been had gebracht.

Aan de voorspraak van Gamaliël is het te danken
dat de apostelen Petrus en Johannes werden vrijgelaten door de hoge raad
en daarna weer gaan preken, dat hoorde u vandaag.
Dat enthousiasme was niet zomaar vanzelf gekomen.
Het evangelie vertelt hoe dat vlak na Jesus en opstanding gegaan was.
Petrus en zijn vrienden zien het niet meer zitten:
‘laten we maar weer gaan vissen’, ‘ja wij gaan mee.’ Daar gingen ze.
De vissers bij het meer zwoegden eerst tevergeefs, zonder resultaat.
Maar dan blijkt dat de Verrezen Heer
zich hun lot aantrekt.
Hij vraagt hen: ‘Hebben jullie soms wat vis?’

Een vraag van God, een vraag van Jezus in de bijbel
is nooit zomaar een vraag om wat informatie.
Het zijn vragen die een mens bij de waarheid, bij de essentie willen brengen. ‘Adam, waar ben je?’ vroeg God aan de eerste mens.
Maar Adam had zich verstopt, uit schaamte. ‘Kain, waar is je broer?’
Kaïn weet maar al te goed waar zijn broer is,
maar hij probeert de vraag van God te ontlopen.
‘Maria Magdalena, waarom huil je?’ want door verdriet overmand
zoekt zij de Levende bij de doden.
‘Hebben jullie soms wat vis?’ vraagt Jezus aan de vissers,
en die antwoorden, na een nacht vergeefs proberen, kortaf met ‘nee’.
Maar de vreemdeling op de kant slaagt er op de een of andere manier toch in
hun moedeloosheid te doorbreken.

Nadat ze –op Jesus’ aanraden- het net aan de andere kant hadden uitgegooid;
nadat ze dus nieuwe mogelijkheden van verzamelen hadden gehanteerd
zijn ze niet meer bij machte het net op te hijsen, zoveel zit er in.

De vissers bij het meer van Tiberias
zullen het Goede Nieuws van Jezus gaan verkondigen
en geen gewone vissen meer ophalen maar mensen
opvissen en vertellen over Jesus en de nieuwe kansen die Hij hen geeft.

We horen zo het verhaal van gelovige mensen van alle tijden,
die nu eenmaal niet altijd meteen zien,
misschien door de harde werkelijkheid van alledag
niet eens meer echt rekenen op de steun van de Heer.
Maar ineens ontdekken ze: Hij is nabij! Hij had geholpen:
een net vol door het aan de andere kant te proberen.

De vissen: 153. Waarom dat getal ?
In Engeland is een kostschool in de buurt van Londen
die altijd precies 153 leerlingen aanneemt
als verwijzing naar dit verhaal.

Het is volgens een mening precies het aantal volkeren
dat in Jesus’ dagen bekend was.
Maar er is nog een diepzinniger oplossing voor het mysterie van de 153.

Welnu bisschop Augustinus helpt ons.
Ik heb het gisteren nog op mijn rekenmachientje nagerekend en het klopt.
Als we de getallen vanaf 0 opklimmend naar boven
achtereenvolgens bij elkaar optellen, 0+1+2+3 enzovoorts
komen we op 153 terecht als we bij het getal 17 zijn aangekomen.
En dat is een heilig getal: 10 + 7.
10 is het getal van de Wet, de 10 geboden
en 7 het getal van de Heilige Geest
die zijn zeven gaven geeft, vandaar ook 7 sacramenten.

U mag al die sommetjes weer vergeten
maar de kernboodschap is duidelijk:
rond Jesus komt een nieuw volk in zicht
van mensen trouw aan de Wet,
vervuld van de gaven van de Heilige Geest.

Jezus had zijn leerlingen om vis gevraagd, maar
zag Petrus toen hij aan land kwam tot zijn stomme verbazing,
die ligt al klaar. Jesus heeft al een vuurtje aangestoken
en is al wat vis aan het braden.

Wat is daar nu weer mee bedoeld?
Dat de mens niet alleen leeft van wat hij zelf aandraagt,
maar van wat hem van Godswege is bereid.
En daarna mag hij ook het zijne aandragen:
‘Breng de vissen die JULLIE gevangen hebben aan land.’

Simon Petrus is het die de vissen aan land brengt.
Jezus geeft Petrus het vertrouwen dat hij nodig heeft,
om verder gaan met zijn werk.
Een vertrouwen, dat op liefde gebaseerd is.
En een opdracht, die met liefde te maken heeft:
‘zorg voor mijn kudde’, draag Gods liefde voor mensen uit.
Er zijn lammetjes en schapen: kleintjes en groten.

Daar hoort spijt bij over de fouten en nalatigheden
maar ook de wil om weer door te gaan.
Petrus die hem ontrouw was geworden -tot driemaal toe-
krijgt weer een nieuwe kans.
‘Heb je mij waarlijk lief’ wordt hem gevraagd. Driemaal!

In de prachtige Johannes passie
gecomponeerd door Mgr. Valkestijn die hier op de goede vrijdag klonk
werd naar muzikaal naar dit evangelie verwezen.

Als Jesus alleen staat voor zijn vervolgers
en Petrus tot driemaal toe zegt
dat hij hem niet kent zingt het koor al stilletjes
de vraag die we vandaag hoorden tussendoor:
‘Simon hebt ge mij waarlijk lief?’

Een vraag die steeds opnieuw,
misschien meer dan driemaal
ook aan ons, vooral aan ons, gesteld mag worden:
of wij Hem werkelijk lief hebben onze Heer.

Petrus zal wil hij zijn heer ontmoeten opnieuw moeten beginnen,
naakt als het ware net als wij
en daarna zal hij een brede zee moeten overzwemmen
om hem te bereiken
en tot driemaal toe de test-vraag doorstaan.

Willen wij als kerk onze Heer weer ontmoeten
dan zullen wij ook heel wat bescheidener moeten zijn
dan wij tot nu toe waren.

We zullen onze fouten mogen en moeten erkennen
om Jesus als onze Heer eerlijk tegemoet te treden
om dan de vraag ook weer herhaald gesteld te krijgen:
ben je werkelijk gelovig geweest zoals dat hoort…
‘heb je mij waarlijk lief.

Als we fouten durven erkennen,
de vernedering aandurven zoals ook Petrus die zo dapper heeft doorstaan
kunnen wij opnieuw ‘van de Heer’ worden,
opnieuw aan het werk gaan en anderen er bij gaan roepen.

De weg van de solidariteit met zijn Heer
zal Petrus uiteindelijk brengen
tot het meest duidelijke getuigenis, het martelaarschap.
En op een heuvel, nu niet in Jeruzalem maar in Rome,
zal het kruis opgericht staan waaraan Petrus geslagen werd,
volgens de traditie met zijn hoofd naar beneden
omdat hij zich niet waardig achtte
dezelfde houding aan het kruis aan te nemen als zijn Heer.
Een nieuw volk is ontstaan met Petrus
als bewaarder van de vissen die in zijn net gevangen zijn.

Gamaliël was onder de indruk van de kracht
van de jonge christenen van toen
ook wij weten nu waar onze kracht zit:
niet in onze geweldige prestaties
maar in de Heer die ons, u mij aanvaardt
ons activeert tot onverwacht nieuwe dingen
steeds weer, ook vandaag.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor