• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

6 december: Gezegend ben je

[print]

Tweede Zondag van de Advent

Schriftlezingen:

  • Baruch 5, 1-9; God brengt thuis

  • Lucas 3, 1-6; Het woord geschiedde!

Iedere viering eindigt met een zegenwens:
wij gaan er voor staan: en gezegend verlaten wij de kerk.
Na alle woorden uit de Schrift,
de verkondiging, de liederen en de gebeden
worden we opgeroepen om in de dagen die komen
alle woorden te gaan doen.
En we kunnen het ook, omdat God ons niet loslaat.
Hij-Zij behoedt ons op onze weg door het leven.

De zegen is een belangrijk moment van de Eucharistieviering.
In de bijbel en als gevolg daarvan in onze liturgie wordt veel gezegend.
Zegenen van mensen betekent: goede woorden tot hen zeggen,
omdat ze met goede dingen bezig zijn en, gesterkt en gestimuleerd
door de zegen, nog meer goede dingen zullen doen.

Huub Oosterhuis zegt: ‘Gezegend de barmhartigen
en zij die open en lief zijn, met wie het goed omgaan is.
Gezegend zij die elkaar bewaren, troosten, voorthelpen, verdragen.’

Gezegend word je niet zo maar
iemand die gezegend wordt is een geroepene.
De profeet uit wiens boek wij vandaag lazen heet BARUCH
dat betekent: de gezegende.
Hij herinnert ons aan onze opdracht
die wij iedere keer als wij gezegend zijn gaan doen.

Gods Wet beter leefregels- zijn geen woorden die kleineren,
maar als je ernaar leeft, zullen ze je het leven geven.
Doe je dat niet? Dan vind je de dood.
Dus: bekeer je, keer je om en je zult leven.

‘Hoor, Israël, hoor, de Levende is onze God, de Levende is de enige!’
Als je die God volgt, als je zijn leefregels doet,
dan word je een rechtvaardige van wie men bij de dood of leven
opnieuw met de woorden van Oosterhuis zegt:

‘Gezegend die weet
wat recht en slecht is
en die trefzeker kiest
en niet wijkt, voor geen macht
en niet vreest, voor geen mens!’

Dan word je een gezegende, een Baruch of in het Latijn een Benedictus.
Onze Benedictuszang gaat daar ook over:
gezegend die komt in de naam van de levende!
Dat gaat vooral over Jesus maar als wij ons bij Hem aansluiten
ook over ons: Benedictus qui venit, een beetje vrij vertaald:
‘gezegend die er aan komt om met Hem samen
te gaan doen wat God wil.’

II. Een indrukwekkend gezelschap
paradeert vandaag langs in het evangelie.

Toch is het een beetje een enge club:
Het land Israël is bezet door vreemde troepen.
Een corrupte dictator, keizer Tiberius, regeert met harde hand.
Het Romeinse bezettingsleger staat onder commando
van een gefrustreerde legercommandant Pontius Pilatus.
De plaatselijke collaborerende marionet is Herodes.
De verraderlijke en onbetrouwbare godsdienstige leiders
heten Annas en Kajafas.
De onderdrukte bevolking betaalt hoge belastingen

Al die belangrijke figuren die vandaag even oprijzen
hebben als hun indrukwekkend klinkende namen en titels worden genoemd
hebben maar één functie, want het gaat in dit hele verhaal juist niet om hen
maar om iemand anders:
zij vormen slechts een decor voor wat volgt:

… TOEN GESCHIEDDE HET WOORD VAN GOD!!
Daar gaat het om!
Er is in de geschiedenis van de mensen iets anders gaande,
dwars door alles wat de groten der aarde allemaal organiseren.
Vertaald naar onze tijd zouden wij zeggen:
‘in de zorgvolle dagen van december 2015
terwijl de machthebbers elkaars vliegtuigen uit de lucht schieten,
en fanatiekelingen hun waanideeën met geweld en aanslagen doordrukken..’
maar dan gaat de bijbelschrijver gauw ergens anders heen
Het gaat in de Bijbel altijd om iets anders en om iemand anders;
het gaat in de Bijbel altijd om het Koninkrijk van God
en om de mens als individu die geroepen wordt
daar aan deel te nemen.

De fanatiekelingen en machtspolitici
moeten dan een stap opzij of misschien zelfs weggeveegd worden
omdat ze met hun machtspolitiek
de geschiedenis van God met de mensen blokkeren.

Maria had het al gezongen in haar Magnificat
(de lofzang die zij bij Elisabeth zong):
‘De trotsen stoot Hij van hun tronen,
hij verheft de geringen.’

Dat is de bedoeling van God:
de kleinen moet worden recht gedaan,
God wil Zijn eigen geschiedenis op aarde
een nieuwe begin zal aanbreken.

Het evangelie van vandaag spreekt daarover.
in die wereld van bedreigende en bedriegende belangrijkheid
‘geschiedt het woord’ tot Johannes in de woestijn.
Hij, God wil binnenbreken in ons gewone bestaan
en Johannes is daar de getuige van.

Johannes stond in de traditie van de oude profeten
Zoals Baruch uit wie we vandaag lazen:
‘jullie zullen een nieuw volk worden:
recht en gerechtigheid zullen jullie heten.

Er was Johannes in die woestijn iets overkomen.
Hij was die eenzaamheid ingetrokken om God te vinden
en om aan de wereld te ontsnappen.
Hij had God gevonden,
of beter misschien: God had hem gevonden.
Het woord van God was over hem gekomen.
Niet alleen dat woord, maar ook iets anders.
Dat andere waar de profeet Baruch het over heeft in de eerste lezing:
de barmhartigheid en liefde van een God
die ons tot onszelf wil brengen
en die ons de naam Vrede door gerechtigheid wil geven.

Die grote woorden worden pas werkelijkheid
als de mensen zullen vragen:
‘hoe kan ik zelf meedoen met dat grote, nieuwe plan van God?’
Johannes is vandaag vooral
de verkondiger van het geheim van de OMMEKEER.
Niemand is volmaakt, niemand heeft de waarheid alleen in pacht:
Wie zonder zonde is werpe de eerste steen.
Maar allemaal kunnen wij ons leven richten naar het licht.

Allemaal kunnen wij nieuw worden.
En door die innerlijke (èn uiterlijke) vernieuwing
zal de oude mens in ons verdwijnen.

Een vrome joodse schrijver zegt:
‘Het grootste geheim van mensen is
niet dat ze zo goed zijn –want dat zijn ze niet
niet dat ze zo sterk zijn –want dat zijn ze niet
niet dat ze alles kunnen –want dan kunnen ze niet.
Het grootste geheim van mensen is
dat ze kunnen veranderen.
Groot is het belang van de ommekeer
want zij brengt de bevrijding naderbij.’

Zo is er hoop. Maar nuchter gaat hij verder:
‘Één mensenkind alleen is echter niet in staat
om de bevrijding van heel de wereld tot stand te brengen.
Ook twee mensenkinderen zijn daartoe niet in staat.
Pas de omkeer van elk mens is genoeg.
Pas dan kan het rijk Gods komen,
ja dan is de Messias daar.’

De ommekeer van u, van mij persoonlijk
Dat is geen onmogelijke opdracht:

GOD TREKT ONS NAAR ZICH TOE!!!
Dat geldt voor mensen die zichzelf laten dopen
die hun kinderen laten dopen,
die trouwen, die gewijd worden tot diaken of priester
maar het geldt vooral voor ieder van ons, op onze eigen plek
waar wij gezegend worden,
geroepen er te zijn voor wie ons nodig hebben.
God zegene ons allen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

29 november: Geen paniek!

[print]

Eerste Zondag van de Advent

Schriftlezingen:

  • Jeremia 33,14-16; Jeruzalem nieuw

  • Lucas 21,25-36; Heft uw hoofden op

We zullen het weer gaan meemaken na deze week:
zo gauw de Sint zijn hielen gelicht heeft
worden in Haarlem, de gezelligste winkelstad van Nederland,
de etalages allemaal omgebouwd.
De baard van Sint wordt door engelenhaar vervangen:
de in goudpapier verpakte lege etalagepakjes van de Sint
worden vervangen door dennengroen
en de Sint zelf wordt omgebouwd tot kerstman.

Men heeft er buiten dit kerkgebouw geen vermoeden van
hoe heilzaam het is, om nog zonder dennengroen en engelenhaar,
sober deze vier weken lang, rustig Advent te vieren.
Hier krijgen we nog de tijd om zonder premature kerstsfeer
ons echt voor te bereiden op de dingen die komen gaan
en te leren hoe wij het nieuwe burgerlijke jaar 2016
goed gevormd in te gaan.

Advent is de tijd van bezorgdheid en waakzaamheid
altijd beseffende dat het op deze wereld toch nog iets worden kan.
Advent is de tijd van de verwachting.
Een levenshouding waarin de kinderen ons in deze dagen voorgaan:
vol verwachting klopt ons hart!
Wij leven als gelovigen samen in verwachting:
in de grote verwachting
de verwachting van GODS NIEUWE TOEKOMST.

Als je naar deze wereld kijkt,
dan kun je twee dingen doen.
Je wendt je ogen af, je sluit je af, je droomt weg… je vlucht
of je blijft kijken
en je probeert te begrijpen wat je ziet,
je vraagt jezelf af waarom gebeurt wat er gebeurt.

Je wilt het weten want deze wereld is jouw zaak;
of je wilt het niet weten
want deze wereld is jouw zaak niet..
Wij praten wel veel over de toekomst van onze wereld
maar helaas … al te veel als toeschouwers,
als buitenstaanders…

En als buitenstaanders vormen wij dan ook vaak
een kritisch sikkeneurig publiek.

We zeggen bijvoorbeeld:
het gaat steeds slechter of ‘het zal mijn tijd wel uitduren.’

De profeet Jeremia wijst ons
op de kracht van het woord van God
DAT WERKELIJKHEID WORDT.

Het zijn niet zomaar beloftes
maar toezeggingen vanwege de Schepper van hemel en aarde!

Maar vertelt het evangelie ons niet erg eng
over rampen en akeligheid?
Omdat we allemaal graag paniek-journalisten zijn
valt ons dat extra op en kijken we speciaal naar de griezelige details.

Maar de evangelist Lucas zou krachtig protesteren:
“ik wil helemaal niet over die rampen praten
maar juist over het nieuwe
dat er dwars door alle ellende heen doorbreekt.
Hef je hoofd omhoog
(ik denk er altijd bij ‘Sammie’)
want je redding nadert: er is hoop!”

Nog even nadenkend over
de rampen die het evangelie van deze zondag ons voorhield.
Het zijn geen angstvisioenen
om mensen de stuipen op het lijf te jagen.
Evenmin zijn het voorspellingen
waarmee je onder het motto ‘de bijbel heeft toch gelijk’
anderen kunt bestoken.
Of invuloefeningen à la de raadselspreuken van Nostradamus.

Hier wordt allereerst nagedacht over een historisch, gebeuren:
de rampzalige verwoesting van Jeruzalem
door de Romeinse cohorten in het jaar 70,
de ondergang van de Joodse staat
en de verstrooiing van Israël onder de volken
het begin van de martelgang die uiteindelijk
naar de ghetto’s en de vernietigingskampen zou leiden.

De evangelies zijn geschreven even voor of kort na dit gebeuren
en, net nog steeds bezig zijn met de ramp van de 2e wereldoorlog
zo worden de lezers van het evangelie
ook nog even herinnerd aan die catastrofe
en de latere lezer vult dat aan
met alle gruwelen die hij zelf heeft meegemaakt.

Maar een aandachtig lezer en theoloog merkte op
dat precies op de helft van deze tekst, een omslag plaats vindt.
Het ondergangs-scenario wordt visioen van een nieuwe toekomst.

Na de zevende regel waarin geschreven staat
hoe de grondvesten van het heelal zullen wankelen lezen wij:
‘dan zal er groot licht zijn
en zullen zij de mensenzoon zien komend op de wolken’.

Ik citeer de theoloog (Schillebeeckx) nu even:
‘Zoals de God van Israël
-de God-bevrijder van de Uittocht, de uit-redding-
als een kolom van wolken voor het volk uitging
en als een vuur zijn mensen bijlichtte in de nacht:
zo zal de Mensenzoon komen
op een kolom van wolken, met macht en groot licht,
de mens zoals hij zijn moet: de nieuwe Adam.’

‘Waakt over jezelf’ eindigt de tekst van vandaag,
‘zodat je hart niet vadsig wordt van het drinken en het eten.

Deze wereld
-wil Jesus middels de evangelist zijn hoorders leren- is jouw zaak,
wat hier geschiedt heeft met jou te maken.

Alle leed dat er geleden wordt,
iedere smartenkreet die klinkt
is er om jou wakker te maken opdat je ziet wat er gebeurt,
opdat je ontmaskert wat er fout is hier
en optreedt, handelt, kiest.

‘Word ook niet onderhorig aan bezit’.
De bezitlozen hebben niets en je zou denken
dat die de hele dag aan niets anders denken
maar dat is niet waar. Ze gaan ons voor in levenskunst,
en roepen ons op om eerlijk te delen.

Advent is de tijd van de actie van Solidaridad
voor Zuid Amerika, van meer aandacht voor elkaar
van zoeken naar de dingen die voor jou persoonlijk belangrijk zijn
van opnieuw beginnen:
bezorgd over de dingen die fout zijn
maar wakker zoekend naar mogelijkheden om
de situatie op deze wereld te verbeteren.

Als je bezorgd maar vooral tegelijk wakker bent
ben je in staat te ontkomen
aan alles wat er gebeuren zal
en aan de vernietigende werking, de doodsmacht van de feiten.
Je zult dan niet meer meeschamperen met allen
die de mens wel door hebben
maar, oog in oog met het visioen van de nieuwe mens,
rechtop staan en stand houden.
Dan zul je ook niet meer spreken over het ‘einde der wereld’
maar over de ‘voleinding’, de voltooiing
ofwel het begin van het koninkrijk der hemelen
dat nu nog verborgen is
maar door zal breken als wij er voor durven kiezen.
Dat wij allemaal van de partij mogen zijn!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

22 november: Een uniek koningschap

[print]

Christus Koning

Schriftlezingen:

  • Daniël 7,13-14

  • Apokalyps 1,5-8

  • Johannes 18,33-37

‘In die tijd riep Pilatus Jesus bij zich
en zei tot Hem: ‘zijt gij de koning der joden?’
Pilatus weet als hij dat vraagt waar hij het over heeft.
De invloed van Jesus op de gewone mensen in Israël
is voor Pilatus en zijn keizer zeer bedreigend.

Het is bekend dat de evangelisten de Romeinse Pilatus
doorgaans sparen ….. waarschijnlijk uit angst
voor Romeinse represailles tegen de jonge christengemeenten.
Maar Pilatus deugde van geen kanten..
hij was een ordinaire machtswellusteling
en heeft honderden mensen laten vermoorden
bijvoorbeeld toen ze een keer op zijn buitenverblijf
in Caesarea afkwamen om te vragen
of de bronzen Romeinse adelaars van de tempelpoort gehaald mochten worden.
Hij heeft ze allemaal laten afslachten toen.

Pilatus ons bekend als ‘handenwasser’ en aarzelaar
was in werkelijkheid een bloeddorstig tiran, zeer trouw handlanger van de keizer
en de vertegenwoordiger van een onderdrukkend systeem
en hij zal dan ook alles doen om dat te redden.

Pilatus de corrupte machthebber, de moordenaar
wordt in onze geloofsbelijdenis genoemd.
Niet alleen om te weten in wat voor tijd Jesus stierf
maar vooral om te horen DOOR WIENS HAND Jesus stierf.
Hij (Pilatus) was de hoofdverantwoordelijke
voor de moord op Jesus.
Zijn oordeel is het dat Jesus’ dood heeft betekend,
zijn soldaten waren het die Jesus bespotten,
zijn soldaten dobbelden om Jesus’ kleren en
zijn soldaten sloegen Jesus aan het kruis.

Pilatus is de vertegenwoordiger van de keizer
met alles waar die voor staat.

Pilatus maakt listig gebruik van enkele
met de Romeinen collaborerende joden
uit de laagste en de hoogste klassen.
Er is maar één macht die erkend mag worden
en dat is die van de keizer.
Jesus’ invloed op de gewone mensen van Israël
is voor Pilatus en zijn keizer zeer bedreigend: hij moet dood!

Pilatus’ vraag aan Jesus
‘bent u de koning der joden?’
is daarom buitengewoon uitgekookt
en het is voor Jesus levensgevaarlijk
hem onmiddellijk met ja te beantwoorden.
Zijn vraagt houdt in:
‘wil jij de keizer en zijn zetbazen vervangen
en zelf de koningsmacht naar jou toe trekken?
Ben jij de koning der joden?’

Wat Pilatus niet weet
is dat de Joodse Bijbel
zo vreselijk kritisch staat
tegen elk koningschap
van wie ook.

In Israël mocht eerst geen koning zijn
en toen die toch kwam moest hij wel
‘onder curatele’ staan van een profeet.
Jesus koning noemen ligt dan ook niet voor de hand.

Dat Jesus zelf het koningschap geambieerd heeft
is uitermate onwaarschijnlijk.
Hij vluchtte immers weg toen mensen Hem
(na de broodvermenigvuldiging) tot koning willen uitroepen.
Hij wilde helemaal geen koning zijn.

Pas als Hij ontluisterd en gemarteld,
weerloos voor Pilatus staat geeft Hij
-en dan nog pas na zijn aandringen- toe
in een bepaalde zin koning te zijn.

Een koning zonder paleis
(Hij had geen steen om zijn hoofd op te leggen)
een koning zonder aardse macht
(Hij kwam om te dienen).

Een koning namens de God van Israël
dus een bijzonder soort koning.
Als Jesus zegt: ‘koning ben ik
doelt Hij op een andere machtsstructuur dan die Pilatus kent:

‘Mijn koningschap is niet van deze wereld.

Dat laatste woord
(‘mijn koningschap is niet van hier’)
is niet een aanduiding
van een koningschap van Jesus in de hemelse sferen
maar een getuigenis van Zijn andere manier
van getuige van Gods koningschap zijn op aarde.

Hij wil alleen zelf alleen maar koningszoon zijn als knecht.
Als dienaar van de Vader die heersen zal
door de kracht van de LIEFDE.

En zo heeft hij de trekken gekregen
van die Mensenzoon waar Daniël in een tijd van onmenselijkheid over droomde.
We spraken de vorige week over de verdrukking van toen,
de ballingschap, een tijd waarin ze alleen nog maar
aan de rivieren van Babel konden zitten wenen.
De soldaten vroegen om een liedje uit Sion
maar ze konden het niet…
zingen in een gevangenkamp gaat moeilijk.

In die ellende droomt Daniël over
de nieuwe mens, die het aanschijn der aarde zal veranderen.

Wij geloven dat Jesus die nieuwe mens is,
de eersteling van een nieuwe mensheid.

Hij had het toegegeven:
‘JA KONING BEN IK PILATUS
en dan wil ik dat zijn van de Joden,
het volk dat jij vertrapt hebt:
Koning ben ik van alle verdrukten
en geminachten.
Als wij Jesus op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar
tot koning uitroepen op dit merkwaardige Christus Koningfeest
dienen we wel heel goed te beseffen
hoe deze koning koning was: als een knecht.
Koning van alle ten onrechte aangeklaagden.
Koning van allen die gemarteld worden en nog zullen worden.
Koning met een doornenkroon.

En als wij Hem als koning aanvaarden
zal dat een andere manier van mens zijn voor ons inhouden.
We zullen niet meer zweren bij wat geweldig is en indrukwekkend
maar zoeken naar de zin van ons bestaan.

De mensheid ontdekt radeloos
dat alles wat zo waardevol lijkt op het eerste gezicht…
dat vaak niet is.
Dat geld en welvaart alleen niet gelukkig maken.

Een moderne filosoof zei:
‘laten wij toch alsjeblieft niet meer blijven spreken
over de crisis van het geloof’
-het geloof heeft zijn kracht,
zijn eigen waarde en zal die blijven houden-
maar we mogen spreken van
EEN CRISIS VAN HET ONGELOOF.’

De mensheid, en de jeugd gaat voorop-
gaat op zoek.
Ze zoeken naar kracht en zin in hun bestaan.

En waar vindt je die?

Het is goedkoop om nu te zeggen:
‘het antwoord is eenvoudig: zoek het bij Jesus
dan zul je rust vinden en troost’.
Zeker, het is juist om dat te zeggen
maar ieder mens zal zelf die ontdekking moeten doen.

En wij die Hem al lang als onze koning belijden
doen niet voldoende als wij alleen maar zeggen:
‘gaan jullie toch vlug naar Jesus’.

Wij zullen ZELF Jesus moeten verkondigen
door Hem ook werkelijk na te volgen en te doen als Hij.
Door er meer op uit te zijn
te troosten dan getroost te worden,
te begrijpen dan om begrepen te worden,
te beminnen dan om bemind te worden.

Vandaag zijn wij als parochie op de laatste zondag van het kerkelijk jaar bijeen:
we hebben allemaal onze eigen idealen
wij hebben allemaal onze eigen mogelijkheden,
als pastor, als gehuwde, als ongehuwde,
als oudere als jongere.

En het is zinvol ons kerkelijk jaar te eindigen
met voornemens van een nieuwe begin
zoals Franciscus – de patroon van onze Paus- ons voorbad:

Heer, maak mij tot een werktuig van Uw vrede.
Laat mij waar haat is liefde brengen,
waar onrecht is tot vergeving stemmen,
waar verdeeldheid is eendracht stichten,
waar dwaling is echtheid tonen,
waar wanhoop is, hoop wekken,
waar droefheid is vreugde brengen
waar duisternis is licht ontsteken.

Dat wij daar voor elkaar in staat toe zijn,
tot zegen van elkaar,
dat geve God!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

15 november: Door krisissen heen

[print]

33e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Daniël 12,1-9; Het teken van de Mensenzoon

  • Marcus 13, 24-32; Toch is de zomer nabij

De wereld roept om recht: om Sjaloom.
Het evangelie geeft ons een zware opdracht:
wij moeten aan die vrede bouwen: een prioriteit!
Dat verdraagt geen compromissen.
Zeker, we mogen, ja we moeten zorgen voor ons zelf.
Maar iedere keer worden we doorverwezen:
om er vooral te zijn voor de anderen, onze naasten,
de mensen in onze buurt:
onze partners, onze ouders , onze kinderen onze vrienden.

En tegenwoordig is de familie
waar we verantwoordelijkheid voor dragen nog groter:
we reizen met het grootste gemak rond naar Indonesië,
naar Afrika, jongelui gaan op huwelijksreis
naar Sri-Lanka of de Dominicaanse Republiek:
de hele wereld is ons thuisland geworden.

Als kerk hebben we niet meer de kracht
om getalsmatig, met wapperende gewaden present te zijn.
Maar we kunnen des te efficiënter aanwezig zijn,
onopvallend als de weduwe met haar penninkje
over wie wij de vorige week, op de diakonale zondag, spraken.

De arme weduwe met haar bescheiden teken
heeft de vorige week eigenlijk de preek verzorgd
en de wezenlijke verkondiging voor haar rekening genomen.
Ze gaf in het tempelofferblok haar laatste centen,
alles wat ze nog had.

Jesus zag dit kleine gebeuren
en wees zijn leerlingen op deze belangrijke daad
en daarna spreekt Hij over de grote dingen
en gaat Hij zijn leerlingen voorbereiden op de laatste dingen
en over het eindoordeel spreken.
De grote vraag is daarbij: ‘zal het nog wat worden op deze aarde?’
Jesus citeert daarbij de visioenen van Daniël.

Daniël schreef hij zijn visioenen op in een tijd van verdrukking van zijn volk
tijdens de ballingschap in Babel. Ik citeer:
De grote vorst MICHAEL zal opstaan
om de kinderen van Gods volk te beschermen.
Er zal een grote nood zijn
maar al degenen die opgetekend staan in het boek des levens
zullen worden gered en de getrouwen zullen stralen
als de glans van het uitspansel
en diegenen die de mensen tot gerechtigheid hebben gebracht
zullen schitteren als sterren voor eeuwig en immer
‘.
Daniël
die deze visioenen over Michaël opschreef,
doorzag dat de machten van het kwaad
niet voor eeuwig zullen kunnen blijven heersen,
en dat het recht zal zegevieren.

Voor het zover is zal er nog heel wat moeten gebeurden
en we zullen ook nog veel moeten meemaken.

Jesus kondigt al de gruwelijke dingen aan
die gebeuren en nog te gebeuren staan voor het koninkrijk Gods daar is.
Hij doet dat niet om de nieuwsgierigheid
van in onheil en ellende geïnteresseerden te bevredigen
of paniek te zaaien.

De aankondiging is er geheel op gericht
om de leerlingen van Jesus,
een kleine weerloze minderheid,
vooral in het begin
in tijden van vervolging en angst
blij en hoopvol te houden:
te bemoedigen en te sterken in slechte tijden.
Het is een oproep aan de leerlingen
om in de ure des gevaars op hun post te blijven en te volharden.
De grote nadruk ligt op de waakzaamheid,
volharding, trouw aan je opdracht door alles heen.

Maar er is hulp!
Zoals de God van Israël, de God bevrijder,
die van de uittocht, de uit-redding,
als een kolom voor het volk uitging
en het volk als een vuur bijlichtte in de nacht
— zo zal de mensenzoon, het mensenkind, komen
op een kolom van wolken, met macht en groot licht.

De Mensenzoon die verschijnt is geen engerd
die uit het niets opdoemt maar de nieuwe mens
zoals hij eigenlijk behoort te zijn en zoals Jesus dat is.

Het doel van Zijn komst is
het verzamelen van de uitverkorenen.
Daarbij vallen alle grenzen weg, ze komen uit alle windstreken.

En als er dan staat dat ‘de zon zijn licht niet meer zal geven’
is dat symbolisch bedoeld.

De zon is niet meer nodig -lijkt de evangelist te willen zeggen-
het ware licht zal immers schijnen als Jesus zelf
de Koning zal zijn van vrede en recht.

Er zijn al voortekenen die ons later zien
dat het goed kan worden op aarde.
En dan wordt er ook nog over de vijgenboom gesproken
die gaat uitbotten.

De vijgenboom behoort mét de wijnstok,
tot de edelste gewassen van het nieuw land
waar alles anders zal zijn.
De verspieders hadden in vroeger tijden
immers ook vijgen meegenomen
uit het land van de wijnstokken, melk en honing.

De vijgenboom is minder aansprekend.
Het ‘zitten onder de vijgenboom’
wordt in de joodse spreekwijze
een uitdrukking voor het in vrede leven
en onder die vijgenboom zittend kun je dan
rustig lezen in de boeken van God.
Een vijgenboom is iets anders dan de Hollandse boerenkool
die blijft bij de grond en geeft geen schaduw
de vijgenboom met zijn grote bladeren is imposant
biedt schaduw, overvloedig.

Kort tevoren (in Mc.11,12) had Jesus gezocht
naar de vruchten aan een vijgenboom die verdord was.
Hij wilde zijn leerlingen erop wijzen dat het,
wat Hem betreft, toch wel de tijd van de oogst mocht zijn:
de tijd van de beslissingen!

Jesus zegt dan ook:
‘In jouw dagen moet het gebeuren’.
In jouw dagen zal het gebeuren
die doorbraak van het Koninkrijk
door alle ellende heen.

‘In jouw dagen’ zegt hij. Daarmee bedoelt Jesus:
‘In jouw dagen vallen de beslissingen
Het woord klinkt tot jou die dit hoort:
jouw beslissingen kunnen de loop
van heel de geschiedenis, zo ellendig als ze is,
doen veranderen.

In alle inzet van de rechtvaardigen
en de mensen die wakker voor het goede kiezen
wordt het teken zichtbaar door alles heen:
van de mensenzoon,
DE NIEUWE MENS die zich vertoont.

Voor Marcus was Jesus dat:
maar dan niet als enige nieuwe mens maar als
‘eersteling van de schepping.’
Maar het kan ook zijn dat jij zelf die nieuwe mens bent
daar denken wij aan bij iedere doop.
Dan hopen en bidden wij dat deze nieuwe mensenkinderen
diegenen zullen zijn
die net dat ene stukje goedheid de wereld in brengen
dat de weegschaal die de goede en de slechts dingen tegen elkaar afweegt
met een grote klap naar de goede kant doet overslaan.

We hebben als christenen ons geloof niet
om een rustig leven te kunnen leiden:
we hebben een taak,
een roeping en we zullen er later op beoordeeld worden
of we aan die roeping hebben beantwoord
als de koning tot ons zeggen zal:
‘wat heb je voor je broeder of zuster betekend.’

Onze Heer zal het zelfs zo krachtig zeggen:
‘IK was hongerig, je hebt mij toch wel gespijzigd?
IK had dorst, je hebt me toch wel aan water geholpen;
IK was vreemdeling, azielzoeker,
je hebt me toch wel goed ontvangen,
mij niet verdacht gemaakt
zoals sensatiebladen en sommige mensen
die zich opwerpen als politici dat doen.

IK was ziek, je hebt me toch niet aan mijn lot overgelaten.’
Ik was in de gevangenis:
je hebt mij niet als mens geminacht

IK was dat allemaal.
Wat jij in jouw leven voor de minsten der mijnen hebt nagelaten te doen
heb je mij onthouden
maar wat je wel hebt gedaan.. dat heb je dus voor mij gedaan

Die roeping te dragen is niet makkelijk
maar tegelijkertijd een uitdaging.

We bidden om een efficiënte aanwezigheid
van ons allen, ieder op onze eigen plek
in dienstbaarheid.

We hebben God als onze Supporters met een hoofdletter:
Wij gaan niet alleen door het leven.

Ik citeer tenslotte uit het Joodse morgengebed:
U was er, toen de wereld nog niet geschapen was.
U bent er sinds de wereld geschapen is.
U bent er in de wereld die komen zal.
U gaat vandaag en de komende dagen met ons mee

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

8 november: Bescheiden en dienstbaar

[print]

32e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 1 Koningen 17,10-16; Het laatste mee

  • Marcus 12,38-44; Het muntje van de arme

Het is een ontroerend verhaal, de eerste lezing.
Er is hongersnood in de stad Sarepta.
‘Er was honger in het land’ lezen we.
Iedereen had het slecht.
En dan wordt een weduwe ten tonele gevoerd:
zij had het helemaal slecht.
Een weduwe had het so wie so moeilijk in Israël,
ze was kwetsbaar en had geen steun.
Had ze kinderen dan was er misschien nog toekomst,
ze zouden later voor haar kunnen zorgen.
Maar de zoon van deze weduwe is
even weerloos als zijzelf: er is geen hoop meer.
Met haar kleine jongen
zal ze haar laatste broodje bakken en opeten
en dan is het einde daar.
Op dat moment komt de profeet aangelopen:
ELIA heet hij.
Die naam betekent: GOD IS WERKELIJK DE HEER.
De naam ‘IK ZAL ER ZIJN’ klinkt in zijn naam door.
Maar waar is Hij dan, de Enige,
die gezegd heeft dat Hij het werk van Zijn handen niet loslaat?
Hij lijkt ver
en de vele beden om dagelijks brood hebben niets uitgehaald.

De profeet komt binnen. Om te geven, te redden?
Op het eerste gezicht niet.
Hij komt binnen OM TE VRAGEN.
Hij vraagt om brood.
Wat een on-mens.
Ziet hij dan niet dat deze vrouw
aan het einde van haar mogelijkheden is?

Maar de profeet beveelt: ‘GEEF DEEL!’.
Eigenlijk zegt hij:
‘durf te sterven door het laatste weg te geven wat je hebt.’

Maar het wonder gebeurt.
Neen ik bedoel nog niet de goede afloop
als het meel blijken zal niet op te raken.
Ik bedoel het grote verbazingwekkende feit
dat de weduwe inderdaad haar laatste levensrantsoen weggeeft.

Ze waagt het, te geven.
Ze durft te sterven om te leven, ze waagt en ze wint.

De vrienden van Jesus waren Hem trouw gevolgd.
Tot driemaal toe hadden zij moeten horen wat Hij wilde:
sterven in Jeruzalem.

Sterven voor Zijn mensen.. sterven.. OM TE LEVEN.
‘Dat nooit Heer’ had Petrus meteen al uitgeroepen.
Maar Jesus gaat Zijn weg.. Jeruzalem tegemoet.
Hij gaat Zijn weg van het geven tot het uiterste.

Als Jesus Jeruzalem is binnengekomen
treedt Hij de tempel binnen.
Zo is de Messias in het hart van Zijn stad.

Wie zijn degenen bij wie Hij zich daar thuis voelt?
Neen, niet de tempelgeestelijken
met hun wapperende gewaden die indruk willen maken.
Voor kleine mensen is Hij bereikbaar.

En namens hen treedt een vrouw op, een weduwe,
weer een weduwe.
Ze geeft al wat ze heeft weg
-net als haar voorgangster toen in Sarepta- ;
ze offert van haar armoede
voor het in stand houden van tempel en synagoge.

Ja, ze houdt die werkelijk in stand
-in de ware, de geestelijke betekenis van het woord-
en Jesus prijst haar.
Ze heeft zichzelf gegeven
voor de opbouw van Gods woning onder de mensen.

Wij zijn hier samen in onze tempel.
In onze geschiedenis kennen wij
een voortdurende spanning tussen rijk en arm.

We mogen –al zijn profiteurs met zijn ideeën aan de loop gegaan-
toch nooit vergeten dat op een bepaald moment iemand is opgestaan
een joodse man met Hollandse voorouders,
die een protest in het leven riep
tegen de ongerechtigheid in de wereld: Karl Marx.
Zijn theorie mag dan zijn tijd gehad hebben
en degenen die zeiden hem te volgen hebben het verbruid:
maar de onrust die hem bezielde
mag best onze onrust blijven.
We zullen toch moeten durven zien
dat wij in onze westerse beschaving
door ons groepsegoïsme vaak het beeld
van Israëls God die voor de kleinen koos hebben verduisterd
en de zorg voor de ander, het kernpunt van het christendom,
niet in al zijn veelomvattendheid hebben verstaan.

Het is een bijbelse gedachte
dat de wereld er is voor ons allen.
Niet alleen voor een bepaalde groep
die toevallig op dat moment de baas is
en er dus van profiteren kan en de dienst kan uitmaken
maar de aarde is er voor alle aardbewoners.

De Pausen hebben gelukkig ook duidelijk hun stem laten horen
tegen dit onrecht in de grote encyclieken RERUM NOVARUM en,
40 jaar later, QUADRAGESIMO ANNO.

Deze Paus sluit in al zijn spreken en doen
aan bij die sociale leer van de kerk.
Een kerk die niet dient, dient nergens toe.
Daar denken we aan op onze diakonale zondag.

Er is veel gedaan door christenen. In het klein vooral.
Er is goed gezorgd voor arme en zieke mensen bijvoorbeeld.
Maar er wordt méér gevraagd van gelovigen.
We kunnen niet alleen omzien naar de individuele mensen
maar moeten ook zien naar de volkeren
die in staat moeten worden gebracht
zichzelf te kunnen ontplooien
zonder dat ze de bedelnap moeten ophouden.

Steeds weer horen wij hoe de grote wereldconferenties
tussen de rijke en de arme landen mislukken
omdat de stappen die echt gedaan moeten worden niet gezet worden
omdat het eigen westers hemd toch nader blijkt
dan de rok van onze verantwoordelijkheid voor de wereld.

Het evangelie is een zware opdracht.
Het verdraagt geen compromissen.
De wereld roept om recht: om Sjaloom.

Zeker, we mogen, ja we moeten zorgen voor ons zelf.
Maar iedere keer worden we doorverwezen:
om er vooral te zijn voor de anderen, onze naasten,
naar de mensen in onze buurt:
onze partners, onze ouders , onze kinderen onze vrienden.

En tegenwoordig is de familie
waar we verantwoordelijkheid voor dragen nog groter:
we reizen met het grootste gemak rond naar Indonesië,
naar Afrika, jongelui gaan op huwelijksreis naar Sri-Lanka:
de hele wereld is ons thuisland geworden.
—————
Als kerk hebben we niet meer de kracht
om getalsmatig, met wapperende gewaden present te zijn.
Maar we kunnen des te efficiënter aanwezig zijn,
onopvallend als de weduwe met haar penninkje.

De priester-arbeiders bv. van kort na de oorlog
waren onopvallend maar solidair aanwezig
in de wereld van de arbeid.

De zusters van Charles de Foucould
in de Amsterdamse Jordaan,
op het woonwagenkamp in Den Haag
of meereizend met een bekend circusgezelschap.
Het zijn veelal goed wetenschappelijk gevormde vrouwen
die net als alle anderen in hun buurt de kleine beroepen kiezen:
als werksters midden in de nacht met andere vrouwen bezig
in de grote kantoren.

Door hun aanwezigheid, hun levensstijl
laten ze iets zien van een nieuwe wereld.

De arme weduwe met haar bescheiden teken
heeft vandaag eigenlijk de preek verzorgd
en de wezenlijke verkondiging voor haar rekening genomen.
Na dit teken getoond te hebben
gaat Jesus de leerlingen voorbereiden op de laatste dingen
door over het eindoordeel te gaan spreken.

Dat doet Jesus,
zelf arm geworden, gestorven aan het kruis.
Hij had op aarde geen steen
om zijn hoofd op neer te leggen
en zelfs geen eigen graf. Een ander moest het zijne afstaan.
Neen, we hebben als christenen ons geloof niet
om zo een rustig leven te kunnen leiden:
we hebben een taak,
een roeping en we zullen er later op beoordeeld worden
of we aan die roeping hebben beantwoord
als de koning tot ons zeggen zal:
‘wat heb je voor je broeder of zuster betekend.’

Onze Heer zal het zelfs zo krachtig zeggen:
‘IK was hongerig, je hebt mij toch wel gespijzigd?
IK had dorst, je hebt me toch wel aan water geholpen;
IK was vreemdeling, asylzoeker,
je hebt me toch wel goed ontvangen,
mij niet verdacht gemaakt
zoals sensatiebladen en sommige mensen
die zich opwerpen als politici dat doen.

IK was ziek, je hebt me toch niet aan mijn lot overgelaten.’
Ik was in de gevangenis:
je hebt mij niet als mens geminacht

IK was dat allemaal, en
wat jij in jou leven
voor de minsten der mijnen hebt nagelaten te doen
heb je mij onthouden
maar wat je wel hebt gedaan..
dat heb je dus voor mij gedaan

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

1 november: Allerheiligen/Allerzielen

[print]

Allerheiligen/Allerzielen

Schriftlezingen:

  • Openbaring 7,2-14

  • Matteüs 5,1-12a

Toen ik de kinderen eens uitlegde
dat er in onze kerk zoveel heiligen waren afgebeeld,
vooral in de gebrandschilderde ramen, zei een van hen:
‘als ik het goed begrijp zijn heiligen mensen
waar licht door schijnen kan…’ een prachtige definitie.

Met een heilige is een mens bedoeld
die doet wat hij doen moet.

Iemand die zich wil laten vullen met zijn opdracht
en daar voor leven wil tot zijn laatste snik.
Dat is een geschiedenis van vallen en opstaan.

Van sommige heiligen lezen we
dat ze van kindsafaan al heilig waren.

Van de heilige Nicolaas wordt bijvoorbeeld verteld
dat hij als baby al; op vrijdag de moederborst weigerde
omdat hij zich wilde onthouden.

Maar over de meeste heiligen horen we andere verhalen.

Meestal was er in hun leven sprake
van een worsteling om te proberen hun roeping te vinden.

In vele heiligengeschiedenissen lees je dan ook
dat ze eerst een oppervlakkig en zondig bestaan leidden
en zich dan -gelukkig niet te laat- bekeerden
en anderen tot zegen konden gaan zijn.

Dat staat bijvoorbeeld in het verhaal van Bavo te lezen.

Wat die verhalen ons willen leren is
dat in ieder menselijk leven er een groei is naar God toe.

Het gaat meestal niet vanzelf,
het gaat niet gemakkelijk en niemand
-ook niet Nicolaas- is meteen echt vol van God.

Daar heb je tijd voor nodig.

De roepstem van God naar ieder mens toe
krijgt heel geleidelijk en langzaam-aan pas antwoord.

Ieder mens ontdekt zijn roeping
doordat een ander hem nodig heeft.

Als je voor God kiest en Zijn gerechtigheid en Zijn vrede
zal je tegenwerking ontmoeten.

Je zult weerloos zijn in de grote wereld
waarin andere waarden gelden
en waarin de macht van de sterkste alleen nog maar telt.

Als Jesus met zijn vrienden heeft plaatsgenomen op de berg
wijst Hij hen op de omgekeerde wereld
zoals God die voor ogen heeft.

De wereld van God waarin niet onmiddellijk
de gewone rijken rijk zijn
maar waarin de mensen die arm kunnen zijn
de nieuwe rijkdom zullen ontdekken van het gaan met God.

De vrienden die bij het heilige volk willen horen
zullen treuren omdat zij zien wat er allemaal aan vreselijks gebeurt,
ze zullen niet tevreden zijn met alles
wat is zoals het is maar hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

In die uitspraken van Jesus, de zaligsprekingen genoemd,
wordt alles op zijn kop gezet.

De mensen die het hier goed hebben
worden niet genoemd maar juist degenen die lijden,
die tekort komen en die vervolgd worden.

Of degenen die door hun karakter uitstralen
dat zij anderen tot zegen kunnen zijn:
dat zij kunnen vergeven,
dat ze zachtmoedig kunnen zijn en mild;
dat zij willen kiezen met hun hele wezen
voor God en Zijn nieuwe toekomst,
de zuiveren van hart en inzet.

God is -staat in een van de nieuwere tafelgebeden
die we regelmatig in deze kerk bidden-
altijd maar bezig zich een volk te verzamelen.

Een volk van mensen die voor Hem willen kiezen, een Heilig volk.
Tot dat volk behoren grote geesten
als Thomas van Aquino en Theresia van Avila,
tot dat volk behoren ook de simpelen van geest
zoals Benedictus Labre -gelukkig ook in onze kerk afgebeeld-,
tot dat volk behoren kinderen en ouderen,
bisschoppen en huismoeders,
zonderlingen en geleerden.

U hoorde in de eerste lezing van vandaag vertellen
hoe het de kinderen Israëls zijn,
die de kern vormen van het nieuwe volk van God.

Heel de mensheid wordt gegroepeerd
rondom de 144.000 getekenden, de 12 x 12.000 getekenden
uit alle stammen van Israël. En dan klinken al 20 eeuwen door
de 12 namen van de stammen van Gods lievelingsvolk.

Bijna was er een ongeluk gebeurd vandaag
en hadden we hun namen niet gehoord.
In uw boekje staan ze namelijk niet vermeld,
helaas, waarschijnlijk om tijd en drukinkt te besparen.

Wat een afschuwelijk gebrek aan respect
voor de namen van Gods kinderen.

Wij hebben gelukkig de volledige bijbel even gepakt
en zo hebt u dus toch, als vanouds, de namen gehoord
van alle stammen Israëls, van iedere stam 12000 getekenden.

Uit de stam Issachar, Zebulon, Naftali en de stam Juda,
de stam van Jesus zelf! Je mag ze toch niet vergeten,
de mannen en vrouwen van het volk
waar God mee begonnen is op weg te gaan;
de heiligen van het begin: de oerheiligen eigenlijk.

Ze staan daar als de kern van een nieuw nog groter nieuw volk van God.
De niet joden mogen in een kring om hen heen staan.
rondom dit unieke volk
gemarteld en gekwetst als geen ander volk;
in de loop der geschiedenis meerdere malen met uitsterven bedreigd
maar levend en stralend voor God hier in de volle Gloria!

Als wij het feest van alle heiligen vieren,
vieren we dat God ooit tot zijn joden heeft gezegd:
‘wees een heilig volk.’

Probeer in jullie midden mijn naam hoog te houden
en niet te geloven in de macht van de afgoden
en de grote machten om je heen.

En over hun hoofden heen zegt Hij ook tot ons:
probeer te geloven dat mijn geschiedenis van vrede en recht
de enige echte belangrijke geschiedenis is
en die maak ik met mijn mensen: groten en kleinen,
mannen en vrouwen, kinderen en volwassenen:
een volk, een volk van mensen met een roeping:
een heilig volk heet dat.

We denken deze dagen aan de grote heiligen van vroeger
maar ook, nu wij tegelijk Allerzielen vieren
aan de kleine heiligen die wij zelf gekend hebben
onze dierbaren die leefden onder Gods aangezicht.

En als wij vandaag, gezegend en wel de kerk verlaten
moeten wij beseffen:
de mensen die Gods licht in deze wereld moeten doorlaten vandaag
zodat anderen het kunnen zien:
de heiligen, de geroepen van nu,
dat zijn wij.
God zegene ons
bij het vervullen van die opdracht.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

25 oktober: Iedereen in het licht!

[print]

30e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jeremia 31,7-9

  • Marcus 10,46-52; Genezing van de blinde bij Jericho

Jericho is niet zomaar een stad!
Het is de stad met de muur aller muren:
Ze stonden ooit streng overeind
en de poorten waren gesloten
toen weerloze slaven van Egypte die zochten naar woonruimte
om levensruimte vroegen.
Maar, u kent het verhaal:
‘the walls came tumbling down.’

Wat is dit actueel in onze dagen!
Duizenden en duizenden mensen zijn op zoek
naar leefruimte maar overal zijn hekken en muren.

Door een geweldloze actie van de weerlozen
die zeven maal rondom de stad liepen
met de ark van God in handen
gingen de muren eraan en stortten in.
Een verhaal met een rijke symboliek:
het woord van God
(gesymboliseerd door de ark met de tien geboden)
is alle gewelddadigheid de baas.
Nog een beetje mooier gezegd:
geen muur houdt stand voor de kracht van de liefde.

Jesus passeert Jericho als Hij op weg gaat naar Jeruzalem.
Jericho in Jesus’ tijd een spookstad,
alles in puin en de profeten hadden gezegd
‘nooit mogen die muren worden herbouwd.’

Jesus passeert Jericho als een tussenstation
op zijn weg naar Jeruzalem.
Daar vermeldt Marcus Jesus’ ontmoeting
op zijn weg naar Jeruzalem met een blinde.
Het is de 4e ontmoeting in de serie ontmoetingen van Jesus
op weg naar Jeruzalem waar Hij zijn leven voor de mensheid zal offeren.
De eerste die hij tegenkwam was de farizeeër, die vroeg of je als man je vrouw mocht wegsturen
toen kwamen de kinderen die de leerlingen wilden wegsturen,
toen de rijke jongen die Jesus wilde volgen
maar niet alles wat hij bezat durfde te verkopen,
en nu is er de blinde bedelaar.
In al die ontmoetingen leren wij iets over
hoe Jesus de mensen benadert
en wie Jesus voor de mensen wil zijn.

Laat ons goed opletten:
wat gaat Hij doen, wat gaat Hij zeggen?

* Wat gaat Hij doen?
Allereerst: hij loopt de blinde niet voorbij
zoals zovelen die geen aandacht besteden aan mensen in nood,
die naast de weg terecht gekomen zijn.
‘Langs de weg’ lag hij, zo vermeldt de evangelist.
Hij kon niet meelopen met alle anderen
die druk doende waren, allemaal gewichtig op weg naar belangrijke dingen.

De blinde doet daar niet aan mee, hij ligt aan de weg, is machteloos.
Hij leeft van wat een vriendelijke onnozelaar hem geeft
maar hij hoort niet bij de anderen,
Hij ligt LANGS de weg.

Als de mensen merken dat hij naar Jesus roept
vallen ze eerst tegen uit:
‘hou je mond, jij hoort niet bij ons.’

Maar Jesus stopt. Hij heeft hem gehoord.
Heel schijnheilig gaan de anderen dan op eens om
en zeggen: ‘heb goede moed, hij roept je.’
Maar die omstanders zijn niet belangrijk.

Het gaat om Jesus en de man langs de weg.
Jesus stopte zagen we, maar wat doet hij nog meer?
Hij richt het woord tot Hem.

En wat gaat Hij dan zeggen?
Zoiets als ‘arme sukkelaar, zal ik je helpen.’
Neen, Jesus stelt zich niet boven deze naaste.

Hij zegt iets anders. Niet ‘ik zal wel even dit’
maar Hij richt zich tot de ander
Hij neemt hem serieus als Hij vraagt:
‘wat wil jij dat ik voor jou zal doen.’

Een nieuwe levenshouding van
aandacht en trouw aan wat de ander van jou wil.

De oktobermaand is missiemaand,
de vorige week hebben we voor de missie gecollecteerd.
Het gaat dan niet om neerbuigendheid en betweterigheid
het gaat om waarachtige dienstbaarheid.

Een goede missionaris zegt niet:
‘arme sukkels in breng jullie een blijde boodschap’
maar vraagt – net als Jesus in het evangelie vandaag- :
‘wat kan ik voor jullie betekenen.’

Tegenwoordig wordt het erg belangrijk geacht
– en vroeger was het dat eigenlijk ook al –
om te beseffen wat mensen
van de landen waar jij op bezoek bent zelf willen.

Ze vragen dat je hun cultuur bijvoorbeeld
serieus neemt. En daarom zijn zij degenen
die bij het tweede Vaticaanse concilie ervoor gezorgd hebben
dat de volkstaal, voor ons het Nederlands, in de liturgie kwam.

Het waren niet de moderne westerse theologen die dat bereikten
maar dat waren de missionarissen in Indonesië
en op de Filipijnen die de dwaasheid inzagen
van het begroeten van mensen
met een eigen cultuur van duizenden en duizenden jaren
in het Latijn, de hoftaal van het westromeinse keizerrijk
dat vergeleken met hun cultuur pas kwam kijken.

‘Wat wil jij dat ik voor jou wil doen’
is de vraag die missionarissen en zendeling uitspreken
bij hun contact met anderen

maar dat zal ook de vraag moeten zijn
die alle mensen op de lippen moeten nemen
als zij zich keren tot hun medemensen,
actueel vandaag nu er zoveel duizenden vragen om hulp.

Het is de vraag van de mens
die zich werkelijk voor een ander interesseert,

het is de vraag van de man of de vrouw
die zijn of haar partner serieus neemt
en misschien ook die van de ouders aan hun kind-

het is de vraag die de hulpverlener, de professionele
of de vrijwilliger van een parochie bijvoorbeeld
op de lippen moet nemen
als hij het voorrecht heeft een ander te mogen bezoeken;
WAT WIL JIJ DAT IK VOOR JOU ZAL DOEN.

De blinde weet wat hij zeggen moet:
‘Heer dat ik weer mag zien!’
Hij wordt geholpen,
hij zal zien.

Dat zal heel wat voor hem gaan betekenen
maar niet alleen omdat hij
nu de bloemetjes en de bijtjes kan bekijken.

Hij zal Jesus zien, de Messias
en hij zal zien wat Jesus gaat doen en welke weg Hij zal gaan.

En nu zou ik zeggen:
-arme blinde was je maar niet genezen-
want je zult zien hoe Jesus opgaat naar Jeruzalem
je zult zien hoe Hij daar veroordeeld wordt,
hoe Hij zal lijden en sterven aan het kruis.

Je zult Jesus’ vernedering zien
en zijn graflegging.

En als dat allemaal gebeurd is
komt het op het echte zien aan.

Het zal er dan op aan komen
te zien dat deze Jesus werkelijk de zoon van God was
dat Hij werkelijke de solidaire vriend van de kleinen was
en dat Hij in zijn trouw aan de wil van de Vader
de ware Messias was die gevolgd moet blijven worden.

De mens die zover is dat hij dit alles ziet
zal ook het vervolg mogen zien: de verrijzenis.

De mens die ziet dat de mens die in deze duisternis ging
werkelijk de gestalte van God is
zal op de paasmorgen ook het ware licht zien
dat iedere mens verlicht;

Als mensen Hem durven volgen
zullen alle muren van haat en achterdocht
net als die van Jericho instorten,
zal de dienst aan de naaste hoogtij vieren,
zullen alle tranen worden gedroogd
en zal God alles in allen zijn.
Wat zou het fijn zij als dat werkelijkheid zou worden;
de profeet droomde daar vandaag al van;
een einde aan ballingschappen en ellende:
een nieuw begin voor ontheemden en verdrukten:
als God ons allemaal thuisbrengt
dat zal een droom zijn…
die werkelijkheid kan worden,
liefst dankzij ons.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

18 oktober: Wie durft?

[print]

29e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 53, 1-12; Een knecht die lijden moet

  • Marcus 10, 32-45; De rechter en de linkerzijde

Ze durven wel wat!
Die twee goedwillende jongens uit het evangelie van vandaag.

Ze willen best wat wagen.
Ze wilden Jesus achterna, -niet slecht-
ze willen best voor Hem opkomen
ook als er moeilijke dingen worden gevraagd
maar… wel boter bij de vis:
ereplaatsen in het Koninkrijk dat komt na de strijd,
aan Jesus’ rechter- en linkerhand liefst.

Het pleit voor Jesus’ zorgvuldigheid
in zijn omgang met zijn leerlingen,
als Hij de zonen van Zebedeüs totaal niet verwijt
dat hun vraag eigenlijk voortkomt uit verwaandheid en overmoed.
Het is, volgens Jesus, misschien toch een eerste stap
op de weg van God,
een jeugdig idealisme dat je niet meteen moet afsnauwen.

Hij bestraft ze dus niet maar test ze op hun echte kwaliteiten als Hij zegt:
‘kunnen jullie de beker drinken die ik zal drinken
en de doop ondergaan die ik zal ondergaan’.

Als ze dan (nog steeds overmoedig) antwoorden:
‘JA DAT KUNNEN WIJ’ .
Kan Jesus dat niet zomaar laten gaan.

Konden ze maar een beetje in de toekomst kijken,
d.w.z. kenden ze zichzelf maar een klein beetje beter!
Niet meer dan vier hoofdstukken verder
zullen wij over alle leerlingen, zonder uitzondering,
horen vernemen:
‘TOEN VERLIETEN ALLEN HEM EN NAMEN DE VLUCHT’,
en nog later horen we wie er aan zijn rechter – en linkerhand
terecht komen: twee medeveroordeelden aan het kruis.

Over het lijden dat de rechtvaardigen overkomt
hoorden we vandaag de Jesajatekst:
‘de Heer heeft besloten zijn dienaar
te vernederen en Hem te doen lijden.’
Heel gemakkelijk beschouwen we deze tekst als een soort noodlotstekst
het is als het ware ‘in de sterren geschreven’
beter: door de Vader bevolen en door de profeet voorspeld
dat Jesus zou lijden
maar zo simpel is het niet.

In een van onze tafelgebeden staat daarom ook dat Jesus
VRIJWILLIG ZIJN LIJDEN OP ZICH NAM.
Niet dus omdat het in de sterren
of in de boeken geschreven stond.
Niet als noodlot maar.. als konsekwentie
van het opkomen voor de dingen waar Hij voor opkwam.

Jesus wilde met Zijn boodschap over God
de mensen geluk en vrijheid doorgeven….
als dat mogelijk zou zijn.
Eigenlijk had Jesus
-al klinkt dat een beetje vreemd in onze oren-
helemaal niet willen lijden.

Maar…. dat bleek niet mogelijk.
Door de buitenwereld werd Hij
(juist als Hij opriep tot menselijkheid,
vriendelijkheid en vrijheid)
regelmatig voor gek of ‘bezeten’ uitgemaakt:
zelfs door zijn eigen familie…
En aangezien Hij wilde blijven wie Hij was en wat Hij was
wekte dat steeds meer verzet op.

Omdat Hij trouw wilde zijn aan Zijn roeping,
een roeping van trouw en solidariteit aan de mensen,
vooral aan de mensen die verdrukt werden of geminacht..
ging Hij onafwendbaar zeker Zijn lijden tegemoet.
Een moderne psycholoog schreef eens:
‘zo leek Zijn situatie op die van een patrijs
na het invallen van de winter:
Nog dragen zijn veren de bonte schut-kleuren van de zomer,
maar de eerste sneeuwval
ontneemt aan deze prachtige tooi iedere beschuttingswaarde
en op groteske wijze is hij voor alle prooizoekers
al van verre herkenbaar.’

Jesus leefde als evenbeeld van God.
Hij leefde vastberaden en overtuigd
van de waarde van Zijn voorbeeld
maar juist daarom was Hij zo kwetsbaar
een gemakkelijke prooi voor zijn tegenstanders
en daarom deed zijn innerlijke vastberadenheid
zijn leerlingen huiveren van vrees.

De kring van de leerlingen die al of niet tekort schieten
staat in het Marcus-evangelie model
voor heel de kerkgemeenschap van toen en later.

Het zal in de kerk nooit aankomen
op mooie titels of prachtige ambten
maar op consequente dienst tot het uiterste toe.
Vandaag is het wereldmissiedag, dan
bezinnen we ons op het merkwaardige feit
dat er tot op de dag van vandaag mensen zijn die in Jesus’ naam
gingen en nog steeds gaan verkondigen
wie de God van Abraham Isaak en Jacob,
(die ook de God van Jesus wilde zijn), is
en dat Die partij heeft gekozen
voor menselijkheid en vrijheid
en dat Hij daarom bij uitstek solidair wil zijn
met al die mensen die veracht en vervolgd worden
of gemarteld: waar ter wereld niet.

Missionarissen zijn de mensen die
-meer dan anderen wellicht-
de solidariteit waartoe wij als kerk geroepen zijn
handen en voeten hebben gegeven.
Ze hebben medicijnen aangesleept en ontwikkelingswerk gedaan
vòòr iemand nog wist dat wij dat moesten doen.

In een tijd waarin mensen vaak niet verder keken
dan hun eigen Hollandse erfje
trokken zij er al op uit
om de boodschap van de bevrijding te verkondigen
over heel de wereld.

Die boodschap zal nog wel enige tijd moeten blijven klinken
want helaas is de rol van de mensen die de vrijheid van anderen
willen belemmeren nog lang niet uitgespeeld..
en zijn er nog steeds mensen die voor een gemakkelijk leven
onderdanig aan de grote economische machten
en machthebbers kiezen.

Jesus ontmaskert de structuren van macht en geweld
die nog steeds mensen ongelukkig maken.
als Hij de manier van doen van de groten der aarde beschrijft en zegt:
‘je weet hoe de groten der aarde willen regeren:
met macht en met ijzeren vuist’.
en Hij gaat verder:
‘Zo moet het bij jullie er niet aan toe gaan:
wie onder jullie groot wil zijn
moet dienaar van de anderen durven wezen.’

Daarmee roept Jesus ons niet op
tot een soort zachte bescheidenheid
maar tot een daadwerkelijke dienstbaarheid
en trouw die anderen tot zegen is.
Dat zal heel wat consequenties hebben.

Over de hoofden van de twee goedwillende onnozele zonen
van Zebedeüs heen verzekert Hij iedereen
die vandaag Zijn volgeling wil zijn:
‘Je zult de kelk drinken die ik drink
en de doop ondergaan die ik ondergaan zal’.

En wat zal je dat opleveren?
Allereerst een hoop zorgen,
het maakt je leven zwaarder
als je je de dingen aantrekt die gebeuren
en zelf dienstbaar wilt zijn aan de opbouw
van een wereld waar ruimte is voor allen.

Maar toch heeft Jesus eerder ook wel iets fijns gezegd:
‘als je mij volgt zul je
hier al in dit leven al een overvloed aan troost ontvangen.’
Die troost komt niet tot je als een loon dat je verdiend hebt
maar als bevestiging dat je goed bezig bent als je gaat met God.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

11 oktober: Kwetsbaarheid als wijsheid

[print]

28e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Wijsheid van Salomo 7:1-11; Kostbaar is wijsheid

  • Marcus 10:17-30; De rijke (jonge)-man

Mooi dat boek van de Wijsheid:

‘Ook ik, Salomo, ben een sterfelijk mens,
zoals alle anderen,
en een afstammeling van de eerst-geboetseerde
die uit de aarde is voortgekomen.

In de moederschoot werd ik tot
een lichaam gemodelleerd
in tien maanden tijds.

En toen ik geboren was ademde ik
dezelfde lucht in
als ieder ander en viel op de aarde,
zoals het ons allen vergaat.

In windsels werd ik grootgebracht:
geen enkele koning immers
is zijn leven anders begonnen.

De intrede in het leven is eender voor allen
en gelijk is ook ons levenseinde, de uittocht.

Daarom bad ik en inzicht werd mij geschonken:
ik smeekte en de geest van wijsheid kwam over mij.

Ik verkoos haar boven scepters en tronen
en in vergelijking met haar beschouwde ik rijkdom als niets;
zelfs de kostbaarste steen stelde ik met haar niet gelijk.

Alle goud is bij haar vergeleken slechts stof
en zilver niet meer dan slijk.

Ik hield van haar meer dan van gezondheid en schoonheid
en ik stelde haar boven het licht.

Want de glans die zij – de wijsheid- uitstraalt verbleekt nooit.
Met haar vielen mij alle goederen ten deel
en dank zij haar verwierf ik rijkdommen zonder tal.’

Koning Salomo wordt hier ten tonele gevoerd een heel belangrijk man!
Hij is bekend om zijn rijkdom en zijn macht.
Zijn regeringstijd was de glorietijd van Israël!
Een tijd van welvaart, vrede en recht.

Het boek koningen zegt:
‘in die dagen zat iedereen vredig onder zijn eigen vijgeboom,
het ezeltje gebonden aan de wijnstok’.
Maar wat deze droomkoning gaat zeggen verbaast ons een beetje.

De groten de aarde horen zelfverzekerd en flink over te komen.
Des te opvallender is het dat we in het boek van de wijsheid,
meer dan 2000 jaren oud, geschreven in het midden-oosten
-de streek waar de eeuwen door
heel wat mannelijke potentaten hebben geregeerd en nog regeren-
des te opvallender is het wat koning Salomo,
de grote heerser van Jeruzalem ons dan te zeggen heeft.

Niet: ‘ik Salomo de grote spreek, maar:

‘Ik ben een sterfelijk mens als alle anderen.
In de moederschoot werd ik tot een lichaam gemodelleerd.
Ik was tien maanden in de schoot van mijn moeder en toen ik
geboren was ademde ik de lucht in die iedereen inademt,
ik viel op de aarde zoals het ons allen vergaat
en liet mijn eerste geschrei horen.’

Een koning die erkent dat hij is als alle andere mensen,
sterfelijk, hulpeloos…
een machthebber die erkent dat hij als baby’tje heeft gehuild.

Dat zouden Napoleon of Hitler
niet over hun lippen hebben kunnen krijgen
en toch is het de (simpele) waarheid:
koningen, keizers ministers, allemaal mensen:
weerloos, angstig soms en kwetsbaar.

Ieder mens komt op dezelfde wijze op de wereld en
– zegt Salomo terecht- sterft als alle anderen.
Soms wordt dat laatste gecamoufleerd:
bij staatsbegrafenissen met veel bombarie
of door protserige graftombes op te richten
om eeuwig belangrijk te blijven
en over je graf heen te regeren……
maar het helpt niet.

We zijn allemaal even kwetsbaar als de eerstgeboetseerde mens
die naakt was, zoals wij de vorige week hoorden
en er zich niet voor schaamde.
Kwetsbaar zijn we, naakt, en het einde is voor allen hetzelfde.

Deze woorden worden niet doorgegeven
om mensen somber te maken
maar kunnen mensen werkelijk tot zegen zijn.
Ze kunnen hen van frustraties afhelpen
en van machtscomplexen
die die frustraties moeten verbergen, verlossen.

Als alle dictatoren van de afgelopen eeuwen
hadden beseft hoe kwetsbaar en klein ze eigenlijk zijn
hadden we nooit een oorlog gehad. Dan waren we wijs!
Want dat besef leidt tot wijsheid… horen we.

Als Salomo gezegd heeft te beseffen hoe kwetsbaar hij is
gaat hij verder:
‘ik wil daarom zoeken naar het echt belangrijke
in dit leven en heb daarom OM WIJSHEID gebeden.’

Jesus sluit daar op aan als Hij zegt:
‘als gij niet wordt als een van deze kinderen
zult gij het koninkrijk Gods niet binnengaan.’
De kinderen, de bezitlozen bij uitstek
roepen ons op te delen en te spelen,
en samen het aanschijn der wereld veranderen.

De echte wijsheid is geen geleerdheid
-ik ken weinig geleerde maar gelukkig veel wijze mensen-
maar het vermogen om de dingen juist te zien
en om te weten wat je moet doen.

Het Hebreeuwse woord voor wijs is
in het Amsterdamse woord ‘goochem’ letterlijk bewaard gebleven.
Het betekent in ons spraakgebruik ‘handig’
en dat is helemaal niet zo’n gekke vertaling.
Echte wijsheid is praktisch en heeft met DOEN te maken.

Als je weet wat waardevol is en wat niet
weet je ook hoe je moet handelen.
Je zult geen tijd meer besteden aan dingen die niets waard zijn,
aan machtsstrijd of viering van je eigen belangrijkheid,
je zult ook geen conflicten koesteren
maar je tijd besteden aan de dingen die waardevol zijn:
aan de liefde en de zorg voor elkaar.

Vandaag de tweede ontmoeting
van Jesus op weg naar Jeruzalem.
Een man komt naar Jesus toe.
Hij heeft zijn leven nog niet op orde kennelijk.
Hij bezit veel en probeert netjes te leven
maar is toch onzeker..
omdat hij niet weet wat hij met alle dingen van het leven
en vooral ook met zichzelf aan moet.
Hij wil het wel weten en vraagt:
‘wat moet ik doen om het eeuwig leven te beërven ?’
Hij wil contact met Jesus
om de zin van zijn leven te ontdekken.

Maar dat kan een ander je niet zomaar leren.
Jesus antwoordt door te zeggen wat de man eigenlijk al wist:
‘door de geboden van God te onderhouden’.

‘Dat doe ik al’ zegt de man.
Maar Jesus begrijpt dat er meer nodig is
om deze mens zijn roeping te laten ontdekken.
Hij moet wakker worden geschud en ontdekken
dat hij zelf tot echte keuzes komen moet.

Dan schokt Jesus hem -en ons die naar het verhaal luisteren-
door te zeggen:
‘verkoop alles wat je bezit en geef het aan de armen.’

Marcus beschrijft dan
hoe de man Jesus in totale ontreddering verlaat.
Wij zijn zo nieuwsgierig dat we graag zouden willen weten
wat de man later gedaan heeft.
Is hij opgenomen in een inrichting omdat de klap te groot was
of -een betere afloop-
heeft hij zich na de schok verwerkt te hebben misschien bekeerd?
Dat kan: Dorotheé Sölle schreef er een heel boek over
‘het recht van een mens om anders te worden.’

De evangelisten geven op zulk soort indiscrete vragen
natuurlijk geen antwoord.
Het verhaal blijft met opzet onvoltooid:
wie zal het afmaken?

Antwoord: wijzelf, de hoorders.
Het verhaal is op ons gericht.
Jesus vraagt indirect aan ons:
‘wat hebben JULLIE er voor over om het eeuwig leven te beërven,
om een zin in je leven te vinden?’

Wij worden vandaag opgeroepen zelf wijs te worden
en te weten waar het op aan komt.
En dan komt het op zinvol, radicaal handelen aan.
Als individu en als groep.

Alles wordt door Jesus’ uitdagende woorden op zijn kop gezet,
alles wordt onder kritiek gezet.
‘Mijn koninkrijk is niet van DEZE wereld’ zegt Jesus:
alles is anders. Radicaal anders
en jij persoonlijk moet kiezen en doen.

Niemand kan jou dat uit handen nemen
je zult zelf je keuzes moeten maken
alleen jij kunt dat doen, niemand anders.

De wijsheid geeft ons een wapen in handen
om te doorzien hoe alles op deze wereld in elkaar zit.

Waar het het vraagstuk van arm en rijk betreft
gaat het tegenwoordig om rijkdom en armoede in het groot.

Het grote bezit is collectief geworden;
in handen van de hele westerse of zo u wilt noordelijke wereld.
Die onrechtvaardige verdeling van de goederen op aarde
is een ramp voor heel de 3e wereld.

En daarom kan niemand langs de boodschap van vandaag hen:
‘verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen.’

Die wijsheid krijgt -als het goed is-
handen in voeten in ons handelen, dat goochem mag zijn
door het breken en delen
waarbij we allemaal mee moeten doen.

De afgelopen week vierde de synagoge het feest van de Loofhutten.
Men verlaat ’s avonds zijn stevige stenen huizen
en houdt de maaltijd in een hutje
denkend aan de tocht in de woestijn.
Je moet door het dak de hemel kunnen zien.
En daar zit je dan, weerloos, klein, levend met God.

Wij zitten hier in onze grote stevige kerk
we proberen een beetje naar de hemel te kijken
de koepel met de grote ramen naar buiten.

Vanuit die hemel komt onze opdracht.
Dat we van de partij willen zijn
zeggen we iedere keer als wij bidden
uw naam worde geheiligd; uw koninkrijk kome uw wil geschiede.
Het is oktober missiemaand.
We worden weer opgeroepen tot solidariteit.
Als wij die durven opbrengen
zullen we anderen tot zegen zijn en hier
en in het hiernamaals gelukkig zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Bavofeest 2015: Een altijd weer nieuw verbond

[print]

27e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Genesis 2, 18-25; Het is niet goed dat de mens alleen is

  • Marcus 10, 1-16; Zij vormen samen één lichaam

Je hebt altijd op deze wereld anderen nodig:
‘het is niet goed dat de mens alleen is’ zegt Jesus.
Hij nodigt de mensen uit tot trouw aan elkaar:
zoals hij zelf trouw is aan zijn levensopdracht.
Jesus begint over trouw te spreken
als hij zelf het besluit heeft genomen op te gaan naar Jeruzalem.

Franciscus, wiens feestdag wij vandaag vieren
-daarom is het vandaag ook dierendag-
Franciscus riep op een dag zijn leerlingen bijeen.
en hij zei: ‘ vandaag ga ik trouwen.’
Grote paniek. Vader Franciscus trouwen.
Maar hij haalde ze gauw uit de droom.
‘Vandaag ga ik trouwen en weet je wie mijn bruid is:
VROUWE ARMOEDE.

Daarmee zei hij iets over zijn roeping
over zijn levensdoel…
arm zijn met de armen.

Het evangelie van Marcus
gaat helemaal over Jesus die trouw is,
Jesus die trouwt.
Maar wie is dan Zijn bruid ?

De bruid heeft een prachtige naam:
Jeruzalem. Om het evangelie van vandaag
over trouwen beter te begrijpen
hebben we daarom dat beginvers van het evangelie
erbij gelezen: Jesus gaat op naar Jeruzalem.
Zijn liefde leidt hem naar zijn levensdoel:
Jesus de bruidegom, Jeruzalem de bruid.

Hij zal zijn leven geven voor de bruid
en velen tot zegen zijn: deze trouwe bruidegom.
Ja, als de Mensenzoon op weg gaat naar Jeruzalem
breekt een nieuwe fase van God toekomst open.
Hij ‘gaat op’ naar de berg waar Abraham eens
zijn zoon naar toe leidde.
Hij ‘gaat op’ om Zijn zending te volbrengen.
En natuurlijk zijn er mensen langs de weg.

De personen en groepen die Hij tegenkomt
zijn geen toevallige voorbijgangers.
Wie het verhaal van Marcus aandachtig leest,
komt tot de ontdekking dat die mensen er moeten staan,
om duidelijk te maken aan de wereld wat hier gebeurt.

De eerste die verschijnt is een Farizeeër,
een man die de Wet van Mozes kent.
En hij begint de bruidegom van Jeruzalem
een kritische vraag te stellen:
een typische mannenvraag.
Hij stelt de vraag:
‘Staat het een man vrij, zijn vrouw te verstoten?’
Een merkwaardige arrogante vraag.
Mag dat nu wel of mag dat niet.

Tot beter begrip:
in een geval van zeer ernstige ontrouw
was het in Mozes’ tijd geoorloofd,
neen niet om een vrouw te verstoten
maar om afscheid van haar te nemen,
haar ‘weg te zenden’. Daar was een heel ritueel bij.
De vrouw kreeg een brief mee
dat haar huwelijksrelatie beëindigd was
voor de eventuele kinderen werden regelingen getroffen
en de omstanders kregen de taak
haar niet haar leven lang met haar falen te achtervolgen.

Jesus corrigeert de schriftgeleerde even
door het woord ‘verstoten’ niet over te nemen
en valt zo niet in de val die ze voor hem hebben gezet maar:
Hij gaat uit van wat Mozes ooit gezegd heeft
maar Hij doet meer!
Hij gaat vertellen wat eigenlijk de bedoeling is
als mensen met elkaar een relatie op gaan bouwen,
of een taak of een roeping gaan volbrengen.
Jesus gaat voor zijn antwoord terug naar het scheppingsverhaal.
Daar staat geschreven dat man en vrouw geschapen zijn
om elkaar tot zegen te zijn.
In bijna alle bijbelvertalingen staat
dat de mens een hulp zoekt en krijgt die ‘bij hem past’.
Dat staat er niet en het is,
als u getrouwd bent,
niet getrouwd met een vrouw of man die ‘bij u past’.
Want dan zou u een saai huwelijk hebben.

Er staat in de bijbel geschreven
dat de mens moet zoeken naar een hulp
OM TEGENOVER HEM (of haar) TE STAAN.
En dat is heel wat anders. In het allerlaatste vers van ons verhaal
-helaas in onze boekjes weer weggelaten- staat
dat man en vrouw beiden naakt waren
maar zich niet voor elkaar schaamden.
Ze durven zich weerloos voor elkaar op te stellen
en hebben geen masker of pantser nodig dat hen beschermt.

Als man en vrouw elkaar echt ontmoeten willen
moeten ze ‘naakt’ tegenover elkaar durven staan:
zich durven tonen zoals ze zijn.
Vrees en schaamte zijn dan niet nodig.

Terug naar Jesus en zijn stad…
Jeruzalem kan zo, volgens Marcus onbevreesd
haar Messias ontmoeten. Ze mag zijn wie ze is.
Hij, Jesus, de ware bruidegom, zal de bruid
die Jeruzalem (namens de mensheid) is
niet wegzenden….Hij zal haar trouw zijn
tot in de dood.
Niemand zal Jesus kunnen weerhouden
de stad binnen te gaan waarover Hij heeft geweend,
zoals een bruidegom weent om zijn bruid of een man om zijn vrouw.

‘Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven
had Hij ons de liefde niet voorgeleefd’
zingt een nieuwe Nederlands kerklied.
Het offer van Gods trouw aan de mensheid
is een trouw die werkelijk eeuwig is,
een trouw die ons aller leven doet veranderen…..

Het gaat dus niet aan
gehuwden wier huwelijk gestrand is
te achtervolgen met de woorden die Jesus uitspreekt:
Jesus spreekt over Gods fundamentele trouw aan de mensen
en – als het even kan – zal dat mensen lukken.

Het is niet dwaas als een bruidegom zijn bruid
trouw belooft tot de dood
-al weet je nooit of dat het huwelijk het zal houden-
het is niet dwaas als een jongeman belooft
priester te zijn zijn hele leven lang
ook al kan ook dat niet lukken.

De hamvraag is dan niet:
‘mag het nou wel of niet: scheiden, uit het ambt treden’
maar hoe kunnen wij elkaar zo goed mogelijk bijstaan
dat wij niet uit elkaars liefde vallen
en hoe kunnen wij elkaar zo goed mogelijk helpen
als wij mensen niet aan de grote idealen
die God ons voorhield en die Jesus voorleefde
toekomen…

Jesus zal zijn bruid (Jeruzalem=de mensheid)
trouw blijven tot het einde toe.
En deze verbintenis heeft toekomst:
de kinderen komen ter sprake, een nieuwe generatie.
Als de leerlingen die bars en wel ook willen wegzenden zegt Hij:
‘laat die kinderen toch bij mij komen,
want aan hen die zijn zoals zij,
behoort het rijk der hemelen.’ En Hij zegende hen.

Zo ontstond er een nieuwe gemeenschap van jong en oud rond Jesus:
de kerk. Die wordt door de apostelen graag
met een lichaam vergeleken: één lichaam, één saamhorigheid.
Wij proberen dat hier gestalte te geven
door samen, gelukkig jong en oud
te luisteren naar Gods woord,
de sacramenten te vieren:
de doop, de Eucharistie,
– niet het sacrament voor volmaakte mensen
maar het brood onderweg voor reizigers
die steun nodig hebben – het huwelijk, de ziekenzalving.
En waar het onze toekomst betreft:
God stelt onze trouw op prijs
maar staat iedere keer weer klaar
om zich met ons te verzoenen.

Wij zijn geen haar beter dan de anderen
maar daar gaat het niet om.
Laten wij ons op dit parochiefeest voornemen
allemaal samen blijmoedige getuigen te blijven
van Zijn trouw die onze trouw verre te boven gaat.
Zijn trouw is niet alleen een trouw ‘tot de dood’
maar zelfs over de dood heen;
wij zijn het werk van zijn handen
Hij zal ons nooit loslaten.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor