• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

20 augustus: Er zijn voor de anderen

[print]

Twintigste Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 56,1.6-7

  • Romeinen 11,13-15.29-32

  • Matteüs 15,21-28

Gisteren een leuk gesprek ter voorbereiding op een doop.
Ik was nog steeds ontsteld over de aanslag in Barcelona:
een jong stel… heel vrolijk.
‘Ik weet tenminste dat geloof belangrijk is om vol te houden’ zei zij
en hij –een gespierde atleet leek hij wel-:
‘Ik vind het belangrijk mij weer aan te sluiten
bij mijn geloofstraditie’ toe maar. Hij zei echt: ‘geloofstraditie.’
Hoe komt hij er op.
En ik maar denken dat we als kerken zo vaak onhandig zijn en fouten maken.
‘Ja, ik interesseer mij ook voor historie’ hij weer:
‘heb de serie over de Borghesepausen gezien’.

Nou dat was nog eens een stelletje.
Op de voorgevel van de Sint Pieter staat hun naam.
Toen we er met ons koor waren en Mgr. Punt die naast mij stond er op wees
zei hij: ‘die naam moeten zij er af halen.’

Maar hij staat er nu eenmaal.
De les van al deze dingen:
christenen maken fouten, de kerk is niet volmaakt
maar tegelijkertijd weten wij. Mgr. Punt, de doopouders en ik
dat diezelfde kerk die fouten maakt ook het allermooiste te bieden heeft
dat een mens kan vinden:
het geloof in God die mijn leven de moeite waard maakt.

Als Jesus door het land Israël gaat
komen er allerlei mensen op hem af.
Van het oude volk Israël
maar ook anderen: het heil is voor joden en heidenen.

Enkele pagina’s voor de evangelietekst van vandaag
staat het verhaal van de broodvermenigvuldiging:
Er bleven toen twaalf manden over
dat verwijst naar de twaalf stammen van Israël
en hun twaalf manden met broden in de tempel.
Jesus wil het volk Israël kracht geven.
Er is nog een ander verhaal is over een broodvermenigvuldiging in het evangelie;
daarbij blijven er vier manden over
en dat dat verwijst naar de vier windstreken,
en naar alle andere volkeren die daar wonen
en die ook door de God van Israël gespijzigd zullen worden.

Tussen die twee spijzigingsverhalen door vertelt Matteüs ons vandaag
het verhaal over een heidense vrouw
die ook door Jesus geholpen wil worden

Dat de zegen van het geloof voor de joden is, is bekend
maar mogen die heidenen er ook van genieten?
De verbazing daarover wordt serieus genomen
in het verhaal van vandaag uitgelegd.
In onze oren klinkt het allemaal wat vreemd
Jesus beantwoordt het verzoek om hulp van een heidense vrouw
in eerste instantie met de harde opmerking:
‘Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden.’
Nog erger wordt het als Jesus zegt: ‘Het is niet goed
het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven.’

Wonderlijk genoeg is de vrouw niet boos of teleurgesteld
maar vult ze Jesus’ uitspraak aan door te zeggen:
‘maar de honden mogen wel van de kruimels eten
die van de tafel van hun meesters vallen.’
Daarmee stelt ze zich open voor de bijzondere openbaring van God in Israël
en komt via die weg haar eigen verlossing in zicht.

Ze heeft de Davidszoon aangeroepen, de Messias,
en daarom moet haar ook iets van de overvloed toevallen
van de Messiaanse maaltijd.
Ze had volgehouden en later zal haar geloof
door Jesus worden geprezen.

Dat de andere volkeren er bij horen, komt ook naar voren in de eerste lezing.
Het gedeelte dat vandaag gelezen wordt dateert uit de tijd
van de terugkeer uit de ballingschap en de wederopbouw van de nieuwe tempel. Een nieuw begin voor een kleine groep teruggekeerde ballingen.
Die zullen weer op hun trouw getoetst worden aan de Enige.
‘Welzalig de sterveling die het recht onderhoudt,
het mensenkind dat daaraan vasthoudt.’ (vs. 2)

Jesaja bemoedigt zijn eigen volk: de eigen kern.
‘Houd vol’ lijkt hij te zeggen,
naar ons vertaald:
‘wanhoop niet kleine kerk,
wees trouw aan je opdracht:

God heeft ons nodig: zo’n eigen kern van getrouwen
die zijn naam hooghouden.
‘Gedenkt de sabbat. Wees trouw aan het woord van de Heer.’

Maar ze/wij dus mogen NOOIT denken dat zij/wij dus de enigen zijn
die door God worden bemind. Anderen zijn zeker zo belangrijk!
‘Laten de vreemdeling en de zwakken,
laten ze alsjeblieft niet zeggen (en laat niemand het over hen zeggen)
dat ze niet inbegrepen zijn in het heil en de gerechtigheid van de Heer. ‘

Het is juist Gods wil dat de joden, de getrouwe gelovigen van oudsher,
er zijn voor de anderen en met name voor de niet zo zekeren
dat ze zich ook kunnen aansluiten bij Gods volk.

We hoorden het in de eerste lezing:
‘De vreemdelingen die de Heer willen dienen
breng ik graag naar mijn heilige berg.
Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed
en hun brand- en slachtoffers zullen mij aangenaam zijn
als zij ze op mijn altaar willen brengen.’
En in later dagen horen we zeggen
dat Gods gebedshuis is zo wijd als de wereld.
In de tempel (‘daar staan de zetels van het recht’, Ps. 122),
er is principieel plaats voor alle volkeren.

En nu ga ik iets ingewikkelds zeggen.
In het verhaal van God met de mensen
mogen wij nooit vergeten dat wij als christenen zelf ook nieuwkomers zijn.
Nooit mogen wij, horend bij die volkeren waar volgens Jesaja ook plaats voor is vergeten hoe het begonnen is, De Samaritaanse vrouw in het Johannes-evangelie zei het al:
‘Ik weet het, het heil is uit de joden’ Joh. 4,22) en

Jesus’ schijnbare onvriendelijkheid tegenover de niet joodse vrouw
is niet bedoeld om haar voor gek te zetten
maar om alle gelovigen van alle eeuwen
niet te laten vergeten dat het heil uit de joden is
en het je als een genade ten deel valt.

Christenen hebben zich tegenover de joden altijd erg arrogant gedragen
hoewel ze nieuwkomers zijn. Het evangelie van vandaag
wil ons tot bescheidenheid te manen: ‘je bent welkom maar weet
dat je eet van de kruimels die van de tafel zijn gevallen.’

Weet dat je welkom bent en dat God van alle mensen houdt:
van de oude getrouwen èn de nieuwkomers: van de stuntelaars en de sterken
van de talentvollen en de minder begaafden:
geloof is een genade die je om niet ten deel valt.

God houdt niet van ons omdat wij zo geweldig zijn
maar omdat met ons, te vaak falende mensen
toch zijn plannen door wil zetten om een nieuwe wereld te scheppen:
een wereld van vrede en liefde ondanks alles.
Wij mogen daar in geloven, en als wij dat niet meer doen wie dan wel?

Houden wij elkaar vast, bemoedigen wij elkaar en troosten wij elkaar.
Het is een eer als we dat mogen doen.

Het is een eer als wij dat ook voor de jonge doopouders
die het fijn vinden weer in te haken bij de oude geloofstraditie
maar ook voor nieuwe gasten.
Laten wij samen zoveel mogelijk mensen in onze stad
en van daarbuiten troost en gastvrijheid bieden!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor