• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

5 februari: Hij doet het met ons…

[print]

5e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 58,7-10

  • 1 Korintiërs 2,1-5

  • Mattheüs 5,13-16

God heeft vertrouwen in mensen.
In de kerstnacht hoorden wij het zingen:
‘vrede op aarde aan de mensen OP WIE GOD ZO GEK IS
(een beetje vrij vertaald)
Dat horen wij in de bergrede ook.
Het vertrouwen dat Jesus in Zijn leerlingen heeft is enorm:
‘jullie zijn het zout der aarde en het licht der wereld.’
Weet Hij wel wat voor een vlees Hij in de kuip heeft,
je zou bijna denken dat Hij het hatelijk bedoelt.

Later zal Hij zeggen:
‘op jou Petrus zal ik mijn kerk bouwen.’
(als er iemand wankel en onzeker was, was hij het wel).

Nog later, in de hof van olijven zal Hij tot zijn vrienden zeggen:
‘WEEST WAAKZAAM MET MIJ EN BIDT’
Hij heeft het nog niet gezegd of ze vallen in slaap.

Wist de Heer echt niet hoe zwak mensen zijn?
Was Jesus naïef? Wist Hij niet beter.
Waren de apostelen, zijn leerlingen toen,
en zijn wij, Zijn leerlingen van nu, dit vertrouwen wel waard ?
Wat zal zijn commentaar zijn op de kerk zoals die nu bestaat?
Wat voor een kerk heeft Jesus eigenlijk gewild?
Wat voor een politieke structuur stond Hem eigenlijk voor ogen?

Het zijn vragen waarop we geen antwoord krijgen
en daarom gaan mensen ze zelf maar verzinnen.
En dan geldt: hoe onzekerder ze zijn
met hoe meer stelligheid sommigen gaan zeggen
wat er volgens hen moet gebeuren om de wereld te verbeteren
en gaan uitleggen wat God (en ik spreek nu over de harde Islam)
of Jesus (en dan spreek ik over de reactionaire kerkmensen)
allemaal precies heeft bedoeld.

Het meest belangrijke,
het vertrouwen van Jesus in ons zwakke mensen,
vergeten ze allemaal o zo vlug…
want wie vindt zichzelf nu zwak.

Een verhaal:
Dostojewvski vertelt in zijn roman de gebroeders Karamasov
hoe de geloofbespotter Iwan zijn vrome broer Aljosja tart:
‘ik heb een verhaal geschreven: jij mag het als eerste horen.
Het verhaal heet: ‘de groot-inquisiteur’, een verhaal in een verhaal dus.
Inquisiteurs waren in de late middeleeuwen
kerkelijk rechters die orde op zaken moesten stellen
ketterijen moesten onderzoeken en ketters moesten aanklagen.
De groot inquisiteur uit Dostojewski’s verhaal
is een schijnbaar zeer zelfverzekerde man
die in gesprek is geweest met allerlei mensen
die de kerk zoals die in zijn dagen was
durfden bekritiseren en wilden vernieuwen.
Allemaal mensen
die de groot inquisiteur naar de brandstapel zal verwijzen.
Hij doet dat schijnbaar uit de meest edele motieven:
om de mensen te beschermen tegen onzekerheid.

Op een zeker moment echter verschijnt iemand voor hem,
een vriendelijke man die naar hem glimlacht:
het blijkt Jesus zelf te zijn
(dat kan allemaal in een verhaal).
Hij schuift de beklaagdenbank in en kijkt de groot inquisiteur liefdevol aan.

De groot inquisiteur herkent hem, schrikt eerst maar zegt dan:
‘nu ik u toch voor mij heb wil ik u wel iets zeggen.’
u hebt te veel vertrouwen in de mensen gehad,
de mensen zijn slecht en hebben leiding nodig, sterke leiding.’
Maar Jesus zegt: ‘mensen zijn goed, heb vertrouwen in hen
dat heb ik ook gehad.’
Als Jesus nog verder gaat met zijn pleidooi voor het goede
dat in alle mensen toch verscholen zit
wordt de groot-inquisiteur woedend.
‘U hebt ons veel ellende aangedaan
door de woorden die u in het evangelie gezegd hebt
U met uw vertrouwen in de mensen
U die zelfs met een tollenaar hebt gegeten
die zelfs vrouwen die niet deugden nieuwe kansen gaf,
en die -en nu komen we bij het evangelie van vandaag-
hebt gezegd: JULLIE ZIJN HET LICHT DER WERELD.

Schuimbekkend van woede tiert de groot-inquisiteur verder:
‘Mensen zijn helemaal geen licht.
Mensen zijn donker, kinderen van het duister, slecht
en ze moeten heel goed en krachtig begeleid worden
door ons kerkleiders
en streng worden gestraft als ze tegen ons ingaan:
dat eist de barmhartigheid.’

Jesus gaat in het verhaal van Dostojewski
nog even door met te vertellen
dat de mensen vertrouwen waard zijn,
dat in ieder mens iets goeds schuilt,
dat de mens door God geliefd is
en dat God de mensen graag bevestigt en bemoedigt.

Maar daarmee graaft Jesus zijn eigen graf.
Hij wordt in Dostojewski’s verhaal opnieuw veroordeeld en vermoord
hoezeer het de groot inquisiteur ook spijt.
Jesus moet weg anders valt de kerk
zoals de groot inquisiteur hem voor ogen staat
in elkaar.

II. Om de weg naar Jesus’ oorspronkelijke idealen te vinden
wordt ons dit jaar weer voorgelezen uit de Bergrede.
We mogen in die rede onze opdrachten horen maar ook meer:
hoe het tussen de mensen en God is.

De mensen zijn geliefd, de mensen mogen er zijn:
wij mogen er zijn.

Het is Gods en Jesus’ methodiek
om mensen uit te dagen,
om het beste wat er in mensen schuilt
naar voren te roepen door ze te bemoedigen en te bevestigen.

De sterken (de gezonden) hebben geen geneesheer nodig
maar de gewone mensen (wij, de zwakken) wel.
De vromen (de zekeren, de sterken)
krijgen van Jesus heel wat kritiek te horen maar…
tot een door en door slechte tollenbaar zegt Jesus:
“Zacheus, kom vlug uit je boom, ik wil bij jou eten.

Wij mensen zijn geroepen
om net als onze Heer andere mensen
te bevestigen en te bemoedigen,
om, zoals dat zo mooi in een modern gebed staat:
‘VOOR ELKAAR ZO GOED ALS GOD TE ZIJN’
zo zal het toch nog wat kunnen worden op deze wereld
waar de vrede zo’n vreselijk ver visioen lijkt.

Jesus’ Bergrede is een belangrijk handvest.
Het is het handvest van Gods nieuwe Koninkrijk
het is de blauwdruk van een menswaardige samenleving,
een nieuwe wereld die er komen kan
niet dankzij onze eigen geweldigheid
maar dankzij Gods kracht die ons zal inspireren en begeleiden
door de kracht van Zijn Heilige geest.
Die wil het aanschijn der aarde vernieuwen.

III. De zalig-sprekingen gaan over de revolutie van Godswege
van het Koninkrijk Gods dat doorbreekt, ondanks alles, in deze wereld.
Het is een geschiedenis geworden van hoop en vrees,
van voldoening en teleurstelling. Onvermijdelijk is ook de tegenwerking.
De doorbraak van het goede maakt altijd tegelijk het boze wakker.
Verheugt jullie en weest daar blij om,
want als je onder dat kwade lijdt, is jullie loon groot in de hemel.´

De eerste deelnemers aan dit hele project zijn de leerlingen.

Het zout is daarbij het wapen tegen bederf.
Het staat voor de kracht van de volharding
die alles mogelijk maakt.

Het licht verwijst naar God zelf, de Enige,
die ons licht is en ons heil.
Maar volgens Jesaja mag Jeruzalem, als stad van God,
stad van het licht heten.
Daarom horen we in onze tekst spreken over
licht op de kandelaar en… een stad op de berg.

Ook wij van de Bavo worden opgeroepen tot heiligheid,
geen pilaarheiligheid maar actieve heiligheid.

Boven onze hoofden is in de koepel van onze Bavo
dat nieuwe Jeruzalem afgebeeld.
Niet om er met eerbied naar te staren
maar om dat beneden werkelijkheid te laten worden.

In de Jesaja-verzen van deze zondag
spreekt de verkondiger het volk toe
dat juist uit Babel is teruggekeerd.
‘Jullie licht zal stralen als de dageraad
jullie kunnen het: je brood breken met de hongerige,
je genezing zal voorspoedig zijn: de glorie van de Heer zal je volgen.’

Onze goede wil, onze inzet
is niet bedoeld als lamp onder de korenmaat
maar een duidelijk getuigenis is nodig van Gods Koninkrijk van ons allen
opdat het ware licht kan stralen,
de goede werken worden gezien
en de Vader verheerlijkt wordt die in de hemel is…
dat mogen we omdat Hij ons –zoals Paulus vandaag zegt- stiekem helpt!

IV. Een gedicht van Paul van Vliet over hoe nodig wij zijn:

Als wij niet meer geloven dat het kan
Wie dan wel?
Als wij niet meer vertrouwen op houen van
Wie dan wel?

Als wij niet meer proberen
Om van fouten wat te leren
Als wij ’t getij niet keren
Wie dan wel?

Als wij niet meer zeggen hoe het moet
Wie dan wel?
Als wij niet meer weten wat er toe doet’
Wie dan wel?

Als wij er niet in slagen
De ideeën aan te dragen
Voor een kans op betere dagen
Wie dan wel?

Als wij niet meer geloven dat het kan
Wie dan wel?
Als wij er niet mee komen met een plan
Wie dan wel?

Als wij er niet voor zorgen
Dat de toekomst is geborgen
Voor de kinderen van morgen
Wie dan wel?

Als wij onszelf niet dwingen
Een gat in de lucht te zingen
Waar zij in kunnen springen
Wie dan wel?

Tenslotte:
Wat een vreugdevolle zaak,
omdat we zulke eervolle opdrachten kregen
van de God die iets in ons allen ziet
en die ons, u en mij uitdaagt, licht te zijn en troost te zijn, vandaag nog.
voor allen die wij zullen ontmoeten.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor