• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

26 november: De grote ontmoeting

[print]

Christus Koning van het Heelal

Schriftlezingen:

  • Ezechiël 34,11-12.15-17

  • 1 Korintiërs 15,20-26.28

  • Matteüs 25,31-46

De laatste jaren denken we –meer dan voorheen- denken we nog
wel eens terug aan de betekenis van de eerste wereldoorlog:
een oorlog die Nederland voor een belangrijk deel voorbijging
maar die België en heel Europa hard trof.
Europa was daarna ontredderd. Honderdduizenden mensen
waren gesneuveld… wat moeten we nu dacht iedereen.
Toen, kort na de eerste wereldoorlog, heeft de Paus
het feest van vandaag ingesteld om de mensheid
tot de orde te roepen en uit te nodigen tot
trouw aan onze opdracht er te zijn voor allen die ons nodig hebben.
Bij Nederlandse katholieken, die wel van een feestje houden,
sloeg ook dit feest goed aan. ‘Aan U o Koning der eeuwen’
en ‘Christus vincit’ hieven wij aan
een lied wat vervolgt met: ‘Christus regnat, Christus imperat.’

Niemand die zich afvroeg waarom dit feest was ingesteld
laat staan of deze brallende woorden
wel pasten bij onze koning- Jesus Messias.
Hij – deze vreemde koning- had op de grond gekropen
voor zijn leerlingen en hun de voeten gewassen;
Hij had brood genomen en het gebroken:
‘ik geef mijn leven in solidariteit.’…
Hij had de wijn genomen: ‘ik vergiet mijn bloed voor een nieuw verbond.’
Solidariteit ten dode toe, bloed, dienst.. sombere woorden.

Christus Koning vieren we al zo’n 100 jaar. De vraag dient zich aan:
‘kwamen wij ooit, komen wij ooit aan deze Messias toe ?’
Het evangelie van vandaag vertelt ons hoe hij
mensen ter verantwoording roept.
Deze wonderlijke koning vraagt alleen maar
of je iets gedaan hebt voor de kleinen en de weerlozen.
Als blijkt dat je de vreemdelingen hebt geherbergd, de zieken hebt bezocht,
de hongerigen gespijzigd en de dorstigen gesterkt wordt gezegd:
“Wat je voor een van de geringsten van de mijnen hebt gedaan
dat heb je voor mij gedaan”. Het omgekeerde geldt ook
-en dat zijn de laatste woorden van het evangelie
die nog in onze oren blijven hangen:
“Al wat gij niet voor een van de geringsten hebt gedaan,
hebt gij niet voor mij gedaan…”

Neen, nu geen ‘ja maar’of ‘enerzijds anderszijds’
het evangelie geeft ons daarvoor geen ruimte.
Het is nu of nooit; het is jijzelf of niemand
het gaat om een antwoord HIER EN NU DOOR JOU.

‘Ja maar wat kan ik er aan doen’
verzucht de brave christen als hij de Ebola-epidemie ziet in Afrika.
‘Ja maar, ik heb het te druk’ klaagt de actieve Yuppie
als hij de zieke de zieke laat
laat staan dat hij de gevangenen aandacht geeft.
‘Nederland is vol’ is de smoes die iedereen direct bij de hand heeft
als menig vreemdeling die dreigt gemarteld te worden of vervolgd
tevergeefs klopt aan onze poort?
Dat hebben we meer gehoord:
– was het niet in de dertiger jaren- toen joodse mensen uit Duitsland
tevergeefs aanklopten aan onze poort.
Degenen die het geluk hadden levend terug te keren uit de kampen
hadden in ons goede brave Nederland
toch de grootste moeite hun huizen weer terug te krijgen.

De koning/ rechter uit het evangelie kent geen consideratie
hij heeft geen invoelingsvermogen in al onze ‘ja maren’
en ‘hebt u wel rekening gehouden met…..’
Hij houdt het simpel: ‘ik was hongerig, jij hebt mij niet gespijzigd,
ik was in de gevangenis, je hebt mij niet bezocht.
Ik was ziek, je hebt mij in de steek gelaten,
ik was vreemdeling en er was voor mij geen plaats…’

Abel Herzberg vertelde eens een ontroerend verhaal.
Een oude joodse man in Auschwitz wordt geslagen
tot bloedens toe.
Zijn medegevangenen staan machteloos toe te kijken.
Plotseling roept iemand uit:
‘en waar blijft God nou?’ Hij verwacht hemelse hulp.
Doodse stilte.

Het is dezelfde uitroep die op een berg in Judea klonk
uit de mond van een 33 jarige rabbi
die vermoord werd door de Romeinen.

Het antwoord dat de man in Auschwitz
van een mede-jood krijgt was:
‘daar is God, Hij wordt geslagen, Hij wordt vermoord.’

In het gelaat van de gekwetste man in Auschwitz
werd Gods eigen gelaat getoond:
in de gekwetste man op Golgotha
die ooit -met een doornenkroon op- had gezegd
‘KONING BEN IK’ was God aanwezig.

Het is een vreemde koning die wij dienen.
Hij is geen dictator, geen tiran:
hij is een herder,
een goede herder die het verloren schaap zoekt,
het schaap dat dreigt vertrapt te worden beschermt,
het gewondene heelt en het gebrokene sterkt.

Alle dingen die deze goddelijke rechter/koning belangrijk vindt
hebben te maken met de dingen van beneden.
Hij vraagt niet: ‘bezocht u een kerk,
was u ingeschreven bij een vroom of mooi genootschap,
welke politieke partij had uw voorkeur,
had u een belangrijke baan,
was u een belangrijk persoon.’
Het enige dat telt is: WAT HEB JE GEDAAN;
wat heb je gedaan voor de minsten der mijnen
want daar ben ik te vinden.

Vandaag is het kerkelijk oud-jaar:
dat wij hier in deze kerk de lofzang
al vele jaren -EN HOE – gaande houden
is een reden tot dankbaarheid.
want het is goed als we als broeders en zusters samen zijn
en ons mogen verzamelen rond deze Koning
die ons leven zin geeft
die ons leidt naar de Vader.

De vragen die Hij ons stelt zijn streng:
daarom is het goed niet te triomfantelijk feest te vieren
maar ons te blijven bezinnen op onze opdrachten.

Mochten wij te ver weg dwalen en onze opdracht vergeten
dan is Hij hier en nu ook de Herder
die ons terugroept naar onze levenstaak.

Ons leven krijgt zin:
wij leven niet voor niets.
In die zin geldt dan:
‘heil en geluk komen mij tegemoet mijn leven lang’.

Hebben wij die koning gediend het afgelopen kerkelijk jaar?
Volgende week Advent: we krijgen nieuwe kansen om het beter te doen.
Dat alles als voorbereiding op de grote ontmoeting
die ons ooit te wachten staat
als Hij aan ons persoonlijk vraagt:
‘wat heb je voor mij gedaan’?
Hopelijk staan we dan niet met onze mond vol tanden
en mogen we dan stamelen:
‘ik heb het geprobeerd, te doen wat u vraagt’
of misschien eerder: ‘Heer wees mij zondaar genadig. ‘

Hein Jan van Ogtrop, pastoor