• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

All posts by Maarten Kools

4 maart: Trouw aan onze bevrijder

[print]

Derde Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Exodus 20,1-17

  • 1 Korintiërs 1,22-25

  • Johannes 2, 13-25

Ergens tussen de Eufraat en de Tigris
waar de wereld mooi is en vruchtbaar
in een gebied dat nu deel uitmaakt van het grote land Irak
een land dat we niet paradijselijk meer kunnen noemen
lag -volgens de Bijbel- het aardse Paradijs.
Ergens in Irak, hopelijk is er geen bom op gevallen,
staat in een park een boom
met daarop een bordje:
‘dit is de boom van kennis van goed en kwaad.’
Kennis van goed en kwaad, die hebben we nog niet echt.

We hebben hulp nodig van God
om het goede te ontdekken
en het van het kwaad te onderscheiden.

Wel hebben we hulp gekregen
toen in de Sinaï
toen het volk van God de tien geboden kreeg.

Het was een uniek gebeuren…
de gave aan de mensheid van de tien geboden.
Zo beginnen ze:
IK BEN DE HEER JULLIE GOD
DIE JULLIE UIT EGYPTE HEB BEVRIJD!!
Dat woord is, volgens de Joodse telling, het eerste gebod.
Het kerngebod, waar alles aan vastzit,
het woord dat we goed in onze oren moet knopen is:
Dit woord werd in de oude katholieke en protestantse lijsten
niet meegeteld, het was geen echt gebod.
Terwijl het om de kern gaat… het woord dat je laat zien
in welk licht alle woorden die komen moeten worden gelezen:
als een programma van verlossing en vrijheid!
Wanneer zullen wij trouw zijn aan dit gebod?

God heeft ons bevrijd, God is de sterke Minnaar.
Er is sprake van een ‘Entführung aus dem Serail,
een ontvoering door God van zijn geliefde
die Hij uit het slavenhuis heeft geschaakt.
En op de vijftigste dag na die ontvoering, na de uittocht
legt Hij zijn beschermende handen
met de tien vingers van de tien geboden, op Zijn volk.
Al die geboden hebben met die unieke geschiedenis
van bevrijding en troost te maken…
Binnen die geschiedenis van bevrijding en vernieuwing
past ook een nieuw gedrag van degenen die bevrijd zijn.
Niet alleen omdat God dat wil
maar vooral omdat dat
bij die nieuwe fase van de geschiedenis
die we samen met Hem kunnen binnengaan, past.
Als God bevrijder is
zul je zelf ook werken aan bevrijding.
1. Je zult je eerst goed moeten realiseren
wie die God is. En dus alle valse goden wegdoen.
Geen op maat gesneden godsbeelden graag,
geen zichtbare Goden van geld en macht dienen.
2. De naam van God zul je niet misbruiken,
door hem op je soldatenriem te zetten bijv.
zoals de S.S-ers dat deden in de oorlog
of op de gulden, zoals wij dat nog steeds doen.
3. Bij het op weg gaan met die bevrijdende God
hoort ook het doen van de Sabbath:
het hakken van bijten in de ijzige saaiheid van dag na dag.
De Sabbath om je te bezinnen op de dingen die wezenlijk zijn;
om je niet af te jakkeren maar om te genieten
en tot jezelf te komen…
en naar de kerk gaan hoort daar toch bij.
4. De traditie die je vader en je moeder je doorgeven
helpt je bij jouw gewetensvorming.
5. Het niet moorden is dan het volgende gebod
dat als een gong door onze wereld galmt
maar niemand die zich er iets van aantrekt:
wij gaan onzorgvuldig met het leven om.

Als wij de tien geboden ernstig nemen
gaat het niet om vage algemene fatsoensregels,
maar om woorden/uitdagingen, die mensen hoogst persoonlijk
tot keuzes willen brengen en in beweging proberen te krijgen
zodat er een nieuwe mensheid ontstaat,
opdat er gebouwd zal worden aan het leven
en opdat er (het 6e gebod) trouw en liefde op aarde gevonden zal worden,
en er niet gestolen zal worden (het 7e gebod) maar gedeeld.
7-9. We zullen eerlijk getuigen, goede woorden spreken over elkaar
en niet begeren wat van een ander is.

Ieder mens wordt persoonlijk aangesproken.
De tien geboden zijn daarom ook allemaal in het enkelvoud gesteld,
‘om je te leren’ zeggen de joodse leraren uit Jesus’ tijd
‘dat -ook al wijkt de hele wereld van de Tora af-
jij de wereld niet mag volgen.
Want de Tora is aan jou gegeven, en alleen aan jou!’

De tien woorden nodigen uit tot creativiteit
en vragen om mensen met veel fantasie die ze durven doen.
Als wij die mensen zijn is God dik tevreden.
Ja alles is Hem gelegen aan Zijn Wet.

‘Ik’ zegt God ‘heb liever dat ze Mij verlaten,
als ze mijn Wet maar bewaren.
En mijn Wet bewaren ze door de woorden te doen.’

En komt God dan zelf niet tekort?

God zelf is er niet zo ongerust over.
Want God besluit dan -aldus rabbi Chija-
‘Al ze Mij verlaten maar mijn Wet onderhouden,
dan zal de gist erin hen wel benieuwd maken
naar Degene die dit allemaal verzonnen heeft
en hen nader tot Mij brengen.’

God wil een goede Partner zijn,
een trouwe Vriend voor de Zijnen.
Nog steeds is het wachten op een echte goede reactie
van Zijn mensen, de partners in Zijn verbond.
Samen kunnen wij het goede programma verwezenlijken:
de opbouw van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Als wij meedoen staat er een koepel van genade
over ons uitgebouwd: tot in het duizendste geslacht..zegt de Schrift.

De tien geboden werden ooit bewaard
in de tempel van Jeruzalem.
Vele Jeruzalemmers waren maar wat trots op al dat fraais.
Ze gingen prat op de tempel
zo zaten ze toch goed?

Maar tegen die denkwijze
hadden de oude profeten al geprotesteerd:
zo mag je niet praten..
zeg niet ‘de tempel, de tempel, de tempel des Heren is hier maar
-en dan komt het doel waarvoor de tien geboden gegeven zijn:
VOER ZE UIT;
LAAT ZE IN JE EIGEN LEVEN WERKELIJKHEID WORDEN.

In het evangelie van vandaag komt Jesus op Jeruzalem af.
Hij wil dat Jeruzalem glorieert.
Hij heeft het beste voor met de heilige stad
maar wat was er in Gods stad terecht gekomen
van de vervulling van de tien geboden
die altijd met zoveel zorg
in de tempel werden bewaard?

Het verhaal van vandaag is een hard verhaal:
Hij gaat op de tempel af en Hij zuivert de tempel.
Neen niet omdat Jesus niet tegen lawaai of rommel kan:
niet in de zin van: iedereen moet stil zitten en braaf zijn.
Kinderen mag je in de kerk best horen
en een hond in de kerk mag ook best.

Een wereldwinkel met producten die
ten bate van de armsten worden
mag volgens mij ook.
Maar wat dan niet? Wat wekt de toorn van Jesus op?
Het tempelbedrijf zelf.
De hogepriesters hadden aandelen in de geldwisselwinkeltjes
de schapen die de mensen voor hun offers moesten kopen
werden door de neef van de hogepriester gefokt.
Tegen dat gedoe, en tegen alle vrome commercie
van alle eeuwen keert Jesus’ actie zich.
Gij zult niet… schijnheilig zijn.
Dit conflict zal Hem veel kosten.
……….de geselslagen in de tempel
krijgen een echo in de geselslagen op Zijn eigen rug.

Jesus staat voor trouw aan de Wet,
echte trouw aan de tien geboden.
Die zijn er niet allereerst om in een kist te worden gestopt,
die in een tempel van hout en steen bewaard moet worden.

Het gaat Hem niet om het huis van hout en steen
maar om een huis van vlees:
een tempel van vlees…
een mens die ze uitvoert.

Jesus zelf zal zo’n tempel van vlees zijn,
een mens, dè mens
die de woorden van God doet.
Ze zullen deze tempel van vlees, deze mens vermoorden
maar -u kent het vervolg-
BINNEN DRIE DAGEN ZAL HIJ WEER OPSTAAN.

Het gaat deze zondag bijna halfvasten zo ook al
om het geheim van de opstanding van Jesus,
de trouwe doener van de tien geboden.
En het gaat ook over ons.
Wij kunnen als het goed is
ook tempels zijn van de heilige Geest.

Het is helemaal niet zo erg
dat de oorspronkelijke stenen platen
waarop de tien geboden stonden zijn zoekgeraakt.
Mulish schreef een boek, dat ook verfilmd is:
‘de ontdekking van de hemel’
waarin hij ervan uitgaat dat de stenen platen
ergens in Rome verborgen zijn
en door God worden teruggeëist omdat de mensen
ze niet waard zijn. Maar dat is fantasie.

De platen met de tien geboden zijn al heel lang weg
en ook de tempel van Jeruzalem is er niet meer.
Sommigen willen hem gaan herbouwen
maar echt vrome joden zeggen: ‘neen, dat nooit.’
God heeft immers echt behoefte aan mensen die de woorden doen…
die zelf de woorden de geschiedenis in dragen.

Ieder die Zijn Zoon,
als trouwe uitvoerder van de Wet
volgen wil is welkom:
Hij zal een weg gaan van dienstbaarheid en trouw:
een weg die veel vraagt
maar die een mens gelukkig kan maken
want daartoe zijn wij immers op aarde?

De wereld schreeuwt om zulke mensen
die de enige echt God gaan dienen
die alle afgoden overbodig maakt.

En als mensen samen die ene God willen dienen,
samen bouwen aan werkelijke vrijheid en toekomst
komt er nieuwe hoop. En dan blijkt het paradijs
dat verloren lijkt plotseling weer in zicht te komen:
een nieuwe wereld waarin God alles zal zijn in allen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

25 februari: Op weg naar het licht!

[print]

Tweede Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Genesis 22,1-2.9a.10-13.15-18

  • Romeinen 8,31b-34

  • Marcus 9,2-10

I. Abraham hoort een stem:
‘neem Isaak, je zoon, je eerstgeborene
en ga naar het land Moria om hem daar,
op de berg die Ik je aanwijs,
te …. ‘ hoort Abraham het goed:
‘om hem als een brandoffer op te dragen.’

Wat een gruwelijk verhaal.
Wat voor stem zou dat zijn???
Zou dat de stem van God kunnen zijn ?
Zou Hij van mensen vragen dat ze hun kinderen offeren?

We hoeven niet zo ontsteld te doen:
mensen hebben daar niet de minste moeite mee.
Ze sturen al eeuwen lang
hun kinderen de oorlog in.
Als de grote machthebbers oorlog willen voeren
moeten de kinderen de slagvelden op
ze krijgen uniformen aan, dan lijkt het nog wat,
maar het zijn kinderen.

Bekend is het verhaal van de dolgedraaide Hitler
die toen zijn duizendjarig rijk na 4 jaar op instorten stond
jongens van 15 jaar de oorlog instuurde,
En ik herinner mij nog een bezoek, zo’n 25 jaren terug,
aan de oorlogskerkhoven in Normandië:
onafzienbare rijen kruisen met namen van jongens,
19, 20, 21 jaren jong. De hoog bejaarde ouders
trof ik even verderop biddend aan in de dorpskerk.

Abraham gaat en zijn zoon draagt het hout op zijn schouders,
een scène die afgebeeld is in veel kerken meestal naast
een kruiswegstatie omdat hij dan plotseling lijkt
op die andere zoon, die het hout op zijn schouders droeg
op weg naar Golgotha.
Abraham ging
– met God dacht hij-.
Maar nog steeds blijft de vraag staan:
zou God dat werkelijk willen
de dood van Abrahams kind?

Abraham heeft zijn zoon vastgebonden op het hout,
hij staat met het mes in zijn hand
maar dan klinkt plotseling een ander geluid,
er staat nu duidelijker bij van wie die stem is:
van de Heer, de Enige, JAHWEH
-de naam die we eigenlijk niet mogen uitspreken-
en die zegt: STOP.
‘al tislach jadcha’ , vergrijp je niet aan het kind.

De echte God wiens naam is: IK BEN BIJ JE
wil de dood van dit mensenkind niet.
Een ram neemt de plaats van Isaak in
en Isaak mag leven…
hij wordt als het ware
van achter de dood teruggehaald:

net zoals die ene die wij
in deze veertigdagentijd aan het volgen zijn:
Jesus, de zoon van de belofte.

II. Ontsteld hadden zijn leerlingen hem horen zeggen:
‘de mensenzoon zal
in de handen van de heidenen worden overgeleverd,
hij zal aan het hout gespijkerd worden en gedood.’

Petrus roept uit: ‘maar dat mag nooit gebeuren’
en ook de anderen zeggen dat.
Vroeg Israëls Heilige werkelijk van Jesus deze weg te gaan ??
Wil God zijn eigen zoon laten doden.
Is God zo hard: is God geen liefde meer ?

Ja: Hij is liefde…
maar niet op de sentimentele manier:
Hij is liefde, trouw, warmte,
troost, hoop DOOR ALLES HEEN !

Kort na Jesus lijdensaankondiging
horen we vertellen
over zijn tocht met zijn vrienden
de berg Tabor op.

En daar horen zij
een bijzonder gesprek.
Ze maken een ontmoeting een gesprek mee met twee mensen.

Elia wordt als eerste genoemd,
hij was de profeet
die geen gemakkelijke weg was gegaan;
hij had zwaar onder zijn roeping geleden
hij had er de brui aan willen geven:
‘stuur maar een ander maar niet mij.’
Maar God was met hem meegegaan
en toen hij stierf was hij
met een vurige wagen door God naar de hemel gebracht…
niemand had hem ooit nog gezien.
Daarom de oude joodse droom
dat hij zou terugkomen aan het einde der tijden.
Vandaar ook de blijde verbazing
bij de leerlingen als zij Elia zien
die daar met Jesus staat te praten:
dit is kennelijk dat nieuwe begin !

En Mozes staat er ook nog bij.
Ook zijn levensweg was een weg van zorg en pijn:
‘ik houd het niet meer vol’.
Maar God was met hem
en hij mocht zijn volk voorgaan,
dwars door zee en woestijn heen
de vrijheid tegemoet !

De ontmoeting met deze twee, Mozes en Elia,
is wezenlijk voor Jesus’ toekomst
hij leert van hen, hij spreekt met hen
maar hij neemt wel een bijzondere positie in!!

Hij is degene die namens de mensheid
een hele bijzondere verantwoordelijkheid zal oppakken.
Wat Hij zal doen zal voor heel de wereld belangrijk zijn
en daarom staat Jesus in het volle licht, het goddelijke licht
Hij, de vriend, beter nog: de geliefde zoon van God
staat daar te glanzen in de hemelse gloria.

Petrus en Johannes
dezelfde leerlingen die later met Jesus meegaan
in de hof van olijven en Jesus daar zullen zien huilen van angst
mogen Hem hier zien in volle heerlijkheid.

Maar die duurt maar even.
Er hangt nu ook, net als in de dagen van Abraham
dreiging in de lucht:
er hangt net als in de dagen van Elia
vijandelijkheid in de lucht
er zal, net als in de dagen van Mozes
nog een zware strijd gestreden moeten worden.

In al de oude verhalen
is er ook een goede afloop:
– Abrahams God is een God van levenden en niet van doden,
– Elia’s God is een God die partij kiest voor Zijn trouwe
volgelingen en die de afgoden beschaamt doet staan:
– Mozes’ God is een God die redt uit slavernij:

Als de ‘spot’ uit is
zien de leerlingen niemand meer
dan Jesus alleen.
Het is kaal en ellendig
ze staan er weer alleen voor, alles is weer gewoon…
maar Jesus legt zijn hand op hun schouders: ‘vrees niet.’
Boven op die berg hebben zij even aan het geheim geproefd
even is hun een tip van de sluier opgelicht:
deze mens, die gemarteld zal worden,
is door God geliefd: zal door de Vader
worden opgewekt uit de doden.
Het zal nog een moeizame weg zijn
die Jesus als voorganger te gaan heeft:
de weg de hof van olijven in en verder
de leerlingen werd het soms te veel.
Het is nog een moeizame weg die wij mensen
zullen moeten volgen:
niemand van ons kent het geluk dat ons wacht
maar niemand van ons weet ook welke zware dingen
er nog van jou gevraagd zullen worden.
Niemand kent het verdriet en de pijn
die je mogelijk nog moet meemaken
maar -en dat staat zo mooi in de huwelijksliturgie
waarop sommigen zich hier al weer op
aan het voorbereiden zijn-
ons leven zal menselijker,
onze volhardingskracht sterker
en onze liefde milder zijn
als wij willen gaan in het voetspoor van Jesus Messias.

Wij zijn samen op weg,
mensen die het gemakkelijk hebben,
mensen die het moeilijk hebben.

Soms worden ons momenten van troost
als daar op de berg Tabor gegund:
en er zijn meer hoogtepunten, gelukkig…
maar ze kunnen alleen maar hoogtepunten zijn
omdat we weten dat in het gewone leven van alle dag
er een vriend is die met ons meegaat
die ons niet loslaat:
die heeft gezegd: IK ZAL ER ZIJN alle dagen.

Het was boven op de berg een feest:
Petrus, Johannes en Jakobus zijn van de partij,
Elia, Mozes… Jesus zelf..
en wij vanmorgen in het stralende licht van Gods aanwezigheid.
‘Luister naar Hem -zegt de Enige- tot ons
ik ben met Hem en met jullie alle dagen.’

De meest troostrijke boodschap van ons geloof is:

God is een God van levenden en niet van doden:
Hij is de God die niet ver wil zijn
maar die met mensen meetrekt
overal dwars doorheen.

In het gewone leven, ook als het grauw lijkt en saai,
is Hij bij ons aanwezig.
Wij zijn nooit alleen
Hij trekt met ons mee,
vandaag en alle dagen;
samen op weg naar het Licht!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

18 februari: Troost in de crisis

[print]

Eerste Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Genesis 9,8-15

  • 1 Petrus 3,18-22

  • Marcus 1,12-15

Over momenten van crisis gaan de lezingen vandaag.
Momenten van proberen te overleven,
teruggeworpen zijn op jezelf.
Zo’n crisis kan op je af komen als een dreiging,
waar je je misschien lang tegen zult verzetten,
tot het niet meer gaat.
Totdat je onderuit gaat en je wel moet erkennen:
het gaat niet meer in mijn werk, ik heb er geen plezier meer in,
ik hou dit niet vol.
Of. het gaat niet meer in mijn relatie,
er is niets meer dat ons nog bindt,
we zitten elkaar in de weg.
Of misschien wordt je getroffen
door een ongeluk of een ernstige ziekte,
die zomaar een streep zet door het leven dat je tot dan toe geleid hebt.
Ineens zit je thuis, met een gehavend of onwillig lichaam.
Overspannen, of burned out.
Nooit gedacht dat het jou zou kunnen overkomen.
Plotseling is allerlei franje verdwenen,
allerlei gewone dingen die zó je leven vulden dat je ook niet zoveel
na hoefde te denken over waar je mee bezig was.
Ineens ben je teruggeworpen op jezelf,
en rest alleen de vraag: wat nu?

Het is een erg troostende gedachte te weten dat het
-hoewel wij anders zouden verwachten-
Jesus zelf niet altijd zo gemakkelijk afging.
Zijn leven was een leven van geloof
maar ook van twijfel
(al klinkt dat Godslasterlijk),
van zekerheid èn onzekerheid,
van een warme goede relatie met de Vader
maar ook van beproevingen en van
‘God mijn God waarom hebt U mij verlaten.

Troostrijk is het te weten
dat Hij ook beproefd is,
dat Hij ook gekweld werd
door de Satan die Hem voorstelde de gemakkelijke weg te kiezen.

Daarover horen we iedere eerste zondag van de vasten spreken.
Ieder jaar door een andere evangelist.
Dit jaar is Marcus aan de beurt.

Hij is een evangelist van weinig woorden.
Hij valt vaak ‘met de deur in huis.’
Zo begint hij deze zondag:
‘Jesus werd terstond door de Geest naar de woestijn geleid.’
De woestijn is bij alle evangelisten de plaats
waar de beproevingen van Jesus worden beschreven.
In de woestijn.
Was de woestijn niet bij uitstek de plek
van hoop en wanhoop, van geloof en twijfel:
pelgrimstocht der mensen veertig jaar woestijn.

Mozes, bij uitstek de leraar in de woestijn,
had in de woestijn de tien geboden gehoord
die zijn mensen zouden moeten gaan vervullen.

Het viel niet mee om de mensen aan dat woord te houden.
Veertig jaar woestijn was
veertig jaar hoop en vertrouwen in een nieuwe toekomst
veertig jaar je best doen
maar ook veertig jaar wanhoop en teleurstelling.
Als Mozes oud is en de tocht door de woestijn voltooid is
kijkt hij terug en hij zegt:

‘de Heer heeft je misschien vernederd
en op de proef gesteld..
maar dat diende niet om je te pijnigen
maar om je gezindheid te leren kennen.
Hij heeft je vernederd en je misschien honger laten lijden
maar je ook het Manna (het brood uit de hemel)
te eten gegeven en zo hebt je kunnen volharden.’

Zo kijkt Mozes terug
op alle zorgen en angsten van de lange woestijntocht.
In alle beproevingen is de mens die met God mocht wandelen
steeds op de been gebleven.
Hij heeft kunnen leven van het Woord van God,
het ware brood dat uit de hemel ons is gegeven.
Daardoor is de mens rijker geworden volgens hem
en meer mens, meer kind van God ook,
volwassener partner in het Verbond.

Arme mensen die het alleen maar moeten doen
met het gewone brood:
die geen opdracht of roeping in hun leven erkennen
die niet kunnen breken en delen,
die denken dat alle geluk afhangt van mooie spullen.,
arme mensen die zich alles kunnen en willen permitteren,
arme mensen die alleen maar de kruimels
die overblijven willen geven aan de armen,
arme mens die nooit een ander ontmoet heeft en
nooit gekeken heeft in de ogen van de ongelukkigen

en zalig de mensen die zoeken,
die zoeken, die verlagen, die dromen van een nieuwe wereld,
die verdriet hebben omdat die er nog niet is.

De Heer jullie God -zei Mozes aan de rand van de woestijn-
heeft je opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt.

‘Jesus werd terstond naar de woestijn geleid
en verbleef bij de wilde dieren.’
In sobere bewoordingen roept Marcus door de woestijn te noemen:
de oude geschiedenis van het volk Israël in herinnering.
Dan klinkt er heel wat mee: hoop, wanhoop, geloof en twijfel,
zekerheid en aarzeling.

Het Koninkrijk dat nabij is volgens Jesus’ verkondiging bleef ver weg.
Alles ging door zoals het altijd gegaan was.

Aan wilde dieren en teleurstellingen geen gebrek
maar -en dat horen we ook in die paar verzen uit het evangelie van vandaag-
God zal toch getrouw zijn en Hem er doorheen halen.

Er is een happy end -geen goedkoop happy end- in zicht.
De tegenkrachten, de machthebbers om hem heen
zullen Hem niet klein krijgen.
De Satan zal het niet winnen: Jesus komt er doorheen
want God zal naar Hem toekomen.

‘Hij verbleef bij de wilde dieren’
zeker, het werd goede vrijdag, er was pijn, onzekerheid en angst
maar de engelen dienden hem daarna:

de engelen gaan hem dienen op de paasmorgen
en zullen het leerlingen melden:
Hij is niet hier Hij gaat voor jullie uit.

De regenboog
-waarover wij in de eerste lezing hoorden spreken-
staat als een teken van hoop aan de hemel:
God zal er voor waken
als het aan Hem ligt zal de aarde nooit, nooit ten onder gaan.

Hoezeer de zorgen ons mogen beknellen
en hoe droevig de dingen soms zijn die wij door moeten maken
Hij staat aan onze kant en geeft ons hoop.

Wij gaan niet alleen de woestijn door,
we hoeven niet te zwichten voor de bekoring.
Als wij een beproeving meemaken
kunnen we bedenken:
‘Hij is hier ook geweest.’
Als het ons tegenvalt kunnen wij bedenken:
‘het is Hem ook tegengevallen.’
Als wij angstig zijn:
Hij is ook angstig geweest.
In die solidariteit was Hij de gezant van Israëls trouwe God
de God die met zijn volk meetrekt alle jaren door.

Mensen die veel moeten meemaken hebben dat soms ervaren
en als ze als gelovigen terugkijken op hun levensweg
zeggen ze met Mozes mee:
inderdaad: onze voeten zijn niet gezwollen al die veertig jaren
en de kleren aan ons lijf zijn niet versleten.
We hebben het vol kunnen houden
en altijd is er wel iemand geweest
die ons troostte en weer op de been hielp.

En voor ieder van ons geldt
ook als we ooit wel eens een beetje beproefd zijn:
Altijd is er wel een engel geweest
die ons gediend heeft op dat moeilijke uur.
We zullen dus samen kunnen volharden
Hem achterna!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Aangepaste tijd H. Mis op zondag 18 februari

VieringIn verband met de televisieuitzending zal de Heilige Mis van 11 februari a.s. om 10:30 uur beginnen.

Bijzondere start veertigdagentijd in de Haarlemse Kathedraal

VieringTwee bijzondere vieringen markeren de start van de veertigdagentijd in de Kathedraal.

Aswoensdag

Op 14 februari is de plechtige Aswoensdagviering welke om 19.30 uur begint. Mgr. dr. J. Hendriks zal deze viering celebreren. De mannen van het Kathedrale Koor zullen deze viering muzikaal verzorgen met werken van o.a. Andriessen, Lotti en Di Lasso.

Televisiemis

Op zondag 18 februari zal vanuit de Kathedraal weer een Televisiemis worden verzorgd.

Ook in deze viering van Mgr. dr. J. Hendriks de celebrant zijn.

Het volledige Kathedrale Koor zal onder leiding van Magistra Cantus Sanne Nieuwenhuijsen delen zingen uit de Missa O quam gloriosum van Victoria en het prachtige motet Angelis suis van Rheinberger.

De viering begint om 10.30 uur en is rechtstreeks te volgen op NPO 2

11 februari: Iedereen hoort erbij!

[print]

Zesde Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Leviticus 13,1-2.45-46

  • 1 Korintiërs 10,31-11,1

  • Marcus 1,40-45

Het gaat vandaag over erbij horen
of er niet bij horen.
Je zou zeggen dat jongeren
die alles wat hun doorgegeven is kritisch bekijken
voor zulke dingen ongevoelig zijn:
ik hoef nergens bij te horen: ik ben mijzelf!

Maar zo is het niet.
Je hebt bepaalde kleren die je moet dragen
bepaalde merken schoenen die je aan moet
en als je dat niet doet loop je voor gek.

Je moet als je, jezelf een beetje je groot vindt voor het servet
en anderen je te klein vinden voor het tafellaken ook gaan roken
dat staat stoer en je hoort er meteen bij.

Handig maakt de reclame daar gebruik van.
Iedereen wil ergens bij horen:
asielzoekers zoeken een plaatsje onder de zon
jongeren willen serieus genomen worden
en daarom al die inspanningen die eigenlijk niet echt nodig zijn
want gelukkig komen we in onze dagen tegelijkertijd tot het inzicht
dat ieder mensen uniek is
en waardevol is, zoals hij is.

‘Degene die aan een huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen,’
hoorden we net lezen:
‘hij moet zijn haren los laten hangen;
hij moet zijn baard bedekken en roepen: onrein, onrein!’ (Lev. 13,45)
Het gaat hier over een melaatse: wordt die met opzet buitengesloten?

Melaatsheid was in die dagen ongeneeslijk.
Er was geen redden aan.
Vandaar die strenge reinheidswetten
die de melaatsen apart hielden.
Dat was afschuwelijk maar niet onverstandig.

Rond een van de ernstigste ziekten, de melaatsheid,
kan heel wat ter sprake komen.

Het Talmudische jodendom
kent een hele ruime interpretatie van het begrip ‘melaats’.
Het wordt zeer pejoratief gebruikt om de bedreigende machten rond Israël
(Babel, Griekenland, Rome) aan te duiden.
Melaatsheid had iets te maken met een definitief verworpen zijn.
De ziekte was in die dagen zo ongeneeslijk
dat alleen God geacht werd de genezing daarvan teweeg te kunnen brengen
(net zoals Hij alleen de doden kan doen opstaan).

Des te merkwaardiger is het dat een heel hoofdstuk van het boek Leviticus
gewijd wordt aan het ritueel dat moet worden toegepast
wanneer een ongeneeslijk zieke toch beter wordt!
Hier is sprake van een visioen van een toekomst waarin alles nieuw zal zijn.
Een profetie! Als er ooit sprake zou zijn van een genezing
dan moeten werkelijk alle priesters in beweging komen
om deze grote daad van God te proclameren.
Stellen we ons eens voor, dat de tijd is aangebroken
om alle kankerpatiënten publiekelijk genezen te verklaren:
het zou betekenen dat de tijd is aangebroken
waarin alles werkelijk nieuw zal zijn!

Het is jammer dat de coupure uit Leviticus van vandaag
het ‘happy end’ zoals dat in hfdst. 14 beschreven wordt, niet noemt.
Het lijkt wel of het Eerste Testament alleen maar somberheid mag aandragen…

Al is de situatie nog zo wanhopig
het gaat er in de bijbel altijd om
dat er toch – bij God- onverwachte dingen kunnen gebeuren!
In het Oude Testament vindt je één belangrijk reinigingsverhaal
het staat in het tweede boek Koningen.
De koning van Israël roept,
wanneer een buitenlandse legeroverste Naäman een beroep op hem doet
om zijn genezing te verzorgen eerst wanhopig uit:
“Ben ik God die kan doden en levend maken’ (v.7).

Voor de band met God met je bij de profeten zijn
en de profeet Elisa biedt redding in de nood
door zich met het geval te bemoeien
en een bad in de rivier de Jordaan voor te stellen.
De Jordaan, de grensrivier van het nieuwe land
waar eens het weerloze volk Israël door getrokken was
met de God van Abraham, Isaak en Jakob als verlosser
een nieuwe toekomst tegemoet.
Die God is de enige die (ook niet joden) echt helpen kan.
De genezing van de melaatse
zoals in het evangelie van vandaag verteld wordt
is een belangrijke gebeurtenis
die een eerste cyclus verhalen over Jesus in Galilea afsluit.

Een melaatse zoekt contact.
Er staat geschreven dat hij naar Jesus roept.
Hij verwacht van hem iets nieuws.
Hij verwacht dat Jesus naar hem kijkt als mens
en hem misschien ook kan verlossen van zijn vreselijke lot;
dat hij hem kan verlossen van zijn alleen zijn
en misschien ook van zijn ziekte.

Opvallend is het ontbreken van namen.
De melaatse blijft volstrekt anoniem
en ook de naam van Jesus zoekt men tevergeefs.
De beide hoofdrolspelers worden alleen maar aangeduid als ‘hij’ en ‘hem’
(het Grieks kent ook geen hoofdletters om ons duidelijk te maken wie wie is).

Aan het slot van de lezing raakt de lezer zelfs in verwarring.
Wie van de beide hoofdrolspelers verkondigt
en wie blijft buiten op een eenzame plaats staan (vers 45)?

De ex-melaatse wordt in Jesus’ plaats verkondiger,
hij kan niet zwijgen.
Jesus zelf echter trekt zich na de genezing terug naar een eenzame plaats.
Een prachtige uitbeelding van de eenzaamheid
van de solidaire knecht die in Jesaja 53 beschreven wordt:
‘Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen’ Jes. 5,34).

Rond die eenzame Messias verzamelt zich gelukkig echter een nieuw gemeenschap:
‘Zij kwamen tot hem, overal vandaan’ (Mc. 1,45).
De tallozen die naar Hem toekomen
bevrijden hem op hun beurt uit de eenzaamheid van de afzondering
en brengen hem terug in de wereld.
De schrijver Marcus hoopt dat wij het ook wagen zullen
deze eenzame Messias uit zijn isolement te halen
en hem ook zullen volgen op zijn weg naar andere mensen toe.

De bedoeling is dat niemand hier verloren loopt
dat wij niemand uitsluiten om dingen die niet belangrijk zijn
en dat wij samen bouwen aan een nieuwe wereld
waarin het onmogelijke mogelijk is.
Een wereld waarin ruimte is voor allen
en iedereen zichzelf kan zijn.
Aan zo’n wereld willen wij bouwen.
We horen Paulus daarvan dromen in zijn eerste Korintiërs-brief:
‘Zoals het lichaam een eenheid is en de ledematen een veelheid,
en alle ledematen ondanks hun veelheid toch één lichaam vormen,
zo is het ook met Christus.
Want wij zijn met ons allen door de doop één lichaam geworden
in de kracht van de ene Geest,
of we nu Joden of Grieken, slaven of vrije mensen zijn;
allemaal zijn we doordrenkt met één Geest!

De medisch te omschrijven ziekte: ‘Melaatsheid’ genezen
is mogelijk gebleken, zeker hier in het westen.
En als we even ons best doen
is heel de wereld ervan bevrijd.

Dat er nu weer andere ziektes zijn
die we niet zomaar kunnen bestrijden
maakt ons bescheiden en laat ons beseffen
dat wij mensen toch weerloze mensen zijn.

Het meest pijnlijk is echter de ziekte van de haat
de pijn die mensen elkaar bezorgen
door hun geweldadigheid,

Jesus genas de melaatse
als een teken dat het onmogelijk toch mogelijk is.
Zou het dan echt waar zijn
dat de vrede het wint van de oorlog?
Zou er echt een einde kunnen komen
aan geweld en koesteren van eigenbelang?

Jesus wil ons in zijn voetspoor trekken
om op een nieuwe manier mens te zijn.

In zijn voetspoor gaande kan het lukken,
God zegene ons allen!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

4 februari: Licht in de duisternis

[print]

Vijfde Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Job 7,1-4.6-7

  • 1 Korintiërs 9,16-19.22-23

  • Marcus 1,29-39

Aan het einde van de vorige eeuw werd rond deze tijd
Mgr. Bekkers uitgeroepen tot katholiek van de eeuw.
Velen herkenden zich in zijn manier van geloven
die de gewone traditie doorbrak. Zo ook bij zijn uitvaart.
Toen hij door een hersentumor geveld
veel te jong stierf werd er (en dat was voor het eerst
in en katholieke uitvaartdienst) gelezen uit het boek Job.
Nooit tevoren had bij een uitvaart
zo’n klacht, zo’n vrijmoedige aanklacht van God geklonken!

Uit het 14e hoofdstuk werd toen gelezen:
‘Zou een dode weer tot leven kunnen komen?
Ach, heel mijn leven zou ik op wacht blijven staan tot mijn aflossing komt.
Ik zou antwoorden als God roept, hunkerende naar uw eigen schepsel.’

Job schildert zich bijna af als een dode.
Op Jom Kippoer (de grote verzoendag)
kleden de aanwezigen zich in de synagogen in witte gebedsmantels …
lijkwaden eigenlijk. Het is de weg van de complete ontluistering:
Levend zijn we zonder Gods erbarmen als doden.
Job is aan de diepste twijfel toe, als hij zegt dat de draad ten einde is.
Er staat ‘tikva’: draad. Een woord dat ook vertaalbaar is met ‘hoop’
(bekend van het Israëlische volkslied ‘ha-tikva’)
want de levende doden in de synagoge op de grote verzoendag
en allen die zonder hoop lijken te zijn,
weten toch dat er Eén is die al dat vragen hoort, die antwoorden kan
en die alle leven en toekomst van de mensheid in handen heeft.
De God die als naam draagt: ‘Ik zal er zijn’.

II. In Heemstede was het twee winters terug groot feest,
een kleine nieuwe synagoge was ingericht
aan de Lanckhorstlaan; voor Haarlem en omstreken.
Een groep jongeren van onze parochie heeft enkele jaren terug
een bezoek gebracht aan de oude synagoge van Haarlem
een klein zaaltje op de 1e verdieping van een villa aan het Kenaupark.

Synagoges, de gebedsruimtes voor de joden,
zijn over heel de wereld verspreid.
Vooral toen er geen tempel meer was in Jeruzalem
werden al die kleine dorpskerkjes heel belangrijk.
In Amsterdam gingen we met de kinderen ook eens
naar de grote synagoge bij de dokwerker.
Daar is geen elektrisch licht.
Alleen maar grote kaarsenkronen verlichtten het gebouw…
voor de kinderen heel vanzelfsprekend..
want: ‘toen Jesus daar naar de kerk ging was er ook nog geen stroom.’

Heel vanzelfsprekend. Zo’n oude synagoge
hier moest Jesus zeker nog geweest zijn. Maar helaas…
Jesus was nooit in de synagoge in Amsterdam
maar wel in een synagoge, de synagoge van Kafarnaum
aan het meer van Galilea.
Daar was hij naar binnen gegaan om de verhalen te horen
van God die van de mensen houdt
maar die ook veel van hen verwacht.

De sjabbat is de wekelijkse ruimte in de tijd
voor de gedachtenis van God verlossing en bevrijding.
Maar dat vraagt om actie als vervolg. Dat is bij Jesus ook zo.
Op de dag van het gebed gaat hij na gebeden te hebben,
onmiddellijk van het gebedshuis naar het huis van de zieke schoonmoeder
van zijn vriend Simon die later Petrus zal heten.
Een grappig idee dat de eerste Paus, Simon Petrus getrouwd was.

Maar terug naar het verhaal. Jesus’ bezoek aan de synagoge en daarna.
Het gaat bij kerkgebouw en synagoge
nooit om de kerk of de synagoge alleen
maar altijd om wat wij daar horen.
En dat is dat de mens buiten die geholpen moet worden.

Je komt niet alleen naar de kerk
voor de gezelligheid of de mooiigheid
maar om als je de kerk verlaten hebt
en je de verhalen hebt gehoord van God met de mensen
je zelf ook zo gauw mogelijk op die mensen afgaat
om ze te gaan helpen.

Jesus helpt de zieke schoonmoeder van Simon,
en als de mensen daar eenmaal gemerkt hebben
dat Hij troost te bieden heeft en genezing
komen ze in drommen aan de deur.
Een beetje zoals de mensen ooit op Jomanda in Tiel afkwamen:
voor de sensatie of het wonder.

Eigenaardig genoeg lezen we dan dat Hij er gauw vandoor gaat.
Dat doet Hij niet om ze in steek te laten
maar om gauw naar andere mensen te kunnen gaan
en ze te vertellen dat God van hen houdt
en dat ook zij elkaar moeten helpen.
Jesus genas niet als een tovenaar
als gebedsgenezer
maar als een helper… die ons opjutten wil
opdat wij zoveel mogelijk ons best zouden doen
elkaar ook te genezen, te troosten en te helpen
en dat kunnen wij heel goed.

Jesus staat vroeg in de morgen op en trekt zich terug in gebed
Hij zoekt contact met de hemelse Vader:
God die heeft gezegd: ik laat je nooit alleen.
Job en alle mensen die lijden mogen weten:
je bent nooit alleen,
er is Iemand met een hoofdletter die van je houdt.
Het zou heerlijk zijn als er omdat uit te beelden
iemanden met een kleine letter
naar die mensen in nood toe zouden gaan…

In de avond brachten ze allen die lijden of bezeten zijn tot hem.
Als het donker is en mensen somber worden
is het goed als er mensen zijn die je troosten.
het zou goed zijn
als wij die mensen zouden durven zijn.

Zo geven we het licht door van God:
afgelopen vrijdag vierden we Maria Lichtmis:
oftewel de opdracht van de kleine Jesus in de tempel.
Simeon en Anna waren de ontvangstcommissie
‘laat nu uw knecht in vrede gaan,
mijn ogen hebben het licht aanschouwd.’

Daarom wijden wij kaarsen tijdens die dienst.
Kaarsen waarmee wij de dag erna worden gezegend
op de feestdag van bisschop Blasius, de martelaar.

Wij willen dat vandaag, aan het einde van de dienst ook doen
opdat wij de kerk verlaten als mensen van het licht,
het licht dat alle mensen wil bijlichten.
De bedoeling is dat wij zulke getuigen van het licht zullen zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

28 januari: De kwade machten onderkennen en weerstaan

[print]

Vierde Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Deuteronomium 18,15-20

  • 1 Korintiërs 7,32-35

  • Marcus 1,21-28

David Hartmann, hoogleraar in Jeruzalem zegt:
‘Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven:
onze wereld stinkt! De beerput staat open!
Heeft men in vroeger tijden het deksel er nog op gehouden
(wat maar net lukte), in deze jaren wordt onze ongerechtigheid openbaar!’

Het kwade moet benoemd worden en onderkend
en -even teruggaande naar David Hartman-
het deksel op de beerput die open gaat zetten lukt niet.
De oorzaken van de stank vinden en bestrijden
is de enige redding voor ons:
we moeten samen een nieuw begin maken’.

Het evangelie van Marcus dat wij dit jaar lezen
heeft als hoofdthema: het altijd mogelijke nieuwe begin.
Het nieuwe begin van Marcus’ eigen leven,
en dat van ieder die later nog naar hem luisteren wil,
is volgens Marcus te vinden in een Joodse man:
Jesus, die men de Christus, de Messias ging noemen.
Die Jesus nodigt ons allen uit:
‘bekeert u en luistert naar deze blijde boodschap:
het Koninkrijk van God is nabij,
het is nu de goede tijd.. doe mee, hier en nu.

Hier: God wil zijn koninkrijk niet op een andere planeet maar hier,
waar het zo stinkt. En als je Hem wilt volgen
mag, ja moet het kwaad ter sprake komen en bevochten.

Jesus gaat ons daarin voor.
Marcus vertelt ons dat Jesus na zijn doop
terstond de woestijn in gaat
waar de demon hem tartte.
Terstond gaat hij dan naar de ruige vissers aan het meer toe
die de dodelijke gevaren van het water kennen.
Maar hij zoekt ook het goede op
Hij gaat de synagoge binnen.

De synagoge waar de woorden van Mozes,
de grote profeet waarover de eerste lezing sprak,
klinken. En Jesus is een goede verstaander van Mozes woord
een trouw doener van de wet die alles nieuw kan maken.
als Jesus spreekt wordt alles anders.
Mensen ervaren troost in zijn woorden;
worden moedig, worden wakker, staan op. Alles wordt nieuw!

Maar dan blijkt het kwade toch nog sterker dan Hij dacht..
de hel barst letterlijk los.
Een boze geest, (hij had zich tijdelijk gevestigd in een man)
roept uitdagend naar Jesus: ‘Wat moet dat allemaal!
Ik weet wel wie je bent, je bent de Heilige Gods,
je mooie praatjes komen van de God van de liefde
die onze macht, de macht van het kwade ondermijnt.’

Jesus ontkent de macht van het kwade niet
maar Hij schrikt niet en gaat de confrontatie aan:
Hij verdrijft de boze geest.

Als christenen hebben wij de neiging om te zeggen:
‘goed dat Jesus dat deed
Hij is onze Verlosser en heeft ons welgedaan.’
Maar daarom alleen wordt dat verhaal ons niet verteld.
Neen, we mogen ons niet beperken tot een dankbare lofprijzing
aan Jesus die alles goed heeft gedaan.

De bedoeling is dat wij Hem volgen
en gesterkt door zijn voorbeeld
ook zelf de strijd tegen de boze aangaan.
Terstond als je durft!

Marcus wil degenen die zijn verhaal over Jesus horen
oproepen tot onmiddellijke navolging.
Tot verbreiding van het evangelie en
tot het afremmen van de macht van het kwaad.
Maar dat niet alleen. Hij wil hen ook bemoedigen:
de boze geesten hebben het niet meer voor het zeggen.

Altijd is er verwachting van een grote toekomst
die God met de mensen wil beginnen..
een grote ook een beetje beangstigende toekomst.

Deze week vrijdag is het de veertigste dag
van kerstmis:
de profeet Maleachi die dan aan het woord komt zegt:
‘wie zal er staande blijven wanneer Hij verschijnt.’
‘Wie kan de komst van de Heer verdragen ? ‘

Is het de bedoeling ons de stuipen op het lijf te jagen
ons bang te maken ?

Maleachi is net als Jesaja en Jona die we de vorige week hoorden
achter in onze kerk uitgebeeld.
Hij kijkt onder een doek die zijn gelaat
tegen de ergste zonnestralen moet beschermen door naar de verte.

Wie kan de komst van de Heer verdragen….

Wat voor een wereld is het waarin God binnen mag komen.
Wat voor een ruimte is er voor vrede, liefde, vriendelijkheid en trouw?

Op de 40e dag stonden in de tempel
twee mensen klaar om de Messias, te ontvangen:

Simeon… de bekendste van de twee
die zei “laat nu uw dienaar gaan in vrede
want mijn ogen hebben het heil aanschouwd.”

En Anna of Hanna, dat is dezelfde naam:
zij is minder bekend. Haar naam betekent:
‘God is genadig.’

In de tempel van Jeruzalem
zijn de woorden van de profeten bekend
dat alles nieuw zal worden; in onze kerken ook.
Maar of er echt oor is voor Gods vernieuwende woord
of wij echt het kwade willen onderkennen en bestrijden
en echt mensen willen zijn, dragers van het nieuwe licht?

We hopen van wel.
Als wij ons laten zegenen met de kaarsen
betekent dat duidelijk
dat wij rond Jesus Messias, het ware licht.
samen echt willen proberen een nieuw begin te maken.

Even terug naar het evangelie van deze zondag:
de demonen zijn verslagen.
Wij kunnen -als wij het willen en durven-
vandaag nog, hier en nu een nieuw begin maken
hem achterna: Jesus Messias, die met ons, voor ons stierf,
maar verrezen en opgestaan nu voor ons leeft en ons voorgaat
in deze, onze dagen.
Gaan wij vertrouwvol verder, levend van Gods genade
getuigend van het licht.

Het licht dat het winnen zal van de duisternis,
de liefde die het winnen zal van de haat ..

Wees gezegend, wees sterk – wordt straks tot ons gezegd-
geloof, word wakker: handel.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

21 januari: Ja, we kunnen mensen boeien

[print]

Derde Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jona 3,1-5.10

  • 1 Korintiërs 7,29-31

  • Marcus 1,14-20

‘Toen Jona in de walvis zat
en gebraden stokvis at…’
is een oud kinderliedje dat velen van u nog wel kennen hoop ik.

Wie was Jona?
Als u hem op gaat zoeken in de Bijbel -u moet het eens doen –
treft u hem aan tussen de twaalf kleine profeten…
hij is ook afgebeeld op de kapitelen helemaal achter in de kerk
onder de balustrade waar het prachtige Willibrordorgel op staat.

Jona zijn naam betekent: ‘duif’, bode.
Het bijbelboek dat zijn naam draagt is met veel humor geschreven…
ik hoop dat ik daar iets van kan overbrengen.

‘Jona begeef je op weg naar Ninive’ zo begint het.
‘Kondig de mensen daar aan dat ze hun levenswijze moeten veranderen,
dat ze zich moeten bekeren…anders zal de stad worden omgekeerd, verwoest. ‘

Maar Jona is een onwillige postduif; hij wil de verkeerde kant op.
Hij voelde zich als trouwe gelovige te goed voor een missietocht naar Ninive..
Hij verwachtte niets van die heidenen daar.

Jona verzint een list. Ninive ligt in het oosten dus gaat Jona op een schip
zover mogelijk naar het westen. Hij boekt voor Spanje.

Maar een storm slaat toe en de bijgelovige zeelieden zien
-een beetje terecht eigenlijk wel- Jona als oorzaak van hun ellende en…
hij wordt van je een twee drie de zee in gejonast..
einde van Jona ware het niet dat God
hem ook uit de diepten van de zee weet op te halen
zoals Hij steeds mensen uit de diepten omhoog haalt
… en in het verhaal treedt dan de walvis op
als vervoermiddel.

Ninive is een hele grote stad, het kost drie dagen om er doorheen te trekken..
lezen we in het boek Jona.
Als Jona na wat vertraging daar aankomt begint hij
-hij gelooft nog steeds niet in het nut van zijn opdracht-
wat knorrig aan zijn verkondiging:
‘nog veertig dagen en de stad van Ninive zal
– tenzij u zich vlug bekeert –
worden verwoest, ondersteboven gekeerd. ‘

Hij heeft er geen vermoeden van dat zijn weinig overtuigend gebrachte preekje
inderdaad een omkeringseffect zal hebben
in de harten van de mensen van Ninive.

De heidenen van Ninive worden diep in hun hart geraakt
ze blijken vromer en goedwillender te zijn
dan Jona ooit vermoed had:
ze bekeren zich terstond, de koning roept een vasten uit
en mens en dier doen mee.

Maar Jona heeft daarvan niets in de gaten.

Hij houdt zijn preekje, sjouwt de hele stad door
en gaat zeer vermoeid na het vervullen van zijn opdracht
op een heuvel even buiten de stad zitten….
wachten op de verwoesting van Ninive..
want dat wil hij wel eens zien.

Jona… de meest arrogante gelovige die je je maar kunt indenken;
de gelovige die zich verheugt op de ondergang van de goddelozen.

En dan zijn we al bij het laatste hoofdstuk van het boek Jona.

Jona zit op dat heuveltje en krijgt last van de zon.
God heeft medelijden en laat een boom opschieten
met grote bladeren om Jona te beschermen:
God is liefde.

Jona vindt deze goddelijke zorg voor hem als echte gelovige
vanzelfsprekend maar hij begrijpt absoluut niet
wat er rond om hem heen gebeurt is
en blijft (zoals mensen die op ongeluk hopen
als ze langs de snelweg zitten te kijken)
wachten op de verwoesting van de stad…
maar die gaat niet door.

Dan wordt Jona boos en scheldt God uit…
hij bestaat het om God aan te klagen en te zeggen:
‘ja ik wist het wel…
u bent een barmhartige God
mild voor de zondaars… ‘

Na deze merkwaardige woede-uitval
beginnen de bladeren van de boom
die Jona tegen de zon beschutte af te vallen.

En Jona’s woede neemt nog toe:
‘is dat nu het loon dat ik verdien.’
En dan komen de laatste regels van het boek Jona:
God neemt het woord:
‘Jona, jij bent bedroefd omdat de bladeren van
jouw boompje afvallen…
zou ik niet veel bedroefder zijn
als de mensen van Ninive,
argeloze mensen die het verschil tussen goed en kwaad
nooit goed geleerd hebben
ten onder zouden gaan ?

Einde verhaal.
Een verhaal dat ons wil leren
dat wij als oude/of jonge getrouwe gelovigen
altijd moeten oppassen niet vast te roesten
en altijd vertrouwvol moeten uitzien
naar de nieuwe goede dingen
die er onder onze eigen ogen
ook buiten de kerk
gebeuren.

Toch blijf je ze altijd houden,
de mensen die maar al te graag willen blijven geloven
dat zij de enigen zijn die door God geliefd zijn,
de enigen die goed zitten
en hun eigen gelijk wordt pas echt bevestigd
door het ongeluk of de ondergang van de ander.

Misschien is dat wel het grootste probleem van de kerk van nu:
dat wij net als Jona de tekenen van hoop en goede wil van zovelen
niet WILLEN zien. Straks gaan we samen bidden met christen van
alle Haarlemse kerken dat we een beetje durf krijgen en weten
dat God ons helpt.

Heel veel mensen willen zo graag de goede boodschap horen,
snakken naar geloof, zoeken naar een zin in het leven.

Ze bieden hun kinderen aan voor de doop,
willen dat hun kind de eerste communie doet,
willen voor de kerk trouwen…..

Van ons als vaste kerkgangers wordt verwacht
dat wij zoveel mogelijk mensen
met het koninkrijk van God in contact brengen.

Een beetje blij gezicht
bij de verkondiging van die boodschap
die immers blijde boodschap heet
is wezenlijk wil het verhaal over komen.

En dan lazen we ook nog Marcus.
Zelf een heidense jongen
door Petrus op een van zijn reizen ooit meegenomen.

Hij droeg in zijn naam nog de naam mee
van de Romeinse oorlogsgod MARS ..
maar Petrus had gezegd:
‘laat maar, het gaat om je hart.’

De eerste regel van het Marcusevangelie luidt:
‘Dit is het begin van de blijde boodschap…’
DIT IS HET NIEUWE BEGIN’
HET nieuwe begin van Marcus’ eigen leven,
en dat van ieder die later nog naar hem luisteren wil,
is volgens Marcus te vinden in een Joodse man:
Jesus, die men de Christus, de Messias ging noemen.

Die Jesus riep apostelen samen
van achter hun netten vandaan:
terstond, meteen gingen ze mee.
Tegelijk nodigt Hij ons allen uit:
‘bekeert u en luistert naar deze blijde boodschap:
het Koninkrijk van God is nabij,
het is nu de goede tijd.. doe mee.’

Dat willen wij proberen in onze kerk samen:
rond Jesus van Nazareth een nieuw begin…
Een nieuwe begin ? We mogen het hopen.

Neen: we moeten zeggen: we gaan er samen aan werken.
Laten we elkaar nu al vast gelukwensen
en er samen aan gaan staan,

We schrijven 1882.
Het gebeurde dat een pater van de missionarissen van het Heilig Hart
er op uittrok om broeders te werven voor de missie in Nieuwe Guinea.

Ergens in Noord Holland zei iemand tegen hem:
‘je moet het eens gaan proberen in Volendam.’

Zo stond de pater op een zomerse dag op de stoep van de Volendamse pastorie.
Hij maakte zijn plannen bekend aan de pastoor van de parochie
en deze liet er geen gras over groeien.
De vissersvloot was juist binnengelopen
en de jonge kerels waren dus bij de haven te vinden.

Toen de twee geestelijken daar arriveerden was het een ware volksvergadering.
De pater hield zich een beetje in de schaduw van de pastoor
die zich doelbewust een weg baande door de roepende en schreeuwende vissers
en tenslotte op het spreekgestoelte van de afslager klom.

Hij verzocht en kreeg stilte.
De ‘beminde gelovigen’ verdrongen zich nieuwsgierig om de ongewone preekstoel
en wisten binnen de minuut waar het om ging.
Deze pater had jonge kerels nodig,
die met hem als broeder naar de missie wilden gaan.

Tot verbazing van de missionaris meldden zich
na de korte verklaring van de pastoor aanstonds drie stevige kerels:
zij wilden mee. ’s Avonds meldden zich nog drie anderen
en de volgende dag reisden Klaas Kieft, Jan Kras, Piet en Kees Zwarthoed,
Jan Mooyer en Kees Hansen na een kort afscheid van huis en haard
naar een ver missiehuis, doorgangspost naar de missiegebieden in Nieuwe Guinea.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

14 januari: Een wintervertelling

[print]

Tweede Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 1 Samuël 3,3b-10.19

  • 1 Korintiërs 6,13c-15a;17-20

  • Johannes 1,35-42

Een tijd geleden zei een oude, wijze godgeleerde op de Televisie,
dat het nu wintertijd was in de kerk. Zou hij gelijk hebben?
Misschien wel. Het lijkt mij niet zo’n gek uitgangspunt.
Als we gewoon tegen elkaar durven zeggen dat het winter is,
hoeven we ook niet te zeuren dat er zo weinig groen te zien is
en dat het af en toe bar en koud kan zijn: dat hoort er dan gewoon bij.

We hoeven dan ook niet terug te verlangen
naar het verleden, de zomer of de herfst maar
WE KUNNEN UITZIEN NAAR IETS VEEL MOOIERS
DAT NABIJ IS………..DE LENTE!

Het verhaal over Samuël dat we vandaag mochten horen
is echt een verhaal voor deze wintertijd.
Een prachtige wintervertelling,
troostvol en bemoedigend voor ons in deze tijd.
Alleen al dat begin: ‘In die dagen was een woord van de Heer een zeldzaamheid
en kwam een visioen niet dikwijls voor.’
In die dagen… in onze dagen.

Er wordt heus nog wel OVER God gepraat op radio en televisie.
Maar hoe vaak komt Hij nou eigenlijk zelf aan het woord?
Visioenen zijn er heden ten dagen ook maar mondjesmaat.
Onze ogen zijn wel goed: we zien van alles
maar meer als mensen die waarnemen,
observeren, analyseren, filosoferen.
We filosoferen over hoe het zit met God en zo:
we theoretiseren over hoe de kerk moet zijn
en denken na over hoe het gesteld is
met de mens van tegenwoordig.
Soms zijn ze intelligent, die analyses, soms heel briljant
maar zelden visionair..

Het oude woord geldt nog steeds:
‘In die dagen was een woord van de Heer een zeldzaamheid
en kwam een visioen niet dikwijls voor. ‘
En.. hoeveel mensen, hoeveel moeders en vaders vooral
voelen zich niet als de oude Eli.
Hun kinderen gaan wegen op die zij niet begrijpen:
het verzet hebben zij opgegeven…
Hoewel…een nieuw onderzoek leverde op dat het juist de ouderen zijn
die afhaken en stoppen met in God geloven
en de jongeren juist weer in God gaan geloven.

Maar onze wintervertelling gaat verder:
het staat er, zomaar schijnbaar onbelangrijk, tussen de regels:
‘De lamp van God was nog niet gedoofd.’
Je moet soms wel heel goed kijken, maar die lamp brandt nog.
het licht is nog niet uit. Er zijn altijd mensen
die die lamp van God brandend houden.

Uit overtuiging, uit roeping soms, maar ook uit gewoonte
en zonder het zelf te weten of zelfs maar te willen.
Maar wat is die inspanning
om de lamp brandend te houden welkom
-ook al geeft die maar weinig licht-
in de nacht als het donker is.

En God is er ook nog in die dagen wanneer
het licht van Gods aanwezigheid
nauwelijks nog waar te nemen is.
Juist in de donkerste nacht
– zo lezen we op de eerste bladzijde van de Schrift-
alles is tohoe waboehoe, woest en ledig.. gaat God roepen:
‘er zij licht’.

Ook in de winternacht worden mensen geroepen bij hun naam.
Die roepstem van God is niet altijd even duidelijk te horen
want God gebruikt nu eenmaal geen megafoon.
Maar dat Hij ook nu nog spreekt en mensen worden geroepen
is onmiskenbaar.
Je hebt natuurlijk wel andere mensen nodig
om je te bevestigen in je roeping,
om bepaalde tekenen als roeping te duiden.

Samuël had: ‘hier ben ik’ gezegd
maar hij wist nog niet tegen wie hij dat nou moest zeggen.
De oude Eli met zijn afgezakte geloof
was net voldoende bruikbaar
om Samuël op het goede spoor te zetten.
Als hij diep in zijn geheugen tast
weet hij wel weer wat er aan de hand is.
De oude Eli ging een licht op en hij zei:
‘Als Hij nou weer roept, zeg dan:
‘spreek Heer, uw dienaar luistert.’

‘Spreek Heer, uw dienaar luistert.’
Als je dat gezegd hebt laat je God binnen,
je laat Hem in je leven aan het woord komen
het grote avontuur met God kan beginnen.
Dat is dan voornamelijk een kwestie van goed luisteren.
Luisteren, luisteren naar wat precies jouw roeping is.
Luisteren naar wat in jouw leven jouw eigen roeping ,
jouw bestemming is. Luisteren, dat is de grondhouding van iedere gelovige.

Omdat dat de houding is voor alle gelovigen daarom is dat ook
de houding voor die mensen -vrouwen en mannen-
die zich geroepen weten om in de kerk hun levensvervulling te vinden.

Binnen die kerk zijn zovele mogelijkheden om je te engageren.
Je kunt met God verkeren als religieus,
je kunt God ter sprake brengen als geleerde,
je kunt als pastoraal werkster of werker
in de kerk van vandaag van grote betekenis zijn.
En in de kerk van vandaag
kun je ook nog geroepen worden tot het priesterambt.

En voor allen, voor priesters, religieuzen
en gewone mensen die wij
met zo’n lelijk woord ‘leken’ blijven noemen geldt:
het gaat om het luisteren naar de stem van de Heer…
en voor ons christenen komt daar nog bij
het volgen van die ene mens, Jesus van Nazareth,
dé luisteraar en dienaar van de Heer bij uitstek.

Je mag als gelovige luisteraar èn dienaar zijn
van de God die zich voor Zijn spreken
nooit bedient van Megafoons
maar altijd van stemmen van mensen.
Mensen die vragen en roepen,
huilen, lachen en smeken:
mensen die aan jou vragen om troost,
om een omhelzing, om een woord.
Als dienaar van en als luisteraar naar al die mensen
mag je tot hen, en tot de Heer die door hen heen spreekt zeggen:
‘spreek Heer uw dienaar luistert.’

Johannes de doper keert in het evangelie
achter de coulissen terug en wijkt voor Jesus.
Heel Johannes’ indrukwekkende persoonlijkheid
laten wij nu achter ons:
het volle licht valt op de Messias.
De kring rond de Messias breidt zich uit,
de een na de ander wordt er bij gehaald
(een soort vroom ‘zwaan kleef aan’ spel).
‘Nu jullie nog..’ zo klinkt de oproep van deze zondag.

Ieder mens wordt aangesproken en zal moeten kiezen
voor de God van Abraham, Isaak en Jakob:
de God van Jesus die ook onze God wil zijn.
We hebben nog maar weinig ervaring met de stem van God,
net als de kleine Samuël.
Maar de oude verhalen worden ons weer verteld,
zo komen wij de winter door.
En als bemoediging onderweg is ons de Eucharistie gegeven.
Het boek gaat open iedere zondag
-Godlof- en iedere eerste dag van de week
mogen wij het vriendschapsteken stellen
wat Gods trouwste dienaar nagelaten heeft aan Zijn vrienden
opdat wij trouw zijn aan onze roeping en doen en zijn als Hij.

Wat een vreugde dat wij, u en ik samen mogen zijn rondom deze tafel.
De lamp brandt nog… Zijn woord klinkt ook nog in onze dagen.
En -tenslotte- met alles wat de Eucharistie nog meer is,
is zij in ieder geval ook een voorsmaak van de grote zomer
die zo zeker als God onze vriend wil zijn
onverbiddelijk zal aanbreken.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor