• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

27 september: Onverwachte mogelijkheden

[print]

26e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Numeri 11, 25-29; Mozes stelt helpers aan

  • Jacobus 5,1-6; Wee u jullie rijken

  • Marcus 9, 38-50

Het Bavofeest gaan we volgende week vieren we
maar fijn dat we vandaag hier met zo velen te zijn.
Dank aan alle speciale gasten die vandaag wilden komen:
uit Zwitserland om te zingen –een koor uit 742-
en uit heel Nederland om de doop van een jongetje anno 2015 te vieren.
Samen zijn we Gods volk en dan nog wel een volk onderweg.

Dat klinkt gezellig maar het is ook moeilijk.
Kijk naar de joden in de woestijn.
Deze week gaan de joden om daar aan te denken
een week lang in schuurtjes wonen, de zgnm. ‘loofhutten’
om aan die tijd te denken.
Ze waren Mozes gevolgd en op weg gegaan uit Egypte.
Het begin was stralend: vrij zijn is toch geweldig!
De zee was opengegaan vertelt ons de Bijbel
geweldig, samen het nieuwe land tegemoet.
Maar dan valt het tegen. Het moreel zakt:
ja ze gaan zelfs zeggen: ‘waren we maar in Egypte gebleven.’

Het oude Egypte (het slavenland) wordt plotseling geïdealiseerd
‘wij denken terug aan de vis die we in Egypte gratis kregen
(ja in een concentratiekamp, dat wel),
aan de komkommers, de uien en de knoflook.’
Allemaal in het werkkamp dat in hun herinnering een paradijs wordt.
Wat kunnen mensen de werkelijkheid toch verdraaien.
Hier dient krachtig te worden ingegrepen.

Om het volk van de hardleersheid
en het terug verlangen naar Egypte te genezen stelt Mozes 70 helpers aan.
In de tabernakeltent wordt gebeden om de Heilige Geest
(net zoals wij met Pinksteren in deze kerk om de Heilige Geest bidden
en daarna, bij de priesterwijding, vormselplechtigheden enzovoorts).

De 70 slaan aan het profeteren,
ze zijn enthousiast voor hun nieuwe opdracht.
Maar dan gebeuren er vreemde dingen:
er blijken twee mannen te zijn
die helemaal niet bij de kerkdienst in de tabernakeltent zijn geweest en die
OOK OVER DE GROTE DADEN GODS GAAN SPREKEN!
Ze worden bij Mozes aangebracht: ‘wat krijgen we nou,
zomaar mensen die ook goede dingen gaan doen
terwijl wij toch de hitte van de dag gedragen hebben.’
Het lijkt een beetje op dat verhaal van de werkers uit de wijngaard
waarin de mensen die een uurtje hebben gewerkt ook het volle loon krijgen.

Merkwaardig genoeg is Mozes is niet verontrust.
Hij zegt: ‘ik wilde dat het hele volk enthousiast werd
dat ze allemaal profeten zouden worden
en gaan spreken over de grote dingen die God doet.’

Profeten leren ons te geloven in een nieuwe goede toekomst
ook als de omstandigheden daar niet op wijzen
en, een tweede ding:
ze leren je kritisch te zijn, vooral over jou zelf.

Die kritische houding vooral naar onszelf toe is nuttig
en ook moeten we, de Paus gaat ons daarin voor,
goed nadenken over wat er in onze dagen allemaal speelt.

De apostel Jacobus gaat vandaag ook lekker te keer.
Hij heeft zijn pijlen vooral op de rijken gericht:
‘weent en jammert over de rampen die jullie zullen overkomen.’
Moeten wij ons dat allemaal laten welgevallen?

Misschien worden we ook wel eens jaloers
op de goede dingen die er ook buiten de kerk gebeuren
(-niet alle artsen zonder grenzen zijn katholiek,
alle mensen van Amnesty ook niet- ). Jesus sluit daarop aan
als de leerlingen klagen dat er mensen van buiten de eigen kring
Jesus’ naam gebruikten en in zijn naam goede dingen doen:
‘wie niet tegen ons is, is voor ons.’

Aan ons als trouwe kerkgangers worden dan vragen gesteld.
Als de Geest van God toch zomaar wat rondwaait
ook buiten de kerk: wat doen we dan nog hier?
Wat heeft het voor zin om je in te spannen
als God net zoveel van de anderen houdt als van ons?

We zouden Jesus’ les verkeerd begrijpen
als we er uit zouden afleiden dat wij niet meer meetellen:
en het dus helemaal geen zin heeft om te geloven,
of lid van een kerk te zijn en iedere zondag te komen horen en vieren.
Niets is minder waar.

Tot ons wordt uitdrukkelijk gezegd
-wat eigenlijk tot iedereen wordt gezegd- houd vol!
En we worden als kerkgangers
extra duidelijk geconfronteerd met de woorden van God
die ons op onze gezamenlijke menselijke verantwoordelijkheid wijzen.

Alle kritiek die wij van Gods profeten en de apostelen te horen krijgen
wordt tot ons gezegd omdat God weet dat wij,
vanuit ons geloof , een bijzondere taak hebben in deze wereld.

Dankzij dat geloof kunnen wij ook de kracht opbrengen
onszelf te verbeteren
en deze wereld, waar wij zo vanzelf deel van uitmaken
te gaan verbeteren…. ook al zal ons dat energie en geld kosten.

Jesus gebruikt erg krachtige woorden:
‘als uw hand u ergert, hak hem af,’
Daarmee zijn geen enge dingen bedoeld maar zoiets als:
jij zult het met je eigen handen moeten doen:
je zult jouw handen moeten uitstrekken naar je naaste.
Je zult met jouw eigen ogen zijn nood moeten zijn,
je eigen voeten in beweging brengen en naar hem toe gaan.

Het is –ter bemoediging weer- goed
de laatste woorden van zijn toespraak
-helaas hoorden we die niet daarom vertel ik ze even-
‘hebt zout in uzelf en vrede onder elkaar’.
Zout komt straks ook op tafel bij de doop.

We zijn blij met enthousiaste ouders
en met de nieuwe kansen die God ons biedt.
Jesus heeft veel vertrouwen in wat wij allemaal kunnen doen.
Dat zegt hij in Zijn afscheidswoorden die we bij Johannes vinden
een geweldig vertrouwen uit in dat zwakke groepje mensen
dat die net als alle anderen fouten maakt en blundert
als Hij stelt: ‘ jullie zullen de dingen die ik heb voorgedaan na doen,
dezelfde dingen zullen jullie doen, ja zelfs grotere dingen.

Je zou het nu toch weer hoog in je bol kunnen krijgen.
Maar dan geldt:

Het kenmerk van goed christen zijn is echter
de openheid naar buiten toe en de bescheidenheid.
Gods Geest waait waar die wil. Goed om dat in deze tijd te beseffen.

Bij het laatste oordeel vraagt Jesus dan ook niet:
‘was je katholiek’ of ‘was je Bavoparochiaan?’
maar: ‘ik was hongerig, gaf je mij te eten,
dorstig, heb je mij gelaafd; vreemdeling, heb je mij opgenomen.
Het gaat om de daad.

Waar het onze eigen rol als gelovigen betreft gaat het
om de volstrekte eerlijkheid. Als we die opbrengen,
onze eigen fouten zien, zal dat op anderen
toch weer indruk maken. Je merkt dat
omdat ondanks alles wat er zich afspeelt
er toch steeds mensen zijn die katholiek willen worden
of anderen die dat niet willen maar toch zeggen: ‘goed dat er een kerk is.. .’

Ze willen zich aansluiten, -en ze doen dat ook,
dat maken wij als pastores steeds meer mee- .
Dat willen ze niet omdat de kerk zo’n indrukwekkend instituut is
-die tijd is definitief voorbij- ook niet
omdat gelovigen zoveel beter zouden zijn dan anderen
of omdat onze argumenten hen overtuigden.
Maar waarom dan wel?

Omdat de zaak zelf van de gerechtigheid hen interesseert
omdat ze weten dat de wereld zonder vrede niet kan leven
omdat ze beseffen dat hun leven niet zomaar leven is
maar dat ze geroepen zijn terzake van ja en nee;

omdat ze graag willen meelopen in die lange stoet
van mensen van goede wil
die de geschiedenis door willen trekken als mensen van hoop:
een volk van bisschoppen, priesters, religieuzen,
pastorale werkers, mannen en vrouwen
allemaal mensen van hoop als het goed is.

En de allerbelangrijkste noemde ik nog niet:
de ‘gewone’ mensen (tussen aanhalingstekens) die volhouden en helpen.
Kerk zijn wij samen
Gods volk onderweg, de wereld door.

God geve ons de kracht om wakker te zijn en open
om de Geest in ons te laten doordringen
zoals het zout dat alles smaakvol; maakt

De Geest van God bezielt het aardrijk..
de kracht van Gods goedheid brengt tallozen in beweging:
binnen en buiten de kerk. En we hebben elkaar nodig:
Goedwillenden van alle gezindten:

ZO ZAL GODS KONINKRIJK DOORBREKEN
IN ONZE DAGEN als het goed is.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

20 september: Anderen tot zegen zijn

[print]

25e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Wijsheid 2,12-20; De egoïsten

  • Marcus 9,30-37; Jesus’ tweede Lijdensaankondiging

Er is een verhaal in de Griekse mytologie
over de held Hercules die vechten moet met een monster met zes koppen.
Hij is niet bang, hij gaat het monster te lijf met zijn zwaard
maar iedere keer als hij er met zijn zwaard een kop heeft afgehakt
komen er twee nieuwe voor in de plaats. De enige manier om hem de
baas te worden is… hem in het hart raken,
dan is het afgelopen met zijn streken.

De kerken houden vandaag een inzameling
voor de vluchtelingen die over de wereld dwalen.
Het is vreselijk om te zien wat mensen elkaar aandoen
in alle conflicten en oorlogen –we denken daaraan
in deze vredesweek-. Het gevolg: duizenden en duizenden mensen
dwalen verloren rond en zoeken veiligheid en geluk.

We proberen iedere keer iets nuttig te doen:
de ene tiran is weg, een ander nog niet:
de verhouding tussen Rusland en het westen is redelijk
maar hoe lossen wij de grote conflicten op in het middenoosten,
in Afrika of elders… er is nog zoveel te doen.
Maar –en nu begrijpt u waarom ik Hercules aanhaalde-
het ene conflict wordt opgelost, een nieuw conflict doemt op.
Het heeft te maken met de grondhouding
die altijd weer in mensen de kop opsteekt van het egoïstische idee:
IK BEN MIJZELF GENOEG.

De 1e lezing beschrijft dat egoïsme als grondhouding in een prachtige satire:
We lezen in het boek der wijsheid:

De goddelozen zeggen:
‘Kort is ons leven en er is veel verdriet
laten wij daarom zoveel mogelijk genieten
van al het goede dat er is.
Laten we alleen aan ons zelf denken
opdat wij niets te kort komen.
Geen feest mag ons ontgaan,
onze vrolijkheid is ons behoud.
Laten wij alleen aan ons zelf denken
en de rechtvaardigen die het anders zeggen uitdelgen.
Laten wij alleen aan onszelf denken
en de weerloze wegduwen.
Laten we daarom de armen en de rechtvaardigen gaan hinderen,
en geen medelijden hebben met de zwakken
en de weduwe niet ontzien.
Maar vooral de rechtschapene die dat wel doen
moeten wij in de gaten houden
want zij stellen onze levenswijze onder kritiek ‘.

Aldus de redenering van de egoïst.
En is iedereen dat eigenlijk niet van nature ?

Het boek van de Wijsheid gaat verder:
‘Zo redeneren zij maar ze vergissen zich.
Ze hebben geen benul van Gods geheimenissen;
zij weten niet dat vroomheid uiteindelijk beloond wordt
en dat de bekroning volgt.
God heeft de mens immers geschapen
voor een onvergankelijk leven
en heeft hem gemaakt tot een beeld van Zichzelf.’

In duidelijke bewoordingen wordt zo gesproken
over zin en onzin van het leven.

De dwaas die alles najaagt wat hij krijgen kan gaat een heilloze weg.
Het is de oude bekende weg de weg van het egoïsme die… ten dode voert.

Volgens het boek van de wijsheid
voelt de schijnbaar zo sterk in zijn schoenen staande egoïst
zich toch een beetje onzeker. Hij ergert zich anders aan de mens
die op een andere manier leven wil: de rechtvaardige.

Naast alle monsterachtige conflicten die de kop opsteken
zijn er altijd ook weer mensen die leven vanuit de liefde.
Van een joodse psychologe die onderzoek had gedaan
naar kinderen die ondergedoken hadden gezeten
en naar de houding van de ouders die hen gastvrijheid hadden verleend.
Ze zei: ‘de macht van het kwaad is indrukwekkend en groot
de macht van de liefde is veel klein,
heel klein maar wel sterk en doordringend.

Het zou goed zijn als mensen gingen ontdekken
dat niemand leven kan zonder de ander.
Ieder mens is in wezen eenzaam.
Niemand kan in leven kan blijven
als er niet een ander is die zich over hem ontfermt.

Gelukkig zijn ze er altijd geweest, en zijn ze er altijd weer:
mensen die de weg durven gaan met God die hen uitdaagt,
die hen wegroept uit de zelfverzekerdheid die hen uitnodigt om ook zelf
lief te hebben, te troosten, te dienen.

God heeft ooit Zijn volk uit de wurggreep van Egypteland bevrijd
en tot een nieuwe eigen verantwoordelijkheid opgeroepen
door Zijn Wet te geven: Zijn opdrachten.
En daarbij Zijn belofte van trouw en vriendschap
omdat alles, als wij Hem durven dienen nieuw zal worden en beter.

Had God niet tegen Mozes gezegd:
‘je zult niet moorden.’
Niet als een verbod door een tiran opgelegd:
een strenge pa die met zijn vuist op de tafel slaat en zegt: je zult niet…

Maar het is woord van onze Vriend met een hoofdletter ter bemoediging,
een belofte een woord van troost:
aan mensen die hun verantwoordelijkheid durven dragen:

‘Jullie zullen het niet meer doen…
het gaat ooit over dat moorden van jullie
een nieuwe toekomst kan komen; ga je weg met Mij. ’

Het is die weg die Jesus verkondigt.
Het is een weg die niet zo gemakkelijk te volgen is.

Het Marcus-evangelie waaruit we dit jaar lezen
vertelt ons vaak dat Jesus’ leerlingen hem niet goed begrijpen.

Tot driemaal toe kondigt Jesus aan dat de weg die Hij zal gaan
hem heel wat zal kosten. Dat er verzet zal komen tegen Zijn levenswijze
en tegen Zijn woorden; dat de mensen Hem,
-zoals er geschreven stond over de rechtvaardige in het boek der Wijsheid-
liever kwijt dan rijk zijn.

De leerlingen willen daar niet aan.
Vlak voor het evangelie van vandaag horen we Petrus protesteren
als Jesus de eerste maal over Zijn naderende lijdensweg spreekt.

Vandaag horen we de tweede aankondiging en wat is de reactie…
geen interesse. Ze praten gewoon heel ergens anders over;
ze gaan met elkaar ruzie maken over wie er de belangrijkste was.

Jesus vertelt dan dat het in het Koninkrijk Gods
om andere dingen gaat dan daarbuiten.
Belangrijk is hier niet meer je eigen gelijk, laat staan je eigen status
maar of je dienstbaar bent aan de goede zaak.

Om dat te illustreren en de onvolwassen volwassenen te beschamen
haalt Jesus een kind de kring in en richt de volle aandacht op dat kind.

Niet omdat kinderen vertederend zouden en lief
-ze kunnen soms ellendig lastig zijn
(neen ik heb het niet over jullie jongens)
en het bloed onder je nagels vandaan trekken-
maar.. ze hebben geen macht.

Wij worden dus opgeroepen ruimte te scheppen voor de machtelozen.
ja ook zelf net zo machteloos te worden.
De vrede op aarde was al lang een realiteit
als mensen minder eigen pretenties hadden gehad
em er in geslaagd waren ruimte te maken voor elkaar..

Jesus haalde het kind de kring in om ons wakker te roepen.
Zelf werd Hij kind, ik bedoel weerloos.
Zelf deed Hij afstand van alle macht en aanzien
om dienaar te zijn van de mensen.

Die uiterste dienstbaarheid gedenken wij
als wij straks het brood weer breken
en Hem horen zeggen: DIT IS MIJN LICHAAM
dit is mijn leven VOOR JULLIE.

Wie in Zijn voetspoor treedt zal willen dienen en ontvangen.
Hij zal iedere dag veranderen, steeds weer naar anderen luisteren,
goede raad ter ore nemen, van de wijsheid van anderen genieten
en er zijn voordeel mee doen.

De mens die zo leeft kan een nieuwe mens worden,
hij zal anderen tot zegen zijn.
Vandaag wordt een nieuwe mens gepresenteerd:
na een verdrietige maand waarin de twee opa’s van
de nieuw te geborene toen nog, stierven kwam hij in ons midden.
Straks zal ik het de ouders weer vragen:
geloven jullie dat de liefde het kan winnen van de haat
de vrede het zal winnen van de oorlog
en als ze dan voorzichtig antwoorden,
namens ons allen hopelijk: Ja!
dan komt er weer hoop.
Rond het kind in ons midden
gaan we de nieuwe kansen die we hebben zien.
We kunnen het kwade bestrijden
door de liefde, de trouw en de hulpvaardigheid.
Europa kan weer glanzen als wij gastvrij zijn
voor mensen in nood.
De grote rijke buurlanden laten het er lelijk bij zitten…
wat een gemiste kans.
Wij kunnen anders,
wij kunnen het monster van de oorlog in het hart treffen en doden
door het enige echt belangrijke wapen van de liefde.
Dan kan gelden waar het tafelgebed over spreekt:
‘wij danken U voor de verzoening die U tot stand hebt gebracht.
Wij danken U dat alles nieuw geworden is.’

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

13 september: Hij neemt ons voor lief

[print]

24e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 50, 1-9; De knecht van de Heer

  • Marcus 8, 27-35; Jesus’ eerste lijdensaankondiging

Deze week dinsdag is het prinsjesdag:
de regering verantwoordt zich en kijkt naar de toekomst.
We vergelijken de zalen:
de ridderzaal is vernieuwd,
deze kerk is volle restauratie.
In de Ridderzaal schaart men zich rond de koning
hier zitten wij rondom altaar en lessenaar.

Het kabinet heeft het niet gemakkelijk
wat komt er van de grote plannen van vorig jaar terecht?
Ze doen erg hun best al onze brave ministers
ze hebben ook wel christelijke idealen
maar het blijft toch een moeizame zaak
die te realiseren, vluchtelingen bij duizenden.

En de kerk dan? Gaat het daar allemaal goed?

Mensen vragen het wel eens aan mij:
‘ís het niet naar om priester te zijn
en moeilijk voor jullie al die veranderingen.’

Ik aanhoor al die opmerkingen altijd met enige verbazing.
Waarom is dat moeilijk? Alles verandert toch in het leven.
Zou het geloof dan een soort reservaat moeten zijn
waar alles stil is en nooit iets gebeurt?

Ik vind het juist leuk dat alles verandert
maar het heeft mij ook altijd gefascineerd.
Ik kijk niet naar de dingen die mogelijk minder zijn geworden
maar blijf gefascineerd door mensen
die ook nu bezig zijn en blijven met het geloof.

Neen ik bedoel het niet zo vaag als: ík geloof wel in iets.‘
Want zo’n iets kan er zijn of niet zijn.
Dat heeft geen invloed op je bestaan.

Neen ik merk dat mensen allemaal bezig zijn met de grote vragen.
Waar leef ik voor? Heeft het zin dat ik besta.‘
Gisteren klampte mij weer iemand aan:
‘ik wil wat meer weten over het geloof.’
En een jongen die ik regelmatig stiekem de kerk zie binnenkomen:
‘wanneer zijn hier bijbelstudies?”
Eric en ik hebben het druk met de gewone dingen
en niet eens tijd genoeg om aan al die aanvragen te voldoen.

Bijbelstudie, dat doen we hier ook toch een beetje.
Wat geloof ik eigenlijk.
Onze ervaring leerde en leert dat we altijd
dichter bij de kern van ons geloof komen
als we gaan luisteren naar de boodschap van
de oude joodschristelijke geschriften: de Bijbel.
De Bijbel, geen systematisch handboek van het geloof
Gelukkig maar zeg ik, al stelt dat sommige mensen
met een overdreven gevoel voor orde en netheid teleur.
De Bijbel is nu eenmaal geen systematisch handboek
maar een groot en veelkleurig document van menselijk zwoegen,
van angst en twijfel, van mistasten en tot inkeer komen.

Van steeds weer afdwalen maar ook
van steeds weer opnieuw op weg gaan en je aangesproken weten
door de woorden van oudsher,
eigenlijk door die Ene hoofdpersoon van het boek:
God die in gesprek gaat met mensen,
ze roept en uitdaagt om antwoord te geven en hun leven te veranderen.

Het is een groot dramatisch verhaal over een volk
dat in alle verwarring toch wil vertrouwen op Iemand
die ze de ENIGE noemen.
De ENIGE was hun God.

Profeten kwamen het volk daaraan herinneren.
En al gingen mensen vaak aan het dwalen
Hij bleef getrouw. De Bijbel spreekt over onze bruidegom
en wij, zijn volk, zijn dan de bruid.
Onze bruidegom heeft nog nooit scheiding aangevraagd.
Altijd kan er weer een nieuw begin gemaakt worden.

De laatste hoofdstukken van Jesaja, de grootste van alle profeten,
hebben een bijzondere ernstige toon.

Hij beschrijft een man die gemarteld wordt,
de haren worden uit zijn baard gerukt
en hij wordt gehoond en geminacht.

Spreekt Jesaja alleen over zichzelf en schiet hij zo in het zelfbeklag?
Niet alleen. Hij heeft het eigenlijk over alle rechtvaardigen
die gekwetst zullen worden, gemarteld of geminacht
om hun opkomen voor de waarheid.

Zo is deze tekst ook bij uitstek toepasbaar op Jesus van Nazareth
wiens dood en opstanding wij iedere week hier gedenken.

Jesus’ lijden was de consequentie van zijn hele handelen,
Marcus reageert in zijn lessen over Jesus
tegen een in zijn parochie verkeerd begrepen verheerlijkingstheologie
van de Messias (en van de kerk!).
Christen zijn is voor Marcus niet iets om prat op te gaan
maar een levenswijze, een bestaanskeuze.

Het is niet gemakkelijk om christen te zijn.
Om dat te benadrukken wordt Petrus in het evangelie van vandaag
zo bijna onbarmhartig zwak neergezet.
Wist Marcus niet dat Jesus hem had uitgekozen om de kerk te leiden?

Dat Jesus hem dan toch aanwijst als eerste leider van de kerk
is een mysterieuze zaak. Wij zouden anders oordelen.
Wij kijken strenger tegen het kwaad in andere mensen aan.
Zou God dat niet zien?

Integendeel, Hij ziet dat veel beter.
In de Bijbel staat dat Hij harten en nieren doorgrondt.
Hij kent onze diepste bedoelingen maar toch
blijft Hij voor ons, gewone mensen kiezen.

Bent u parochiaan omdat u de heiligste mensen bent
van heel Haarlem? Met alle waardering voor u:
het antwoord is nee. Er zijn mensen die veel heiliger zijn.
En dat geldt ook voor uw voorgangers.
Op priesters en bisschoppen,
diakens en alle kerkelijke actievelingen
ook op organisten en zangers
is heel wat aan te merken.

God kiest gewone mensen als medewerkers,
doodgewone mensen met hun tekorten en hun fouten.

Dat u hier bent betekent dat u een geroepene wilt zijn.
U weet van uzelf dat u fouten maakt
maar u wilt toch horen bij dat grote volk van pelgrims onderweg.

Voor al dat gewone volk geldt dat één heeft gezegd:
ik zal met u zijn.

Nu is Jesus zelf niet meer zichtbaar
in Zijn menselijke gestalte
maar Zijn adem en Zijn kracht zijn nog hetzelfde.

Hij heeft beloofd: ‘ik zal bij jullie zijn’.
‘Ik zal bij jullie zijn’.
Dat geldt voor ons allen hier deze morgen
iedere dag en iedere nacht, al onze levensdagen.

Mogen wij onze geest openen voor zijn woord, voor zijn kracht.
Dan kunnen wij hopen en verwachten.

Dat hopen is niet hopen de honderdduizend te winnen
maar hopen is hopen op die éne.

Hopen is als een schipbreukeling staan op een rots
en wachten en weten dat er een schip voorbij zal komen
waarmee ik gered wordt uit de duisternis
en gebracht zal worden in het licht, van Gods nabijheid,
van Hem die ons aanraken wil en opwekken tot eeuwig leven.

De Heer die veel verdroeg en solidair was met zijn leerlingen
wil ook onze solidaire broeder zijn
in de tekenen van brood en wijn.

Wij gedenken in deze viering zijn offerdood.
En wij vieren ook zijn opstanding.
Hij is de levende in ons midden die ons niet loslaat.
Het komt er op aan dat wij het er met Hem op wagen.
Alleen door alles te verliezen,
ons leven te verankeren in Hem,
vinden wij -volgens het evangelie- de laatste vrijheid
waaraan zelfs de dood niets meer af kan doen.
De echte gelovige kan de ogen sluiten
zich storten in de handen van Hem die heeft gezegd
IK ZAL ER ZIJN.

Samen kunnen wij verder gaan.
Door de dood heen zelfs,
het laatste woord is leven, licht, opstanding,
verrijzenis, onvergankelijke vreugde.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

6 september: Ga open…..

[print]

23e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 35, 1-10; De oren zullen worden geopend

  • Marcus 7, 31-37; Effeta, wordt geopend

Er is enkele jaren terug een film gemaakt in Amerika over Jesus:
daarin horen we alleen de talen die men toen ook
in Israël hoorden:
Oud Hebreeuws in de synagoge,
het gewone Hebreeuws zoals de mensen dat spraken
(ook wel Aramees genaamd)
en ook Latijn, dat spraken, merkwaardig genoeg, de soldaten
en de tollenaars.

Als christelijke bijbellezer kennen we enkele woorden
uit de talen waarin Jesus zelf is opgevoed:
het Aramees thuis en het Hebreeuws in de synagoge.

We kennen allemaal het hebreeuwse begin van Psalm 22:
‘Eli, Eli, lama Sabbachtani’ hét woord van smart en wanhoop:
‘God mijn God waarom hebt u mij verlaten’.

We kennen ook het Aramese TALITA KOEMI, meisje sta op.

Vaak als er hele belangrijke momenten zijn in het evangelie
hoor je opeens zo’n citaat uit de bijbelse oertaal.
Vandaag weer: EFFETA.

Onze Syrische vrienden die jaren geleden bij ons in huis waren
hebben ons toen geleerd hoe je het uit moet spreken:
niet effEta maar Eftah. Eftah, het moet een belangrijk woord zijn
en dat is het ook: GA OPEN.

Het woord dat uit de mond van God heeft geklonken
ooit in het Paradijs toen de Enige zijn levensadem blies
in de uit klei geboetseerde mens: GA OPEN,
laat de Geest van God bij je binnen, LEEF.

‘Efftah’: GA OPEN!

Meer dan een woord dat toevallig gesproken is
tot een dove mens die ze bij Jesus brengen.
Het staat voor de oproep
die we in het Oude en het Nieuwe Testament regelmatig horen:
‘wie oren heeft om te horen: dat hij hore!’
Heel Gods omgang met de mensen is erop gericht
dat mensen zullen HOREN,
zijn woord in zich op zullen nemen.
Is niet het kerngebed van heel de joodse liturgie
het HOOR ISRAËL? Als dat woord klinkt
veert heel de gemeenschap op en gaat staan…

En het gaat dan niet alleen om het ‘horen’
maar het gaat om het horen OM TE DOEN.
Heel Jesus’ leven is er op gericht hoorders te vinden van het woord
die het woord van God, (zijn opdrachten) gaan uitvoeren.

Maar Hij treft -net als alle profeten- veel onbegrip en onwil aan.
Er is dan van een niet kunnen verstaan
is er sprake van een NIET WILLEN verstaan .

Wij kennen daarvoor de
(een beetje discriminerend uitdrukking) Oost-indisch doof.
Jesus merkt dat zijn leerlingen vaak hevig aan die kwaal lijden.

Vandaar dat het heel spannend wordt als Jesus geconfronteerd wordt
met een echte dove tot wie het Eftah klinkt.

Dat woord wordt zo niet alleen tot die ene man gezegd
maar over die ene man heen tot ieder die niet horen kan of wil.
De goede afloop geeft ons hoop.
Er is hier sprake van een doorbraak,
een dove blijft niet doof
dingen die onveranderbaar lijken, veranderen.
Er is bevrijding, vernieuwing!

We horen in de evangelieën spreken over vele wonderen die Jesus doet.
Maar altijd hebben die wonderen een bijzondere betekenis.
Jesus geeft door zijn genezings-wonderen als het ware les.

1 Als hij ziet hoe VERBLIND mensen vaak zijn,
niet WILLEN zien wat er aan de hand is -zoals in het openingsgebed stond- ,
langs elkaar heen blijven lopen,
niet zien wat hun aan goed voorbeeld en inspiratie wordt getoond,
neemt Jesus -om al die mensen te beschamen,
een lichamelijk blinde bij de hand en zegt: ZIE.

2 Als hij ziet hoe de mensen afdwalen van de goede wegen
en zomaar wat ronddwalen neemt Hij een lamme bij de hand
en zegt: STA OP EN WANDEL.
En de lamme wandelt met hem mee en gaat de anderen voor
op de goede weg met Jesus mee.

Maar 3 het teken van vandaag is het allerbelangrijkste teken
wat er gedaan kan worden.
Het gaat om de allernoodzakelijkste,
overal aan voorafgaande genezing die tot stand gebracht moet worden…
anders wordt het niets met Gods Koninkrijk:
het doorbreken van de onwil om te horen.

De beschrijving van dit wonderverhaal
(beter: teken-verhaal) is merkwaardig.
Het is net of Jesus er veel meer moeite mee heeft om dit teken te doen
dan alle andere genezingen: Jesus zucht er van.

Was Hij dan niet machtig en vol van Gods kracht
om grote dingen te doen?
Dat was Hij en dat is Hij nog.
Maar er is één ding waar zelfs God moeite mee lijkt te hebben
en dat is het binnenkomen in het hart van de mens.

God is almachtig en alwetend…
dat hebben we allemaal geleerd in de catechismus vroeger
en de mens is dat niet.
Toch is er één ding dat God niet kan:
de beslissing overnemen van de mens zelf
om met Hem in contact te willen komen,
de woorden te horen en ze te gaan doen.

God kan aan de deur kloppen bij het mensenhart,
en dat doet Hij ook.
Hij kan signalen geven, heel duidelijk soms.
Maar de knop om de deur van het mensenhart open te maken
ZIT AAN DE BINNENKANT
en er is er maar één die de deur open kan doen, de mens zelf.

Deze maand wordt het joods nieuwjaar gevierd.
Dan zal er op de ramshoorn worden geblazen
OM AAN HET BEGIN VAN HET NIEUWE JAAR
ONZE OREN OPEN TE BLAZEN VOOR GODS WOORD
is de uitleg van dit gebruik.
En dan zal weer het grote gebod klinken HOOR ISRAËL.

In het Marcus-evangelie gaat dat aan de christelijke grondwet vooraf.
We zullen het over enkele weken horen.

Van Maria wier geboortedag wij deze week vieren
is het antwoord bekend:
MIJ GESCHIEDE NAAR UW WOORD.
Geen slaafs antwoord maar een bereidheid om mee te doen
met wat God van ons aan actie vraagt.

II. Als de mens zich werkelijk zo wil bekeren
naar God toe kunnen er grote dingen gebeuren,
dan kan de wereld nieuw worden..
dan kan de vrede doorbreken en de aarde bewoonbaar zijn voor allen.
Een groots visioen opent de profeet Jesaja
voor onze ogen en oren in hoofdstuk 31.

We horen spreken over een woestijn
die zal opbloeien als een bloem,
– over mensen die eerst met knikkende knieën hun weg gaan
maar die kracht krijgen om met God te wandelen.
– Over mensen die radeloos zijn maar die moed krijgen
om weer verder te gaan. En dan klinkt als het triomfantelijke:
‘de ogen van de blinde gaan open,
de oren van de dove worden geopend, de stomme zal het uitjubelen
en de kreupele zal springen als een hert’.
Precies de dingen die in het evangelie van Marcus
allemaal beschreven worden.

Een goede nieuwe toekomst komt in zicht.
Er komt een doorbraak;
Jesus maakt het schijnbaar onmogelijke mogelijk:
mensen gaan zich openstellen voor God.

De dove uit het evangelie is genezen en kan weer horen:
nu is het wachten op de genezing van alle anderen
die niet willen horen, van onszelf misschien?

Samen zijn wij geroepen antwoord te geven
op de uitnodigingen van God,
samen verantwoordelijk voor het grote werk van God,
die middels zijn zoon heeft gezegd: Effeta, ga open.

Dan geef ik jou mijn woorden van troost om je te sterken,
ik geef je mijn heilige Geest om overeind te blijven
en je zult die woorden,
tot zegen van velen,
volbrengen.
En je zult het met Mij als Supporter, heel goed doen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

30 augustus: Dienen in waarachtigheid

[print]

22e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Deuteronomium 4, 1-8; Geen volk was God zo nabij

  • Marcus 7, 1-8, 14-15, 21-23; Vuile handen

Een van de beklemmendste na-oorlogse romans
is de roman van de Franse schrijver-filosoof Sartre;
die roman heet: ‘les mains sales’, vuile handen.
Het schijnt nu eenmaal bij mensen te horen
dat ze wel veel goede bedoelingen hebben
maar altijd schieten mensen weer tekort, ze maken ‘vuile handen’.

Ontstaat daarom misschien
de kwaal van smetvrees,
mensen die iedere keer opnieuw
hun handen wassen:
ik heb iemand gekend
wiens handen helemaal kapot waren gegaan
van het iedere drie minuten opnieuw wassen.

In Sartre’s roman gaat een man
die aan die schuld lijdt
in geestelijke zin
kapot, volkomen ten onder.

De Farizeeën immers, en al de joden,
eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben,
daar ze vasthouden aan de overlevering van de vaderen
‘;
zo lazen we in het evangelie vandaag.

Het klinkt bijna als de aantekening van een ontdekkingsreiziger
die bij een vrijwel onbekende volksstam terecht is gekomen.
Vroeger konden missionarissen ons zo prachtig vertellen
over de vreemde wereld die zij gezien hadden.

Al die dingen zijn boeiend en hebben ook een zin;
ze verwijzen ergens naar
en hebben te maken met de manier
waarop mensen in het leven staan.
Er wordt iets belangrijks verteld en doorgegeven:
niet in woorden maar in gebaren en tekenen,
een onhoorbare taal.
Bijna altijd komt daar – ook vandaag weer-
water aan te pas.
Water waarmee handen en hoofd
en soms het hele lichaam gewassen worden.
Er zijn vele rituelen met water,
denk maar aan de doop, aan het wijwater,
aan het Lourdes-water.

Het is niet voor niets dat we deze dingen doen
en dat ons deze vrome gebruiken wordt verteld.
Het heeft te maken met de levensstijl van een volk.

En vandaag gaat het om een heel bijzonder volk:
Israël, een volk dat, volgens de eerste lezing,
een hele directe omgang had met God.
Welk volk heeft ooit zo direct met God omgang gehad
en zulke prachtige voorschriften gekregen
‘ (Deut.4,7-8).

Het hele leven staat onder de koepel
van dat vriendschapsverbond met God.
Zo moet je al deze wetten en wetjes begrijpen.
Geloven is niet alleen iets
wat zich in het diepst van ons wezen afspeelt
maar je moet het ook kunnen zien.

Het evangelie van Marcus vertelt over de discussie van Jesus
met de omstanders over de zin en onzin van die joodse regels.

De zin is dat ze de mens verwijzen
naar een innerlijke levenshouding,
een beschikbaarheid voor God en voor de naaste.
Zo zijn de wetten en regels zinvol.
Voor de mens die beseft dat hij tekortschiet,
dat hij (om met de grote schrijver en filosoof Sartre
te spreken)
net als allen vuile handen heeft
is het zinvol als hij zijn handen ritueel wast.

Maar als dat innerlijke verstaan wegvalt?
Als je leven niet gericht is
op echtheid en trouw
op een goede band met de Partner met een hoofdletter,
de God van Israël en Zijn Verbond
dan wordt het goed-bedoeld leeg ritueel,
vormendienst zonder inhoud
– bij sommige farizeeën was dat het geval –

of het wordt een aanfluiting
Pontius Pilatus is daar een voorbeeld van:
was het nu hulpeloosheid die hij tentoon spreid
of heiligschennis?
In het laatste geval is het een belediging van de menselijkheid
en van God van de mensen
en is het een zonde, een doodzonde zou ik zeggen.

Jesus zegt:
‘het gaat om de innerlijkheid,
kies toch voor de echtheid
voor een eerlijke open relatie met jouw God.

De man van Nazareth wekt alle vrome mensen
en alle anderen die denken dat ze zomaar wat raak kunnen leven
als alleen maar de buitenkant, de schone schijn bewaard blijft.

Als er van de kant van farizeeën en schriftgeleerden
een aanmerking komt op de schijnbare onzorgvuldigheid
van Jesus’ leerlingen en Jesus zelf
ten aanzien van de joodse wetten
biedt Jesus geen excuses aan.

Hij valt uit:
hoe juist heeft Jesaja over jullie huichelaars geprofeteerd:
dit volk eert mij met de lippen maar hun hart is ver van Mij.
Zij eren Mij maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren
Jullie laten het gebod van God varen
en houdt vast aan de overlevering van mensen alleen
‘.

Zie je wel, Jesus moest ook niets hebben
van al die traditie en ceremonieën en oude gebruiken…

zegt de luisteraar die maar met een half oor luistert.
Die moet dan wel even bedenken
dat Jesus zelf toch ook is gaan staan
– om even één voorbeeld te noemen van onderworpenheid aan een ritueel –
in de lange rij van mensen die aan de Jordaan stonden te wachten
om door Johannes helemaal schoon gewassen te worden.

Ja, Hij heeft zelf ook een ceremonieel nagelaten
aan zijn leerlingen bijvoorbeeld toen
Hij zelf de voeten waste van zijn vrienden
en aanbeval om dat te blijven doen om aan het te denken
en toen Hij het brood en de beker nam
en zij dat ze dat altijd tot zijn gedachtenis
moesten blijven doen.

We kunnen niet zonder symbolen en zonder riten,
wij zouden toch dat ritueel niet kunnen missen
wat wij -in tegenstelling tot de voetwassing-
trouw iedere zondag voltrekken met brood en wijn?

Waar wij geen woorden hebben
of er niet toe kunnen komen
nemen wij onze toevlucht -terecht-
tot een ritueel.
Dat is onze kracht, dat houdt ons bijeen.

Daarom zegt Jesus ook
wie ook maar een van de geringste van de geboden afschaft
en ze zo aan de mensen leert,
zal de kleinste zijn in het koninkrijk der hemelen.

De geboden moeten worden gedaan,
de liturgie gevierd
van zondag op zondag
met de allergrootste zorg
en we proberen dat hier en in alle andere Haarlems kerken
en we moeten dat blijven doen…

Maar wel kritisch op onszelf:
geloven vraagt om een echte inzet van je hele persoon.
De mensen zullen het aan jou moeten kunnen merken dat je gelooft.

Ze mogen het gerust weten, dat je je kind laat dopen,
of dat je iedere zondag naar de kerk gaat.
Het is uitstekend om voor de kerk te trouwen
en zo iedereen te laten zien
dat het geloof voor jou nog iets betekent…

Het is uitstekend om theologie te gaan studeren
te kiezen voor dienst aan de kerk als priester of diaken
maar we zullen beoordeeld worden op de innerlijkheid,
op de ernst waarmee wij ons geloof dragen
en de steun en de troost die wij anderen,
uit de kracht van ons geloof,
kunnen en willen geven.

Zo en zo alleen bouwen we aan het Koninkrijk van God
en wassen we onze handen werkelijk schoon
door de trouwe, liefderijke dienst aan Hem
en aan onze naaste.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

23 augustus: Tot solidariteit geroepen

[print]

21e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jozua 24,1-2,15-18; Nooit zullen wij de Heer verlaten

  • Efeziërs 5,21-32; Dienstbaar en vol liefde

  • Johannes 6,60-69; Dit woord is hard

De Eucharistie is het grote mysterie dat wij iedere week vieren
en altijd weer in zijn diepste betekenis overwogen mag worden.

We lazen nu vijf weken lang
uit een van de meest diepzinnige hoofdstukken
van de Bijbel: Johannes’ zesde hoofdstuk.

Het speelde ná de wonderbare broodvermenigvuldiging.
Na dat bijzondere teken volgt Jesus’ lange toespraak
waarover Johannes, de jongste leerling ons schrijft.

Hij haalt daarbij de oude verhalen
uit de Wet van Mozes en de profeten in herinnering.
Het verhaal over de joden die morden in de woestijn
en toch het Manna troffen om zich mee op de been te houden.
Iedere dag voldoende.

We horen ook het verhaal over de profeet Elia in de woestijn
die ontmoedigd was en niet meer wilde leven:
hij zei dat met even zo veel woorden tegen God.
‘Het wordt mij teveel, Heer, laat mij maar sterven’.
In het verhaal wordt hij door een engel aangestoten
die zegt: STA OP EN EET!
En er kwam weer leven in zicht: Elia staat op en eet
en ‘gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en veertig nachten
tot hij de berg van God bereikte’.

En dan nu als eerste lezing het verhaal van Jozua die zijn mensen toespreekt
die enthousiast reageren: ‘nooit zullen wij de Heer verlaten.’
Ik kom er straks op terug.

We lezen vandaag voor het laatst dit jaar uit Johannes 6
en horen de slotregel:
‘ willen jullie soms weggaan?’.
Waarom zo’n cru slot?
Het is omdat Jesus gezegd had:
WIE MIJN VLEES EET ZAL LEVEN.

Al het vorige was bedoeld om bij deze conclusie uit te komen:
WIE MIJN VLEES EET ZAL LEVEN.
En dan moeten we toch iets uitleggen.
Het woord dat voor ‘eten’ wordt gebruikt
klinkt in de grondtekst nog erger dan in het Nederlands.

Er wordt voor het eten een woord gebruikt
dat alleen maar wordt gebruikt
als er gesproken wordt over een roofdier
dat zijn prooi verscheurt.
Letterlijk vertaald staat er dus:
‘WIE MIJN VLEES VERSCHEURT ZAL LEVEN.’
Allicht dat de hoorders van Jesus’ woorden schrokken.

Maar het staat er niet voor niets zoals het er staat.
Er wordt door dit afstotende woordgebruik
naar een geheim verwezen.
Het geheim van Jesus’ dood!

Deze mens zal immers worden vernietigd,
door zijn vijanden,
als door roofdieren worden verscheurd.

Dat zal de uiteindelijke aanstoot zijn
de ergernis waar velen niet tegen zullen kunnen.

Toen Jesus begon te preken waren vele reacties weliswaar afwijzend
maar ze bleven nog binnen de perken.
Vele hoorders geloofden Hem niet en zeiden:
‘Is dit niet Jesus, de zoon van Jozef?’
Ze geloofden niet dat deze mens van betekenis kon zijn
voor hun eigen leven,
ze geloofden waarschijnlijk helemaal niet
dat een ander mens voor hen belangrijk kan zijn.
Maar dan wordt het 6e hoofdstuk van Johannes
besloten met die wrede tekst die ik u net uitlegde.

De mensen die Jesus’ woorden
over het brood van de Eucharistie voor het eerst hoorden
zijn verbijsterd, geërgerd, ja woedend:

‘Dit woord is hard, wie kan dit aanhoren’.

Dramatisch is het besluit van Johannes’ 6e hoofdstuk:
‘ten gevolge hiervan trokken velen
van Zijn leerlingen zich terug en verlieten het gezelschap’.

Wij stellen ons dat graag anders voor.
Jesus sprak en iedereen was enthousiast.
Zo was het allerminst.
Het woord van Jesus was hard,
zijn getuigenis was een ergernis.

Het is ontroerend te horen hoe braafjes
alle volgelingen van Jezus’ naamgenoot Jozua
(de opvolger van Mozes)
zeggen dat ze alle woorden van God
die ze gehoord hebben zullen doen.
Hun aanhankelijkheid aan de Heer is opvallend:
‘nooit zullen wij de Heer verlaten’.

Het overtuigt echter niet helemaal:
het klinkt een beetje als een klein kind
dat zegt dat het nooit
het huis van zijn vader en moeder zal verlaten.

We weten dat de geschiedenis van God met de mensen
ons andere dingen te zien heeft gegeven.
Het zal de volgelingen van Jozua, van Mozes indirect,
niet meevallen trouw te blijven aan hun roeping.
En dat hoeven wij hen niet te verwijten:
mensen, alle mensen, ook wij
balanceren nu eenmaal tussen trouw en ontrouw.
We willen het goede maar we doen vaak het kwade.

Wat moeten wij dan met de roerende aanhankelijkheidsverklaring
die de volgelingen van Jozua ten beste geven?
Antwoord: beseffen dat alle menselijke goede wil
zijn waarde heeft. Maar dan alleen
omdat er een Ander is die alle menselijke goede wil aanvaardt
en ondersteunt: de Ene ware God
die zelf werkelijk trouw is
en het werk van Zijn handen niet los laat.
Hij kan de mensen niet eens loslaten
al zou Hij dat (bij wijze van spreken) willen.

Samen zijn wij kerk in deze parochie…
Het is goed dat wij steeds
tot de orde geroepen worden rond het woord van God.
Hij is degene die trouw is en het werk van Zijn handen niet loslaat.
Dat is de zekerheid waarop ook wij kunnen bouwen.

En dat vonden wij ook in Jesus’ toespraak al aangegeven:
‘Denk eraan’ -lijkt Hij ons te zeggen-
‘zoals je brood nodig hebt iedere dag opnieuw,
zo wil ik in het teken van het brood duidelijk maken
dat het echte leven de verbondenheid is met mij
en de Vader met wie ik één ben.

Als je bij deze God wil horen zul je zelf ook veel moeten verlaten:
je zelfverzekerdheid moeten prijsgeven, moeten lijden met de lijdenden,
alleen zijn met de eenzamen, solidair zijn met de mensen die die solidariteit nodig hebben. Actie is dus geboden,
Eucharistie vieren is geen vrijblijvende zaak,
we worden gesterkt maar vooral roepen tot solidariteit
met alle mensen in nood. We herinneren we ons nog hoe
enkele jaren terug onze joodse medeburgers herdachten
hoe zeventig jaar geleden hier op de westergracht
hun medejoden werden bijeengedreven en afgevoerd naar de kampen.
We hebben toen onze solidariteit laten zien door met hen mee te lopen;
rabbijn Spiro heeft gezegd dat hij dat erg op prijs stelde.
Dat was in 2002. Maar ook in deze dagen worden we opgeroepen
onze Heer te volgen in zijn dienstbaarheid en liefde voor onze naasten.

En Paulus roept ons op tot dienstbaarheid aan elkaar
(de vertaling ‘onderdanigheid’ is slecht) maar vooral
(en dat zegt hij dan tegen de mannen) veel van elkaar te houden:
evenveel als Christus van zijn Kerk (zijn mensen) houdt nota bene!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

16 augustus: Nabijer kan niet

[print]

20e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Spreuken 9,1-6; De zeven zuilen

  • Johannes 6,51-58; Mijn vlees is waarlijk spijs

In de oudste tijden van de kerk is er veel discussie,
zeg maar strijd over gevoerd. Waarover?
Over hoe het nu mogelijk was dat Jesus werkelijk mens was
én tegelijkertijd zoon van God.

Bekend is het verhaal dat in Efese aan de Bosporus in het huidige Turkije,
waar een van de oudste concilies van de kerk is gehouden over deze kwestie de visverkoopsters op de markt elkaar met rotte vissen om de oren sloegen:

‘Jesus was zozeer mens dat hij onmogelijk God kan zijn….’
zei de ene richting. En de andere:

‘Hij was zo zeer God dat hij onmogelijk echt mens heeft kunnen zijn:
hij had een schijnlichaam.’

We kunnen ons nu deze volkse theologische discussie
op de markt niet meer voorstellen
toch ging het toen over wezenlijke dingen:
is God werkelijk zo dichtbij gekomen
dat Hij mens werd in de gestalte van zijn zoon?

Het antwoord van het Concilie was:
Hij was én volledig mens, én volledig God.

Dat lijkt een goedkope oplossing
maar getuigt van grote diepzinnigheid:
God is werkelijk mens geworden.
‘Gods wijsheid heeft’, zoals de eerste lezing dat zei:
‘zijn huis onder de mensen gebouwd’,
Hij zal nergens anders meer te vinden zijn dan in de mensen.
En in Jesus is Hij, in lijf en leden
de mensen werkelijk nabij geweest.

Hij heeft pijn gehad met mensen die pijn hadden;
mensen hebben zich ook aan hem vergrepen
en zullen zich aan hem blijven vergrijpen.
Hij heeft pijn gehad met die pijn hadden.
Hij had dorst met de mensen die dorst hadden
en honger met die hongeren:
verdriet met die verdriet hadden
en vreugde met wie vreugde hadden.
Hij was nabij, dichtbij…..
en Hij is dat nog vertelt de oude goede katholieke leer.
Hij heeft zijn woonplaats bij de mensen en nergens anders.

Dat wordt bedoeld als Jesus zegt:
‘Mijn vlees is waarlijk spijs. Het klinkt vreemd in onze 21e eeuwse oren.
Maar het is een prachtige manier van spreken.
Met ‘VLEES’ is dan Jesus’ aardse verschijningsvorm bedoeld: zijn lijf.

Jesus is geen spookverschijning,
een geest die je eigenlijk niet mag aanraken.
‘Hij is vlees geworden uit de maagd Maria’
zingen we altijd weer in het Credo
en we buigen ons hoofd, als mensen een beetje verlegen
met zoveel aandacht van Godswege.

In zijn kerstevangelie zegt Johannes het nog mooier:
‘Het Woord van God is vlees geworden
en heeft zijn tentje bij ons opgeslagen.’
– en iedereen die op vakantie in een tentje heeft geslapen
tijdens een onweer weet hoe kwetsbaar dat is -.
Deze vleselijk nabije mens is medereiziger geworden
ja, het staat er nog sterker:
‘Hij is brood geworden voor onderweg.

Je zou het leven van Jesus van twee kanten kunnen belichten.

a) Wij noemen Hem het Woord. Dat is Hij, dat was Hij.
Hij probeerde door Zijn woord
de gesluierde geest van mensen open te breken
licht te brengen opdat ze de waarheid zouden zien en vinden.
We mogen dankbaar zijn voor dit woord, dit onderricht, zijn openbaring:
de bergrede met alle dingen die Hij ons leerde.
Zijn keuze voor de armen, de bedroefden, de weerlozen.
Hij was leraar, de leerlingen luisterden
en werden aangesproken door wat Hij hun aanzegde…
Hij gaf ons het brood van zijn woord.
Maar dat woord van God is niet alleen maar woord
het is ook vlees geworden. Hij gaf ons nog meer:

b) Hij heeft ons niet alleen woorden van leven gegeven
maar is zelf bron van ons leven geworden. Hij is het levende brood.

Hij heeft zijn leven
op een hele wonderlijke wijze beëindigd.
Dat was toen hij het paasmaal vierde
en toen Hij de Matze, het paasbrood ophief zei:
‘dit is mijn lichaam’. En toen daarna zijn vrienden de beker aanreikte
en zei: ‘dit is het nieuwe Verbond in Mijn bloed’.
Hij gaf toen aan tafel, de laatste avond dat Hij nog leefde, zichzelf cadeau.

Als een predikant het woord doorgeeft
staat door nog steeds predikant zus of zo
maar als hij het teken stelt
dat Jesus voordeed is Jesus zelf daar.

Dat teken van die nabijheid,
dat Hij een broer van ons wilde zijn,
heeft Johannes op een wonderlijke wijze toegelicht.
We horen Jesus al in het begin van zijn openbare leven zeggen:
‘ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’
en ‘mijn vlees is waarlijk spijs’ en
‘mijn bloed is waarlijk drank’.

Het klinkt wat vreemd en grofstoffelijk
maar bedoeld is zijn TOTALE ZELFGAVE
HIJ WIL ALLES, MAAR DAN OOK ALLES ZIJN VOOR ONS.

De rijkdom die ik u probeerde uiteen te zetten
overwegen en vieren wij van week tot week
in de beide delen van de Eucharistieviering die onmisbaar zijn:
Woord en Sacrament.

We zijn nu bezig met de dienst van het woord.
We staan nu in de verkondiging.
Het geheim van God met de mensen wordt duidelijk gemaakt
met woorden, onze woorden, mensenwoorden, mijn woorden.

Maar gelukkig, mocht ik tekort schieten,
en dat doe ik, trouwens woorden schieten tekort,
het verhaal is daarmee niet af.

Het verhaal wordt niet door ons voltooid
maar door de Heer zelf als wij straks in de Eucharistie
de serieuze woorden uitspreken
DIT IS MIJN LICHAAM, DIT IS MIJN BLOED.

Het is dat brood dat mensen op de been houdt, al eeuwen lang.
Mensen van goede wil van alle eeuwen,
(heiligen of/ en gewone mensen)
hebben van die nabijheid, van zijn trouw aan ons
hun niet altijd gemakkelijke levensweg volbracht.

Ze hebben geleefd en volgehouden omdat ze wisten van
Zijn uiterste solidariteit met ons, als mens onder de mensen,
zijn leven, zijn lijden, zijn sterven en Zijn dood voor ons.
De solidariteits- dood die duisternis en wanhoop overwon.

In het evangelie van vandaag zegt de Heer tot ons:
denk eraan…
zoals je brood nodig hebt iedere dag opnieuw,
zo wil ik in het teken van het brood duidelijk maken
dat het echte leven de verbondenheid is
met mij en de Vader met wie ik één ben.

Er is een andere dood die de onze niet mag zijn.
De definitieve dood van hen die zich losgerukt hebben
uit de verbondenheid met Hem en Zijn Gerechtigheid…
Zo ver mag je het niet laten komen:
‘kom dichterbij’ zegt Jesus:
‘wie dit brood eet zal in eeuwigheid niet sterven’.

Deze zondag leunen wij nog een beetje aan tegen de bijzondere feestdag
-gisteren, 15 augustus, van Maria ten Hemelopneming:
de feestdag ter ere van een vrouw
die als gelovige joodse vrouw het verhaal kende
over God die met de mensen meeging.
Die er weet van had dat God ons leidt naar het eeuwig leven.

Maria,
een mens met wie God werken kon, een mens die God vernieuwen kon.
Als wij over haar nadenken over haar opname in de hemel
is dat niet om te zeggen: ‘tjonge, tjonge wat een bof voor Maria’
maar om te beseffen dat God ook ons leven vernieuwen wil.
Wel vraagt Hij dat wij eerbied hebben voor elkaar
en ook opkomen voor elkaar.

Het dogma van Maria werd afgekondigd halverwege de 20e eeuw:
-er is geen eeuw geweest waarin zoveel mensen vermoord zijn:
1e wereldoorlog, Russische revolutie, 2e wereldoorlog
de moord op de 6 miljoen joden, koloniale oorlogen enzovoort.
De verkondiging dat Maria als ene mens ten hemel opgenomen is
met lichaam en ziel is een protest
tegen de onzorgvuldige omgang met het leven.
God zorgde voor die éne mens Maria bijna overdreven attent
zo wil hij ook zorgen voor u en voor mij.

Wie mij vasthoudt zal leven.. zegt Jesus.
Niemand van ons ontkomt aan de lichamelijke dood.
Maar die dood is de angel uitgetrokken.
Die dood heeft geen macht meer. Het leven blijft in mij.

Hij blijft in ons en wij in hen.
Het sterven naar het lichaam
kan dan alleen maar gevolgd worden door de definitieve bevestiging
van Zijn aanwezigheid in ons bestaan, van zijn weergaloze trouw…

‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt
zal in eeuwigheid niet sterven’.
Hij zegt tegen ons allen:
‘ik zal met jullie zijn alle dagen tot het einde: je zult leven!’

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

9 augustus: Houd vol!

[print]

19e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 1 Koningen 19,4-8; Elia wordt bemoedigd

  • Johannes 6,41-51; Ik ben het brood des levens

Wat gebeurt er toch veel in onze parochie!
Er hebben zich weer bruidsparen gemeld
heel serieus zijn ze zich aan het bezinnen op hun levensopdracht.
Vandaag heb ik twee ziekenzalvingen toegediend:
mensen in moeilijke dagen in hun leven
omringd door familie en vrienden bidden om steun
en krijgen die van elkaar maar dat is niet genoeg
samen kunnen ze niet zonder de kracht van God.
We denken na over vragen als:
heeft het zin dat ik besta? Waar leef ik voor?
En iedere keer vinden we –merkwaardig genoeg-
weer steun in de oude verhalen van de Bijbel.
De Bijbel, geen systematisch handboek van het geloof
Gelukkig maar zeg ik, al stelt dat sommige mensen
met een overdreven gevoel voor orde en netheid teleur.
De Bijbel is nu eenmaal geen systematisch handboek
maar een groot en veelkleurig document van menselijk zwoegen,
van angst en twijfel, van mistasten en tot inkeer komen.

Van steeds weer afdwalen maar ook
van steeds weer opnieuw op weg gaan en je aangesproken weten
door de woorden van oudsher,
eigenlijk door die Ene hoofdpersoon van het boek:
God die in gesprek gaat met mensen,
ze roept en uitdaagt om antwoord te geven
en hun leven zinvol op te bouwen en -indien nodig- te veranderen.

Het is een groot dramatisch verhaal
over een volk dat in alle verwarring
toch wil leven vanuit het echte,
vanuit het geloof dat het voor Iemand staat
die ze de ENIGE noemen.

Een bladzijde uit dat goede oude boek die wij vandaag opsloegen
gaat over een mens die probeert met God te leven.
ELIA was zijn naam.
Zijn naam betekent: GOD IS VOOR MIJ DE ENIGE…
Dat mag waar zijn maar voor hem was dat niet altijd even duidelijk.

Hij ligt in het verhaal van vandaag
onder een bremstruik te slapen.
Hij heeft zijn best gedaan.
Hij is opgekomen voor de naam van God.
Hij heeft , met enig succes, de valse profeten van zijn dagen,
de Baälspriesters bestreden.

Maar in plaats van dat de God die hij zo trouw gediend heeft
hem nu een veilig een rustig bestaan levert
is zijn leven nu in gevaar.
Hij is op de vlucht voor koningin Izebel en Achab
die in Samaria de dienst uitmaken
en dat
-ondanks alle tekenen die Elia namens God heeft mogen tonen,-
op hun eigen slechte wijze willen blijven doen…

Alles gaat, zoals dat wel vaker gaat op deze wereld…
gewoon op de oude voet door…
wat er ook voor krachtige en authentieke goede verkondiging
mag klinken van de kant van de profeten
of andere geïnspireerde goede mensen.

Elia wil het opgeven:
het heeft geen zin meer… en hij heeft geen zin meer.
Hij wil liever sterven in zijn slaap
en niet langer profeet meer zijn.
Een herkenbaar gevoel:
‘ik zie het niet meer zitten’
is de vreselijke uitdrukking die mensen dan gebruiken.

In het verhaal gebeurt er dan iets heel merkwaardigs.
Hij wordt in zijn pessimistische zwartgalligheid
en in zijn zelfmedelijden gestoord.
Hij mag niet rustig kwaad liggen te zijn,
hij mag niet blijven verlangen naar de dood…
Hij wordt wreed gestoord in zijn gebrek aan vertrouwen in de toekomst
-net als Jona die gepreekt had in Ninive
en geen enkel vertrouwen had
in het succes van zijn woorden.

Een bode van God stoot Elia aan.
En als hij zijn ogen opslaat
staat aan zijn hoofdeinde een kruik met water en een brood.
‘Sta op en eet’ luidt het bevel !

Door de engel Gods opgejut
staat hij op en eet en hij zal daarna
-volgens dit prachtige verhaal-
veertig dagen lopen door de kracht van dit brood gesterkt
om te komen tot aan de berg van God, de Sinaï.

Het brood om weer op weg te kunnen gaan
werd hem van Godswege aangereikt.
Brood betekent hier: een teken van
de volstrekte solidariteit van God met de mens onderweg.
God is niet alleen de God van het leven na de dood
maar ook nu al onze Herder.
Er is niet alleen maar een fraai einddoel van ons leven
(in het verhaal de berg van God)
maar we worden ook onderweg regelmatig ‘opgepept’.

Het einddoel is zo ver
en de weg daarheen is lang en moeizaam
en voor mensen onderweg is de bekoring groot om af te haken:
‘laat mij slapen onder de bremstruik,
laat mij maar met rust’.

Deze week vrijdag vierden we in onze kerk
het feest van Jesus die zijn vrienden bemoedigt op de berg Tabor.
Hij wist dat zijn weg een weg was naar de aardse dood.
Dan neemt Hij ze mee een berg op
en daarboven gebeurt het: stralend licht
en Hij spreekt met Mozes EN MET ELIA!
Waarover? Dat vertelt alleen Lucas:
over zijn uittocht, zijn doortocht door de dood
zijn voorgaan naar het nieuwe leven.
Dit lichtvisioen duurt maar eventjes,
als de leerlingen tenten willen bouwen voor Mozes en Elia
is het afgelopen. Het wordt weer donker
en ze moeten alleen met Jesus verder
maar alles is toch anders.

Elia hoorde: ik ben bij je
wij horen deze zondag

IK BEN HET BROOD DES LEVENS.

II. IK BEN HET BROOD DES LEVENS….
Hij, de Zoon, Jesus van Nazareth,
roept niet alleen maar wat mooie woorden uit.

Hij wijst niet alleen door prachtige adviezen de weg
zoals wijze goeroes dat ook zo prachtig kunnen
maar op de lange tocht is Hij ZELF dichtbij
als het brood dat je opeet en in je opneemt.

Het is moeilijk om je een voorstelling te maken
van die innige nabijheid.

Het lijkt op de nabijheid van een vriend of vriendin
die achter je staat: die je leven leefbaar maakt
en die de gewone weg van dag tot dag glans verleent.
Maar de vriend of de vriendin blijft toch ook een ander,
een vreemde. Hij/zij heeft een eigen gedachtenwereld,
eigen zorgen en verwachtingen.
Je kunt je naaste heel nabij komen
maar tot het diepste in de andere mens heb je geen toegang.

Als het over Jesus (die ons levensbrood wil zijn) gaat
is dat anders.
Hij ziet mij aan met het oog van de Schepper,
Hij kan doordringen tot op het punt waarop mijn bestaan begint.

Hij heeft niets achter gehouden,
Hij gaf Zichzelf voor het leven van de wereld.
Niets leidt Hem af:
Hij kan totaal aanwezig zijn in ons bestaan
zonder enige beperking.

We kunnen ons eigen leven voorstellen
als een schakeltje in een lange reeks.
Dan zijn wij niets meer dan één moment
in een biologische keten en zijn wij als individu
weinig verschillend van andere levende wezens.
Maar in dit natuurgebeuren BREEKT HIJ IN.

En wanneer een mens HEM in vrijheid opneemt en aanvaardt
houdt de mens op een natuurprodukt te zijn.
Hij wordt op een nieuwe wijze mens,
hij wordt op een nieuwe manier levend.
Dat leren we uit de levens van de heiligen en de profeten:
Edith Stein en Elia.
Het lot en het noodlot hebben niet meer het laatste woord,
ja zelfs de dood kan die vernieuwde mens niet meer raken
want Hij neemt ons op in de onverwoestbare intimiteit
van Zijn eigen leven.

De mensen die Jesus hoorden,
morden over die woorden over het levende brood
dat Jesus wilde zijn. Geen wonder, wij morren ook.
Het is moeilijk om vrij te komen
uit de beklemming van ons eigen ik.

Alles in ons is er op gericht om zelf stand te houden.
Alleen door alles te verliezen,
ons leven te verankeren in Hem,
vinden wij -volgens het evangelie- de laatste vrijheid
waaraan zelfs de dood niets meer af kan doen.

Het komt er op aan dat wij het er met Hem op wagen.

De echte gelovige sluit de ogen
en stort zich in de handen van Hem die heeft gezegd
IK ZAL ER ZIJN.

Han Fortman voegde daar ooit aan toe:
ze sluiten hun ogen
omdat en opdat ze zullen weten,
dat als de nacht gevallen is,
het ware Licht zal opgaan en zal blijven stralen,
heel hun leven door, VOOR GOED!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

2 augustus: Kostbaar Brood

[print]

18e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Exodus 16,2-15; Brood uit de hemel

  • Johannes 6,24-35; Brood van eeuwig leven

Brood is bijzonder.
Ik heb het wel eens gezien bij mensen op het platte land in België,
waar mijn oudoom pastoor was.
De vrouw des huizes bij wie wij ’s avonds aten
pakte een brood, zo’n groot rond Belgisch brood,
en sneed het niet aan voordat zij met het mes
dwars op dat grote ronde brood een kruis had getekend.

Brood is een gave Gods, brood is heilig.
-het is moeilijk om dat nog te ervaren
als je die in plastic opgesloten broden
in de supermarkt ziet met die akelige plakbandjes
die je nooit los kunt krijgen. Toch blijft brood bijzonder,
brood belandt daarom –als het goed is- nooit in het vuilnisvat.

Je zou kunnen zeggen: Brood is een beginsel, een principe.
Daar neemt het leven een aanvang,
het is de basis om te groeien, om verder te leven
en opgewassen te zijn tegen de slopende krachten
die dagelijks een aanval doen op het menselijk bestaan.
Daarom is brood ook de weergave van een geheim,
want niets is zo geheimzinnig als het begin van het leven.

Hoe goed het joodse volk dit begrepen heeft,
blijkt uit het woestijnverhaal
beschreven in het boek van de ‘Uittocht’
waarin gesproken wordt over de kracht en de troost van God
beschreven als ‘brood uit de hemel’
om te kunnen overleven op je pelgrimstocht.

De gelovige ervaart zijn leven
– zeiden we de vorige week -als een reis,
niet zo maar een reis maar een pelgrimstocht.
Het boek van de uittocht vertelt daarover met verve
de prachtigste verhalen waarin we onze eigen levenssituaties
maar al te gemakkelijk kunnen herkennen.

We horen vertellen een groepje bevrijde slaven uit Egypte
die na hun doortocht de rode zee,
(- een soort doop van heel een volk namens de mensheid -)
aan hun grote reis met God gaan beginnen:
hun pelgrimstocht door de woestijn.

Dezelfde bladzijde van het boek Exodus
die over Israëls luisterrijke bevrijding uit Egypte vertelt
vermeldt de eerste stop van de pelgrims bij een oase
waar ze naar verkwikking zoeken maar ….. het water is bitter..
ja zo is het leven. Maar er wordt in voorzien:
het water wordt drinkbaar gemaakt en even later
komen ze echt bij een kostelijke plek
waar 70 palmbomen zijn en 12 waterbronnen: kan het mooier.

Hoogtepunten maak je ook mee in het leven.
Maar die duren meestal niet lang. Het komt op het gewone leven aan.

Mozes maakt zijn tocht met gewone mensen
– zo vertelde ons de eerste schriftlezing -.
en daarom heeft Mozes een moeilijke strijd
te strijden gehad met zijn volk.
Soms wilden ze plotseling niet meer verder:
– net als kinderen op een vakantietripje-
‘Waren we maar in Egypte gestorven’
roepen ze in een wanhoopsmoment uit.
De woestijngangers hadden zulke grote problemen
dat ze de hele situatie omkeerden,
Egypte, het land van de slavernij waar ze met Gods hulp uit bevrijd zijn
werd van een oord van onderdrukking
plotseling een luilekkerland: waren we maar in Egypte gebleven
waar we tenminste iets te eten hadden.

De sfeer is gespannen en daarom roept Mozes
de gehele gemeenschap op
om aan te treden voor het heiligdom,
En dan verschijnt de wolk van troost:
als een wolk komen de kwartels in de avond aangevlogen
en dan komt ook nog het brood, de morgen daarna: het Manna.
Mozes zegt daarvan:
‘Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald.’

Tijdens de lange reis door de woestijn
is plotseling de vleugelslag van Gods Geest hoorbaar
de zegen komt uit de hemel gevlogen en gevallen ter beschaming
van de Israëlieten die geen vertrouwen hadden in Gods leiding.

Het bevel luidde, dat zij van dat manna nooit méér mochten verzamelen
dan ze voor één dag nodig hadden.
Dat dwong hen om iedere dag opnieuw
uit te zien naar de leeftocht voor die ene dag
als een geschenk van de Enige.

Menselijk gesproken waren ze nooit zeker van het eten van de volgende dag
de enige zekerheid die ze hadden was de hoop,
het vertrouwen dat Hij hen niet zou vergeten:
iedere dag waren dood en leven in het geding.

Tegen die achtergrond moeten we het 6e hoofdstuk van Johannes
waaruit we deze weken in de zomer mogen lezen- verstaan.
De mensen die Jesus volgden, hebben brood gekregen,
toen ze Hem volgden in de eenzaamheid.
Dat had ze een beetje brood-dronken gemaakt,
voor brood op de plank, voor brood alleen zijn mensen altijd in.
Maar heel voorzichtig begint de Heer afstand te nemen
van de wonderbare spijziging die mensen gered had in hun nood.
Daar ging Hij niet mee door.
De mens leeft niet van brood alleen.

Wij lezen eerder in het evangelie van Johannes (Joh.4).
Jesus was op reis door het noordelijke land
met zijn leerlingen. Hij praat met een vrouw,
een Samaritaanse nota bene. Maar wat daarna gebeurt
is nu interessant. De leerlingen komen uit de stad terug
en zeggen: “eet toch iets rabbi”. Het antwoord is verrassend:
“Ik heb een spijs die gij niet kent!
MIJN SPIJS IS HET, DE WIL TE DOEN VAN HEM,
DIE MIJ GEZONDEN HEEFT.”
Vanuit die spijs wil Hij leven.

Manna of brood op de plank mogen nooit het eindpunt zijn
in het leven van een mens. Een goede baan, vast werk
het zijn wezenlijke noodzaken en het is geen schande
om er gelukkig mee te zijn. Maar er zal altijd een gemis blijven
dat niet te noemen is en we komen dan niet vanzelfsprekend
aan de eigenlijke levenszaken toe. Om daar meer over te weten
te komen moet u hier zijn, in de kerk!

Er is in de pers tegenwoordig veel aandacht voor geloof en kerk.
Vooral voor de negatieve dingen. Die moeten inderdaad genoemd worden,
eerlijk en open duurt het langst.
Toch is er een kentering vergeleken met zo’n tien jaar terug.
Er is ook aandacht, (soms komt het niet verder dan verbazing)
voor en over het feit dat het geloof er is of nog is.
Na de eerste verbazing: ‘vreemd dat geloof er nog is,
sommigen hebben dat kennelijk nodig
een beetje te genieten van liturgie en mooie rituelen
komt er een vermoeden dat het te maken heeft
met het zoeken naar diepte in je bestaan.

Toch begrijpen ze dan nog steeds niet waar het echt over gaat.

Zo onmisbaar als voor jou brood is –zegt Jesus-
zó onmisbaar ben ik voor jou:
Ík ben het brood dat jou in leven houdt.

Alles van het goede leven is ons gegund,
een dak boven ons hoofd, brood op de plank, een fijne baan,
de weelde van het geluk samen met anderen.
Maar er is meer: Hij, God met ons, wil in ons leven binnen dringen.
Hij wil brood zijn, het beginsel van ons leven,
van iedere dag en de totaliteit van ons bestaan.
Dat betekent voor ieder van ons dat er een nieuw fundament gekomen is,
waarop ons leven en de hele menselijke samenleving moet worden gebouwd.

De Heer wil in ons leven als gelovigen niet functioneren
als randversiering, als verfraaiing…
Hij wil voor ons in volle kracht ons LEVENSBROOD zijn,
niets meer en niets minder.

Het betekent dat wij, levend vanuit Zijn Geest, kiezen moeten, in eer en geweten, voor datgene wat werkelijk goed is voor deze wereld.
Vanuit Zijn Geest moeten we durven spreken en handelen.

Dan is, als wij leven met Hem, werken aan vrede niet langer een vroom verlangen maar een opdracht die onze voortdurende inspanning vergt.

Als wij Hem, ons levensbrood, als levensbeginsel aanvaarden
zal de verhongering van de helft van de wereld ons niet onberoerd laten.

Wij zullen binnentreden in zijn droefheid dat het zo met de aarde gesteld is
en luisteren, in dialoog met Hem naar datgene
wat Hij ons op het hart wil drukken: en dat is:
wees er voor de ander, helemaal, zoals ik er voor jou wil zijn.

Wij worden zelfs opgeroepen om nieuwe mensen te worden
– waartoe Paulus ons uitdaagt -,
nieuwe mensen die leven in een creatieve relatie met God.

Daar werken we aan in ons leven
daar bouwen we als we hier luisteren naar Zijn woord.
We groeien in die verbondenheid
als wij het Brood van de Eucharistie gaan eten
en als het goed is gaan we zo steeds meer op Hem lijken.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

26 juli: Naar het land dat ik u wijs

[print]

17e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 2 Koningen 4,42-44; Brood voor velen

  • Johannes 6,1-15; Dit is de profeet!

Met graagte zingen wij in de kerk vaak het lied:
God roept een mens op weg te gaan, het leven is een reis.
Het heeft een pittige melodie naar toch daar gaat het niet om.
Het gaat om meer, om iets anders.

In het lied herkennen wij iets,
iets wat ons eigen leven betreft.
Wij voelen ons inderdaad vaak als reizigers,
als mensen die een levenstocht maken.
Niet zomaar op de bonnefooi
maar ergens naar toe…

Deze zomer zien we weer veel mensen onderweg:
Naast de gewone vakantiereizigers al die anderen die zich inspannen
om een tocht volbrengen, een prestatie leveren:
de Tour de France, de Vierdaagse in Nijmegen en zo meer.
Beroepsatleten en amateurs die ook buiten het seizoen
de Mont Ventoux, waar de beroepsrenners soms ook komen,
op klimmen om andere mensen, kankerpatiënten, te steunen.

Maar ook wij allemaal, zelfs de thuisblijvers zijn toch bezig
allemaal op weg naar een doel:
het land dat de Enige ons als reisdoel aanwijst. Het lied zingt daarover.

Hoe je daar komen moet? Het antwoord komt in het lied:
verlaat wat Gij bezit, en ga op reis.
Verlaat je luie stoel, durf dingen achter te laten,
los te laten, durf opnieuw te beginnen.

Onze levenstocht is in tegenstelling tot al die sportfestijnen,
geen plezierreis: in de Bijbel heet het daarom
een tocht door de woestijn.
Wat je mee moet maken valt soms lelijk tegen,
het is soms zwoegen en ploeteren, hopen en wanhopen,
volhouden en weer in elkaar zakken….
Maar het beeld van de woestijn reis betekent niet een en al ellende.
want er is een hele bijzondere Reisleider waar je echt wat aan hebt:

Iemand die je niet alleen laat, Iemand
die je zorgen meedraagt en je steeds uitdaagt verder te gaan
die je leidt naar een grandioos einddoel:
en je uiteindelijk brengt in een nieuw land
een land van melk en honing,
een gelukkig land: het land van Kanaän.

Dat land lijkt erg ver.
Wat de mensen van deze wereld maken is soms bar en boos.
Al meer dan tien jaar terug waren jongeren uit onze parochie in Polen
en ze hebben daar Auschwitz bezocht…
en verbijsterd geconstateerd waar mensen toe in staat zijn
en elkaar het allerslechtste aandoen
en dat terwijl God ons al het goede gunt,

Het oude verhaal van God met de mensen uit de Bijbel
vertelt over de kracht die mensen die op Hem vertrouwen
keer op keer ontvangen als ze naar het nieuwe land op weg durven gaan
ondanks hun falen.

Er wordt verteld over bemoediging die mensen kregen in de woestijn:
over water uit de rots, brood uit de hemel, sterkte onderweg.

Voor ons op onze pelgrimstocht
is er vooral behoefte aan krachtvoer voor je ziel:
opdat je weet waar je voor leeft
en de moed ontvangt om vol te houden
en gemotiveerd te zijn om goed te blijven doen.

Er is nood en er is een schreeuw om hulp bij velen:
uiteindelijk is dat de roep naar God.
Tot Hem mag je dan zeggen: ‘Houd Jij mij toch in leven
wees Jij mijn kracht en mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U…
‘;

En dan geeft God Zijn bemoediging aan ons
meestal via de mensen die Hij naar ons toestuurt
om ons te troosten of de waarheid te zeggen:
(nieuwe mensen op ons levenspad,
een partner, een vriend, een vriendin)
iemand die ons wakker maakt en in beweging brengt.

Heel, heel soms zijn er tekenen
die ons tot grote verbazing en vreugde stemmen:
een plotselinge genezing, een wonderbare bemoediging,
een stralend geluk dat ons ten deel valt.
Dat gold voor degenen die Jesus’ tekenen toen in Galilea,
toen Hij de zieken genas en het brood brak en velen verzadigde.

De schriftlezingen van vandaag vertellen ons
over Elisa de profeet, die namens God mensen hulp geeft onderweg:
een bemoediging van Godswege, en die komt altijd onverwacht.

Over het antwoord, de troost en de bemoediging
die ons ALLEMAAL in Jesus gegeven is, gaat het evangelie van vandaag.
In alle kerken over heel de wereld dat verhaal voorgelezen,
het evangelie van de zgn. broodvermenigvuldiging.

Het volk had het in Jesus’ dagen moeilijk.
De Romeinse bezetters gingen als wildemannen te keer.
De rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer.

Vroeger, in de goede dagen van koning David
kon je het nog zingen:
MIJN HERDER IS DE HEER
HET ZAL MIJ NOOIT AAN IETS ONTBREKEN

maar in Jesus’ dagen lijkt de glorie van David voorgoed voorbij.

Juist in die dagen treedt Jesus op en verkondigt dat de Heer,
de oude trouwe God van Israël er nog steeds is
en de Zijnen niet in de steek zal laten. De Herder slaapt niet!
Daarom zingen wij die tekst nog steeds in onze dagen
en zelf durven we dat bij moeilijke momenten,
bij een uitvaart bijvoorbeeld.

Als wij horen spreken over broodvermenigvuldiging,
gaat het nooit alleen maar om een heel bijzonder ‘wonder’.
De enige reactie daarop zou zijn: ‘tjonge,tjonge’
of ‘hoe is het mogelijk’.
Gelukkig willen de verhalen over Jesus
die het brood overvloedig aanreikt ons meer leren.

Bij alle verhalen van de evangelisten over de broodvermenigvuldiging
gaat het nooit om de stilling van een gewone honger alleen
maar om troost voor een volk dat zich herderloos voelt.

En de Heer zal in iedere tijd opnieuw een goede Herder blijken
als Jesus het goede brood van zijn woorden,
van zijn troost en zijn bemoediging, uitdeelt.

De reactie op het teken van de broodvermenigvuldiging
is niet erg diep. De meesten hebben het teken niet verstaan.
Ze denken: ‘die Jesus moeten we te vriend houden
want wie weet wat voor voordeeltjes mij dat nog kan opleveren.
Daarom willen ze deze Jesus graag tot koning kronen
want Hij kon wel wat!

Ze beseffen niet dat het om iets heel anders gaat.
Jesus zelf is geen tovenaar maar wil door de manier
waarop Hij met mensen meegaat,
hun troost en bemoedigt en vooral
door de manier waarop Hij hen activeert
zelf hun levensbeginsel zijn.

Jesus roept iedere mens, u en mij, op het met Hem te wagen.
Het verhaal is dus tot ons persoonlijk gericht:
Hij zendt ons er op uit, wij worden Zijn handen.
We weten nog niet wat dat oplevert,
onze weg is nog lang niet ten einde.

We hebben waarschijnlijk allemaal nog een lange weg te gaan
maar hopelijk willen we dat doen als wakkere medewerkers
van de God die onze toekomst is en onze hoop.

Aan ons de opdracht naar die toekomst uit te zien
door het teken van de broden te verstaan.
Wetend dat het om een hele nieuwe manier van mens zijn gaat:
durven leven met God, levend vanuit Zijn idealen,
gedurfde daden stellend,
wetend dat alleen zo een nieuwe wereld in zich komt.

Hier krijgen we geen medailles
maar wel een prijs
die altijd zijn waarde behoudt
het kostbaarste wat je op aarde kunt krijgen:
het brood van Gods belofte en
het Brood van de Eucharistie
dat ons werkelijk sterkt en troost
en als het goed is ook activeert
om te doen wat Jesus ons heeft voorgedaan.

Een fraai lied dat wij nu, als een soort geloofsbelijdenis gaan zingen
getuigt daarvan:
het 1e couplet gaat over het nieuwe begin dat we steeds kunnen maken,
het 2e herinnert aan onze doop en de onverwachte komst
van nieuw kracht in ons bestaan
en het laatste is een bede om volharding:
Geest die ons bewoont, verzucht en smeekt naar God
laat die ons in de Zoon, echt opstaan uit de dood
Opdat ons leven nooit in weer en wind bezwijkt
KOM SCHEPPER GEEST VOLTOOI
WAT GIJ BEGONNEN ZIJT…
zo moge het zijn
AMEN!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor