• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

15 oktober: Van gasten wordt ook iets verwacht

[print]

28e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 25,6-10a

  • Filippenzen 4,12-14.19-20

  • Matteüs 22,1-14

Het sombere slot van het evangelie klinkt nog na:
geween en geknars der tanden. Daarover straks.
We beginnen opgewekt: God is een geweldige gastheer!
Eerder bourgondisch dan jansenistisch.
Daar zijn joden (en vooral katholieke) christenen het over eens.
Is het niet kostelijk om in de eerste lezing van vandaag
te horen spreken
over vette spijzen en uitgelezen wijnen.
In de Talmoed kan men een uitleg vinden bij Jes. 64, 4:
´Geen oog heeft gezien, O Heer, buiten U, wat Hij bereid heeft
voor hem die op Hem wacht en wat is dat dan:
Het is de wijn die bewaard is in de druiven
sinds de zesde dag van de schepping.´

Er klinkt bruiloftsmuziek naar ons toe
als we de parabel ter hand nemen.
We vinden parallelle teksten bij collega-rabbijnen van Jesus.
Ook de man die geen bruiloftskleed aan heeft, komt bij hen voor!
En in het bijbelboek Prediker krijgen mensen
die van God willen zijn krijgen ook een kledingadvies:
´Laat op ieder tijdstip uw klederen wit zijn
en olie op uw hoofd niet ontbreken´(Pr. 9, 8).

God is in de Bijbel de bruidegom die gasten nodig heeft voor zijn feest.
Het verhaal vertelt daar onmiddellijk achteraan
dat de gasten niet willen komen.
Dat is nou toch ook wat.
Er is een feestje en je komt niet.
Toch is dat niet vanzelfsprekend: dat je komt.
Om aan een uitnodiging gehoor te geven is vaak moeilijk:
je moet losbreken uit je gewone sleur.

Het evangelie vertelt over mensen die niet willen komen.
Niet dat ze niet kunnen komen
maar ze hebben het gewoon te druk met hun normale bezigheden
en die moeten voorgaan.

Zij staan voor de mensen die door God uitgedaagd worden
maar daar gewoon geen consequenties trekken.
God daagt ze uit om antwoord te geven op zijn roepstem
maar ze doen dat niet.

Jesus vertelt dit verhaal als een aanklacht
tegen sommige oude getrouwen van Israël:
kennelijk hebben die niet actief genoeg gereageerd op zijn prediking.
Later voegt Mattheus er nog die verwoeste stad aan toe,
verwijzend naar de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70.
Dat wordt dan uitgelegd als straf voor de joden die Jesus verworpen hadden
(niet allemaal natuurlijk: alle christen van de oerkerk waren joods).

De lezers van het verhaal in de vroege kerk
zijn mensen uit de joods-christelijke gemeenschap van de eerste eeuw.
Mensen die wel hebben gereageerd op Jesus prediking.
Die mensen kunnen met enige tevredenheid luisteren
want ze zijn gekomen.
Net zoals alle kerkgangers die op zondag de moeite nemen om te komen
u dus! En wat zijn we blij met u! We kunnen u niet missen:
mensen die tijd kunnen vrij maken om hier aanwezig te zijn.

Nou, dat heb ik genoeg gezegd:
we zijn blij dat u er bent.
Maar nu het vervolg van het verhaal.
Matteus weet dat zijn lezers trouwe christenen zijn
joden-christenen om precies te zijn.
Mensen die de wet van Mozes kennen
en die daarbij nog hebben ontdekt
dat Jesus degene was die die Wet precies heeft volbracht.
Net zoals u in deze wereld hebt ontdekt
dat het de moeite waard is om te geloven.

Maar nu komt het er op aan:
voordat de lezers van Matteus
(of wij hier) gaan knorren van zelfgenoegzaamheid:
‘wat is het toch fijn dat we God hebben geantwoord,
dat we nog de moeite nemen om naar de kerk te komen’
op het moment dat zulke gevoelens bij ons naar boven gaan komen
komt er in het verhaal een andere sfeer.
We horen plotseling spreken over een man zonder bruiloftskleed
die niet naar binnen mag.
‘Dat is nou niet aardig God, u bent geen goede gastheer.

Ho ho, mag God gastheer zijn zoals Hij wil?
Wij zagen een van de vorige zondagen al
dat hij in de wijngaard aan iedereen een geweldig loon geeft
ook al komen ze eventjes binnenstappen om een halfuurtje te helpen.

Hij is een eigenzinnige gastheer.
Hij is vriendelijk en royaal
maar altijd heeft hij bijzondere verwachtingen
van de mensen die aan zijn uitnodiging gevolg geven:
ze zullen voor de bruiloft gekleed moeten zijn.
Bij de joden was de gewoonte dat er bruidskleren klaar lagen
bij de ingang van de zaal.
Je hebt dus geen excuus dat je niet tijdig je keurige pak aankreeg.
Door het bruidsgewaad kunnen anderen aan jou zien
dat je een bruiloftsganger bent.

Als Godgelovigen zullen wij –als het goed is- anders zijn dan anderen.
Neen, niet beter maar wel optimistischer.
Wij zullen mensen die in de put zitten
er niet in laten zitten maar hoop bieden en troost.

Als feestgangers bij Gods bruiloftsfeest
zullen wij anderen ook het licht in de ogen gunnen:
er meer op uit zijn –zoals Franciscus dat in zijn gebed zegt-
er meer op uit zijn te geven dan te ontvangen,
er meer op uit zijn te troosten dan getroost te worden.

Wij zijn als mensen die er toevallig bijgehaald zijn,
als gewone mensen die ook vaak aan de sleur van alle dag toegeven
van de straat van onze saaiheid worden weggehaald

Als mensen die zelf soms ook droevig zijn en weerloos
van de straat van onze droefgeestigheid afgehaald
en naar het feest geroepen.
Daar past dus ook een feestelijke mentaliteit bij
en dat is dan ons bruiloftskleed.

Het verhaal van de man zonder bruiloftskleed
die buitengesloten wordt is geen verhaal
waaruit we moeten af leiden dat God streng is.
Dat is Hij niet. Hij wil niemand buitensluiten.
Buitengesloten wordt alleen de mens die zichzelf buitensluit
en aan het grote avontuur van het leven met de tora niet mee wil doen.

De hoorder van deze gelijkenis mag zich zelf nooit
buiten de parabel plaatsen als waarnemer.
De parabels zijn tot ons gesproken
opdat ook wij ons bekeren en daarnaar handelen.

Ondanks de ernst past deze gelijkenis goed
bij de feesten die we in onze parochie graag vieren.
Maar we zijn niet alleen een feestclub.
We zijn ook een gemeenschap van troost en bemoediging
dat blijkt bij de uitvaarten en de gedachtenisvieringen de we hier houden.

Deze weken gaan ook de uitnodigingen uit voor
2 november Allerzielen. Dan komen de mensen die rouwen
troost zoeken bij ons.
Ook in droefheid houden we elkaar vast
en proberen wij ons te gedragen
als mensen die niet zonder hoop zijn.
We troosten dan elkaar
en zingen ‘als God ons thuis brengt dat zal een droom zijn.’

Het is heerlijk te weten dat God voor ons alleen maar
heerlijke verrassingen in petto heeft
en dat Hij, als een goede gastheer, ons graag ziet.
Hij verwacht dat wij zelf gezellige gasten zijn
en zelf ook goede gastheren en gastvrouwen voor anderen.

Paulus sprak daarover, hij was dankbaar voor de solidariteit
van zijn geloofsgenoten die hem kennelijk geholpen hebben
‘ik weet wat armoede is’ zegt hij.
Wij weten dat gelukkig zou ik zeggen niet meer
maar de dankbaarheid daarvoor mag ons niet passief maken
maar juist actief. Vanuit die dankbaarheid worden we opgeroepen
te breken en te delen: God heeft ons altijd nodig
als werktuigen van zijn liefde.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor