• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

10 april: De tegenkrachten weerstaan

[print]

3e Zondag van Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 5,27-41; De leerlingen volharden samen

  • Johannes 21,1-19; Simon, hebt gij mij waarlijk lief.

Iets verbieden is de manier om iets aantrekkelijk te maken.
Dat merkten de joods overheden die de apostelen het preken wilden beletten.
Dat mochten ze niet, een aantal verraders, die heb je altijd ook in de kerk,
-ik heb de memoires van pater van Kilsdonk gelezen- had hen aangebracht.
Toen de leerlingen van Jesus werden aangebracht bij de tempelpolitie
was er grote paniek bij de hogepriesters en farizeeën. Wat moesten ze met die lui?
De meesten wilde harde maatregelen maar één niet: Gamaliël.
De mensen die vrijdagmorgen in de kerk waren hoorden over hem.
Terwijl iedereen zich opwond zei hij, heel wijs:
‘ Maak je toch niet dik, laat je niet in met deze mensen;
laat hen begaan.
Want als het mensenwerk is wat zij willen en doen,
zal het op niets uitlopen;
maar komt het van God dan kun je toch niet tegen hen op
en blijf je je verzetten dan zou zelfs kunnen blijken
dat je je zich tegen God verzet’ (Handelingen 5,38-39).
Gamaliël (zijn naam betekent: ‘God heeft mij goed gedaan’)
was een kleinzoon van de beroemde schriftgeleerde Hillel,
zelf ook een schriftgeleerde en van de partij der Farizeeën,
een kleinzoon van Rabbi Hillel,
van wie veel uitspraken in de Joodse Talmud staan.

Hij was een wijs man, in zijn schoolklas had ook een jongetje gezeten
die Saulus heette, de latere apostel Paulus.
Volgens een christelijke legende zou Gamaliël in het geheim christen geweest zijn.
Volgens de joodse traditie was hij een van de meest beroemde schriftgeleerden.
Hij was onder de indruk van de kracht van de christenen: hoe hadden ze die gekregen ?
Van zichzelf zomaar.. neen van God en van Zijn gezondene Jesus.
Hij had ze, dat hoorde u in het evangelie,
na zijn dood weer op de been had gebracht.

Aan de voorspraak van Gamaliël is het te danken
dat de apostelen Petrus en Johannes werden vrijgelaten door de hoge raad
en daarna weer gaan preken, dat hoorde u vandaag.
Dat enthousiasme was niet zomaar vanzelf gekomen.
Het evangelie vertelt hoe dat vlak na Jesus en opstanding gegaan was.
Petrus en zijn vrienden zien het niet meer zitten:
‘laten we maar weer gaan vissen’, ‘ja wij gaan mee.’ Daar gingen ze.
De vissers bij het meer zwoegden eerst tevergeefs, zonder resultaat.
Maar dan blijkt dat de Verrezen Heer
zich hun lot aantrekt.
Hij vraagt hen: ‘Hebben jullie soms wat vis?’

Een vraag van God, een vraag van Jezus in de bijbel
is nooit zomaar een vraag om wat informatie.
Het zijn vragen die een mens bij de waarheid, bij de essentie willen brengen. ‘Adam, waar ben je?’ vroeg God aan de eerste mens.
Maar Adam had zich verstopt, uit schaamte. ‘Kain, waar is je broer?’
Kaïn weet maar al te goed waar zijn broer is,
maar hij probeert de vraag van God te ontlopen.
‘Maria Magdalena, waarom huil je?’ want door verdriet overmand
zoekt zij de Levende bij de doden.
‘Hebben jullie soms wat vis?’ vraagt Jezus aan de vissers,
en die antwoorden, na een nacht vergeefs proberen, kortaf met ‘nee’.
Maar de vreemdeling op de kant slaagt er op de een of andere manier toch in
hun moedeloosheid te doorbreken.

Nadat ze –op Jesus’ aanraden- het net aan de andere kant hadden uitgegooid;
nadat ze dus nieuwe mogelijkheden van verzamelen hadden gehanteerd
zijn ze niet meer bij machte het net op te hijsen, zoveel zit er in.

De vissers bij het meer van Tiberias
zullen het Goede Nieuws van Jezus gaan verkondigen
en geen gewone vissen meer ophalen maar mensen
opvissen en vertellen over Jesus en de nieuwe kansen die Hij hen geeft.

We horen zo het verhaal van gelovige mensen van alle tijden,
die nu eenmaal niet altijd meteen zien,
misschien door de harde werkelijkheid van alledag
niet eens meer echt rekenen op de steun van de Heer.
Maar ineens ontdekken ze: Hij is nabij! Hij had geholpen:
een net vol door het aan de andere kant te proberen.

De vissen: 153. Waarom dat getal ?
In Engeland is een kostschool in de buurt van Londen
die altijd precies 153 leerlingen aanneemt
als verwijzing naar dit verhaal.

Het is volgens een mening precies het aantal volkeren
dat in Jesus’ dagen bekend was.
Maar er is nog een diepzinniger oplossing voor het mysterie van de 153.

Welnu bisschop Augustinus helpt ons.
Ik heb het gisteren nog op mijn rekenmachientje nagerekend en het klopt.
Als we de getallen vanaf 0 opklimmend naar boven
achtereenvolgens bij elkaar optellen, 0+1+2+3 enzovoorts
komen we op 153 terecht als we bij het getal 17 zijn aangekomen.
En dat is een heilig getal: 10 + 7.
10 is het getal van de Wet, de 10 geboden
en 7 het getal van de Heilige Geest
die zijn zeven gaven geeft, vandaar ook 7 sacramenten.

U mag al die sommetjes weer vergeten
maar de kernboodschap is duidelijk:
rond Jesus komt een nieuw volk in zicht
van mensen trouw aan de Wet,
vervuld van de gaven van de Heilige Geest.

Jezus had zijn leerlingen om vis gevraagd, maar
zag Petrus toen hij aan land kwam tot zijn stomme verbazing,
die ligt al klaar. Jesus heeft al een vuurtje aangestoken
en is al wat vis aan het braden.

Wat is daar nu weer mee bedoeld?
Dat de mens niet alleen leeft van wat hij zelf aandraagt,
maar van wat hem van Godswege is bereid.
En daarna mag hij ook het zijne aandragen:
‘Breng de vissen die JULLIE gevangen hebben aan land.’

Simon Petrus is het die de vissen aan land brengt.
Jezus geeft Petrus het vertrouwen dat hij nodig heeft,
om verder gaan met zijn werk.
Een vertrouwen, dat op liefde gebaseerd is.
En een opdracht, die met liefde te maken heeft:
‘zorg voor mijn kudde’, draag Gods liefde voor mensen uit.
Er zijn lammetjes en schapen: kleintjes en groten.

Daar hoort spijt bij over de fouten en nalatigheden
maar ook de wil om weer door te gaan.
Petrus die hem ontrouw was geworden -tot driemaal toe-
krijgt weer een nieuwe kans.
‘Heb je mij waarlijk lief’ wordt hem gevraagd. Driemaal!

In de prachtige Johannes passie
gecomponeerd door Mgr. Valkestijn die hier op de goede vrijdag klonk
werd naar muzikaal naar dit evangelie verwezen.

Als Jesus alleen staat voor zijn vervolgers
en Petrus tot driemaal toe zegt
dat hij hem niet kent zingt het koor al stilletjes
de vraag die we vandaag hoorden tussendoor:
‘Simon hebt ge mij waarlijk lief?’

Een vraag die steeds opnieuw,
misschien meer dan driemaal
ook aan ons, vooral aan ons, gesteld mag worden:
of wij Hem werkelijk lief hebben onze Heer.

Petrus zal wil hij zijn heer ontmoeten opnieuw moeten beginnen,
naakt als het ware net als wij
en daarna zal hij een brede zee moeten overzwemmen
om hem te bereiken
en tot driemaal toe de test-vraag doorstaan.

Willen wij als kerk onze Heer weer ontmoeten
dan zullen wij ook heel wat bescheidener moeten zijn
dan wij tot nu toe waren.

We zullen onze fouten mogen en moeten erkennen
om Jesus als onze Heer eerlijk tegemoet te treden
om dan de vraag ook weer herhaald gesteld te krijgen:
ben je werkelijk gelovig geweest zoals dat hoort…
‘heb je mij waarlijk lief.

Als we fouten durven erkennen,
de vernedering aandurven zoals ook Petrus die zo dapper heeft doorstaan
kunnen wij opnieuw ‘van de Heer’ worden,
opnieuw aan het werk gaan en anderen er bij gaan roepen.

De weg van de solidariteit met zijn Heer
zal Petrus uiteindelijk brengen
tot het meest duidelijke getuigenis, het martelaarschap.
En op een heuvel, nu niet in Jeruzalem maar in Rome,
zal het kruis opgericht staan waaraan Petrus geslagen werd,
volgens de traditie met zijn hoofd naar beneden
omdat hij zich niet waardig achtte
dezelfde houding aan het kruis aan te nemen als zijn Heer.
Een nieuw volk is ontstaan met Petrus
als bewaarder van de vissen die in zijn net gevangen zijn.

Gamaliël was onder de indruk van de kracht
van de jonge christenen van toen
ook wij weten nu waar onze kracht zit:
niet in onze geweldige prestaties
maar in de Heer die ons, u mij aanvaardt
ons activeert tot onverwacht nieuwe dingen
steeds weer, ook vandaag.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Beloken Pasen: Thomas de ziener

[print]

Beloken Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 5,12-16

  • Openbaring 1

  • Johannes 20, 19-31

We horen vandaag spreken de eerste christenen
die eensgezind waren en samenkwamen
in de zuilengalerij van Salomo.
Ze sluiten zich dus aan bij de eredienst in de tempel:
ze zijn trouw aan de joodse liturgie op de Sabbath.

Maar, als het gewone joodse leven zijn loop hernam,
op de eerste dag der week (zondag, toen nog een werkdag)
komen ze vroeg bijeen in een of ander huis
om daar te vieren dat Jesus hun verlosser leeft
en het brood te breken.

De kracht van Jesus levenbrengende Geest
bracht en hield hen in beweging.

Diezelfde kracht brengt mensen nog steeds in beweging
en nu komen we aan de kern:
het is niet zomaar een mooi ideaal dat mensen bijeenbrengt
het is ook geen vrome hobbyclub, de kerk
of een rustig historisch genootschap
zoals de vereniging oud Haarlem.

Waarom werkt zijn kracht nog steeds?
Het antwoord vinden we in de evangelies van de paastijd.
HET IS DE HEER ZELF die zich aan de mensen
die schijnbaar zonder Hem verder moeten openbaart.
Het is de HEER ZELF die in de zijnen en met de zijnen werkt.

Neen, het is geen suggestie (verbeelding) dat de Heer leeft..
Hij leeft werkelijk en NEEMT ZELF HET INITIATIEF IN HANDEN.

‘Hij blies over hen, ontvangt de Heilige Geest.’
Dat was gebeurd op de eerste paasdag
toen de leerlingen bijeen waren.

Eén was er toen niet bij
die goede Thomas die het allemaal niet zo direct kon geloven.

‘We hebben hem gezien’
kraaiden de leerlingen enthousiast maar Thomas is niet onder de indruk.

Waarom niet?
Was hij een ongelovige – zo heet hij toch-
zoals er tegenwoordig zovele zijn
of misschien een agnost,
iemand die het allemaal niet zo goed weet
en daarom maar liever buiten schot bleef.
De leerling Thomas had de bijnaam Didymys, wat tweeling betekent:
misschien was hij een gespleten persoonlijkheid?
Neen, allemaal betweterij.

Door de evangelist Johannes wordt hij getekend
als een leerling die diep en trouw geloofde en met Jesus meeleefde.

Hij voelde dat er problemen zouden komen. Jesus had daarover gesproken.
Anderen hadden niet zo opgelet en gedacht: ‘het zal wel.’
Maar Thomas had gezegd:
‘Dan gaan we met U mee, om te sterven in Jeruzalem.’

Als geen ander zag hij net als Jesus zelf
in waar het met Jesus’ zending op uit zou lopen.
En hij sprak de bereidheid uit
om trouw te zijn… tot in de dood.

Thomas heeft ook het meeste verdriet
als Jesus zijn naderend afscheid ter sprake brengt.
‘Waar ik heen ga, de weg daarheen is jullie bekend’
zegt Jesus. Thomas reageert ontzet:
“Heer, wij weten helemaal niet waar gij heen gaat,
hoe weten wij dan de weg?’

Maar Thomas had ook een andere kant:
hij was ook zwak, net als de anderen van de 12.
Net als de anderen vlucht hij weg
als Jesus gearresteerd wordt.
En net zomin als de anderen
gaat hij heldhaftig met Jesus mee
en op het paasfeest weet hij de weg nog steeds niet.

Hij is Jesus kwijt en daarmee ook zichzelf,
hij wilde ooit zo graag navolger van Jesus zijn.

Thomas was verbijsterd
omdat de leerlingen zeiden Hem na Zijn dood weer gezien te hebben
en -en nu komt het – geen steek bleken te zijn veranderd.
Als zij werkelijk dezelfde Heer
die gekruisigd was en gestorven
weer levende zouden hebben terug gezien
zouden ze zich toch wel anders gedragen hebben
maar neen,
Thomas trof bij thuiskomst een groepje lieden aan
die zeiden iets, beter Iemand gezien, te hebben
maar die rustig doorgingen met samen te klaverjassen
om het een beetje populair te zeggen.
Zo’n suffe kerk was geen propaganda voor de levende Heer.

Van buitenkerkelijken horen we vaak dezelfde kritiek.
Het is gemakkelijk ze ongelovig te noemen
en verder door te gaan alsof er niets aan de hand is.
Het gaat ons wel degelijk aan:
ze zijn namelijk vaak niet ongelovig
omdat ze niet willen geloven
maar omdat ze niet kunnen geloven.
En waarom kunnen ze niet geloven?
Omdat degenen die zeggen dat ze de Heer hebben gezien,
degenen die zeggen christen te zijn
er zo weinig, zo vreselijk weinig goeds van bakken.
Ghandi, de grote Indiase geestelijke leider zei eens:
‘ik zou graag in Jesus willen geloven
maar omdat de christenen mij zo weinig duidelijk voorleven
wie Hij was en onderling zo verdeeld zijn
kan ik er niet achter komen wie Jesus is.’

Terug naar Thomas.
Thomas staat er op dat hij Jesus’ levende aanwezigheid
zelf ervaart, anders kan hij niet geloven in de opstanding.
Ja hij wil zijn meester zelf zien
en hij wil zelfs meer: hem aanraken.
Net als twee gelieven, die elkaar zijn kwijtgeraakt
en elkaar na een tijd weer terugvinden, niet genoeg hebben aan zien,
ze willen elkaar aanraken, in de armen vallen, kussen.

Dat wordt hem gegund:
‘Leg je handen maar in mijn zijde.’
Als Hij Jesus zo intens ontmoet roept hij enthousiast uit:
‘Mijn Heer en mijn God!’
En nu ziet hij meer in Jesus dan een vriend die weer terug is:
hij ziet nu ook meer dan de anderen
en benoemt hem tot Heer en God.
Dat is een echte geloofsbelijdenis,
een uitspraak die het zien overstijgt.
De traditie wil dat Thomas de evangelieverkondiger was
die ging verkondigen dat Jesus zijn Heer en zijn God was:
hij ging dat verkondigen tot in INDIA toe.

Gelovige mensen zien, soms even, als in een flits.
Ze zien meer dan anderen: daarover zongen we in de Paaswake:
‘Gij zijt voorbijgegaan, een vreemd bekend gezicht,
een stuk van ons bestaan, een vriend, een spoor van licht.’

Dat is zien in een visioen.
Visioenen zijn geen denkbeelden,
hersenspinsels die we in ons hoofd halen maar gaan ergens over.

Thomas zag de wonden in Jesus’ zijde en in zijn handen.
Hij zag als visionair de nieuwe Adam die zijn zijde geopend heeft
en die zijn bruid aan zijn zijde zal ontmoeten,
de nieuwe Eva, zijn gemeenschap
en riep namens ons uit: ‘jij bent onze Heer en God.’

Thomas zag zo wie Jesus was.
Vaker helaas worden we geconfronteerd met een ander zien.

Een zien dat ons geloof en onze hoop kan bedreigen.

Zalig zij die ondanks alles wat ze zien
met hun gewone ogen op het Tv-scherm bijvoorbeeld
toch geloven en andere dingen zien: ze zullen leven.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Pasen: Een bijzonder sterven

[print]

Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 10, 34a 37-43

  • Psalm 118

  • Kolossenzen 3, 1-4

  • Johannes 20, 1-9

Verhalen in de nacht
Gisterenavond, de eerste lente-vollemaan stond aan de hemel buiten, begonnen wij in het donker. We deden er iets aan! Een vuur werd ontstoken; ‘Licht van Christus’ zongen wij, driemaal, steeds hoger. En daarna verbreidde het licht zich: van de paaskaars uit heel de kerk in. Toen gingen we lezen: ‘God sprak: er zij licht! En er was licht.’ Het duister is verdreven: God dank! Is dat zo? We lazen het scheppingsverhaal verder. Het water werd aan de kant geschoven: er kwam land in zicht! De aarde, goed land om op te wonen. Het land werd aangekleed met groen gewas. Vogels vlogen langs het hemelgewelf, de wateren werden gevuld met allerlei wriemelend leven en dieren liepen op het veld. Alles prachtig maar één ontbrak: de mens. Hij komt! Hij/zij wordt naar Gods beeld geschapen. Er kan een nieuw begin gemaakt worden. God kan uitrusten nadat Hij/Zij gezien had dat het zeer goed was. De verhalenserie in de kerk ging door. Over het volk Israël in slavernij. Hard is de hand van de verdrukker; de verlossing lijkt ver. In de lente gaat Mozes, als gezant van God, het conflict aan met de farao en hij mag zijn volk voorgaan naar een nieuwe toekomst. Geen zee gaat God te hoog! Veel om te verwerken. Moeilijk te geloven was het allemaal. Daarom knielden wij in de kerk na deze verhalen allemaal neer en baden alle heiligen om hulp. Als hemels antwoord klonk dan het paasevangelie! Vannacht van Mattheüs. De soldaten werden gevloerd. Vandaag zijn we in diezelfde tuin maar het gaat er anders aan toe.

Het lege graf en de tuin
Het is nog donker (!) als Maria Magdalena als eerste namens ons allen Jesus, de Heiland, komt zoeken. Donker is het, het Licht der wereld (Joh. 9, 5. 38) is nog niet gevonden. Waar is Maria’s vriend en toeverlaat? Anderen voegen zich bij de zoekactie. Petrus natuurlijk en de leerling die Jesus liefhad. Maria verwoordt als enige de ontreddering van allen: ‘ze hebben de Heer weggehaald.’ Een zenuwachtig heen en weer geloop volgt. Ze krijgen niet direct een engel te zien in het evangelie van Johannes. Ze moeten het eerst zelf alleen uitzoeken. Ze gaan naar binnen en vinden de doeken waarin hij gewikkeld was. Het is bijna vermakelijk om te lezen hoe Petrus, als eerste Paus, keurig door de anderen als eerste het lege graf binnen wordt gelaten.
Pas als ze alle drie het graf hebben bezocht staat er dat ze geloofden. De evangelietekst verklaart hun eerdere ongeloof door te stellen dat ze de schriften nog niet hadden verstaan. Ze hadden wel beter kunnen weten! De twee mannen gaan gewoon naar huis. Maria niet. Zij blijft bij het graf treuren. En dan valt haar een grote gunst ten deel! Zij hoeft het niet alleen te doen met het lege graf. Ze buigt zich voorover en ziet dan (als enige dus) twee engelen die het lege graf omringen zoals ooit de twee gebeeldhouwde cherubs in Jeruzalems tempel de ark beschutten (Ex. 25,18). Deze engelen echter spreken. Ze vragen haar waarom ze treurt. Maria antwoordt: ‘ze hebben MIJN Heer weggehaald.’ Nadat ze hem zo, als haar eigen Heer benoemd heeft mag ze hem ook echt ontmoeten, als eerste uit de kring van de leerlingen. Ze denkt dat Hij de tuinman is. Dat is niet dom want dat is Hij ook. Hij, de nieuwe Adam, Heer van de tuin, Koning van de nieuwe aarde. Het woord dat voor tuin gebruikt wordt komt in de Griekse vertaling van het Oude Testament vaak voor in het Hooglied waarin het immers ook gaat over de verbondenheid van Messias en volk. Ze vraagt eerst weer waar ze haar Heer hebben neergelegd waarna Jesus als een goede herder, haar bij haar naam noemt en de herkenning volgt. Het gesprek tussen Jesus de Messias en Maria als vertegenwoordigster van zijn volk eindigt met de aankondiging dat Jesus zal ‘opvaren’(Statenvertaling) tot ‘mijn en uw vader, tot mijn en uw God’. Tenslotte wordt vermeld dat Maria deze boodschap door gaat geven aan de leerlingen. Zo is zij, samen met Martha (Joh.11,24; volgens paus Gregorius was Maria Magdalena dezelfde als de luisterende zuster van Martha!) getuige en verkondiger van de Verrijzenis. Op deze getuigenissen kan Jesus zijn kerk bouwen.

Geloven in het leven
Vandaag is het Pasen: dag van de opstanding. Wij zeggen van iemand dat hij ‘opstaat’ wanneer hij op eigen kracht van een zittende of liggende houding overeind komt. Als dat gebeurt vanaf een bed of een stoel, noemen we het eenvoudig ‘opstaan’. Gebeurt het vanuit een situatie van onderworpenheid, dan noemen we het ‘opstand’ en gebeurt het vanuit de dood, dan spreken we van ‘opstanding.’ Omdat de dood het meest definitief lijkt te zijn van al die horizontale toestanden, hebben wij aan de ontkenning daarvan het zwaarste karwei en is de verrijzenis voor ons het meest onbegrijpelijke wonder. Toch blijven mensen daarin geloven. Waarom? Waarom ontkennen wij een geschiedenis lang de dood of vergelijken we die met de slaap waaruit we elke morgen weer opstaan? We hebben daar een dwingend motief voor: de liefde. ‘Van iemand houden’, zei de filosoof Gabriël Marcel, ‘is zeggen: jij zult niet dood gaan.’

En zo wordt alles goed
In de verte horen we een jodenman roepen: “Dood waar is je overwinning, dood waar is je prikkel? ” Psalm 118 jubelt in diezelfde trant: ‘ik zal niet sterven maar leven’(vers 17). Wij leven hier en nu al in het licht: we worden uit onze troosteloosheid opgetild, en als we het moede hoofd zullen neerleggen mogen we genieten van de hemelse rust. Maar er is nog meer: die rust na de dood is alleen maar een voorbereiding op het echte leven van alle mensen samen in vrede in de grote feestzaal van de Komende Wereld.

Niet zo maar geloven
Johannes beschrijft ons Jesus die Zijn lijden volbracht als de Heer van ons allen, onze Voorganger dwars door de dood heen. Gewond, zeker. Thomas mag zijn wonden later voelen maar Zijn dood was geen einde maar een nieuw begin. Het is bijzonder dat in ons taalgebied zijn sterfdag ‘goede vrijdag’ genoemd wordt. Maar om dat te geloven moet je wel werk verzetten. Of we nu diepgelovig zijn, sceptisch of agnostisch, als het grootste wonder dat we maar kunnen bedenken is de opstanding nooit een vanzelfsprekende aangelegenheid. De gedachte daaraan of het geloof daarin is eerder een verzet tegen elke vorm van vanzelfsprekend-heid. Als het hier om een dogma gaat, is het hoog tijd dat ook het dogma weer verrijst als een voorwerp van denken. Een geloof dat een automatisme wordt, is een ongeloof. Daarom zijn de speciale Thomasdiensten die in sommige kerken worden gehouden voor mensen, die niet zomaar in de opstanding kunnen geloven een goed teken.

Met Hem op weg
In mijn vroegere parochiekerk, de Lucaskerk in Amsterdam, hield de theoloog Edward Schillebeeckx zo’n 25 jaar geleden een voordracht. In drie termen vatte hij de toekomst samen waarheen wij met de Verrezen Heer op weg zijn.
De radicale bevrijding van de mensheid tot een broederlijk en zusterlijke gemeenschap waar geen meester-knecht-verhouding zal zijn en smart en tranen uitgewist en vergeten zijn. We noemen dat HET KONINKRIJK GODS.
Het draagvlak voor die vrede en gerechtigheid, een wereld, een milieu dat bewaard wordt en gerespecteerd. We noemen dat DE NIEUWE HEMEL EN DE NIEUWE AARDE.
Het volkomen heil en geluk van de individuele persoon, u en ik, geroepen, geborgen en bewaard. We noemen dat DE VERRIJZENIS VAN HET LICHAAM.

Een einde aan de pijn
Om ons tot actief geloof in de Opstanding te stimuleren zegt Paulus in zijn brief aan de Kolossenzen: ‘Zoekt wat boven is’. In onze nog steeds smartelijke dagen in het midden oosten en verderop in Azië blijven we uitzien naar een einde van de vrijdag van de pijn en de komst van stilte en rust opdat eindelijk de echte grote Paasmorgen kan komen. Wat nu te doen? Daarover horen we Rabbi Jaäkov zeggen: ‘Een moment van ommekeer van jou hier en nu en de goede werken die jij in deze wereld doet is het allermooiste dat er bestaat, mooier dan wat God ooit maken kan!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Witte Donderdag: ‘Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet bezwijkt’

[print]

Witte Donderdag

Schriftlezingen:

  • Exodus 12,1-14; Instelling Pesach

  • Lucas 22,1-33

In Brussel zijn allerlei vieringen in voorbereiding
wat er gebeurd is, is te erg voor woorden
toch blijven mensen geloven, hopen en liefhebben
en dat doe je samen. Dat is niet gemakkelijk.

Ze zijn met zo weinigen,
de joden in Haarlem
– de kleine groep van wie er nog overgebleven zijn-,
op een gewone sabbath nauwelijks met de benodigde tien man.
Toch zullen ze in deze dagen weer samen komen
in een of ander huis om .. PASEN te vieren:
en andere joden doen het ook in Amsterdam,
Jeruzalem, New York of waar ook ter wereld.

Ze zullen, net als wij, het brood en de wijn op tafel hebben staan
en de jongste heeft het eerste woord – wij proberen in onze kerk de kinderen ook meer ruimte te geven-. Bij het joodse paasmaal mag de jongste vragen:
‘waarom is deze avond anders dan alle andere avonden.’
De vader moet hem dan dit antwoord geven en zeggen:
‘omdat we op deze avond vieren
dat God ons bevrijd heeft uit Egypte
het land van de slavernij.’

Onze eigen Heer Jesus sloot zich – en dat vieren we vanavond-
graag bij deze geloofstraditie aan.

Hij zei, net als de Brusselaars vanavond:
‘Wat heb ik mij verheugd samen met jullie te vieren!’
‘Met jullie’ horen wij Hem zeggen in het Lucasevangelie.
Inderdaad vierde Hij met vreugde
het Paasfeest: met zijn vrienden.

— Het Paasfeest was het feest van de beginnende bevrijding
van het volk van God uit slavernij en sleur.
Het brengt de oude situatie van onderdrukking
(en de gewenning daaraan!) in herinnering
en de bevrijding daaruit door de grote bevrijdingsactie,
de wonderlijke coöperatie van Mozes en Israëls Heilige.

Wij lezen in iedere paaswake het verhaal van die bevrijding,
de doortocht door de rode zee, ook ieder jaar opnieuw:
om ons die grote redding in herinnering te brengen.

Waarom is herinnering nodig?
Om te beseffen dat wij ons maar al te gemakkelijk neer leggen
bij alle dingen die zijn zoals ze zijn
en opdat wij beseffen dat wij
vanuit de bezinning op dat oude bevrijdingsverhaal
zelf ook tot vrijheid geroepen zijn.

Alles hoeft niet te blijven zoals het is,
er is altijd een ontsnapping mogelijk.
Het is niet ‘stil maar wacht maar alles wordt nieuw’
maar: ‘blijf hopen, wacht niet te lang:
kom weg uit het oude en werk aan het nieuwe.’

Na het Paasmaal waarbij Jesus,
misschien tegen beter weten in
zijn vertrouwen in de toekomst en in de volharding van zijn vrienden uitzegt
en na, samen met hen te hebben gezongen over vrijheid
en de ondergang van de legerscharen van Egypte
gaan ze naar de donkere olijfhof, u hoorde het zojuist.
Daar slaat de angst toe en de pijn
daar zweet Jesus bloed en tranen
daar wordt Jesus opgepakt door de soldaten.
Nu niet van de farao maar van de ordediensten van zijn tijd.

Het verhaal lijkt anders te verlopen dan het paasverhaal
dat Jesus met Zijn vrienden gelezen had.
In dat verhaal, toen in Egypte,
verdwenen de soldaten in de golven.
Hier lijken de soldaten te winnen,
ze nemen Jesus gevangen en bespotten Hem vrijelijk.

Toch gaat het verhaal later weer gelijk lopen.
Als de soldaten deze paasvierder hebben vermoord
en bewakers voor zijn graf hebben neergezet,
denken ze dat het pleit beslecht is

Maar… ze hebben toch het laatste woord niet.

Het verhaal gaat verder,
de dag ná de Sabbath die in de Paasweek valt
(het Joodse Pasen duurde zeven dagen)
melden vrouwen de bevreesde mannen
dat toch de soldaten verslagen op de grond liggen
en het leven het toch gewonnen heeft van de dood.

En zo lijkt het verhaal toch weer wel op het oude paasverhaal:
net als farao’s soldaten die dood aan het strand lagen,
liggen deze soldaten ‘als doden’ terzijde.

Even nog terug naar Jesus’ Paasmaal dat wij vanavond gedenken,
het maal met Zijn leerlingen, zijn vrienden.
De leerlingen worden door Lucas
altijd heel vriendelijk beschreven
en dat is ook voor ons die zijn leerlingen proberen te zijn
en net zo vaak, misschien nog vaker dan zij, fouten maken heel plezierig.

De evangelist Lucas, en ook Jesus zelf,
lijken al hun blunders graag met de mantel der liefde te bedekken.
Zelfs Judas wordt in zekere zin van zijn schuld vrijgepleit
want er wordt gezegd: ‘de Satan was in hem gevaren.’
De band tussen Jesus en zijn leerlingen is heel hecht
en Jesus bemoedigt hen volgens Lucas uitdrukkelijk.

Aan het begin van het laatste avondmaal horen we Jesus zeggen:
‘Jullie zijn het die met mij
in de beproevingen hebt volhard’ en

‘ik geef jullie het rijk in handen
zoals mijn Vader het aan mij gaf,
je zult aan mijn tafel eten en drinken en zetelen
op tronen en de 12 stammen van Israël mee- oordelen. ‘

De leerlingen zijn bij Lucas heel belangrijk en zij moeten veel doen.
Ook het avondmaal veel herhalen.
Alleen bij Lucas vinden wij ook de woorden:
‘doet dit tot mijn gedachtenis’

Lucas is bij uitstek de evangelist van de kerk:
‘waar twee of drie in mijn naam bijeenzijn’
lezen we ook in het evangelie:
‘daar ben ik in hun midden.’
… een opdracht om samen kerk te zijn
en de gebeurtenissen van het verleden daadwerkelijk weer present te stellen
in de viering van de kerkelijke gemeenschap.

Aangezien wij de gedachtenis vieren van een LEVENDE HEER
is hier sprake van een werkelijke tegenwoordigheid
van Jesus in ons midden.

Heel de diskussie over de ‘realis presentia’
kan in een nieuw kader gezet worden
als we uitgaan van die idee van Jesus zelf:
‘waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn
daar ben ik echt in hun midden’
en als we van de joden willen leren wat gedenken,
gedachtenis houden, betekent.

Wat eenvoudiger gezegd: wat wij hier doen aan het altaar
is een gebeuren ‘dat onder stroom staat.’
Want de daden van God herdenken is niet alleen maar herdenken
zoals ze dat bijvoorbeeld op 1 april in Den Briel doen.
de dag waarop ze een historische show opvoeren
om te spelen hoe Alva zijn stad verloor..
een tamelijk suf gebeuren.

Maar voor joden en christenen geldt:
als wij de daden van de Heer,
die Zijn volk uit de slavernij van Egypte bevrijdde vieren
weten we dat diezelfde Heer nog leeft;
en dezelfde God die Zijn zoon uit de dood verloste
graag, tot op de dag van vandaag, het levende middelpunt zijn van zijn kerk.

Hij is sterk en steunt ons!
Zonder Hem zijn we als kerk een erg kwetsbare gemeenschap:
net als de leerlingen toen.
Judas was zwak, de satan had hem in zijn greep,
Petrus was kwetsbaar maar de Heer wil met hen verder.
Maar: ze worden -staat er in het evangelie-
als tarwe gezift en ze zullen rijpen
en later anderen tot zegen zijn.

Ze zullen moeten worstelen zoals de Heer zelf
in de hof van olijven worstelde met angst en onzekerheid,
en vooral met de slaap en de moedeloosheid.

De Heer is hun voorganger
en zal hen er doorheen trekken.
Daarom moet Hij eerst de diepste duisternis in,
Hij alleen.

Ja deze avond is anders dan alle andere avonden
omdat Hij Zijn weg gegaan is, het donker in.
Wij staan een beetje huiverig ter zijde
we zijn allemaal toch een beetje bang in het donker.

Maar Hij zal er doorheenkomen:
Hij alleen, de grote Paasvierder.

Zelfbewust gaat Jesus op weg
om zijn weg door dood heen naar het leven, te voltooien.

Na de zweetdruppels die er van Jesus’ gelaat vallen
in de hof van olijven
– er wordt zelfs gezegd dat Hij bloed zweette
horen we Lucas weinig meer vertellen over Jesus’ pijn.

— Natuurlijk Jesus heeft die ondergaan
maar Lucas beschrijft Jesus toch vooral als een voorganger,
een koninklijke voorganger; de nieuwe koning
die zijn volk door lijden en dood voorgaat naar het leven.

Van ons wordt die heldenmoed die Hij opbracht niet verwacht;
wel iets anders: saamhorigheid en solidariteit
als wij deze voorganger volgen.

Mijn bede is, net zoals het Zijn bede is,
dat wij allen één zijn in solidariteit en vriendschap,
dat wij elkaar vasthouden, zieken en gezonden,
sterken en zwakken, mannen en vrouwen,
jong en oud om samen Zijn kerk te zijn
want waar liefde heerst en vriendschap
daar is God. En waar twee of drie in zijn naam
bijeenzijn daar is dezelfde Heer aanwezig
die ooit voor zijn leerlingen bad:
‘ik heb voor u gebeden
dat uw geloof niet bezwijkt.’

Laat ons daarom ook volhouden
voor elkaar te bidden en vooral:
in solidariteit met alle mensen die misschien de hoop dreigen te verliezen
ER ALTIJD VOOR ELKAAR TE ZIJN!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Palmzondag: Wereldjongerendag 2016

[print]

Palmzondag

Schriftlezingen:

  • Lucas 19, 28-40

  • Jesaja 50,4-7

  • Filippenzen 2,6-11

We hebben Jezus gevolgd
tijdens de feestelijke intocht in Jeruzalem
en daarna verder langs de hof van olijven
naar Zijn passie, naar het kruis van Golgotha.
Hier gebeurt Gods barmhartigheid,
Zijn compassie met ons mensen
die wij dit jaar bijzonder vieren
en vandaar het thema van deze Palmzondag
die wereldjongerendag is:
Kom Passie!
Kom, beleef vandaag en deze Goede Week
in Jezus’ Passie Gods compassie.

Ook in Enishke in Irakees Koerdistan
is een heilige deur geopend
voor het jaar van Barmhartigheid.
Aan de plechtigheid hebben niet alleen
katholieken en andere christenen
deelgenomen
– de meesten van hen gevlucht uit de oorlogsgebieden –
maar ook de leiders van de Yezidische gemeenschap,
die net zo goed zwaar geleden heeft
en hele gezinnen van andere godsdiensten,
ook moslims waren erbij.
Die open deur daar is een teken van hoop,
hoop op een nieuwe toekomst.
De Italiaanse katholieke kerk
heeft in die plaats nu een universiteit gesticht
om jongeren uit Irak en Syrië
kans op educatie en toekomst te bieden in hun regio.

En de gemeenschap van Sant’Egidio
is twee weken geleden begonnen
met een luchtbrug
om mensen uit oorlogsgebieden in Syrië
veilig te evacueren
zonder dat ze een uiterst gevaarlijke tocht
moeten ondernemen,
zonder dat ze in de handen vallen
van mensensmokkelaars.

En we bidden natuurlijk ook
voor het welslagen van de vredesbesprekingen.

Veel vluchtelingen
kunnen niet begrijpen
hoe de situatie in hun land
binnen enkele jaren zo sterk kon veranderen,
hoe goede buren en vrienden
ineens gewelddadige vijanden werden,
christenen en moslims elkaar gingen wantrouwen.

Nu zijn er mensen en initiatieven
die proberen weer een verandering te bewerken,
die een veilig en vreedzaam leven willen bieden.
compassie met de passie, met het lijden van al deze mensen.

Die heilige deur in Enishke
en hier in de kathedraal en overal
is in dit jaar van de barmhartigheid een teken
dat de weg naar verzoening open staat
voor alle mensen,
dat ieder wordt opgeroepen
zich te bekeren,
de haat uit zijn hart te bannen.
Alles is mogelijk
wanneer wij standvastig de weg naar verzoening gaan.

Die weg is moeilijk.
Want, een stemming kan heel gemakkelijk
naar haat en afkeer omslaan
– verdeeldheid is altijd zo gauw gezaaid -,
maar het is niet eenvoudig
om dan opnieuw een klimaat
van vrede en vriendschap te scheppen.
Je hebt bijvoorbeeld eerder
een familieruzie opgeroepen
dan die weer uitgepraat en bijgelegd.

We hebben gehoord
wat Jezus is overkomen:
De ene dag wordt Hij met palmtakken bejubeld
als koning en vredebrenger,
als wonderdoener en Man van God,
de volgende dag roept datzelfde volk
vol haat en afkeer: “Kruisig Hem”.
Zoals de christenen en vele anderen
in het Midden Oosten nu,
bevond Jezus zich toen ineens
in een soort oorlogsgebied:
iedereen was gewelddadig en tegen Hem,
Hij stond helemaal alleen in Zijn passie.

De mening of de stemming kan ineens omslaan.
Dat is nu nog zo:
Wie van ons al een leven achter zich heeft,
niet zó jong meer is,
kan gemakkelijk tien zaken noemen
waar de samenleving
in de laatste veertig, vijftig jaar
radicaal anders over is gaan denken:
zaken of mensen die vroeger werden bejubeld,
worden nu veroordeeld en omgekeerd.
Ooit was het geen reclame als je niet godsdienstig was,
nu zwem je als gelovige tegen de mainstream op.
Veel meningen zijn afhankelijk van stemmingen
en die stemming
is veranderlijk:
de ene dag is het Hosanna,
de andere dag is het kruisig Hem,
maar: wat is werkelijk blijvend goed en waar?
Wat met haat en afkeer wordt bejegend
is niet altijd werkelijk slecht;
wat wordt opgehemeld, populair is,
is niet altijd werkelijk zo geweldig;
wat goed is en waar,
wat echt geweldig is,
kan alleen
met onderscheidingsvermogen worden gekend;
we ontdekken het
op een dieper niveau,
daar waar ons hart in vrede is.
Ook als je jong bent
kun je ontdekken
dat oordelen
en meningen
die bijna iedereen in Nederland zo vindt,
in een ander land en een andere cultuur
totaal anders worden beleefd.
Geloven is
ook eens tegen de stroom in durven gaan,
zoals Jezus in Zijn lijden deed.

Keuzes maken
en daar steun in zoeken.

Er waren er maar een paar
die onder het kruis van Jezus stonden;
velen bleven op een afstand kijken,
anderen waren weg gegaan.
Het hosanna-roepen was verstomd.
Het was toen zoals het nog steeds
zo dikwijls gaat:
liefde en haat, het gaat op en neer.
De tijden veranderen.
Maar achter dit hele passieverhaal
zit één grote, blijvende, doorgaande intentie van God
en het dieptepunt wordt een hoogtepunt:
Zijn beweegreden is liefde, compassie
– liefde, barmhartigheid en verlossing –
en als die liefde onbeantwoord blijft,
komt er meer liefde, groter compassie:
Niemand heeft groter liefde
dan Hij die Zijn leven geeft.
Dat geeft de Verlossing.
Het trieste dat Jezus overkomt
is ook iets moois.
“Hij gaf de geest”,
staat er in het evangelie,
Dat betekent:
Hij ging dood
maar het wil ook zeggen:
zo heeft Hij ons de Geest gegeven,
de grootste gave
die God ons geven kan.
Zijn dood, Zijn sterven
is de hoogste vorm van compassie.

En het is een uitnodiging
om vertrouwen te houden
en deuren te openen,
om het goede vol te houden
– ook al kost het energie –
en niet in doemscenario’s te denken;
Hij wéét hoe het verder gaat:
het gaat naar Pasen….
Gods compassie is groter.

Ik wens U een mooie, gezegende
goede week en straks een zalig Pasen!
Amen.

Mgr. Jan W.M. Hendriks, hulpbisschop van het bisdom Haarlem-Amsterdam

13 maart: Niet streng genoeg?

[print]

5e Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Jesaja 43,16-21

  • Filippenzen 3,8-14

  • Johannes 8,1-11

Misschien vindt u het interessant om te weten
dat het evangelie van vandaag
in bepaalde handschriften van het Johannesevangelie ontbreekt.
Waarom zou dat interessant kunnen zijn?

Omdat er uit blijkt dat de oude kerk
kennelijk een beetje moeite had met dit verhaal.

Het past ook niet zo goed
in het verheven evangelie van Johannes.
Het verhaal is te schokkend,
vragen doemen op.
Kan een mens, laat staan de God-mens Jesus,
zo ruimhartig met iemand die gezondigd heeft
zoals Hij dat die morgen op het tempelplein deed?

We horen de stemmen van de moralisten van alle tijden
al protesteren.
Wie de regels die het huwelijk beschermen niet serieus neemt
brengt een bijna onherstelbare schade toe
aan het huwelijk als instituut
en ondergraaft het fundament van de menselijke samenleving.

Wat zal Jesus’ reactie zijn op dit gebeuren?
Zal Hij de geschokten gelijk geven
die zeggen dat het werkelijk een schande is
en dat er hard gestraft moet worden
of zal Hij alles maar een beetje relativeren
en zeggen dat het niet zo erg is wat er gebeurd is?

Een vrouw wordt aangeklaagd
-zo gaat dat vaak, de mannen
met wie ze al of niet een relatie heeft gehad
blijven buiten schot. Ik las deze week nog de klacht
van een ongehuwde moeder:
‘wij worden geminacht
maar de ander die ook zijn aandeel geleverd
heeft gaat altijd vrijuit.’

Bij Jesus een aparte reactie.
Van die hevige verontwaardiging van de omstanders,
vindt je bij Hem geen spoor.

Een duitse psycholoog zegt,
peinzend over die verontwaardiging van de omstanders
die in dit verhaal zo hevig is dat ze haar willen stenigen het volgende:

‘de verontwaardiging over schending van de huwelijkstrouw door anderen
is vaak zo hevig omdat de bekoring van de ontrouw
in iedere relatie en ieder moment op de loer ligt.
Ieder mens is zwak en beseft dat maar al te goed.
Meestal geldt: hoe verontwaardigder hoe onzekerder.’

Wat moet Jesus aan met dit merkwaardige gezelschap?
Met die vrouw die na een onstuimige nacht wordt betrapt
en met al die omstanders die de vermoorde onschuld spelen?

Hij begint met peinzend in het zand te schrijven.
Een van zijn meest raadselachtige gebaren
– maar een subtiele vorm van onderricht.

De betekenis van dit gebaar moet gezocht worden
in wat er in de boeken van de profeten (van Jeremia) geschreven staat.
Het is een boetetekst die op de grote verzoendag
-en iedere jood kent die uit zijn hoofd-
door de synagoge gelezen wordt. Die tekst luidt:

‘wie van de weg van de Heer afwijken,
hun namen zullen geschreven worden in het zand
van de dode aarde waarin alle leven zal vergaan’.

Jesus zegt door zijn geschrijf in de dode aarde als het ware
dat de zonde de weg is naar de definitieve dood.
Zo zegt Hij zwijgend tot de vrouw die tekort schoot:
weet wel, jouw weg is zo een weg naar de dood.

Maar een mens kan zich altijd bekeren
en een nieuw begin beginnen.

Dat geldt voor die ene die in het middelpunt
van de belangstelling staat maar niet alleen voor haar.

Daarom schrijft Jesus daarna NOG EEN KEER in het zand.
Als les aan de anderen de omstanders… en dus ook aan ons.

Want ook zij -en dus ook wij- moeten beseffen
dat zij/ wij zondaars zijn en dat ook onze weg
een weg naar de dood kan zijn.
Wij allen moeten beseffen dat wij kwetsbaar zijn,
dat wij leiding en genezing nodig hebben.
Van onze naasten, van onze God
en die Hij naar ons toestuurt.

Niet alleen de vrouw dus moet aan haar plaats herinnerd worden
de zelfverzekerde omstanders ook,
misschien nog veel meer.

Zij staan daar verontwaardigd
en zeker van zichzelf…
zij staan daar uitdrukkelijk en uitdagend fatsoenlijk te wezen
met de stenen in de hand die zij vanuit hun hoogmoeds-complex
naar deze vrouw menen te mogen gooien.

Deze arrogante kwasten moeten op een harde manier
tot de werkelijkheid worden teruggebracht
opdat ook zij nieuwe levenskansen zullen krijgen en benutten.

‘Wie van u zonder zonde is werpe de eerste steen.’
Met deze woorden worden zij
aan hun eigen levenssituatie herinnerd en gewekt.

Er staat met een zekere humor in het verhaal vermeld
dat de oudsten hun les het eerst verstonden
en het eerste weggingen. Zou daarmee bedoeld zijn
dat ouderen, door het leven gerijpt,
misschien -meer dan jongeren- een duidelijker besef
van hun tekortkomingen hebben? of mag ik dat niet zeggen?

Als allen samen rondom de weerloze vrouw beseffen
dat zij allen hun fouten hebben
kan Jesus hen allemaal de absolutie geven.

En in hun en ons midden – want ook wij worden bij dit gebeuren betrokken-
wordt dan de oude belofte van Jesaja die op deze zondag klonk waar:

‘IK GA IETS NIEUWS BEGINNEN MET JOU,
HET IS AL BEGONNEN, MERK JE HET NIET?’

Je zonden zijn je vergeven.

Er worden door Jesus bruggen geslagen,
scheidingsmuren worden afgebroken.

Die tussen die wij goeden noemen en die wij slechten noemen.

Jesus staat steeds aan de kant van de mensen,
aan de kant van ieder mens.

Hij staat aan de kant van Petrus
die Hem zelfverzekerd volgen durfde
en van Levi de tollenaar die aarzelt,
van de zoon over wie wij de vorige week hoorden spreken
die alles verkwistte
en van de goede zoon die thuis bleef.

Zijn solidarisering met ons zwakke, zondige, hulpeloze mensen
is Zijn grootste verlossings- daad.
Zijn milde vergevingsgezindheid
maakt Gods mildheid onder de mensen zichtbaar.

Hij wil dat die mildheid ook door ons wordt beleefd.
Als wij om vergeving bidden in het Onze Vader
wordt die bede onmiddellijk gevolgd door het:
‘zoals ook wij aan anderen hun schud vergeven’
-en bij Matteus lezen we zelfs:
‘zoals wij anderen hun schuld vergeven hebben’
een voorwaarde vooraf bijna voor onze eigen vergeving.

In de dagboeken van de in de 2e wereldoorlog oorlog
vermoorde Etty Hillesum lezen we:
‘vanavond bid ik eens voor een gewone Duitse soldaat zoals ik
die vandaag op straat zag lopen
want hij is ook maar een zwak mens
en hij lijdt ook aan deze oorlog.’

En een onbekende auteur schreef in het kamp Ravensbrück:
‘O God, denk niet alleen aan de mensen van goede wil
maar ook aan die van kwade wil.
En als zij, de moordenaars
ooit naar het oordeel komen
laat al die vruchten die de slachtoffers voortbrachten
hun tot vergiffenis zijn.’

Het evangelie van vandaag is een goede inleiding
op de weken waarin wij het onverdiende lijden
van Jesus de Messias gaan overwegen.
Zelf zal Hij, volkomen onschuldig
de schuld van anderen op zich nemen
en de slagen verduren die anderen verdiend hebben,
Hij die door Johannes was voorgesteld als het Lam
dat de zonden der wereld uit ons midden wegdraagt.

‘Vader vergeef het hun’
zegt Hij sprekend over de soldaten
die Hem aan het kruis geslagen hebben,
‘want ze weten niet wat ze doen’
en even later zegt Hij tegen een medeslachtoffer aan het kruis
-die overigens allerminst vrijuit ging
en daarom ook wonderlijk genoeg de goede moordenaar mag heten-:
‘heden zult gij met mij zijn in het paradijs.’

De Heer is onverbiddelijk solidair met ons mensen,
Hij gelooft in ons, meer nog dan dat wij in onszelf geloven.
Onze Heer blijft in ons geloven,
Hij blijft geloven in onze mogelijkheden
om ons naar het goede te keren.
Hij neemt ons bij de hand en leidt ons Pasen tegemoet,
Hij brengt ons naar het nieuwe licht
dat heel ons bestaan verlicht!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

6 maart: Een huis van vrolijkheid

[print]

4e Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Jozua 5,9a,10-12

  • 2 Korintiërs 5,7-21; Het nieuwe is gekomen

  • Lucas 15, 1-3.11-32; Het feestmaal met de zonen.

Halfvasten is het vandaag, zondag laetare,
dat betekent: verheug je, wees blij!
Dat woord is genomen uit de oude Gregoriaanse Introitus:
‘Laetare Jerusalem’. Het is een bemoedigingstekst van de profeet Jesaja.
Het volk was in ballingschap geweest,
ontreddering alom:
de profeet had gewaarschuwd:
‘je hebt het wel aan jezelf te danken,
je bent ontrouw geweest aan je roeping!’

Maar de profeet blijft niet treuren.
Er komt een keer in het lot van de ballingen.
Eerst zongen ze:
‘aan de oevers van Babylon zaten wij en weenden’
toen werd het:
‘als God ons thuisbrengt dat zal een droom zijn’
en daarna als de terugkeer naar Jeruzalem een feit is:
‘toen de ballingen mochten terugkeren
was het alsof wij droomden.’

De werkelijkheid van de troost van God
ging de stoutste verwachtingen te boven.
Laeatere Jeruzalem, verheug je Jeruzalem:
in je lot komt een keer!

Alles zal nieuw worden,
er komen nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden.
‘Die in tranen zaaiden zullen oogsten met gejuich.

Middenin de vastentijd,
die ernstige periode van bezinning op onze manier van leven,
op onze inzet als christen, in een tijd van vele problemen in de kerk
roepen de heilige schrift en de liturgische traditie ons op
om feest te vieren.

Er zijn altijd nieuwe kansen,
nooit heeft de teleurstelling het laatste woord.
Gefeest werd er in het verre verleden
door de mensen van Israël in het gevolg van Jozua
omdat Gods volk Egypte en de woestijn
voorgoed achter zich gelaten had.

De grensrivier de Jordaan was overgestoken
het manna dat hen in de woestijn op de been hield
was niet meer nodig en houdt op te vallen.

Ze kunnen Pasen vieren.
in een nieuw land en dat doen ze ook
een beetje onwennig etend van het vaste voedsel
dat het land oplevert.

Nog meer feest:
De Vader in het evangelieverhaal roept uit, tot tweemaal toe:
‘er moet feest en vrolijkheid zijn.’

Waarom feest?
‘Omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en is gevonden.’

Lucas schetst in zijn gelijkenis een vader,
een God, die spot met al onze moraliserende en patriarchale godsbeelden.

De vader (God dus) ziet zijn kind, ziet mij, ziet u
wij, die allemaal het grote feest niet waard zijn,
van de ene naar de ander blunder gaan
Hij let er niet op, Hij ziet zijn kind,
zijn jongste zoon, u en mij
al van verre aankomen
en Hij wordt door medelijden bewogen en
-zo oud als Hij is,- Hij rent op ons toe
Hij valt zijn kind om de hals en kust het hartelijk.
Hij hoopt er vurig op dat de vroeger verloren zoon
-dat zijn wij dus eigenlijk allemaal- het goede land,
de nieuwe toekomst durven binnentrekken.

Het verhaal, de gelijkenis, vertelt
dat je op de uitnodiging van die God
op twee manieren kunt reageren.
Ik dacht dat wij beide houdingen in ons dragen.
De houding van de oudste zoon die niet mee wil doen
lijkt mij heel herkenbaar:
laten wij toch alles bij het oude houden.
Laten wij toch hard zwoegen en verder gewoon doen.
We weten nu waar we aan toe zijn.
De verhoudingen zijn nu toch zo mooi duidelijk.

Hij heeft volkomen afstand genomen de anderen
die niet zo gauw willen deugen
zo ook van zijn bloedeigen broer.
Hij spreekt zelfs niet meer over ‘zijn broer’,
neen hij zegt tegen zijn vader: ‘die zoon van u.’

We horen het woord van Kaïn
als God hem vraagt waar zijn broer is, meeklinken:
‘ben ik mijn broeders hoeder ?’
Wat heb ik met die zoon van U, Vader, te maken ?
Laat mij, laat ons toch rustig verder leven.
Hij sluit zich op in zijn eigen leventje,
met zijn eigen kleine verdiensten, met zijn eigen vader,
zijn eigen door hem geboetseerde God.

Die houding kan schuilen in ieder van ons:
ik wil geen vernieuwing; ik wil er niet op uit trekken
om werkelijk mijn zuster, mijn broeder te ontmoeten,
laat staan bij mij binnen te halen. En zeker niet
-want dat maakt het gedrag van de vader
voor die oudste zoon helemaal onbegrijpelijk –
als die broeder zo’n verwerpelijk leven leidt:
zijn vermogen heeft verkwist, met slechte vrouwen omgaat
en noem verder al het oude of moderne afwijkende gedrag maar op.
Hij heeft die narigheid toch aan zichzelf te danken?

Maar ik denk dat die jongste zoon die naar een terugkeer
naar de Vader God ook in ons huist.
Hoevelen onder ons verlangen niet naar iemand
die is als een moeder, een vader
die zonder allerlei voorwaarden vooraf
en gemoraliseer zijn armen voor hem opent.
Hoe velen verlangen er niet naar los te komen uit
het verre land van verslaving,
van eenzaamheid, van krampachtigheid, depressie en schuldgevoel.
Verre van ook maar te peinzen over een oordeel
-vertelt het verhaal- kust de vader, God,
de woorden van de lippen van de jongen die zijn hart uitstort.
De oudste zoon, de zwoeger wordt door de vader ook op het feest genodigd
en opgeroepen om de mens van wie hij vervreemd is geraakt,
weer te ontvangen als zijn broeder.

Vandaag vieren wij, die in deze tijd Gods volk mogen zijn,
al een beetje Pasen, halfvasten, laetare.
Ons huis, onze parochiegemeenschap
moet een huis van feest en vrolijkheid worden,
waar het oudste en het jongste kind van de vader welkom zijn.
Steeds opnieuw moeten we de deuren leren open te zetten
opdat iedereen zich hier welkom kan voelen.

Een heel jong kindje zal straks worden binnengebracht
door zijn jonge zeer originele ouders.
Zij mogen met zijn drieën weten
dat waar er twee of drie in Jesus Naam bijeenzijn
Hij zelf in ons midden is om ons te bemoedigen ons onze fouten te vergeven
en het feestmaal van de Eucharistie aan te richten.

Onze vroegere Koningin was hier afgelopen vrijdag
om met de bisschop en vele gasten te vieren
dat de restauratie van de kerk bijna voltooid is.
Maar het belangrijkste moet door ons allen
iedere keer opnieuw weer gedaan worden:
er een huis van geloof, hoop en liefde van maken
opdat Gods werkelijk in ons midden kan wonen.

Hij geeft ons alles in handen:
‘al het mijne is het jouwe’ zei de Vader tegen de knorrige oudste zoon.
Omdat God zoveel van ons houdt kan het op deze zondag Laetare
hier echt een huis van feest en vrolijkheid zijn.
Een huis waar niemand wordt veroordeeld,
waar mensen welkom zijn en vaste grond vinden;
waar ieder -hoe oud of jong,
hoe onopvallend of hoe buitenissig ook -wordt benaderd
als ‘mijn eigen zuster, mijn eigen broeder’.
Dit mooie grote huis is… VAN ONS ALLEMAAL!
God zegt: ‘Al het mijne is het jouwe’.
Laten wij in die feestelijke geest
de dopeling ontvangen en
elkaar straks de vrede van Christus toewensen
en hier vele zondagen hierna
samen opgewekt de liturgie vieren.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

21 februari: Zal het licht winnen?

[print]

2e Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Genesis 15,5-18; De sterren

  • Filippenzen 3; Ons vaderland is de hemel

  • Lucas 9,28-36; Op de Taborberg

Het is in een stad een beetje moeilijk
om de sterren aan de hemel te zien.
Soms wordt ons dat nog wel een gegund
als we op vakantie zijn bijvoorbeeld
in een omgeving waarin nog geen kunstlichtvervuiling is
en waar je ’s nachts als het echt donker is
plotseling overdonderd wordt door de pracht
van ene hemel vol en vol met duizenden en duizenden sterren.
‘Kijk naar de sterren aan de hemel Abraham,
zo talrijk zal jouw nageslacht worden.’
Zo talrijk…
Abraham is verbijsterd
zijn nageslacht bestond tot dan toe uit nul, werkelijk nul personen!
Hij was ooit op weg gegaan uit Oer,
vlak bij Babel omdat hij een stem hoorde uit de hemel:
‘Abraham ik heb jou nodig’
en hij was gegaan. Met zijn vrouw Saraj en zijn neefje Lot
die kennelijk veel bij Abraham en Saraj rondhing..
een lange lange reis.

Het idee van die reis.
Daarin herkennen wij ons als 20e eeuwse gelovigen.
We voelen dat beeld mee: het leven is een reis.

We zijn op weg.
Hier proberen we te geloven
op weg naar een nieuw toekomst.. naar Sjaloom,
naar vrede naar goedheid. Maar zal die er ooit komen?

Het evangelie van Lucas, waaruit we dit hele jaar lezen,
is bij uitstek een reisverhaal.
Lucas beschrijft het hele leven van Jesus als één lange tocht.

Al heel vroeg in zijn evangelie staat vermeld
dat Jesus vastberaden begint aan zijn: ‘opgang naar Jeruzalem’:
Gods vaste woonplaats op aarde.
Het levensverhaal van Jesus is een reisverhaal:
vooruit, en route, op weg!
Jesus gehoorzaamt en gaat op weg
anderen ook: Maria haast zich naar Elisabeth,
de herders haasten zich naar Bethlehem,
Maria en Jozef gaan met Jesus op naar Jeruzalem.
Zelfs na Jesus’ verrijzenis houdt Lucas aan dat reismotief vast.

Jesus loopt met twee van zijn volgelingen mee,
en aan het einde van zijn reisverhaal
worden de leerlingen er op uit gestuurd met de belofte
dat Jesus ‘voor hen uit zal gaan in Galilea’.

Lucas zelf reisde er ook lustig op los,
naar de uiteinde der aarde, met Paulus mee:
hij reisde naar Judea en Samaria, naar Damascus, Fenicië,
Cyprus en de Romeinse provincies van Cilicië,
Galatië, Azië, Achaje, Macedonië en uiteindelijk Rome zelf,
‘het einde -en tegelijk het nieuwe middelpunt- der aarde’.

Het leven is een reis.
En op die reis proberen Jesus’ leerlingen hun meester
-soms met de grootste moeite- te volgen.
Het evangelie van vandaag gaat op het eerste gehoor
over een rustig moment
maar dat is toch niet helemaal waar:

ook op de berg Tabor gaat het over de tocht
beneden door het dal.

Op de berg heeft Jesus
Petrus, Johannes en Jakobus in zijn nabijheid.
En daar doet Jesus iets
wat geen van de andere evangelisten vermeldt:
Jesus begint te bidden.

Hij kan Zijn tocht niet volbrengen
zonder de steun van Zijn Vader, de grote reisgenoot onderweg.
Na dat bidden verschijnen hem Mozes en Elia.

Mannen die van wanten weten.
Mensen die geleefd hebben uit de kracht van de God van Israël
die met mensen meegaat.
De God die ooit al met Abraham meeging,
die hem verbijsterd deed kijken naar al die sterren,
lichten in de verte…

-de God die -zoals wij vandaag hoorden-
als een laaiend vuur tussen de stukken vlees
op de offerstenen voorbijging.

-De God die het gelaat van Mozes deed stralen
zodat de mensen hem niet durfden aan te zien
voordat hij voorganger mocht zijn van God volk

-de God die als een laaiend vuur Elia hielp
toen hij op de berg Karmel zijn naam in ere hiel
en het volk daarna weer de goede kant op gidste.

Als enige evangelist vertelt Lucas ook
waarover de drie daar op de berg spraken..
nl. over ‘Jesus’ heengaan
dat Hij in Jeruzalem zal voltrekken.
Letterlijk staat er ‘Jesus’ uittocht in Jeruzalem,
Jesus’ Exodus.
Zijn uittocht die Hij zal voltrekken
uit het oude land naar een nieuwe wereld.

Een uittocht van een zieke naar een gezonde wereld,
vanuit het donker naar het licht.

De leerlingen worden uitgenodigd
die Uittocht mee te maken.

En om ze de kracht te geven te volharden
wordt hun hier al een glimp gegund
van het licht van de Paasmorgen
dat uiteindelijk zal stralen in ons midden.

Een Afrikaanse missionaris uit Zuid Afrika
beschrijft hoe de straatjongens in Johannesburg vertelden
hoe ze dagen lang, soms weken lang gelopen hadden
op weg naar de lichten van de stad.

De eerste dagen als het licht nog ver was
bemoedigden zij elkaar door verhalen over dat licht in de stad.
Tot ze op een goede dag de verhalen over dat licht
niet meer nodig hadden omdat ze aan de horizon
een licht zagen
dat niet langer kwam van de maan of van de sterren
maar dat het donkere oranje-achtige licht was,
dat als een halve ballon over iedere stad van de wereld hangt.
Dat was het licht dat hen aantrok: de grote stad!
Een licht waarheen ook nu nog miljoenen vluchtelingen
die hun heil zoeken in de grote wereldsteden op weg zijn.
Voor hen het licht van een nieuwe wereld.
Maar of ze dat daar zullen vinden?
Volgens Lucas zijn we allemaal op weg
naar een nog beter licht naar een nieuwe betere stad:
Gods lichtende definitieve aanwezigheid in ons midden.
Het licht van deze ene mens die in glans verscheen op de Tabor
bereidt ons daar op voor.

Hij is in glans verschenen,
een moment op de top van de berg,
daarna is Hij zijn weg gegaan.

Hoe zwaar was de tocht, hoe bitter zijn lijden,
hoe bitter de pijn die Hij in Jeruzalem moest verdragen
maar deze Exodus,
Zijn Exodus was de bevrijdings-reis bij uitstek,
de weg naar Pasen: Gods belofte van een nieuwe toekomst van licht!

Als wij Hem durven volgen
zal het donker ons niet kunnen deren.
Hij is het ware licht dat iedere mens verlichten wil
die komt in deze wereld.
Als wij naar zijn stem durven horen
en ons op onze levensweg willen laten bijlichten door zijn woord
zullen wij Zijn licht in de paasnacht
aan elkaar kunnen doorgeven en samen nieuwe mensen worden.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

14 februari: Je opdracht ligt voor je

[print]

1e Zondag Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Deuteronomium 26,1-10

  • Romeinen 10,8-13; Het woord is dichtbij

  • Lucas 4,1-13

Het klassieke joodse gebed,
het kerngebed dat iedere jood kent
begint met de woorden ‘HOOR ISRAËL’.
In de synagoge gaat iedereen als die woorden klinken, staan
(zoals bij ons bij het evangelie)
opdat iedereen beseffen kan:
Het gaat om mij:
mijn volk wordt aangesproken,
IK wordt aangesproken..
hopelijk doe ik mee.

Het gaat, beste parochianen, in synagoge moskee en kerk
altijd om jou zelf.

– Iedere generatie opnieuw
zal zich moeten bezinning op zijn eigen taak,
– iedere mens zal zich steeds weer opnieuw moeten bezinnen
op het doel van zijn eigen bestaan.

En om daarbij geholpen te worden
zijn er de veertig dagen die we nu meemaken samen:
dagen van bezinning en ernst,
voorbereiding op Pasen,
de opstanding van de Heer
maar ook op het opstaan van
ieder van ons, van u en van mij
zodat we weer kunnen zeggen:
hier sta ik, ik ben beschikbaar
ik wil er zijn voor U Heer
en voor allen die U op mijn levensweg brengt.

We lazen vandaag uit het belangrijkste boek
van het eerste testament, het boek Deuteronomium.
U zou het eens moeten nalezen thuis.

Het is het boek bij uitstek over
de roeping van de mens persoonlijk.
Om die te kunnen kennen
moet je tevoren enkele dingen weten.

Het boek Deuteronomium speelt nog in de woestijn
waarin de woorden van God klinken
maar er is al land in zicht
want ze zijn aan het einde van hun reis
en moeten de rivier de Jordaan over.

Voor ze dat doen scherpt Mozes zijn mensen
nog één keer in waar alles nu om draait.

Besef TEN EERSTE dat je het feit dat je hier staat
aan je God te danken hebt
die je bevrijd heeft uit het duffe bestaan van alle dag
-uit Egypte noemt de Bijbel dat ook-
en jou geroepen heeft om mee te doen met Hem.

En weet TEN TWEEDE
Je hoeft niet meer ver te gaan zoeken
de woorden die God sprak hebben geklonken op de Sinaï,
nu is het wachten op mensen die antwoord geven:
alles hangt nu van jou van zelf af:
wil jij zo’n mens te zijn?

En TEN DERDE:
je zult niet te hoog van de toren moeten blazen.
Dat hoorden we vertellen in de geloofsbelijdenis
die tot ons kwam in de eerste lezing.

Ieder mens is maar gewoon een mens, een zoeker, een zwerver.
‘Mijn Vader was een zwervende Arameeër’
en zelf ben ik ook een zwervende, zoekende, onzekere mens.

Maar mijn leven heeft zin
want Hij roept mij… Hij heeft mij nodig.

Alle evangelisten zijn het er over eens dat Jesus Messias,
als Hij in de rivier de Jordaan, de grensrivier, heeft gestaan
om zich door Johannes te laten dopen …
terug moet naar de woestijn… waar vanuit Mozes
stond te kijken naar het nieuwe land.
Jesus ging naar de woestijn, neen niet om daar
een rustige retraite te houden, maar om opnieuw
verbonden te worden met de God van Israël
die zijn volk in de woestijn tot trouw heeft geroepen.

Iedere generatie opnieuw
zal -zeiden we immers- de oude woorden
van de tien geboden die daar geklonken hebben
opnieuw moeten horen. En dat gold ook voor Jesus.

En we volgen Hem op de eerste zondag van de vasten naar die woestijn.
En we horen spreken over onze Messias
die, net als wij vragen heeft
en die, net als wij,
met alle bekoringen waar wij mensen maar al te gemakkelijk
in kunnen vervallen, te maken krijgt.

Een verhaal om serieus te nemen en niet om direct al te zeggen…
o, ja dat kan Hij wel aan. Onze Heer is mens met de mensen,
dat betekent dat de beproevingen van Hem ernstige beproevingen zijn.

Er worden er drie genoemd.

DE EERSTE is de bekoring van het egoisme
‘Maak van deze stenen brood en eet… alleen’.

Het is de bekoring om gewoon maar te vergeten
hoe het met andere mensen is.
Dat bijv. de arme mensen van de sloppenwijken van Calcutta
aan Amerikaanse handelaren voor een klein prijsje één hun nieren verkopen,
je hebt immers aan één nier genoeg.

De mens die dat vergeet heeft rust:
hij heeft geen last van de anderen,
hoe komt er gewoon niet toe
om te delen en te breken.

DE TWEEDE bekoring is de bekoring van de macht.
‘Kies voor de bestaande orde,
betoon je respect aan degenen die nu de macht hebben’
is de bekoring die in Jesus’ tweede beproeving aan de orde is.
‘Alles is van jou als je neervalt en mij aanbidt.’

Je doet dan afstand van iedere kritische zin
in je relatie tot het wereldgebeuren.

Jesus laat zich geen zand in de ogen strooien,
Hij zal niet buigen voor de bestaande machtsstructuren
zoals Satan die graag in stand houdt:
Hij zal zijn trawant niet worden.

Hij zal niet vanaf een positie ver boven anderen
op ze neer kijken maar juist afdalen naar beneden
en daar zijn weg gaan van solidariteit en trouw
langs de kleinen en de minsten.

DE DERDE bekoring
vindt volgens Lucas in Jeruzalem plaats. Bij de tempel, bij het heiligdom.

Nu komt onze manier van omgaan met God aan de orde.
Wat betekent onze band met Hem, die alle eer verdient, werkelijk.

‘Werp u vanaf deze plaats naar beneden’
raadt de tegenspeler aan.
‘Er staat immers geschreven:
-in de psalm die net als tussen-zang heeft geklonken-
‘aan Zijn engelen zal Hij omtrent u het bevel geven
u te beschermen.’

Maar Jesus wil de Schrift niet misbruiken.

Gaan met God en opgaan naar Jeruzalem houdt iets anders in
dan je blind storten in de armen van de Eeuwige.

De ware opgang naar Jeruzalem zal
betekenen dat Hij de juiste weg zal volgen
die door Hem gegaan moet worden.

Een weg van dienst,
een weg van ‘je leven verliezen om het te vinden,’
een weg langs de mensen beneden.

Jesus heeft de Satan weerstaan
en gekozen voor trouw aan Gods opdrachten
aan zijn Tora.
Jesus heeft de Tora, de Wet van Mozes,
van Genesis 1 tot en met Deuteronomium 34 goed verstaan:
Het verhaal van Abrahams roeping,
van de Uittocht uit Egypte,
van de leer-tocht door de woestijn vanaf de Sinaï-berg

is Zijn verhaal geworden.

Hij heeft gestaan waar Mozes stond aan de jordaan.
Hij nam zonder aarzelen de goede woorden in de mond:

‘de mens leeft niet van brood alleen.’

‘De Enige, uw God, zult Gij aanbidden
en Hem alleen dienen.’
en
‘Gij zult de Enige uw God, niet op de proef stellen.’

Het Paasfeest ligt in het verschiet,
Jeruzalem ligt aan den einder.

Jesus zal zijn opgang naar het heiligdom volbrengen,
Hij zal de berg opgaan van Golgotha
en het offer aller offers volbrengen.

De andere evangelisten vertellen ons
dat Jesus na de drie beproevingen
door de engelen wordt gediend. Lucas laat dat weg,
zijn evangelie eindigt een beetje dreigend:
‘de satan ging van hem heen
tot de vastgestelde tijd.’

Wanneer zal dat zijn?

Ik denk dat het slaat op Jesus’ strijd in de hof van olijven.
Nog eenmaal is er de angst en de twijfel:
‘Vader als het mogelijk is laat
dan deze kelk aan mij voorbijgaan.’
En misschien ook later nog een keer
als Hij hangt aan het kruis
en vertwijfeld en wanhopig uitroept:
‘God mijn God, waarom hebt U mij verlaten.’

Pas als Hij zijn moeilijke, goede weg gegaan is
tot het allerlaatste toe
komen de engelen waar de duivel over spreekt aanzetten.
Op Pasen, de dag van de bekroning van Jesus’ leven.

Pas dan mag Jesus zich laten vallen
in de armen van de engelen van de levende God.
Pas dan mogen de engelen komen
om hem te dienen en tot koning te kronen.

De gewone Christen die zijn eigen kleine weg gaat
zal, net als zijn meester
ook de weg door de woestijn moeten gaan.

Hij zal zo pijnlijk ervaren dat hij inderdaad
maar een arme zwerver is die bevrijding nodig heeft.

En daar staat hij dan,
daar staan wij dan.
Hulpeloos, weerloos, onzeker, aarzelend.
Maar dan komt er hulp aangesneld:
want de boodschap van het evangelie is:
hoe hulpelozer wij staan in onze tijd
hoe beter dezelfde God die ook Jesus trouw was
ons tegemoet kan treden
hoe dichter Hij ons kan naderen,
en hoe intenser Hij onze God kan zijn
die ons leven vervult.

En Hij heeft zijn eigen Zoon uitgezonden
om met ons mee te wandelen, van dag tot dag.

Hij zal onze gids zijn
bij onze eerste aarzelende stapjes in dit bestaan
als wij in zijn naam gedoopt worden
tot de laatste stap die wij overschrijden zullen
als wij sterven.

En antwoorden wij ieder in ons hart:
Hier ben ik, ik ben tot uw dienst.
Hij zegt: ‘Je opdracht ligt voor je, ga aan de gang!’

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

7 februari: Je kunt nieuw worden

[print]

5e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 6,1-8; De profeet geroepen

  • Lucas 5,1-11; Vissen en preken

Woorden… kunnen een wereld van verschil maken.
Wat mensen tegen je zeggen
kan heel je leven veranderen.
Wat zal dat dan niet zijn als God zelf spreekt?

Jesaja maakte dat mee..
‘Ik zag en hoorde de Heer,
het geschiedde in het sterfjaar van koning Oezziahoe’
Het noemen van dat sterfjaar van koning Oezziahoe
is niet alleen maar een tijdsaanduiding.
Het is bedoeld als de aanduiding dat een oud régime
dat mensen ringeloort en klein maakt
op zijn einde loopt.
(vgl. het ‘in de dagen van keizer Augustus’ of
‘in de dagen van koning Herodes’ zoals wij dat in de kerstdagen hoorden).

Het wil zoveel zeggen als
Oezziahoe’s macht is definitief ten einde.
Hij was een slechte koning-
en als de koning dood is klinkt in de tempel
‘leve de echte Koning’ leve de God der hemelse machten’.

De drempels schudden, alles beeft, de engelen zingen:
Jesaja schrikt er van-
(maar het is wel eens goed voor een kerk
als alles lekker door elkaar wordt geschud)
‘Heilig, Heilig, Heilig,’
de zang die nog steeds in onze liturgie klinkt
Het Sanctus is geboren…
is de dood van Oezziahoe toch ergens goed voor!

Jesaja ziet de Heer, hoort de stem van de engelen
die Hem omringen en voelt het schudden van de drempels,
hij ruikt de rook die het heiligdom heeft gevuld.

De jongen Jesaja, de latere profeet siddert van angst…
hij wordt geroepen. Hij zal mee moeten doen
aan de verkondiging van de ware koninklijke macht van de God van Israël.

En dan roept hij uit: ‘Wee mij, ik ben verloren,
want ik ben een mens met onreine lippen
en woon temidden van een volk met onreine lippen.

Alsof hij zeggen wil:
‘dit wat ik hier ervaar gaat mij ver te boven,
ik ben maar een gewoon mens,
ik ben niet beter dan andere mensen,
hoe zou ik betrokken kunnen raken bij God?

Wie ben ik dat Hij mij zou aanspreken?’

Om hem te helpen gebeurt er iets van goddelijke zijde,
één van de engelen komt tot vlak bij Jesaja,
raakt zijn lippen aan met een gloeiende kool
terwijl hij sprak: ‘Hiermee zijn je lippen aangeraakt,
en je zonde is verdwenen.’

En diep onder de indruk van dit gebaar
verdwijnt de angst en de twijfel van Jesaja
als sneeuw voor de zon
en roept hij als de Heer vraagt:
‘wien zal ik zenden?’.. ‘Hier ben ik Heer, zend mij.’

Jesaja zal luisteraars verzamelen
die zijn woorden zullen optekenen opdat mensen eeuwen later
-en dat wij zij- ze nog zullen horen.
Zijn oproepen tot trouw aan Gods woord
tot bekering en zijn grootse visioenen
over de vrede en Gods nieuwe toekomst
die we dit jaar met Kerstmis weer hoorden
en iedere keer weer, tot aan de dag van vandaag, mensen ontroeren.

II.
Eeuwen na Jesaja zullen mensen hun oren spitsen
als Jesus van Nazareth aan het verkondigen slaat
Nog voor Hij zijn apostelen bij name gaat roepen
is Jesus al op zoek naar mensen,
naar zoveel mogelijk mensen,
mannen en vrouwen.
Jesus wil veel mensen verzamelen
omdat de vervulling van de oude dromen
van vrede en recht nu voor de deur staat:
een vervulling die afhangt van de trouw en de inzet,
van de volharding vooral en de moed
die mensen dan zullen kunnen opbrengen.
Jesus wil mensen verzamelen, veel mensen verzamelen
er zijn er veel nodig.

Als hij dreigt in de menigte verdrongen te worden
stapt hij in een bootje dat aan de oever ligt vastgemeerd:
‘Steek een eindje van wal’ zegt hij tot de verbaasde vissers
die later zijn belangrijkste leerlingen zullen worden.
En hij spreekt de mensen toe vanuit dit schip.

En vanuit dit schip waaruit Jesus de mensen toespreekt
worden, op Jesus’ woord, de netten uitgeworpen:
het net wordt vol.
‘De zaal moet vol worden’ lezen we elders in het evangelie,
als Jesus spreekt over de bruiloft van het Koninkrijk.
Het net moet scheuren;
De apostelen zullen na het teken van de wonderbare visvangst
op weg moeten gaan om mensen, zoveel mogelijk mensen
uit het doodsgebied weg te halen en te leiden naar het leven.

III. Jesaja beefde toen hij geroepen werd.
Petrus en alle anderen die zichzelf kennen
zullen dat later ook doen.
Namens hen, en ook alvast namens Petrus zei hij
‘Ik ben een zondig mens, stuur liever een ander’
maar de Heer is onverbiddelijk: ‘ik heb jou nodig.

Niet omdat jij Jesaja, Petrus, of jij
-en vult u dan uw eigen naam maar in- zo geweldig bent
maar omdat Ik helpers nodig heb
om mensen te verzamelen van overal vandaan,
opdat er recht gedaan wordt aan de arme
de bevrijding van de verdrukten werkelijkheid wordt,
bedroefden worden getroost, mensen op de been geholpen
en mensen die het niet meer niet zien zitten
weer uitzicht krijgen.
IV. God verzamelt nog steeds mensen die mogen verkondigen
dat Zijn nieuwe toekomst al begonnen is,
in hun eigen levensdagen. En dat doet Hij ook vandaag.

Als kerk van het westen moeten wij een beetje aan wennen
dat de kerken in Afrika en Azië zich zo stormachtig hebben uitgebreid.

Wij worden geroepen met hen en met alle anderen van goede wil
samen kerk te zijn,
om samen gevangen te worden,
omhooggetild uit het donkere water van de dood.

Als gelovigen zullen we nooit mogen wanhopen
al denken we dan dat we met weinigen zijn
maar dat kon wel eens meevallen.
Met alle mensen van goede wil, hier en nu
en in ons eigen land zullen wij in gesprek moeten gaan.
Wij zullen er nooit naar moeten streven
een kleine elitekerk te worden van volmaakte gelovigen
maar een geloofsgemeenschap van gewone mensen
die het allemaal ook niet zo zeker weten
en die samen willen werken met anderen.
(goed dat de Groenmarkt dat doet met Stem in de Stad, met de moslims e.a)
In onze Antonius-Bavoparochie hebben wij daarom als pastoraal model
de gastvrijheid: de kerk moet uitnodigend zijn.

En daarom gebeurt er hier ook van alles.
Eerste communicanten hebt u al weer gesignaleerd.
Ouders en kinderen die er samen weer voor gaan.
Voorbereiding voor het vormsel is al lang weer van start gegaan
neen geen horden maar er zijn weer ouders en kinderen
die er voor gaan en zij zullen merken dat ze niet de enigen zijn want
vlak na Pasen komen ze weer van heel ons bisdom
en dan zijn ze plots met zijn 1500, een hele troost
voor de kleine groepjes in de afzonderlijke parochies.
Gastvrij willen wij zijn ook naar binnen toe:
ouders zijn welkom met hun kleine kinderen
die ze gedoopt willen hebben,
mensen met hun verdriet kunnen hier terecht.
Voor kinderen is er in deze kerk een eigen aandacht,
ze hebben eigen activiteiten.
De Jongeren hebben in deze kerk een eigen inbreng
altijd nieuwe mensen komen aanzetten
en hebben allerlei plannen om vooral veel te gaan doen.
Bruidsparen zijn zich ijverig aan het voorbereiden.

God heeft ons nodig als een teken in de wereld
om te kiezen voor het leven:
om er te zijn voor anderen.
Goed om samen kerk zijn

En dan is iedereen belangrijk,
ook u die haar vandaag luistert, meeviert of meezingt.
En als ook vandaag weer Zijn vraag klinkt,
als eens aan Jesaja gesteld:
‘wie zal ik zenden’
zeggen we dan in ons eigen hart:
‘zend mij, zend ons,
ik ben, wij zijn beschikbaar’.

De verhalen van deze zondag gaan over wankelen
en toch op weg durven gaan.
Mensen die bemoedigd werden
en iets gingen doen waarvan ze eerst niet wisten
dat ze het zouden kunnen.

De vorige week hebben wij de Blasiuszegen gekregen.
Een mooi gebeuren omdat de enige keer in het jaar is dat alle mensen
die in de kerk zijn persoonlijk de zegen kunnen ontvangen.
Opdat wij allen op onze eigen en unieke levensweg
een beetje kracht en bemoediging mogen ontvangen.
Een woord, tot óns gesproken,
een duwtje in de goede richting,
opdat we mogen gaan de weg waar wij in geloven.
Een gebaar van liefde, de liefde van God,
die ons wil dragen op onze eigen weg.

We sluiten ons aan bij Ramses Shaffy die in een van zijn liedjes zingt:
‘we zullen doorgaan, we zullen doorgaan…’

En als het moeilijk blijkt
troost ons het prachtige verhaal over de roeping van de apostelen
die over diepe wateren moesten varen.
Diep is eng…. staat er niet in de psalmen:
‘uit de diepte roep ik tot u…’
maar Jesus zegt: ‘steek maar rustig van wal
ook naar de diepten toe.’
Hij zegt tegen alle geroepenen, wie ze ook zijn:
‘wees niet bang, Ik ga met je mee
wees niet bang: ik red je
zelfs uit de dood.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor