• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

All posts by Maarten Kools

2 augustus: Kostbaar Brood

[print]

18e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Exodus 16,2-15; Brood uit de hemel

  • Johannes 6,24-35; Brood van eeuwig leven

Brood is bijzonder.
Ik heb het wel eens gezien bij mensen op het platte land in België,
waar mijn oudoom pastoor was.
De vrouw des huizes bij wie wij ’s avonds aten
pakte een brood, zo’n groot rond Belgisch brood,
en sneed het niet aan voordat zij met het mes
dwars op dat grote ronde brood een kruis had getekend.

Brood is een gave Gods, brood is heilig.
-het is moeilijk om dat nog te ervaren
als je die in plastic opgesloten broden
in de supermarkt ziet met die akelige plakbandjes
die je nooit los kunt krijgen. Toch blijft brood bijzonder,
brood belandt daarom –als het goed is- nooit in het vuilnisvat.

Je zou kunnen zeggen: Brood is een beginsel, een principe.
Daar neemt het leven een aanvang,
het is de basis om te groeien, om verder te leven
en opgewassen te zijn tegen de slopende krachten
die dagelijks een aanval doen op het menselijk bestaan.
Daarom is brood ook de weergave van een geheim,
want niets is zo geheimzinnig als het begin van het leven.

Hoe goed het joodse volk dit begrepen heeft,
blijkt uit het woestijnverhaal
beschreven in het boek van de ‘Uittocht’
waarin gesproken wordt over de kracht en de troost van God
beschreven als ‘brood uit de hemel’
om te kunnen overleven op je pelgrimstocht.

De gelovige ervaart zijn leven
– zeiden we de vorige week -als een reis,
niet zo maar een reis maar een pelgrimstocht.
Het boek van de uittocht vertelt daarover met verve
de prachtigste verhalen waarin we onze eigen levenssituaties
maar al te gemakkelijk kunnen herkennen.

We horen vertellen een groepje bevrijde slaven uit Egypte
die na hun doortocht de rode zee,
(- een soort doop van heel een volk namens de mensheid -)
aan hun grote reis met God gaan beginnen:
hun pelgrimstocht door de woestijn.

Dezelfde bladzijde van het boek Exodus
die over Israëls luisterrijke bevrijding uit Egypte vertelt
vermeldt de eerste stop van de pelgrims bij een oase
waar ze naar verkwikking zoeken maar ….. het water is bitter..
ja zo is het leven. Maar er wordt in voorzien:
het water wordt drinkbaar gemaakt en even later
komen ze echt bij een kostelijke plek
waar 70 palmbomen zijn en 12 waterbronnen: kan het mooier.

Hoogtepunten maak je ook mee in het leven.
Maar die duren meestal niet lang. Het komt op het gewone leven aan.

Mozes maakt zijn tocht met gewone mensen
– zo vertelde ons de eerste schriftlezing -.
en daarom heeft Mozes een moeilijke strijd
te strijden gehad met zijn volk.
Soms wilden ze plotseling niet meer verder:
– net als kinderen op een vakantietripje-
‘Waren we maar in Egypte gestorven’
roepen ze in een wanhoopsmoment uit.
De woestijngangers hadden zulke grote problemen
dat ze de hele situatie omkeerden,
Egypte, het land van de slavernij waar ze met Gods hulp uit bevrijd zijn
werd van een oord van onderdrukking
plotseling een luilekkerland: waren we maar in Egypte gebleven
waar we tenminste iets te eten hadden.

De sfeer is gespannen en daarom roept Mozes
de gehele gemeenschap op
om aan te treden voor het heiligdom,
En dan verschijnt de wolk van troost:
als een wolk komen de kwartels in de avond aangevlogen
en dan komt ook nog het brood, de morgen daarna: het Manna.
Mozes zegt daarvan:
‘Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald.’

Tijdens de lange reis door de woestijn
is plotseling de vleugelslag van Gods Geest hoorbaar
de zegen komt uit de hemel gevlogen en gevallen ter beschaming
van de Israëlieten die geen vertrouwen hadden in Gods leiding.

Het bevel luidde, dat zij van dat manna nooit méér mochten verzamelen
dan ze voor één dag nodig hadden.
Dat dwong hen om iedere dag opnieuw
uit te zien naar de leeftocht voor die ene dag
als een geschenk van de Enige.

Menselijk gesproken waren ze nooit zeker van het eten van de volgende dag
de enige zekerheid die ze hadden was de hoop,
het vertrouwen dat Hij hen niet zou vergeten:
iedere dag waren dood en leven in het geding.

Tegen die achtergrond moeten we het 6e hoofdstuk van Johannes
waaruit we deze weken in de zomer mogen lezen- verstaan.
De mensen die Jesus volgden, hebben brood gekregen,
toen ze Hem volgden in de eenzaamheid.
Dat had ze een beetje brood-dronken gemaakt,
voor brood op de plank, voor brood alleen zijn mensen altijd in.
Maar heel voorzichtig begint de Heer afstand te nemen
van de wonderbare spijziging die mensen gered had in hun nood.
Daar ging Hij niet mee door.
De mens leeft niet van brood alleen.

Wij lezen eerder in het evangelie van Johannes (Joh.4).
Jesus was op reis door het noordelijke land
met zijn leerlingen. Hij praat met een vrouw,
een Samaritaanse nota bene. Maar wat daarna gebeurt
is nu interessant. De leerlingen komen uit de stad terug
en zeggen: “eet toch iets rabbi”. Het antwoord is verrassend:
“Ik heb een spijs die gij niet kent!
MIJN SPIJS IS HET, DE WIL TE DOEN VAN HEM,
DIE MIJ GEZONDEN HEEFT.”
Vanuit die spijs wil Hij leven.

Manna of brood op de plank mogen nooit het eindpunt zijn
in het leven van een mens. Een goede baan, vast werk
het zijn wezenlijke noodzaken en het is geen schande
om er gelukkig mee te zijn. Maar er zal altijd een gemis blijven
dat niet te noemen is en we komen dan niet vanzelfsprekend
aan de eigenlijke levenszaken toe. Om daar meer over te weten
te komen moet u hier zijn, in de kerk!

Er is in de pers tegenwoordig veel aandacht voor geloof en kerk.
Vooral voor de negatieve dingen. Die moeten inderdaad genoemd worden,
eerlijk en open duurt het langst.
Toch is er een kentering vergeleken met zo’n tien jaar terug.
Er is ook aandacht, (soms komt het niet verder dan verbazing)
voor en over het feit dat het geloof er is of nog is.
Na de eerste verbazing: ‘vreemd dat geloof er nog is,
sommigen hebben dat kennelijk nodig
een beetje te genieten van liturgie en mooie rituelen
komt er een vermoeden dat het te maken heeft
met het zoeken naar diepte in je bestaan.

Toch begrijpen ze dan nog steeds niet waar het echt over gaat.

Zo onmisbaar als voor jou brood is –zegt Jesus-
zó onmisbaar ben ik voor jou:
Ík ben het brood dat jou in leven houdt.

Alles van het goede leven is ons gegund,
een dak boven ons hoofd, brood op de plank, een fijne baan,
de weelde van het geluk samen met anderen.
Maar er is meer: Hij, God met ons, wil in ons leven binnen dringen.
Hij wil brood zijn, het beginsel van ons leven,
van iedere dag en de totaliteit van ons bestaan.
Dat betekent voor ieder van ons dat er een nieuw fundament gekomen is,
waarop ons leven en de hele menselijke samenleving moet worden gebouwd.

De Heer wil in ons leven als gelovigen niet functioneren
als randversiering, als verfraaiing…
Hij wil voor ons in volle kracht ons LEVENSBROOD zijn,
niets meer en niets minder.

Het betekent dat wij, levend vanuit Zijn Geest, kiezen moeten, in eer en geweten, voor datgene wat werkelijk goed is voor deze wereld.
Vanuit Zijn Geest moeten we durven spreken en handelen.

Dan is, als wij leven met Hem, werken aan vrede niet langer een vroom verlangen maar een opdracht die onze voortdurende inspanning vergt.

Als wij Hem, ons levensbrood, als levensbeginsel aanvaarden
zal de verhongering van de helft van de wereld ons niet onberoerd laten.

Wij zullen binnentreden in zijn droefheid dat het zo met de aarde gesteld is
en luisteren, in dialoog met Hem naar datgene
wat Hij ons op het hart wil drukken: en dat is:
wees er voor de ander, helemaal, zoals ik er voor jou wil zijn.

Wij worden zelfs opgeroepen om nieuwe mensen te worden
– waartoe Paulus ons uitdaagt -,
nieuwe mensen die leven in een creatieve relatie met God.

Daar werken we aan in ons leven
daar bouwen we als we hier luisteren naar Zijn woord.
We groeien in die verbondenheid
als wij het Brood van de Eucharistie gaan eten
en als het goed is gaan we zo steeds meer op Hem lijken.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

26 juli: Naar het land dat ik u wijs

[print]

17e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 2 Koningen 4,42-44; Brood voor velen

  • Johannes 6,1-15; Dit is de profeet!

Met graagte zingen wij in de kerk vaak het lied:
God roept een mens op weg te gaan, het leven is een reis.
Het heeft een pittige melodie naar toch daar gaat het niet om.
Het gaat om meer, om iets anders.

In het lied herkennen wij iets,
iets wat ons eigen leven betreft.
Wij voelen ons inderdaad vaak als reizigers,
als mensen die een levenstocht maken.
Niet zomaar op de bonnefooi
maar ergens naar toe…

Deze zomer zien we weer veel mensen onderweg:
Naast de gewone vakantiereizigers al die anderen die zich inspannen
om een tocht volbrengen, een prestatie leveren:
de Tour de France, de Vierdaagse in Nijmegen en zo meer.
Beroepsatleten en amateurs die ook buiten het seizoen
de Mont Ventoux, waar de beroepsrenners soms ook komen,
op klimmen om andere mensen, kankerpatiënten, te steunen.

Maar ook wij allemaal, zelfs de thuisblijvers zijn toch bezig
allemaal op weg naar een doel:
het land dat de Enige ons als reisdoel aanwijst. Het lied zingt daarover.

Hoe je daar komen moet? Het antwoord komt in het lied:
verlaat wat Gij bezit, en ga op reis.
Verlaat je luie stoel, durf dingen achter te laten,
los te laten, durf opnieuw te beginnen.

Onze levenstocht is in tegenstelling tot al die sportfestijnen,
geen plezierreis: in de Bijbel heet het daarom
een tocht door de woestijn.
Wat je mee moet maken valt soms lelijk tegen,
het is soms zwoegen en ploeteren, hopen en wanhopen,
volhouden en weer in elkaar zakken….
Maar het beeld van de woestijn reis betekent niet een en al ellende.
want er is een hele bijzondere Reisleider waar je echt wat aan hebt:

Iemand die je niet alleen laat, Iemand
die je zorgen meedraagt en je steeds uitdaagt verder te gaan
die je leidt naar een grandioos einddoel:
en je uiteindelijk brengt in een nieuw land
een land van melk en honing,
een gelukkig land: het land van Kanaän.

Dat land lijkt erg ver.
Wat de mensen van deze wereld maken is soms bar en boos.
Al meer dan tien jaar terug waren jongeren uit onze parochie in Polen
en ze hebben daar Auschwitz bezocht…
en verbijsterd geconstateerd waar mensen toe in staat zijn
en elkaar het allerslechtste aandoen
en dat terwijl God ons al het goede gunt,

Het oude verhaal van God met de mensen uit de Bijbel
vertelt over de kracht die mensen die op Hem vertrouwen
keer op keer ontvangen als ze naar het nieuwe land op weg durven gaan
ondanks hun falen.

Er wordt verteld over bemoediging die mensen kregen in de woestijn:
over water uit de rots, brood uit de hemel, sterkte onderweg.

Voor ons op onze pelgrimstocht
is er vooral behoefte aan krachtvoer voor je ziel:
opdat je weet waar je voor leeft
en de moed ontvangt om vol te houden
en gemotiveerd te zijn om goed te blijven doen.

Er is nood en er is een schreeuw om hulp bij velen:
uiteindelijk is dat de roep naar God.
Tot Hem mag je dan zeggen: ‘Houd Jij mij toch in leven
wees Jij mijn kracht en mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U…
‘;

En dan geeft God Zijn bemoediging aan ons
meestal via de mensen die Hij naar ons toestuurt
om ons te troosten of de waarheid te zeggen:
(nieuwe mensen op ons levenspad,
een partner, een vriend, een vriendin)
iemand die ons wakker maakt en in beweging brengt.

Heel, heel soms zijn er tekenen
die ons tot grote verbazing en vreugde stemmen:
een plotselinge genezing, een wonderbare bemoediging,
een stralend geluk dat ons ten deel valt.
Dat gold voor degenen die Jesus’ tekenen toen in Galilea,
toen Hij de zieken genas en het brood brak en velen verzadigde.

De schriftlezingen van vandaag vertellen ons
over Elisa de profeet, die namens God mensen hulp geeft onderweg:
een bemoediging van Godswege, en die komt altijd onverwacht.

Over het antwoord, de troost en de bemoediging
die ons ALLEMAAL in Jesus gegeven is, gaat het evangelie van vandaag.
In alle kerken over heel de wereld dat verhaal voorgelezen,
het evangelie van de zgn. broodvermenigvuldiging.

Het volk had het in Jesus’ dagen moeilijk.
De Romeinse bezetters gingen als wildemannen te keer.
De rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer.

Vroeger, in de goede dagen van koning David
kon je het nog zingen:
MIJN HERDER IS DE HEER
HET ZAL MIJ NOOIT AAN IETS ONTBREKEN

maar in Jesus’ dagen lijkt de glorie van David voorgoed voorbij.

Juist in die dagen treedt Jesus op en verkondigt dat de Heer,
de oude trouwe God van Israël er nog steeds is
en de Zijnen niet in de steek zal laten. De Herder slaapt niet!
Daarom zingen wij die tekst nog steeds in onze dagen
en zelf durven we dat bij moeilijke momenten,
bij een uitvaart bijvoorbeeld.

Als wij horen spreken over broodvermenigvuldiging,
gaat het nooit alleen maar om een heel bijzonder ‘wonder’.
De enige reactie daarop zou zijn: ‘tjonge,tjonge’
of ‘hoe is het mogelijk’.
Gelukkig willen de verhalen over Jesus
die het brood overvloedig aanreikt ons meer leren.

Bij alle verhalen van de evangelisten over de broodvermenigvuldiging
gaat het nooit om de stilling van een gewone honger alleen
maar om troost voor een volk dat zich herderloos voelt.

En de Heer zal in iedere tijd opnieuw een goede Herder blijken
als Jesus het goede brood van zijn woorden,
van zijn troost en zijn bemoediging, uitdeelt.

De reactie op het teken van de broodvermenigvuldiging
is niet erg diep. De meesten hebben het teken niet verstaan.
Ze denken: ‘die Jesus moeten we te vriend houden
want wie weet wat voor voordeeltjes mij dat nog kan opleveren.
Daarom willen ze deze Jesus graag tot koning kronen
want Hij kon wel wat!

Ze beseffen niet dat het om iets heel anders gaat.
Jesus zelf is geen tovenaar maar wil door de manier
waarop Hij met mensen meegaat,
hun troost en bemoedigt en vooral
door de manier waarop Hij hen activeert
zelf hun levensbeginsel zijn.

Jesus roept iedere mens, u en mij, op het met Hem te wagen.
Het verhaal is dus tot ons persoonlijk gericht:
Hij zendt ons er op uit, wij worden Zijn handen.
We weten nog niet wat dat oplevert,
onze weg is nog lang niet ten einde.

We hebben waarschijnlijk allemaal nog een lange weg te gaan
maar hopelijk willen we dat doen als wakkere medewerkers
van de God die onze toekomst is en onze hoop.

Aan ons de opdracht naar die toekomst uit te zien
door het teken van de broden te verstaan.
Wetend dat het om een hele nieuwe manier van mens zijn gaat:
durven leven met God, levend vanuit Zijn idealen,
gedurfde daden stellend,
wetend dat alleen zo een nieuwe wereld in zich komt.

Hier krijgen we geen medailles
maar wel een prijs
die altijd zijn waarde behoudt
het kostbaarste wat je op aarde kunt krijgen:
het brood van Gods belofte en
het Brood van de Eucharistie
dat ons werkelijk sterkt en troost
en als het goed is ook activeert
om te doen wat Jesus ons heeft voorgedaan.

Een fraai lied dat wij nu, als een soort geloofsbelijdenis gaan zingen
getuigt daarvan:
het 1e couplet gaat over het nieuwe begin dat we steeds kunnen maken,
het 2e herinnert aan onze doop en de onverwachte komst
van nieuw kracht in ons bestaan
en het laatste is een bede om volharding:
Geest die ons bewoont, verzucht en smeekt naar God
laat die ons in de Zoon, echt opstaan uit de dood
Opdat ons leven nooit in weer en wind bezwijkt
KOM SCHEPPER GEEST VOLTOOI
WAT GIJ BEGONNEN ZIJT…
zo moge het zijn
AMEN!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

19 juli: Elkaar nabij zijn

[print]

16e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jeremia 23,1-6; Slechte herders

  • Marcus 6,30-34; Ze zijn als schapen zonder herder

Het evangelie van deze zondag vertelt ons:
‘Hij voelde medelijden met de schare
want hij zag hen als schapen zonder herders.’
Spreekt ons 21e eeuwers dat nog wel aan?
Wat moeten wij met deze merkwaardige tekst.
Wij hebben geleerd om volwassen te worden
en willen niet graag met schapen worden vergeleken.

We zijn toch allemaal groot en zelfstandig.
Wij hebben de wereld in handen.
Wij bouwen en wij vernieuwen en vinden uit.
Wij organiseren,
wij proberen een maatschappij te scheppen
waarin het goed is om te leven.

Samen moeten we werken aan vrede en recht.
Ieder van ons moet daar zijn bijdrage aan leveren.
Ieder wordt geroepen terzake van ja en neen.
Dit gezamenlijk verantwoordelijkheidsbesef
is één van de zegeningen van de theologsiche
en bijbelse herbezinning van onze dagen.

Maar die beweging kan niet
zonder de beweging in de andere wereld, de kleine wereld.
De kleine wereld van de ene mens die u bent,
die ik ben.

Wij lezen met enige regelmaat in de evangelieverhalen
hoe Jesus van Nazareth, zoon Gods, bij uitstek volwassen,
zich als Hij door vele mensen omringd is
terugtrekt naar een eenzame plaats.
Hij alleen. Had Hij dat nodig?
Was Hij, ons aller Verlosser, de mensen beu?
Dat kan het niet zijn.

Hij was een herder en een herder hoort bij zijn schapen
en toch wil hij alleen zijn. Waarom?

Neen, het is geen vaandelvlucht,
Hij wil zich niet aan zijn opdracht onttrekken.
Hij wilde ‘er graag zijn’ voor de mensen die om Hem riepen.

Maar om dat te kunnen doen
moet Hij ook kunnen leven vanuit het diepe geheim van zijn zending,
zijn gesprek met de Vader.

Een gesprek dat wij alleen maar van een afstand kennen.

Hij heeft ooit 40 dagen en nachten de eenzaamheid van de woestijn gezocht
om ruimte te krijgen voor dat gesprek,
omwille van de inspiratie die hij nodig had
om daarna weer naar de mensen toe te gaan.

Dat zoeken van die rust, die oriëntatie op de Vader
was zijn eigen geheim.
Vandaag gunt Hij ons dat ook:
‘rusten jullie ook uit’, zegt Hij tot de Zijnen,
de volgelingen mogen in dat geheim gaan delen.

En dat geldt ook voor ons hier deze morgen.
Wij mogen ook, naast dat drukke leven van alledag,
een leven van organiseren van huis en maatschappij
in een kerk komen om even anders te zijn
en te zoeken naar God.

Hier willen we iets anders,
hier zoeken wij wat Jesus van Nazareth zocht
als Hij alleen op de berg was, ver van de mensen.
We weten het wel maar vergeten het zo gemakkelijk:

‘Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf,
wij leven en sterven voor God onze Heer,
aan Hem behoren wij toe’.

We hebben ons werk, onze drukte,
onze belangrijkheid maar we leven als het goed is dieper.

We leven en werken voor God onze Heer en zoeken
-als het goed is- ook hartstochtelijk naar wat Jesus zocht
toen Hij zich afzonderde, als Hij niet onder de mensen was.

Wij zoeken naar vrede, naar rust in ons eigen bestaan,
naar rust voor ons onrustige hart
‘totdat het rust vindt in U Heer’, zei Augustinus.

Die rust is, net als het werk, geen doel op zichzelf.
Jesus verbreekt, als mensen aandringen
zonder aarzeling Zijn eigen rust
en gaat onmiddellijk weer aan het genezen,
het troosten en het bemoedigen.

Maar Hij dat allemaal niet leven volhouden zonder de stilte.
Hij zal Zijn hele leven die stilte blijven zoeken
van het wezenlijke gesprek, het gesprek met de Vader.
Het gesprek met God zoals wij dat ook zoeken.

Om dat gesprek te voeren zijn wij hier vandaag.
Het kan natuurlijk ook thuis.
Mensen zeggen dat vaak: ‘Ik heb de kerk niet nodig.’
Ik vind dat maar moeilijk, leven zonder geloof of kerk
en ik geloof ook niet dat ze dat echt kunnen
want het is zoveel gemakkelijker, zinvoller en dus eigenlijk efficiënter,
beter om dat samen te doen, in de kerk bijvoorbeeld, dat zoeken naar stilte.

Samen luister je beter, samen kun je beter stil zijn.
Samen kun je beter zoeken naar de bodem van je eigen hart.

Bij dat zoeken in de stilte
begint het eigenlijke leven van alle dag.
In die bezinning vinden wij de juiste houding in deze wereld
ten opzichte van elkaar, ten opzichte van wat wij kunnen.

Een waarschuwend woord klinkt vandaag ook.
We horen de stem van de profeet, de oude Jeremia.
Net als de andere profeten van het oude Testament
is hij met zijn hele ziel en zaligheid aanwezig
in de woorden die hij spreekt.

Hij klaagt de leiders aan, hij klaagt zichzelf aan.
Hij zegt -namens de Heer- tot de gelovigen van zijn
tijd, tot hun leiders en ook tot zichzelf:
‘door jullie schuld zijn mijn schapen verloren gegaan
zegt de eeuwige… maar Ik let wel op u.

Dat waarschuwende woord klinkt niet voor niets.
We worden er door gedwongen onze roeping serieus te nemen
en onze aandacht te richten op de ontmoeting met de Eeuwige
opdat wij daarvan kunnen getuigen in woorden en daden.

En dan is er een getuigenis een preek die mooier is dan alle andere preken:
de preek van de overtuiging, de preek van het voorbeeld,
van de levenshouding,
een preek die meestal in stilte wordt gegeven.

Als priester mag je het wel eens meemaken
dat mensen zich aanmelden om katholiek te worden.
Ze melden zich bij ons als geestelijken
en willen dan van ons ‘les hebben’.

Het is voor ons dan altijd weer een leerzame ervaring
als wij vragen hoe ze tot dit besluit om actief te gaan geloven zijn gekomen.
Dat besluit is er nooit gekomen door een plotselinge bekering
door een mooie preek of een stichtend woord van een geestelijke.
Jammer voor ons,
de geestelijken speelden nooit de hoofdrol.
Hun besluit om gelovig te willen worden
is altijd ontstaan door de ontmoeting
met gelovige mensen gewoon overdag.

Mensen die niet preekten met veel woorden,
maar die iets voorleefden – vaak zijn het hun ouders-
ze leefden iets voor, bijvoorbeeld door te kunnen luisteren naar anderen,
anders te luisteren dan de meesten doen.

Echte gelovige mensen zijn zich van die uitstraling niet bewust.
Hun optreden is niet spectaculair,
ze schreeuwen het niet van de daken en breken,
als het goed is , niet bij de anderen in.
Hun overtuigingskracht zit in de nabijheid,
de openheid, de aandacht voor die andere vragende mens
waardoor ze niet alleen kunnen luisteren naar de woorden
die uit de mond van de ander komen
maar om te luisteren naar wat er leeft in het hart van de ander.

Als het goed is zijn gelovige mensen het kanaal
waarlangs de waarheid, het goede, het zuivere zich
naar de wereld toe kan openbaren steeds meer en steeds duidelijker.
Zo maken zij de weg vrij
voor de geboorte van de Eeuwige naar deze wereld toe.

Om die boodschap te kunnen uitdragen
hoef je niet geleerd te zijn.
De jonge Salomo bad ooit:
‘geef mij een luisterend hart’.

Om die levenshouding gaat het.

Onze broeders en zusters van de Islam
hebben deze maand hun ramadan:
dat gaat ook om het zoeken naar stilte,
het zoeken naar het contact met de hemelse Vader.

Jesus leefde die luisterende levenshouding voor.
Hij was trouw aan Zijn opdracht,
luisterde naar de mensen,
vriendelijk en mild,
Zijn herderlijke aanwezigheid was verkwikkend.

Deze week dachten wij aan de slachtoffers van de MH17
te erg voor woorden: gezinnen en andere passagiers
zomaar uit ons midden weggerukt.
Een van de achterblijvers zei:
‘Het verdriet zal nooit verdwijnen
de herinnering kan alleen op den duur gaan bloeien.’
Dat is een troost maar de grootste troost is:
elkaar nabij blijven zijn zoals Hij dat deed
onze Goede Herder in wiens naam wij hier bijeenzijn.

Laten we bidden om kracht om die taak te volbrengen.

God geve ons rust om onze roeping te ontdekken,
een luisterend hart
opdat wij onze opdracht goed horen klinken
en iets present stellen van Jesus’ liefdevolle aanwezigheid.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

12 juli: Eerlijk de waarheid onder ogen zien

[print]

15e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Amos 7, 12-15

  • Marcus 6,7-13

Een zeer krachtige prediker die er op uit trok
en wiens boodschap ons schriftelijk is overgeleverd, is de profeet Amos.
Zo’n 2700 jaar geleden liet hij zijn overduidelijke woorden horen.
Hij was een schapenfokker (waarschijnlijk voor de offerdienst in de tempel)
uit Tekoa, even ten zuiden van Jeruzalem.
De tijden van koning David en Salomo liggen al lang achter ons.
Het rijk is verdeeld in twee gedeelten: het Zuidrijk Juda)
met als hoofdstad Jeruzalem en het Noordrijk (Israël)
met als hoofdstad Samaria.
Hoewel Amos zeker kritiek gehad zal hebben op de offercultus in Jeruzalem, richt zijn gramschap zich vooral tegen het nieuwe staatsheiligdom in Betel
in het Noordrijk. In zijn dreigpreken noemt hij ze allebei:
Wee jullie, zorgelozen op de Sion Jeruzalem),
jullie gerusten op de berg Samaria.

Tot de laatsten gaat hij verder: ‘Jullie liggen op ivoren rustbedden,
op jullie divans uitgezakt
‘ (6,1 e.v.).
Tot die priesters (van Betel) – u hoorde in de lezing van vandaag
wat voor een woede hij teweeg bracht-
tot de priesters richt hij de woorden:
Zo zegt de Heer, Ik haat jullie feesten,
Ik kan jullie samenkomsten niet meer luchten …
doe weg het getier van jullie liederen, het getokkel van je harp,
Ik kan het niet meer aanhoren.

Nee, niet direct een geschikte patroon van een zangkoor, deze Amos.
Ook wat ruw in de mond.
Zo bezigt Hij zeer onhoffelijke taal,
als hij de ‘society-ladies’ van Samaria toespreekt:
Hoort dit woord, jullie koeien (!) van Basan op de berg Samaria.
Koeien van Basan … in die tijd geweldige koeien,
wij zouden zeggen Fries stamboekvee.
(u zou het eens moeten nalezen in zijn 2e hoofdstuk)

Waarom fulmineert hij zo tegen liturgie en de ‘society’ van zijn dagen?
Hij zegt het zo:
Omdat jullie de rechtvaardige verkopen voor geld
de behoeftige voor een paar schoenen.
Jullie snakken ernaar dat het stof van de aarde de armen bedekt
en willen de neergebogenen van de weg afdringen.

De priesters van Betel waren op de godsdienst-
en maatschappijkritische verkondiging van Amos allerminst gesteld
dat hoorden wij in de eerste lezing vandaag.
De op hun rust gestelde rijken in Samaria (en Juda) evenmin.
Zijn waarschuwende kritiek op de rijken en de gerusten
heeft helaas nog niets van actualiteit verloren.

Onze Pausen schreven, in deze geest krachtige profetische boodschappen,
onze vorige paus zijn encycliek Caritas in Veritate
waarin hij de de wereldeconomie heel kritisch bekijkt,
met name het kapitalistisch liberalisme.
Onze huidige paus klaagt ons aan omdat wij niet goed omgaan met het milieu.
Ze wijzen ons op de gevaren van die nonchalance:
de rijkdom kan ons ontnomen worden en
de leefbaarheid ook.

Ze zeggen het wel eleganter dan Amos.
Moet je die horen (ik citeer):

Ze zullen uw rijkdom komen weghalen en uzelf ook wegtrekken
zoals een visser zijn haak in de neus van de vis slaat.

Deze dreiging waarover Amos spreekt in het jaar 760
heeft niet lang op zich laten wachten.
Nog geen 15 jaar later rukken de legers van Tiglath-Pilezer III,
koning van Assyrië, op tegen Israël.
De mensen van het Noordrijk zullen het eerst worden gedeporteerd.
Genoeg over Amos en zijn kritische verkondiging in Noord Israël.

In datzelfde Noordrijk worden Jesus’ leerlingen erop uitgestuurd.
En hij verbood hun iets anders mee te nemen
dan alleen een stok; geen voedsel, geen reiszak,
geen kopergeld in hun gordel.
Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan.

De sandalen zijn belangrijk want
dan kunnen de leerlingen lopen en mensen bezoeken en daar gaat het om.

Met deze sobere uitrusting
zendt de leraar uit Nazareth zijn volgelingen naar de dorpen en de steden
van het land, om aan de joden in herinnering te brengen
wat het betekent jood te zijn, zoon van Abraham,
en wat dit inhoudt aan toekomstverwachting.
Een uitermate sober tenue; armer kan bijna niet.

De vromen van Jesus’ dagen waren herkenbaar
op de hoeken van de straten aan hun plechtige gewaden
waarmee ze op mensen indruk wilden maken.
Jesus vindt dat allemaal niet nodig.
Zo krijgen vandaag niet alleen de koorleden kritiek te horen middels Amos
maar op de priesters en alle fraai uitgedosten in de liturgie van Jesus zelf

Het is duidelijk: de opzienbarende prediker uit Nazareth
wilde geen mooie presentatie geven van godsdienstige waarden;
Jesus zelf is geen glamourboy maar wil door de manier
waarop Hij mensen activeert
zelf hun levensbeginsel zijn.

Hij roept mensen op het met Hem te wagen.
Zijn leerlingen zullen als mannen van het geloof
geen kunstmatig gecreëerde voorsprong hebben
op hun gehoor. Jesus bindt ze vast op hun echte overtuiging.
Ze zijn geen ambassadeurs van een herkenbare grootmacht,
maar de getuigen van de Onzienlijke,
met alleen maar een reisstok en sandalen.
Het bericht dat ze moeten aanzeggen is hetzelfde als dat van hun Heer:
Word wie je bent, bekeer je!

En nu komen wij ook in zicht.
Jesus zendt ons er ook op uit, wij worden Zijn handen.
We weten nog niet wat dat oplevert,
wat wij allemaal mee moeten maken is ons onbekend.

Wie had enkele jaren terug kunnen vermoeden
wat IS zou gaan betekenen, hoe wanhopig
de situatie in Syrië zou worden.
En in ons persoonlijk leven
maken we misschien ook veel mee.
We hebben allemaal een eigen
hopelijk lange, hopelijk niet te moeilijke weg te gaan.
Maar ons leven krijgt inhoud als we dat willen doen
als wakkere medewerkers
van de God die met ons meetrekt op onze pelgrimstocht.
Hij die onze toekomst is en onze hoop.

Teveel bagage meenemen mag niet
zelf nam ik op mijn vakantiereis net als iedereen
ook weer veel te veel spullen mee.

Het gaat hier echter over geestelijke bagage.
De zware oude lasten van onze conflicten
moeten we achter ons laten,
ook ons eigenbelang en onze gewichtigheid.

Het evangelie zegt dat alleen sandalen mee mogen,
die zijn nodig om verder te lopen
en om nieuwe ontmoetingen te kunnen realiseren
met andere mensen die wij tegemoet gaan.

God zelf is daarbij een bemoediger en fan van ons, oneerbiedig gezegd
en bovendien bevrijdt Hij ons ook van onnodige belasting,
van onze schulden bijvoorbeeld.

We lezen daarover in de Schrift:
Al zijn uw zonden rood als scharlaken
ik zal ze witter maken dan sneeuw.

De zonde heeft niet het laatste woord:
wij worden uitgedaagd, iets, veel voor anderen te betekenen
en God steunt ons bij die actie.

Gaan we zo waakzaam en ook hoopvol verder
om ons te richten op wat echt belangrijk is
en weer eens goed te beseffen
dat wij er zelf mogen zijn en God echt van ons houdt.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

5 juli: Wee de lauwen!

[print]

14e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Ezechiël 2

  • Marcus 6, 1-6

Marcus’evangelie begint vrolijk;
uitgebreid vertelt hij
dat Jesus’ Koninkrijk zich op een overduidelijke wijze openbaart:
als hij preekt bij de armen in de noordelijke uithoek van Israël
bij de mensen aan het meer van Galilea.

De socioloog Rosier die jarenlang in de slums van Latijns Amerika was
preekt over ‘de geweldige levenswijsheid
en het uithoudingsvermogen van de armen.
Eigenlijk zijn ze al vrij, vrijer dan anderen.
Alleen uiterlijk moet die vrijheid nog gerealiseerd worden
door hun verlossing van de corrupte machtssystemen
de geweldscomplexen van anderen die hen schaden.

Terug naar Marcus:
er worden vele genezingen gedaan in dat arme land van Galilea
waar ze vanuit Jeruzalem zo op neerkeken.
Een storm wordt gestild
een legioen boze geesten wordt verdreven;
ziekte, dood en zonde lijken hun kracht te verliezen.
Het dochtertje van Jaïrus huppelt weer rond
het kan niet op.

Indrukwekkend en hoopvol wat er gebeurde dus in die streek
dan komt vandaag de anticlimax.

Jesus verlaat zijn geliefde Kafarnaüm waar zoveel wonderen gebeurden.
In deze grensplaats werden werkelijk barrières doorbroken.
Die tussen vroom en niet-vroom, tussen heiden en jood,
ja zelfs die tussen dood en leven.

Jesus gaat daar weg en komt in zijn vaderstad
en nu worden we na alle vreugde over Jesus’ successsen
ruw op de grond gesmakt:
de voortgang van de verkondiging van het van het Koninkrijk stagneert.

Met opzet vermeldt Marcus niet de naam van die vaderstad.
Zo kunnen wij bij de beschrijving van dit duffe plaatsje
gemakkelijker de naam invullen die ons zelf passend lijkt,
helaas zal dat geen erenaam mogen zijn:
het is de stad van ‘laat maar’, ‘maak je niet druk’.
Het zal duidelijk worden dat deze vaderstad eigenlijk overal kan liggen
en oorlogen en crises helaas steeds weer overleeft.

Zijn de mensen van die stad die Marcus beschrijft slecht?
Daar wordt niets over gezegd.
Het is alleen een stad waar niets veranderen kan.

Vandaag horen we in Marcus’ verslag
hoe rustig Jesus in de synagoge wordt ontvangen.
De voorlezing uit de Tora wordt braaf aanhoord.
Het verhaal van vandaag lijkt op het verhaal zoals Lucas dat vertelt’
we lezen dat ieder jaar bij de oliewijding (Lc.4,21 e.v.).
wanneer een heel programma wordt aangekondigd:
een genadejaar voor de Heer, vrijlating van de gevangenen,
blinden zien, doven horen
en aan armen wordt de blijde boodschap verkondigd.

Bij Lucas is er een hevige reactie:
sommigen willen Jesus zelf van de berg buiten de stad
in de afgrond storten.

In het evangelie van Marcus is in deze vaderstad zonder naam
de reactie kalmer. Gematigd positief om te beginnen.
‘Allen betuigden hun instemming’ maar ook
wel wat suffig:
‘ze verwonderden zich wel over zijn woorden van genade’.

Er wordt niet ontkend,
dat Jesus bijzondere daden heeft verricht maar de vraag,
die iedereen in onzekerheid brengt,
is in dit verhaal: wat moeten wij hiermee aan?
Is deze de Messias?
Hij komt hier vandaan, moet het hier gebeuren?
Ze weten geen raad met de verschijning van deze timmerman-redder.

Geen oppositie dus, maar onbegrip.
Ze lazen iedere sabbat in de profeten
maar die worden niet verstaan.
Niemand heeft ‘last’ van visioenen.
Alles zal bij het oude blijven, niemand is onzeker of onrustig:
‘We weten alles al … doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.’
Tegen deze loomheid is zelfs de Heer niet opgewassen.
Hij tast ‘in piepschuim’ en DAT IS VRESELIJK!

Geen enkel teken kan hij hier doen.
De geschiedenis van het Koninkrijk kan simpelweg niet doorgaan.

En, wat het ergste is: deze vaderstad is inderdaad van alle tijden.

Ja zult u zeggen: de wereld buiten de kerk gelooft het wel.
Maar waarschijnlijk moeten we het ons zelf aantrekken:
de kerk gelooft het soms ook wel
en heeft weinig verwachtingen van goede dingen die kunnen gebeuren.
Misschien is ze zelf niet visionair genoeg
om open te staan voor Gods vernieuwende kracht.
Steeds moeten we wakker worden geschud.

II. Gelukkig dat er dan profeten zijn!
Ze begonnen vooral in Israël;
mensen die anderen willen oppeppen.
Soms lijkt het alsof ze trekken aan een dood paard.
Daarom schelden ze soms lekker maar of dat aankomt?

Vandaag hoorde u hoe Ezechiël in Babel
de uit Jeruzalem gedeporteerde joden probeert wakker te schudden:
een hele opgave.
Volgens de rabbijnen was de ballingschap in Babel erger
dan de slavernij in Egypte.

In Egypte werden de kinderen Israëls geslagen,
ze hadden bijna niets te eten, maar vertrouwden op de Heer.
In Babel werden ze niet geslagen, hadden ook genoeg te eten,
maar vergaten de Heer die hen ooit had bevrijd
en hun in de woestijn ooit het Manna had gegeven voor iedere dag.

Daarom riep Ezechiël op tot een nieuw geloofsleven
blijf wakker, blijf luisteren!
Er zal als je goed luistert,
bijna als niemand het meer ziet zitten
een nieuwe profeet komen die je zal wekken.

Hij zal geen bevrijder zijn die alle ellende even komt wegnemen.
Hij is de bode van God die de onrustbarende boodschap brengt:
jij zult zelf voor God, zijn Tora, zijn Koninkrijk moeten kiezen.

Jesus is zo’n nieuwe profeet, DE nieuwe profeet
die zijn ‘vaderstad’ probeert te wekken.

Deze vakantie was ik op bezoek in Ars
u kent het wel, van de pastoor.
Hij geldt ook als een bijzondere profeet.
Waarom? Zei hij zulke geweldige dingen?
Neen, als je zijn preken leest: niets bijzonders.

Maar hij had wel een duidelijke agenda:
mensen wakker te schudden
en los te weken uit hun lauwheid.
‘Lauwheid is het ergste wat er is’ zei hij:
Jesus citerend. Waren jullie maar tegen mij
-zegt Jesus ergens- maar omdat jullie lauw zijn
spuug ik jullie uit.

Mensen voor wie geloof een gewoontezaak is
of sleur zullen het nooit snappen;
wel de mensen die zich blij verbazen kunnen
over het altijd weer nieuwe van ons geloof
die zullen het begrijpen

Een collega van bisschop Helder Camara in Brazilië
vertelt hoe hij wekelijks een melaatsen-kolonie bezoekt
‘om nieuwe benzine in mijn levenstank te doen’.

Jesus was verbijsterd over het ongeloof
en het piepschuim waar hij in Nazareth in tast.
Daarom trekt hij gauw verder
want het verhaal moet doorgaan.
Dat geldt ook in onze dagen.
Geen piepschuim dus in de Bavo
maar een wakkere geloofsgemeenschap
van mensen die hun verantwoordelijkheid durven nemen:

als wij dat willen zal de pastoor van Ars
die hier naast de preekstoel naar ons kijkt
tevreden zijn.

In het slotgebed van vandaag horen wij:
Heer God, met onbegrijpelijke barmhartigheid
hebt Gij U tot ons zwakke mensen gewend
sterk ons met de kracht van uw Zoon
maak ons ontvankelijk voor zijn heilzame kracht

en ik voeg daar aan toe:
verlos ons van de lauwheid die in ons mensen ingebakken zit
en maakt ons tot actieve gelovigen, die anderen tot zegen zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

28 juni: Genezende kracht

[print]

13e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Wijsheid 1,13-15; 2,23-24

  • 2 Korintiërs 8,7-15

  • Marcus 5,21-43

Marcus 5 begint met te vertellen over Jesus’ overtocht over de zee. Een mysterieuze reis naar het land aan de overzij. Het gebied waar het gebeuren speelt, heet Dekapolis (streek van de 10 steden). Die steden hadden weinig eenheid onderling. Wel hadden ze één gemeenschappelijke politieke wil: zo weinig mogelijk contact met Israël. De streken ten oosten van het meer van Galilea, waar het hier om gaat, waren al vroeg verloren gegaan voor Israël. Het was het gebied van de vroegere koning Og en was alleen tijdens de intocht onder Jozua ‘joods’ geweest. Verder had het nog twee joodse koningen zien binnenstormen: Salomo en heel veel later de Hasmonese priestervorst Alexander Janneüs (103-76 v.Chr). Beiden bleven maar korte tijd. In Jesus’ tijd was de laatst genoemde bezetting al achter de rug. Men was er anti-joodser dan ooit.

Het begin van Marcus’ 5e hoofdstuk waar wij vandaag het slot van lezen vertelt hoe er in dit voor Israël verloren gebied een man rondwaart, in kracht aan Simson gelijk, die woont ‘in de graven’ (Mc. 5,3). Hij is uit de mensengemeenschap verwijderd, werkelijk nedergedaald ‘ter helle’ (in de ‘Sjeool’, de onderwereld). Maar de heer vaart de zee over (een soort omgekeerd uittochtsverhaal) en zoekt hem daar op. De confrontatie met Jesus is onthutsend. Hij rent op Jesus toe (v. 6) en roept zo hard hij kan: ‘Wat is er tussen mij en jou, Jesus zoon van de Allerhoogste God? Ik bezweer je – bij God – dat je mij niet pijnigt!’ Weer een complete geloofsbelijdenis (waar de leerlingen nog steeds niet toe kunnen komen) en weer een stem uit de diepte (vgl. Mc. 1,24 waar de onreine geest in de synagoge Jesus ‘Heilige Gods’ noemt). Jesus vraagt de boze geest naar zijn naam. Die is: ‘legioen, want we zijn met velen’. De boze geesten worden verdreven door een enkel woord en Satan en alle andere boze geesten worden in de hel teruggedreven. De (zeer onreine!) varkens zijn voortreffelijk bruikbaar om als ‘bodedienst’ richting Sjeool (nu het donkere water) te fungeren.

De genezingen (en opwekkingen uit de dood) zie Jesus tot stand brengt zijn geen wondergebeurtenissen sec, maar daden van éénwording (jichoed) met God, manifestaties van de Geest, daden van naastenliefde waarbij de kracht van God zegeviert over ziekte en dood. Deze evolutie correleert met de komst van de Geest Gods (de Elohoeth), die wil wonen in de schepping, in de mens. In de messiaanse mens is deze Geest volledig aanwezig.

Daarom kan Jesus ook getuigen: ‘Ik en de Vader zijn een.’ Samenvattend: overwinning van ziekte en dood zijn heilsfeiten die in ten profetische perspectief liggen. De van Gods Geest vervulde mens heeft hier ten bijzonder vermogen, omdat hij zich tot Gods instrument heeft gemaakt. Deze vervulling geschiedt niet verticaal als indaling, maar horizontaal als ten historisch gebeuren, dat in de messiaanse rnens volledig wordt. Bij deze messiaanse mens heeft ook het gebed een levenwekkende kracht (zie de opwekking van Lazarus, Joh. 11,41: ‘Ik dank U, Vader, dat U mij verhoord hebt’, en zijn woord tot het dochtertje van Jaïrus, Mc. 5,4 1: ‘Meisje ik zeg je, sta op’). Zijn trouw aan de Tora, zijn één zijn met de Vader is anderen tot zegen. Zijn werken dienen niet gezien te worden als resultaten van een magisch vermogen of van een in de mens sluimerende goddelijke kracht, maar als tekenen van een alles overwinnende liefde en van een vertrouwen, dat weet, dat voor God niets onmogelijk is. We zijn in de perikoop van vandaag die bij vers 21 begint, weer terug aan de Kafarnaüm-kant van het meer. Jesus is uit de streek van de Dekapolis (het doodse land) weggejaagd (v. 17). Alleen de genezen bezetene houdt daar het gerucht over Jesus gaande (v. 20). Jesus is nu weer thuis bij de gemeenschap waar alles begon in Kafarnaüm. In de synagoge wordt week na week de Tora gelezen: het getuigenis over God die voor zijn volk het leven wil. De vernieuwende kracht van Gods Geest wordt hier verwacht. Daarom kon Jesus’ verkondiging van het Koninkrijk hier beginnen. God zoekt zich een gemeente, een ‘bruid’ die met Hem door de geschiedenis wil gaan, die wil kiezen voor zijn nieuwe leven. Worden daarom vandaag twee vrouwen genoemd? Zijn zij niet bij uitstek in het geding als het om het leven gaat?
Twee vrouwen in het evangelie. Een jonge vrouw (ten kind eigenlijk), het dochtertje van de overste van de synagoge met de mooie naam Jaïrus (=God kijkt naar hem) en een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt. In deze verwachtingsvolle gemeenschap hebben ziekte en dood toch nog macht. Een meisje zal in de loop van het verhaal sterven, en de zieke vrouw, die al twaalf jaren aan haar kwaal lijdt, en door de geneesheren niet van haar kwaal kan worden verlost. Zij kan niet meer garant staan voor het leven en moet (ze is onrein) volgens de officiële wet buiten de gemeenschap blijven. In beide gevallen komt er genezing.

Jesus is op weg naar het huis van het meisje. Maar onderweg wordt hij opgehouden door de vrouw die hem aanraakt. Ze grijpt Jesus bij de kwasten van zijn mantel, de gebedsmantel, die iedere jood herinnert aan de Tora. Voor alle volkeren is dat een teken. Had de profeet niet gezegd: ‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van de mantel van een Judese man en zeggen: We willen met u gaan want we hebben gehoord dat God met u is.’ (Zach. 8,23) Marcus maakt zijn evangelie nog dramatischer door een vrouw uit Israël zelf te beschrijven die grijpt naar de slip van de mantel van een joodse man. Ze grijpt naar de gebedsmantel die gedragen wordt door een mens die helemaal één was met de Tora. En ze wordt helemaal genezen. Zo brengt God zijn heil onder de mensen.

Na dit onmisbare tussen-verhaal over de vrouw, die zich vastklampt aan de tekenen van de trouw aan de Tora zoals Jesus die draagt, gaat de geschiedenis verder. Van de bestuurder van de synagoge komt de boodschap dat zijn dochtertje inmiddels gestorven is. De dood heeft toch nog toegeslagen. Maar de Messias kent geen weg terug. Zijn intimi moeten mee de diepte in en met hem het sterfhuis binnengaan om het gejammer en het rouwmisbaar te horen en te zien. De Messias getuigt hier dwars tegen in: ‘Het kind is niet gestorven, maar het slaapt’ (in het schip van Mc. 4,38 sliep hijzelf als een dode). En hij spreekt namens God: ‘Meisje ik zeg je, sta op’. Terstond staat ze op en loopt heen en weer (v. 42). Pas nu het verhaal ten einde loopt horen we hoe oud (nee, hoe jong!) ze was: pas twaalf jaren. Ze staat aan de drempel van de volwassenheid; haar vruchtbaarheid kan nu beginnen. Onmiddellijk herinneren we ons dan dat de vrouw uit het midden-verhaal twaalf jaar onrein was geweest. De jonge en de oudere vrouw zijn zusters in de nood, lotgenoten onder de doem van de dood. Onder die doem vandaan kunnen ze nu beiden, dankzij Jesus’ komst in hun bestaan, tot moeders van het leven opbloeien.
Het evangelie eindigt met een nuchter gebod van de Heer om (v. 43) het opgestane meisje te eten te geven. De geschiedenis van het Koninkrijk moet verder gaan. Jesus gaat ons voor op de weg van het leven. Hij zal het levend brood zijn voor onderweg. Willen de leerlingen (en wij) deze tekenen verstaan?

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Zondag Trinitatis: Hij blijft van ons houden

[print]

Zondag Trinitatis

Schriftlezingen:

  • Deuteronomium 4,32-40

  • Matteüs .28,16-20

Pinksteren was een bijzonder feest, en dat was het.
Vol dankbaarheid zie ik daarop terug.
De drukke Hoogmis, de stralende tweede Pinksterdag
met de dopen van Danny, 22 jaar, en oma Leida 75 jr.
Gisteren de priesterwijding van twee Italianen;
nou die kunnen feesten.
Nu wordt alles langzamerhand weer gewoon
maar dat is het hier nooit
want in de Bavo is er altijd wel iets aan de hand.

We beginnen aan de ‘gewone’ zondagen na pinksteren
maar omdat we daar moeilijk aan kunnen wennen
eerst twee zondagen die weer een beetje bijzonder zijn:
de volgend week is het sacramentsdag
en vandaag
DRIE-EENHEIDS-ZONDAG, zondag Trinitatis,
de zondag waarop we Jesus’ opdracht nog in onze oren horen
om te gaan dopen tot aan de uiteinden der aarde.
‘MAAKT ALLE VOLKEREN TOT MIJN LEERLINGEN’ zei Hij.

En Hij gebruikt voor ‘volkeren’ een eigenaardig woord
dat in de joodse traditie alleen maar gebruikt werd
voor de niet joden: het hebreeuwse woord GOJIEM.

In het Amsterdamse dialekt van vroeger was dat woord nog bewaard gebleven.
‘Ik ben een gooiers-kind geboren in Gods toorn’
– dat zegt een schurk in Vondels Gijsbrecht van Aemstel.

Bedoeld is niet iemand afkomstig uit het Gooi
Eric Fennis en ik die allebei uit dat Gooi komen
maar een ‘gooj’, het joodse woord voor mensen
die niet tot het eigen, uitverkoren volk behoren:

het woord ‘goj’ betekent letterlijk: ‘heiden’.

Al het mooie dat in Israël is geopenbaard
mag nu ook naar de buitenwereld mag worden gebracht…
en zo is het ook bij ons hier
in het hoge noorden terecht gekomen.

Dat is een reden tot grote dankbaarheid.
Want het is een zeer bijzonder geloof dat in Israël is bewaard
en dat wij via Israël hebben doorgekregen.
Het unieke van dat geloof van Israël
vinden wij beschreven in de eerste schriftlezing.

Mozes kijkt in het boek Deuteronium,
het vijfde boek van Mozes, één lange flash back
terug op zijn hele levensgeschiedenis.

Hij is opgetrokken met zijn volk,
een volk dat leeft van vallen en opstaan.

Van …….de ene dag God trouw en enthousiast dienen:
‘we zullen alle woorden graag doen’
en de andere dag Hem vergeten en klagen:
‘waren we maar in Egypte gebleven
en waarom heeft deze God ons in deze woestijn gebracht.

En toch krijgt deze God nooit genoeg van Zijn mensen.
Dat kreeg Mozes te horen boven op de berg,
nota bene terwijl beneden de mensen bezig zijn
een gouden kalf te maken:
IK UW GOD BEN LIEFDE EN TROUW.

De ontrouw van de mensen beneden
kon Mozes nog zo’n vreselijke schrik bezorgen..
God schrikt nooit echt en gaat steeds door met Zijn mensen.
Wat ze ook doen.
Tot Mozes’ grote verbazing en tot ons aller verbazing.
blijft God van zijn mensen houden door alles heen.

Toen ze vroeger in een sjagrijnige periode
klaagden over gebrek aan water had Mozes nog gezegd
‘jullie zijn het niet waard.’
Maar God had gezegd:
‘sla maar op de rots’.
En Mozes die voelde dat God hen weer wilde helpen
had nog geprotesteerd en gezegd:
‘God, zou u dat nou wel doen,
deze mensen verdienen het niet…’

Hij had wel even op de rots geslagen
-je kunt Gods woord niet negeren-
en gemopperd: ‘U doet maar, maar ze zijn het niet waard’
en ………..
het water was klaterend uit de rots komen stromen
en God had Zijn volk van zeurpieten en sjagrijnen,
gelaafd en getroost.

Misschien ook een beetje een troost voor ons.

Later als Mozes sterven zal
en staat aan de oever van de Jordaan
als de moeizame reis voltooid is
zal Mozes dezelfde woorden als die vandaag klonken nog een keer uitroepen:
GOD IS LIEFDE EN TROUW.

Deze God is uniek!
Geen God die hoog zetelen blijft
en zich verre houdt van de mensen…
maar een God die zich met mensen bezighoudt
en die Zijn eigen lot aan dat van de mensen verbindt.

Tegelijkertijd een God die mensen een richting wijst
en die hun een vergezicht biedt van een nieuwe wereld.

Om Mozes in zijn prachtige flash back kort voor zijn dood nog even te citeren:
‘Heb je er ooit van gehoord
dat een God zich zo aan mensen openbaarde
in zulke grote bevrijdende daden?
Dat Hij in het vuur tot Zijn mensen sprak
om hen Zijn geboden (de 10 geboden) te openbaren?
Deze God die gewoon met ons meeging, al die jaren!’

deze God: Liefde en trouw.

Degenen die deze God willen volgen
zwerven niet doelloos rond
maar weten waar ze voor leven en wat hun te doen staat.

Jesus heeft Zijn leerlingen er op uitgestuurd
om ‘propaganda’ te gaan maken voor deze God.

In de zendingsopdracht die we vandaag hoorden
horen wij ook spreken over dopen
IN DE NAAM VAN DE VADER,
DE ZOON, EN DE HEILIGE GEEST.

Dat is meer dan een vaste formule.

—- Door het noemen van DE VADER
worden de nieuwe christenen vastgekoppeld aan de God van Israël
die zich als Schepper, Bevrijder en Wetgever openbaarde.

— Door het noemen van DE ZOON worden ze gerangschikt
in het gevolg van de Messias.

— Door het noemen van de HEILIGE GEEST
worden ze deel aan de beweeglijkheid van Gods inspiratieve kracht
die mensen van alle eeuwen in beweging brengt.

Kortom:
door gedoopt te worden IN DE NAAM VAN DE VADER,
DE ZOON EN DE HEILIGE GEEST

wordt je uit je isolement als eenling gehaald
(alleen is maar alleen)

en wordt je deelnemer aan een groot avontuurlijk gebeuren:
de opbouw van de nieuwe wereld van God.
Het evangelie van Matteüs vertelt ons
hoe ook ‘gooierskinderen’, mensen van buiten Israël,
-wij dus-
ook vrienden mogen worden van de God
met wie Israël al duizenden jaren optrok
en er op uit gestuurd worden
om samen te bouwen aan een nieuwe wereld.

Zondag Trinitatis is het vandaag (Drievuldigheidszondag),
het begin van een lange reeks zondag na Pinksteren
waarin wij getest zullen worden op onze volharding.

Het is een test
–in bereidheid ons werkelijk in te zetten voor de mensen die ons nodig hebben, — in saamhorigheid en vriendschap hier in deze gemeenschap,
— een test in trouw aan het woord van God dat ons zondag op zondag uitdaagt
en oproept onze taak ook door de week te vervullen.

God blijft van ons houden!
Hij blijft onze Herder opdat wij elkaar blijven herderen.

Zorgen wij daarom goed voor elkaar
nu gebleken is dat God altijd van ons blijft houden
mogen wij dat ook doen met onze dierbaren:
we kunnen elkaar toch niet missen?

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Pinksteren: Een grensverleggend gebeuren

[print]

Pinksteren

Schriftlezingen:

  • Handelingen 2, 1-11; Vuur boven de leerlingen

  • Johannes 15, 26-27; 16, 12-15; Jesus zendt de Geest

Waar komt Pinksteren eigenlijk vandaan?
Enkele jaren geleden heeft onze enthousiaste bisschop
op een van de raceauto’s laten schilderen:
Pinksteren met een vraagteken: Pinksteren?
Dat was genoeg om heel wat mensen tot nadenken te stemmen.
Ja waar gaat het eigenlijk over: Pinksteren?

Het allereerste pinksterfeest is door de Joden in de woestijn gevierd.
Het was precies een jaar nadat Mozes met God gesproken had op de berg
daar was vuur en donder en enthousiasme.
Een jaar later was dat al in de benen gezakt.
Het enthousiasme van het eerste jaar
na de bevrijding uit Egypte was geluwd.
Ze hebben nu een laar later -zoals het voorgeschreven was-
keurig Pasen gevierd, de bevrijding uit Egypte als gezegd.
Nu moesten ze, 50 dagen later het Sinaiverbond gaan vieren: Pinksteren.
Het feest van vuur en donder en geestkracht
maar erg begeestigd waren ze niet.

Het volk van God sukkelt door de woestijn.
Om God niet helemaal te vergeten,
(God die helpt, bemoedigt en met je meetrekt)
waren er toen in de woestijn iedere sabbath
bijeenkomsten in een grote tent,
de tabernakeltent.
een soort draagbare kerk…
zoals dat tot op de huidige dag, ook in een moeilijke tijd,
nog steeds op vele plaatsen in Nederland gebeurt.
In plaats van klokken hadden ze trompetten
om het volk te verzamelen.
Op een dag verzamelt Mozes zijn mensen buiten:
en hij houdt een toespraak.
‘We moeten bidden om kracht om vol te houden
laten we samenkomen met gemotiveerde gelovigen,
en dan naar binnen gaan om te bidden;
om weer gelovig te worden, met hart en ziel
en we gaan, nu het pinksterfeest nadert,
bidden dat zij binnen de kracht van de Heilige Geest krijgen
om ons midden een beetje te helpen.
als leiders en inspiratoren.
In de tent van de samenkomst wordt dan hartstochtelijk gebeden
‘kom Heer met Uw heilige Geest.’

En zie‘, lezen we, ‘een deel van de geest van God
die Mozes bezield had daalt neer
aan de 70 oudsten die met hem in de tent waren gegaan.

Ze worden vol van de kracht van de Geest
en gaan aan het werk
ze gaan preken en bemoedigen.

Maar dan gebeurt er iets wonderlijks.
Op een onverwachte en onthutsende wijze
worden plotseling en ver van de heilige ruimte,
volop in het profane kamp,
twee mannen door dezelfde Geest aangegrepen.
De namen van de twee mannen die niet in de ‘kerk-tent’ waren
bij de officiële geestesoverdracht scheppen vertrouwen:
Eldad betekent: ‘door God geliefde’ en Medad ‘Liefde’.
De kracht van de Heilige Geest blijkt overaktief
de Geest werkt ook buiten de vertrouwde kring.

Dat pikken de vrome kerkgangers niet
en er komt opschudding. Een jonge knaap ijlt naar Mozes
en brengt hem op de hoogte van het gebeuren.

Mozes’ ijverige leerling Jozua is ook heel ongerust
als blijkt dat de Geest waait waarheen Zij/Hij wil
en dringt aan op een verbod.

Maar Mozes zelf weet dat God groter is dan ons hart en zegt:
Wat goed, wees blij
ik zou willen dat heel het volk profeteerde.

II. Dat verhaal gaat over een geheel nieuwe situatie:
de boodschap van Gods kracht breidt zich uit
ver buiten de grenzen van het verwachte. Gebeurt dat nu nog?
Worden er dan geen kerken gesloten in onze dagen?
Zijn er geen zorgen? Ja, veel, dat is waar.
De tijden van het rijke Roomse leven zijn voorbij.
Het is niet meer: ‘uit de landen en de steden
komen duizenden getreden’ maar wel
een tijd van opleving van de oude idealen van het geloof,
een tijd van spiritualiteit en behoefte aan diepgang.
Er is openheid en interesse voor de goede dingen
voor de echte belangrijker dingen in dit leven.

De Pelgrimstocht van onze Haarlems-Amsterdamse bisdom
getuigde daarvan. Koorleden en pelgrims,
waaronder ook vele kinderen ervoeren de kracht van hun geloof.

Jesus, had in zijn leven laten zien waar het om ging.
Hij had getuigd van Gods plannen met de wereld
en over de liefde die het winnen zou van de haat.
Als ik weg ben is dat goed voor jullie
want jullie zullen de kracht van de Heilige Geest krijgen
en dezelfde dingen gaan doen die ik gedaan heb,
ja zelfs meer.

Is daar iets van terecht gekomen?
Even naar onze eigen kerktent:
de Bavo is een levendige parochie.
Altijd weer zijn er mensen die zich geïnspireerd voelen
en die zichzelf of hun kinderen laten dopen.

Ik word ook overtuigd door de ernst van de bruidsparen
-we hebben al weer vijf huwelijken gehad dit jaar en
er komen er meer- die in deze lente elkaar weer
ernstig en ontroerd elkaar hun jawoord gaan geven.
Ik vond de ernst van de ouders op de Eerste Communiezondag ontroerend,
morgen zullen twee mensen in de kerk worden opgenomen
en –zoals u merkt- vloeit het doopwater rijkelijk in onze parochie.

En dan hebben we ook nog de komende zaterdag de priesterwijding
en over twee weken wordt de heilige Olie weer gebruikt
om 22 kinderen te zalven bij de regionale vormselviering:
er is hoop.

Maar er is meer.
Er is iets nieuws gaande en dat beginnen we te merken.
Er is ook nog de Geest die buiten de kerktent werkt
zoals in het verhaal dat ik u vertelde.
Ten eerste zijn er gewoon buiten de kerk
duizenden en duizenden mensen
die actief zijn en vriendelijk.
Die niet zeuren maar aan het werk gaan
die actief en hoopvol naar landen in Azië en Afrika durven gaan
soms naar levensgevaarlijke plaatsen
om helper, missionaris of dokter zonder grenzen te gaan zijn.

Maar daarnaast is er die uitstraling.
Het geloof plant zich niet meer zo vanzelf voort als vroeger:
je hoorde bij een katholieke familie dus.. enzovoorts.

Geloof is tegenwoordig een keuze geworden
en in deze tijd van waardering, een beetje overwaardering misschien
van de individualiteit, je recht op eigen keuze
gebeurt het steeds vaker dat jonge en oude mensen
kiezen voor de kerk.

Pinksteren is een feest ter ere van de Kerk
en dat is geweldig. Kerstmis is een mooi feest,
Pasen is het feest waar alles op stoelt:
het lijden de dood en de verrijzenis van Jesus.
Maar Pinksteren wordt steeds belangrijker:
het feest ter ere van onszelf die leven mogen vanuit het geloof.

Vandaag is het Pinksteren,
net als toen in Jeruzalem.
In de tempel van Jeruzalem brandden op die pinksterdag
de vuren om de pelgrims te herinneren aan het vuur van de Sinaï.
Een ieder moest proberen iets van dat vuur mee te dragen.

Juist dan vertelt Lucas over de storm,
de beweging in het huis waar de apostelen waren;
het vuur dat zich op ieder van hen neerzette.

De leerlingen worden ENTHOUSIAST.
Dat woord betekent letterlijk: vol van God.
Het vuur van het enthousiasme
dat later duizenden en duizenden zal gaan bezielen
in de loop der tijden.

Dat vuur trekt de aandacht
en velen begrijpen dat er iets bijzonders aan de hand is.
Maar het andere kan ook: -en gebeurt ook nog steeds-:
ontkennen dat het van belang is,
de waarde ontkennen van al het werkelijk vernieuwende wat er,
tot op de dag van vandaag gebeurt.

De goede verstaander verstaat het,
waar hij ook is,
van welke nationaliteit hij ook is,
of hij oud is of jong dat doet niet ter zake.

Petrus trok de stoute schoenen aan en zegt,
misschien wat overdreven:
hier gebeurt waar de profeten over droomden
jong en oud zien visioenen,
de Geest van God vervult de mensen
“.

En zij allen konden hem verstaan in hun eigen taal,
staat er dan, een wonder dat gelukkig vandaag de dag
ook nog gebeurt.

Petrus neemt de gelegenheid te baat om de pelgrims te vertellen
hoe schandalig de moord op EEN mens -Jesus- was.
Die ene die ons juist nieuwe kansen gaf en toekomst!

En als de mensen dan geschokt vragen:
kunnen we misschien wat doen om het goed te maken‘ is het antwoord:
bekeer je, verander, laat je bijv. dopen,
wordt weer mens, een nieuwe mens.

Velen, 3 a 4 duizend laten zich dopen.

Er is een eensgezindheid mogelijk
rondom een woord dat verzamelt en bemoedigt.
Ieder mens is dan nodig, ieder mens is uniek,
en ieder mens is onmisbaar.

Om dat enthousiasme te blijven houden zijn wij hier samen.
En als we biddend zingen: ‘kom schepper heilige Geest’
VENI CREATOR SPIRITUS (de intredezang van vandaag)
smeken wij dat namens heel de mensheid
opdat het aardrijk vervuld mag worden
van de Geest van God, van liefde, vrede en trouw.

Omdat we als kerken aan een goede vervulling
van alle grote dingen die God van ons verwacht
nog maar moeilijk toekomen
boffen we geweldig dat God geduld met ons heeft,

Hij geeft ons deze gebeds- en bemoedigingsdag
Hij geeft ons deze troostdag
Hij vertelt ons steeds
dat Hij het met ons toch helemaal ziet zitten

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Pinksteren in de Haarlemse Kathedraal

Hoogmis

Op het Hoogfeest van Pinksteren, zondag 24 mei a.s., is er een feestelijke hoogmis in de Kathedraal waarin de Bisschop van Haarlem-Amsterdam, Mgr. dr. J.M. Punt zal voorgaan.

De viering wordt muzikaal verzorgt door het Kathedrale Koor o.l.v. Sanne Nieuwenhuijsen.

Zij zingen o.a. de Missa Brevis in Bes van Mozart en werken van Lauridsen en Bach.

Kardinaal Simons

Kardinaal SimonisTijdens de hoogmis met Pinksteren zal Kardinaal dr. A. Simonis concelebreren. Hij is een graag geziene gast in de Haarlemse Kathedraal. Deze viering zal bijzonder zijn, omdat het Tweede Pinksterdag precies dertig jaar geleden is dat Paus Johannes Paulus II hem tot Kardinaal heeft gecreëerd. Ter ere van dit feit, en als felicitatie, zingt het Kathedrale Koor voor de jubilaris als toegift het Magnificat van Andriessen.

Orde van dienst

Hoofdcelebrant: Mgr. dr. J. Punt (Homilie)
Celebrant: kardinaal dr. A.J. Simonis
Celebrant: plebaan H.J. van Ogtrop
Diaken: drs. E. Fennis
Koor: Kathedrale Koor o.l.v. S. Nieuwenhuijsen
Organist: dr. A. van Eck

Preludium: Choral Varié sur le Veni Creator (M. Duruflé) / Kom, Gott Schöpfer, Heiliger Geist, BWV 667 (J.S. Bach)
Intredezang: ‘Kom, Schepper Geest…’ (lied 7, blz. 19 misboekje)
Ordinarium: Missa Brevis in Bes (Mozart)

Tussenzang: Psalm 104 (H. West)
Sequentie: ‘Veni Sancte Sprititus…’ (BL. 204)
Credo III

Offertorium: ‘Ave Maria…’ (Schubert)

Gezongen Pater Noster
Communio: ‘Veni Sancte Spiritus…’ (Lauridsen) / ‘Mein Gläubiges Herze…’ (J.S. Bach)
Slotzang: ‘Geest die vuur en liefde zijt…’ (BL. 211)
Toegift: ‘Magnificat…’ (Andriessen)
Postludium: Fantasia super Komm, Heiliger Geist, Herre Gott, BWV 651 (J.S. Bach)

17 mei: Durf nieuwe dingen te doen

[print]

Zevende Zondag van Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 1, 12-26

  • Johannes 17, 11b-19

Het joodse pinksterfeest stond voor de deur.
Daar zijn de vrienden van Jesus, in gebed bijeen.
Op het eerste gehoor komen we misschien onder de indruk
van hun vroomheid maar dat is niet nodig.
Wat was dat voor een geloofsgemeenschap?

Een zeer gehavende.
Alle mannen waren ze na Jesus’ gevangenneming gevlucht.
– Petrus die Hem aarzelend was gevolgd
had hem drie maal verloochend,
– Judas was weg, hij had Jesus verraden
en zich daarna opgehangen van spijt.

Er was alle reden toe om de blik hulpeloos ten hemel te heffen
en samen eensgezind om redding te smeken.
Zouden ze anders ooit deze slag te boven kunnen komen?
Toch gebeuren er tegelijkertijd ook wonderlijke dingen.
Het boek van de Handelingen vertelt ons vandaag
dat er 120 mensen om de 12, – neen het zijn er nu 11 – heen staan.

De geschiedenis van Gods Koninkrijk,
gaat ondanks de fouten van de apostelen toch door!

120 Leerlingen staan te popelen
om zich bij de Jesus-beweging aan te sluiten:
de twaalf in tienvoud nota bene!
De gemeenschap van goedwillende nieuwelingen
vult zo aan wat er aan het college van de apostelen ontbreekt.

Maar voor er verdere uitbreiding kan komen,
voor het Pinksteren kan worden
zullen toch de twaalf als kernkabinet weer compleet moeten zijn.
Hoe? Het lot beslist.
Bij wijze van spreken:
iedereen had het apostelcollege kunnen aanvullen.

Als we dat allemaal horen
hoeven wij ons niet minder te voelen dan die eerste christenen.
Het waren gewone mensen net als wij.
Het geheim zit hem niet in de voortreffelijkheid
van die mensen maar in God die met deze mensen verder zal gaan.

Met de twaalf -nu weer compleet-, met de 120 er omheen:
met de 4000 die zich op Pinksteren zullen aansluiten:
met allerlei soorten mensen, sterke en zwakke,
heilige en minder heilige: met ons dus ook, met u en met mij.

Terug even naar de avondmaalszaal
de avond voor Jesus’ lijden.
‘Vader laat hen één zijn, zoals wij’
bad Jesus.

Wat heeft Jesus de zijnen vooral op het hart gebonden?
Dat kun je in samenvatten in twee woorden:
NAASTENLIEFDE en eenheid.

Iedereen zal het je zeggen:
dat is de kern van het christelijk geloof: Naastenliefde.
Echte innerlijke eenheid is belangrijk..
een ander soort eenheid dan de eenheid van de macht.

De eenheid van de macht is de Heer een gruwel.
In een Duitsland dat zijn waarden kwijt was:
was ooit een nieuwe eenheid ontstaan rond een tiran.
Een eenheid die zeker niet de eenheid was,
waar Jesus graag over sprak.

De eenheid van het fascisme was de eenheid
zoals we die bijv. in het verhaal
van de toren van Babel beschreven vinden:
de eenheid van de mensen die elkaar napraten
en zeggen: ‘laten we samen een toren bouwen:
Babel Babel ueber alles.”
Die eenheid werd door God verstoord:
er kwam een complete verwarring
maar die was door God gewild.
Alle grote eenheidsblokken, vooral rond tirannen zijn verdacht.

Zou de verdeeldheid die er is
in de wereld en in de kerk
misschien ook een diepe zin hebben?
De christelijke kerk is geen club van mensen
die samen het met elkaar in alles eens zijn
maar een groep van mensen
die samen maar één echt voorbeeld hebben:
Jesus van Nazareth.

Hij maakt ons eensgezind
niet in de zin van eenheid maakt macht
maar eensgezind in de liefde tot de weerloze,
tot de mens die de liefde van een ander mens nodig heeft:
eensgezind in de bescheidenheid van de dienst.
Er ontstaan nieuwe verbanden in de samenleving:
oude grenzen worden gepasseerd,
een nieuwe eenheid krijgt gestalte
iedereen kan daar aan deel krijgen.

De oude eenheidsbindende factoren:
de eenheid van ras of natie
hebben hun relevantie verloren.
Jesus van Nazareth is het die mensen bindt:
Joden en Romeinen, armen en rijken,
jong en oud, mannen en vrouwen.

Naar die eenheid rond die Heer zijn mensen steeds op zoek
en die eenheid blijken mensen toch ook steeds weer te vinden.
En zo komt er een nieuw begin;
geheel tegen onze minne verwachtingen in.
Gods ruimhartigheid gaat al onze kleinhartigheid te boven;
er is ruimte voor zovelen.

Diezelfde Geest is op velerlei wijzen bezig,
en dan niet alleen binnen maar ook buiten de kerk.
Nieuwe beginnen kunnen er worden gemaakt
en ook vinden wij nieuwe bondgenoten op onze weg!
Van beiden geef ik voorbeelden.

Duitsland, het land van vroeger Deutschland Deutschland ueber alles
maakte een nieuw begin. Ik maakte dat mee in Calcutta bij moeder Theresa.
Het was al zo’n 20 jaar geleden maar toch.
In het huis van de stervenden lag een kleine oude man
hij had niet lang meer… dat kon je wel zien.
Maar een grote flinke Duitse jongen zag ik hem verzorgen
en hem een slokje water geven aan de stervende.
‘Aktion Söhnezeichen’ stond op zijn shirt:
aktie ‘tekenen van verzoening en goede wil’ na alle slechte dingen
die er in de 40er jaren van de vorige eeuw van Duitsland uit waren gegaan.

En de bondgenoten van Artsen zonder grenzen
(kerkelijk of niet kerkelijk) riskeren eigen leven,
gaan het gevaar niet uit de weg
gaan zieken helen waar ter wereld niet.
En er zijn mensen van Amnesty, kerkelijk of niet kerkelijk
mensen van vluchtelingenhulp,
jonge mensen, oude mensen:
vrome mensen, minder vrome mensen:
de Geest waait maar door: buiten de kerk.. zei ik
maar ook daarbinnen.

De kerk wordt steeds wakkerder:
nieuwe ontmoetingen vinden er plaats
nieuwe initiatieven worden ter plekke ondernomen.

Wij van de kerk zijn er nog,
de kerk, geen machtig instituut………..
maar – als het goed is – een groep van mensen
die hun leven willen laten richten
door verbondenheid met God
van wie geschreven staat
dat Hij zijn mensen uit de tirannie had bevrijd
en met Jesus Zijn zoon
eensgezind vervuld van God.

Eensgezind in de liefde tot de weerloze,
tot de mens die de liefde van een ander mens nodig heeft:
eensgezind in de bescheidenheid van de dienst.

Rond Jesus die zei:
ik heb ze alles doorgegeven wat ik van U -Vader- ontvangen
heb, zij hebben die woorden aanvaard. Daarom bid ik
voor hen: ze zijn van U!

‘Wezenzondag’ heet deze 7e paaszondag,
zo tussen Hemelvaart en Pinksteren ook wel.
We voelen ons weerloos,
de Geest is er nog niet.
We kunnen ons nog even herkennen
in ontreddering van de apostelen
die samen met Maria de Heer misten
en beter is het misschien nog
ons bij hen aan te sluiten
als zij bidden om de kracht van Zijn Geest.

Het is tot in onze dagen troostend te bedenken
dat de Heer begonnen is op de avond van zijn lijden
voor ons te bidden:
dat Hij onze problemen kende
en bij herhaling, – voordat Hijzelf lijden moest –
gebeden heeft dat ONS geloof niet zou bezwijken.
Wij worden niet aan ons lot overgelaten,
we hoeven niet te zuchten en te kreunen
onder de zwaarte van onze levensopdrachten.

Altijd weer is er de mogelijkheid
dat de kracht van Gods heilige Geest het onmogelijke waar maakt.
Wij kunnen nieuwe mensen worden
zoals een modern kerklied dat bezingt:

Gezegend die weet wat recht en slecht is
die trefzeker kiest en niet wijkt voor geen macht
en niet vreest, voor geen mens.

Gezegend mensen die goed zijn,
de hand die niet slaat,
de mond die niet verraadt,
de vriend die zijn vriend niet verloochent.
Gezegend die onbevangen spreekt
en onbevangen liefheeft al wat leeft.
Gezegend zij die zo elkaar bewaren, troosten, voorthelpen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor