• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

26 april: Het hart dat ziet

[print]

4e Paaszondag

Schriftlezingen:

  • Handelingen 4,8-12

  • Johannes 10, 11-18

De zondag van de goede herder zoals die ieder jaar weer terugkomt
moet hoog nodig van zijn zoetigheid worden ontdaan.
De herder uit het evangelie is geen goeierd op de hei
maar een man die in de wildernis opkomt voor de zijnen;
iemand die met leeuwen en beren vecht.

Als er in de Bijbel over een herder gesproken wordt
gaat het altijd om iemand die opkomt voor de weerloze,
iemand die verenigt en beschermt
en die de strijd met de wolven aandurft..
in geestelijke zin: iemand die de strijd aandurft
en de macht van het kwaad ontmaskert.

Een van de oudste bijbelverhalen leert ons
hoe wij mensen allemaal geschapen zijn
om elkaars herders te zijn.

Het is het beroemde verhaal van Kaïn en Abel.
Abel is de zwakste en Kaïn is de sterke.
Maar in plaats van dat Kaïn zijn kracht gebruikt
om zijn broeder te beschermen en te bewaren
gebruikt hij zijn kracht om zijn broeder te doden.

Jaloezie en gekwetste eerzucht zijn Kains motieven
voor de eerste moord op aarde,
je zou dat eigenlijk de echte erfzonde kunnen noemen.

Dat laat God niet zo maar passeren.

HIJ is zelf immers de goede Herder die opkomt voor de zijnen
en is de mens niet naar zijn beeld geschapen en om op Hem te lijken?
En God roept Kaïn ter verantwoording:
hoe is het met je zwakke broeder?
Wat heb je voor hem betekend?

En dat stelt Kaïn de vreselijk domme vraag:
‘ben ik soms de herder van mijn broer?’
En God weer:
‘In plaats van voor hem te zorgen
heb je hem gedood en de aarde
die jij hebt gedrenkt met zijn bloed roept naar mij.
Kaïn waar is je broeder.’

Kaïn vroeg:
‘ben ik dan soms de herder van mijn broer?’

Het antwoord is JA NATUURLIJK,
geschapen naar mijn beeld als jij bent
ben je geroepen de hoeder van de broeder te zijn.

Dat geldt voor ons allen.
Wij zijn allen geroepen
herders van onze broeders en zusters te zijn,
wij zijn geschapen om elkaar te sterken en te bewaren:
dat geldt voor alle eeuwen, dat geldt voor iedereen.

In de oud christelijke catacomben
werd Jesus als DE goede herder afgebeeld:
een stoere man met een schaap op de schouders
iemand die het zwakke zou verdedigen;
later worden de schilderijen zoetelijker
en beelden ze minder goed uit
wat Johannes de evangelist ons
over Jesus wil melden.

Het evangelie van de Goede Herder Jesus
heeft voor het eerst geklonken in de winter in Jeruzalem
rond het wijdingsfeest van de tempel….
vergelijkbaar met het jaarfeest van de wijding van onze kerk
deze maand heel bescheiden gaan vieren:
dit keer de 117 e verjaardag.

In het Jeruzalem van Jesus’ dagen
-toen Jeruzalem zuchtte onder de Romeinse bezetting,
(vergelijkbaar met de Duitse bezetting van ons land)
was de viering van dat feest een gelegenheid tot protest.

Tallozen dromden samen en velen hadden
hooggespannen verwachtingen van een naderende revolutie.

Jesus werd geacht
leiding te kunnen geven aan een verzetsbeweging:
‘Hoe lang nog houdt u ons in spanning’
hadden ze hem gevraagd.

En dan gaat Jesus spreken.
Over schapen die wel of niet luisteren naar zijn stem.
Hij spreekt over een nieuw volk dat zich verzamelt rondom Hem.
‘Niemand kan ze van mij wegroven.’

Hij heeft het over een hecht verband dat wordt gesmeed rond Hem.
Want Hij is niet zomaar een verzetsheld
maar de door God gezonden aanvoerder van een heel nieuw mensenvolk
dat heel de mensheid omvatten zal:
mensen van Azië en Europa
Afrika en Amerika,

de herder van alle soorten mensen:
joden en heidenen, mensen van goede wil.

Het is wellicht een naïeve en kinderlijke vraag,
maar als Jesus de Christus, hier op aarde zou terugkomen,
zou hij dan alleen maar even naar de Paus van Rome gaan ?

Een ding is zeker:
Hij zou beginnen bij de rabbijnen in Jeruzalem.

En daarna de Paus.
Maar Hij zou zeker ook even
naar de secretaris van de Wereldraad van kerken in Genève gaan
en even langs gaan bij de patriarch van Constantinopel.

Hij is toch herder van allen,
zou Hij een Ashram in India over kunnen slaan
of een moskee waar in alle eerbied en ootmoed
de Vader aanbeden wordt.

Hij wil herder zijn van allen
en dat heeft voor ons de konsekwenties
dat het koesteren van ieder eigen gelijk moet worden uitgebannen
en ieder groepsgelijk moet worden toevertrouwd
aan de hoede van Zijn herdersstaf.
Terug naar Johannes:

Het evangelie van de goede Herder
gaat over een nieuw mensenvolk dat zich vormen zal,
een grote familie van alle stammen en naties en talen
zoals Johannes dat al voor zich zag in zijn apokalyps.

Hij zag een nieuwe mensheid die zich verzamelt
rond de solidaire herder,
zo solidair met de weerlozen
dat deze goede herder zelf
plotseling vergeleken wordt met een lam.

Luisteren naar deze verhalen over de herder en het lam
betekent uitzien naar dat nieuwe
dat al bijna 2000 geleden is aangekondigd
en dan zelf je leven veranderen.

Als wij het evangelie over de goede herder horen
worden we daardoor opgewekt ons eigen leven open te stellen
voor zijn geest van bevrijding en vernieuwing.

Het betekent dat voor ons, net als voor Jesus,
solidariteit en weerloze liefde voor
mensen het allerbelangrijkste zijn.

Om dat goed te doen heb je anderen nodig:
thuis waar je elkaars herder bent
maar ook hier in dit gebouw,
in deze schaapskooi.

Vandaag vieren wij hier roepingenzondag.
Daar is dan vooral mee bedoeld
de roeping tot het ambt, het priesterschap, het diaconaat,
de religieuze staat of het pastorale werkerschap in de kerk.

Er is veel discussie over al deze kerkelijke ambten:
vooral over wat een ieder wel of niet mag.
Dat is erg jammer, zonde van de tijd
want allemaal zijn wij nodig,
ieder op zijn of haar eigen plek.

We mogen ons naar mijn idee nooit er toe laten verleiden
mensen met verschillende roepingen
tegen elkaar uit te spelen.
De een is niet beter dan de ander.

De priester is nodig en belangrijk
maar hoeft niet apart op een voetstuk te worden geplaatst,
de diaken is nodig voor de sociale activiteiten
die de kerk moet ontwikkelen,
de pastorale werkers, mannen of vrouwen,
voor opbouwwerk en inspiratie van groepen.

Maar ook alle andere leden
van het priesterlijke volk van God zijn nodig;
organisten, koorzangers en zangeressen,
vrijwilligers in het pastoraat..
maar ook gewoon vaders en moeders,
milieuactivisten en verpleegkundigen
en allen die hun zieken thuis verplegen
en alle andere ijverige en lieve mensen
die hun leven als een roeping zien.

Wat zou het een verarming zijn
als er geen mensen waren die hun leven
niet meer als een opdracht van God, een roeping
willen en durven beleven.

Voor ieder mens geldt dat hij of zij er mag zijn en nodig is.
En dan vooral om te doen wat Kaïn weigerde:
om de herder van de ander te zijn.

Het programma van de christen
-het programma van de barmhartige Samaritaan,
het programma van Jesus-
is ‘het hart dat ziet.’
Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt ernaar.

De laatste woorden na het tenslotte
waren uit de laatste encycliek van de vorige Paus
en dus hebben ze gewicht.

Zo moge het zijn, werkt allen mee.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

19 april: Machteloosheid alom

[print]

3e Paaszondag

Schriftlezingen:

  • Handelingen 3,1-19; Op de been

  • Lucas 24, 35-48; Hij at met hen

Machteloosheid alom!
Onderhandelingen in het torentjes, komt er een krisis?
Het is moeilijk een land te goed regeren
en je verantwoordelijkheid voor recht, menselijkheid en ekonomie te dragen.
En in grotere context: Heeft de vrede op aarde nog kansen?
In een radioprogramma onlangs kon je meteen reageren.
80 % van de reacties waren: ‘neen, het wordt toch niets’.
Het zijn deze gevoelens waar het eerste verhaal van vandaag
dat wij in de uitgebreidere versie hoorden lezen, tegenin gaat.

Het verhaal begint met de nood te vertellen van iemand die verlamd is.
Hij moet bedelen om in leven te blijven. Hij ligt op het tempelplein.
Twee van Jesus’ volgelingen lopen langs: het zijn Petrus en Johannes.
Gewoontegetrouw roept de man om een aalmoes, om geld.
De meesten geven hem wat. Augustinus zegt:
ze kunnen hem alleen maar geld geven
om eten te kopen en maken hem alleen maar dikker
en zwaarder. Ze kunnen hem niet echt helpen
en alles blijft toch zoals het was.

Tot opeens die twee volgelingen van Jesus langs komen die anders reageren.
de bedelende lamme krijgt een bijzonder antwoord:
Geld kunnen wij niet geven maar: in de naam van Jesus sta op!
Niet pappen en nathouden, niet: ‘man blijf kalm, het wordt toch niets
maar ‘sta op.’ Ze geven hem het kostbaarste wat je geven kunt:
bemoediging, kracht, geloof, hoop.
En het werkt! De lamme staat op en loopt.

Uit kracht van het Paasgebeuren met Jesus van Nazareth
wordt een mens weer op de been gezet.
De man kan weer verder gaan;
zijn leven heeft weer zin: hij kan nu pas echt leven.

En de leerlingen gaan ook verder leven en preken.
Ze zetten hun bemoedigingsproject voort:.
ze gaan nog meer mensen oprichten en perspectief bieden.
Dat doen zij, die arme apostelen, vanuit het aloude verhaal
dat vaak vergeten wordt maar niet vergeten mag worden
het verhaal van de God van Abraham, Isaak en Jakob.
Dat is de naam die de God van Israël al eeuwen draagt:
en daarin klinkt dan mee dat deze God niet zomaar een God is
die geëerbiedigd moet worden maar verder alles bij het oude laat.
Neen, deze God is de bevrijder,
een helper, een Herder, een trouwe supporter van de mensen.

De apostelen laten het duidelijk horen aan de verbaasde omstanders
die de lamme weer zien lopen:
‘Dezelfde God die Israël bevrijdde uit Egypte,
dezelfde God die Jesus uit het graf verloste
die God hebben jullie net aan het werk gezien.
Hij is dus niet alleen de God van vroeger
maar ook van vandaag!

Ook hier dus in deze kerk. Jesus had het ooit gezegd:
als er twee of drie in Mijn Naam bijeen zijn
dan ben ik in hun midden.

Jesus is actief aanwezig, ook in deze dagen.

II. Lucas schreef ook een prachtig verhaal over twee.
Twee morrende mannen die teleurgesteld van Jeruzalem wegliepen:
we noemen ze de Emmausgangers.

De twee mopperaars kregen plotseling
een medewandelaar naast zich die hen opkikkerde,
die met ze ging eten
en in wie ze, toen hij het brood brak, plotseling Jesus zelf herkenden.

In het evangelie vandaag komen ze de andere leerlingen
die nog een beetje zitten te suffen daarover vertellen.

En terwijl zij nog aan het spreken zijn komt Jesus binnen.
Ontsteld denken ze een geest te zien. Maar de Heer is geen spook
maar openbaart zich -net zoals aan de twee wandelaars op weg naar Emmaus
als een echte levende aanwezige die ons oppept.

Op Goede Vrijdag merkten wij
dat Hij DE solidaire mens naast de mensen was,
een Helper die met ons meelijden wilde.

Met Pasen vierden wij dat Hij de ‘vorst van het leven’ is,
ons Licht, onze toekomst.

In het joods achttiengebed
(een soort breviergebed voor leken) staat:
U bent een vriend want u bent een helper,
U bent groot in het bevrijden: u steunt de vallenden.
U sterkt en geneest de zieken, U bevrijdt de gevangenen,
U bent trouw aan wie slapen in het stof.
U richt ons op, U zet ons weer op de been:
U doet ons uit de dood opstaan.
U bent een trouw Helper, Uw Naam zij geprezen al onze dagen.

Om dat te horen moeten wij samenkomen
in dit gebouw bijvoorbeeld, of in een of ander huis
zoals de eerste christenen dat deden…
om het verhaal te vertellen en het brood te breken
om te vieren dat God de vriend is die ons omhoog haalt.

Het verhaal van de apostelen en de lamme leerde is
uit de handelingen van vandaag leerde ons
dat Jesus niet de enige is die in staat is mensen op te richten
en te vernieuwen maar dat ook wij
geroepen elkaar overeind te helpen
en dat ook kunnen.

AUGUSTINUS HIEROVER:
Uit preek 99 over de Handelingen:

Welke de gave van de apostel is geweest, de apostel Petrus die arm was aan geld en rijk aan geloof, dat vertelt ons de Schrift: “Zilver en goud heb ik niet…”. Wat heeft hij dan wel? “Maar wat ik heb dat geef ik je: In de naam van Jesus de Christus kom overeind en loop!”. De waarde van de dingen meet je aan hun gevolgen. Zij die aan de arme goud gaven, voerden hem dik en verzwaarden zijn lichaam, dat zijn voeten al niet konden dragen; zij probeerden hem te troosten om zijn gebrek, zij konden hem niet genezen. Terwijl die andere, die geen geld heeft, hem de gezondheid teruggeeft. Hij is rijk aan Godsgoederen, die bezitloze. “Zilver en goud heb ik niet”, zegt hij; maar hij schudt over hem alle goddelijke rijkdommen waarover hij beschikt. “Wat ik heb, dat geef ik je. In naam van Jesus Christus, kom overeind en loop!” Hij maakt zijn beurs niet los, hij opent zijn ziel. Wat geeft hij? “In naam van Jesus Christus, kom overeind en loop!” Een kwaal die gelijkelijk op slaaf en koning kan drukken, gehoorzaamt aan deze haveloze apostel. En er is nog meer: de natuur zelf gehoorzaamt aan Petrus’ bevel. Het gaat immers om een man die “vanaf de moederschoot verlamd was”. Van dit aangeboren en dus ongeneeslijke kwaad wordt de man genezen door het machtige woord van… een arme; wat niet zou gebeuren als die arme niet boordevol zat met de gaven van God, zelf schepper van de natuur.

Tot zover de grote Kerkvader.
God sterke ons bij die belangrijke taak
in onze eigen levensdagen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Beloken Pasen: Geloof is verder durven gaan

[print]

Beloken Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 5,12-16

  • Johannes 20, 19-31

Laat de ware gelovige opstaan…
zou ik bijna willen uitroepen.
Ik durf het niet goed
want misschien waagt iemand het op te staan.
Misschien ook wel leuk:
we zouden dan zeker weten dat hij of zij het niet is.

De ware gelovige gaat zijn levensweg
-soms net zo onzeker gaat hij die als de anderen-
maar hij gaat –zegt hij dan- met God
net zoals Abraham, de vader van alle gelovigen.
Van hem weten wij dat het niet zo’n gemakkelijke tocht was die hij maakte.
Een tocht van hopen en geloven,
van afzien en vechten
van hopen tegen de wanhoop in
en geloven tegen alle waarschijnlijkheid in.

De echte gelovige kijkt daarom niet neer op Thomas
maar herkent in hem zijn eigen houding:
Thomas die goddank openlijk uitkomt voor zijn ongeloof.
‘Is het echt? Iemand die aan het kruis gespijkerd is en vermoord,
iemand die het uitgegild heeft van de pijn
kwam bij jullie weer op bezoek.’

De vrouwen uit het evangelie van de paasnacht leken een beetje op hem:
de jongeman bij het graf had gezegd: ‘Hij leeft!‘,
maar zij holden weg want ‘ze waren zeer bang.

Geloven is moeilijker dan je denkt;
dat geldt ook voor de leerlingen
naar wie Jesus zelf toe komt op de eerste paasdag ’s avonds.
We hoorden dat in het eerste deel van het evangelie.
Zelfs als Jesus naar je toe komt

De paaspelgrims hadden Jeruzalem inmiddels verlaten…
zonder het merkwaardige bericht te hebben gehoord
dat Jesus toch weer zou leven.
De apostelen hadden het goede bericht wel gehoord..
de vrouwen waren het hen komen vertellen
maar ze beschouwden dat als beuzelpraat.

Dit ongeloof was op eigen kracht niet te overwinnen.
Hun beenderen waren verdord
-om met de woorden van Ezechiël uit de paasnacht te spreken-
vervlogen was hun hoop.
Uit angst voor de buitenwereld waren de deuren op slot.
Een ingreep van buitenaf alleen kan redding brengen
en die komt, vanwege de Heer zelf!

Hij komt zijn vrienden oprichten.
Er wordt een nieuw begin gemaakt.
En net zoals God zelf de levensadem blies in Adams neus
en net, zoals de profeet Ezechiël een nieuw begin beschreef:
(de Geest van God die over de dorre beenderen
van het huis Israël zou blazen)
zo (vertelt Johannes ons) blaast Jesus op de 1e Paasdag over de leerlingen.
En ze komen tot leven.

Het is een goed begin op die eerste paasdag `s avonds
maar kennelijk nog niet voldoende
het is nog te moeilijk het te geloven
en te begrijpen wat er nu gebeuren moet
en bovendien: ze waren er niet allemaal.

Thomas, een van de meest kritische en intelligentste apostelen
was er die eerste keer niet bij.
Jesus’ troost heeft niet veel geholpen.
want acht dagen later -en dat is vandaag op de zondag na Pasen-
zitten ze nog steeds angstig bij elkaar met de deur op slot.

Maar dan komt er verandering: acht dagen later.
Thomas er bij en nu kan het verhaal verder gaan.

Thomas met zijn vragen is onmisbaar:
hanteert een hele eigen norm.
Hij wil weten of het werkelijk die ene Heer is
die hij heeft zien lijden die leeft:
de Heer die hij had leren kennen
als de vriend die partij koos voor de weerlozen,
de vriend van de armen en de onderdrukten.

Hij wil daarom -en dat is heel goed eigenlijk-
de tekenen zien van de wonden van deze gemartelde.
Hij wil deze gemartelde mens zien
als de aanvoerder van een nieuw mensenvolk
dat ook uit de dood opstaat.
Hij wil hem zien als de koning van de weerlozen en hij ziet hem.

Hij ziet de wonden in handen en zijn zijde.

En dan moeten wij als trouwe bijbellezers natuurlijk denken
aan Adam die zijn zijde geopend had
toen zijn bruid aan zijn zijde kwam:
eindelijk vlees van mijn vlees,
been van mijn gebeente.
Thomas ziet de nieuwe Adam: Jesus,
die nu op deze achtste dag zijn bruid zal ontmoeten,
zijn gemeente, zijn kerk als de nieuwe Eva.

Aan de zijde van de nieuwe Adam
wordt de gemeenschap gevormd van mensen
die de machten hebben afgezworen
en willen leven als vrienden van de weerloze Messias
die gewond was met de gewonden,
bedroefd met de bedroefden,
eenzaam met de eenzamen,
weerloos met de weerlozen;
de solidaire getuige van God liefde:
de ware Heer de ware gestalte van God.

Thomas die deze God aan ons openbaar maakte
heeft het gevecht met het ongeloof aangedurfd
en is daardoor alleen maar een sterkere getuige geworden.

De traditie wil dat Thomas de evangelieverkondiger was
die nota bene het verste kwam van allemaal:
tot in INDIA toe.
In de eerste lezing hoorden wij spreken
over de christenen van het begin:
ze hadden alles gemeenschappelijk,
er was niemand die gebrek leed.

Wij leven eeuwen later
maar opeens gaat die tekst weer leven:
we zijn nu allemaal in een nieuwe situatie.

De economische crisis brengt ons wat tot bezinning
over het uitgeven van ons geld.

Lucas vertelt over de solidariteit tussen de eerste christenen.
Lucas (de schrijver van het bijbelboek Handelingen)
wil daarmee niet zeggen dat altijd alles koek en ei was
in de kerk van het begin. Er was wel eens wat, daar vertelt hij ook over.
Maar wel waren ze ‘een van ziel‘,
er is een doel waarnaar ze streven, een oriëntatie.
Iedereen weet wat belangrijk is en wat niet.

De vieringen van Pasen hebben ons ook weer bemoedigd:
we hebben de eenheid gevierd rond de tafel op de witte donderdag,
we hebben samen gerouwd op de goede vrijdag en ons verdiept
in het geheim van de lijdende Messias,
waar Thomas zo graag getuige van wilde zijn,
het licht is rondgedeeld in de nacht en nu zijn wij hier weer.

Mijn vrede laat ik jullie na,
mijn vrede geef ik jullie in handen.

En daar zij wij dan.

Ons geloven is via de traditie verbonden zijn met het verleden
en via de hoop met de toekomst.
Hij zal ons niet beschamen. Ons, zijn kerk, zijn volk.
Hij laat ons niet los, u niet mij niet.

Gaan we vertrouwvol verder,
We hebben een eervolle opdracht.
Dat wij deze eervolle opdracht waardig mogen zijn is mijn bede
en dat wij het vertrouwen dat de Heer in ons heeft
maar niet zullen beschamen.
Zijn genade zal ons bewaren
maar DOE DE DEUR VAN UW HART NIET OP SLOT!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Paasmorgen 2015

[print]

Paasmorgen 2015

In het ziekenhuis kwam ik een humanistische raadsvrouwe,
ik noem haar even Lies, tegen.
Kordaat en vol energie liep ze de patiënten langs.
Vroeger ben ik ook katholiek geweest
maar ik heb ontdekt dat God niet meer bij mij past.

Ik ga mijn paaspreek maken‘ zei ik zomaar.
Dat is gemakkelijk‘ zei ze: ‘Jesus is verrezen en zo.

Ze begreep niet hoe tegenstrijdig haar opmerkingen waren.
Ik opperde: ‘ik vind dat toch niet zo gemakkelijk om te geloven,
laat staan er over te preken.

Ieder jaar weer moet ik weer naar Pasen toe leven
ieder jaar gebeuren we weer zoveel andere dingen.

Het kan een Alleluia-jaar zijn:
je gaat trouwen, je hebt een kind gekregen,
het gaat je voor de wind
je hebt goede vrienden..

maar het kan ook een “God mijn God waarom heb je mij verlaten“-jaar zijn:
je verliest dierbaren,
je krijgt te horen dat je ernstig ziek bent,
er zijn problemen waar je niet overheen kunt komen..
je voelt je alleen….

Wij mensen verkeren in een wankel evenwicht.
Neen, ik wil niet pessimistisch zijn en humeurig maar zo is het.
Wij leven in een wankel evenwicht.
In onze dagen beseffen we dat misschien nog meer dan vroeger.
Wij zijn kwetsbaar, weerloos
Renate Dorrestein – zelf ME – patiënte-
heeft dat in haar boekje
dat we in de boekenweek kregen
met een beetje blasfemische titel
toch prachtig beschreven.

De mensheid wordt niet geholpen door zomaar wat vieringen alleen,
wat losse Alleluia’s in de kerk.
Er wordt van de ons als kerk verwacht
dat wij de vragen van onze dagen echt serieus nemen.

We hebben één basis:
een beginpunt:
één die van het begin af aan heeft gezegd
dat wij er als mensen mogen zijn.
Wij zijn stuk voor stuk waardevol en uniek.

Zo onzeker en vragend, aarzelend en falend als wij zijn.
Wij zijn geliefd wij mogen er zijn.

Er is er een die naar ons kijkt.
Er is er EEN die geschiedenis wilde maken met ons onmogelijke mensen.

Er is er EEN die een volk uitkoos om mee te beginnen:
dat is degene die wij God noemen, Heer, Eeuwige, Enige.

Het oude verhaal van het boek Exodus biedt ons wat helderheid:
het daagt uit tot grote creativiteit.
Het volk van God is slaaf in Egypte.
De meesten vonden het allemaal wel best daar.
Ze hoefden niet na te denken, er was altijd brood op de plank.
Alleen de vrijheid ontbrak.

De Enige die echt ongerust is, is God.
Hij vindt het voor Zijn mensen mensonterend
dat zij in dat slavenland niets te zeggen hebben
en onderhorig zijn aan het goed geoliede systeem
van de Egyptische welvaartsmachinerie.

En dan begint een nieuwe geschiedenis.
Mozes mag zijn mensen opwekken nieuwe mensen te worden
en voor de vrijheid te kiezen
die de God van Abraham, Isaak en Jakob hun geven zal.

Heel moeizaam krijgt Mozes zijn mensen in beweging
en gaan ze op weg naar de vrijheid.
Er is geen ontkomen aan: je moet mee.

En, om ook de latere generaties te bevrijden
uit passiviteit en wanhoop krijgen ze,
voor ze op weg zullen gaan de opdracht
dat vertrek als een nieuwe fase te gaan vieren,
hoewel hun hoofd er eigenlijk niet naar staat.
Een opdracht tot vieren van de bevrijding
die ook zal gelden voor alle latere generaties.
————–
Wat heb ik mij verheugd met jullie het Paasmaal te vieren
zegt Jesus van Nazareth later tot zijn vrienden.

Hij was ze voorgegaan op de weg naar een nieuwe wereld.
Helemaal volgens de oude Wet van Mozes:
waar niet het recht van de sterkste alleen zou gelden,
waar gedeeld zou worden,
waar ruimte zou zijn voor de vreemdeling
en aandacht voor de vervolgden.
Kortom: alles omgekeerd.

Enthousiast waren zijn vrienden Hem gevolgd …
behalve die ene dan die wegsloop in de nacht.

Het werd hen in de hof van olijven ook te machtig.

Eenzaam en alleen ging Jesus zijn weg.
Met ver op de achtergrond,
bijna onzichtbaar -ook voor Hem-
als medestander:
Zijn Vader, de God van Abraham,
Isaak en Jakob
die Hem door de dood heen hielp.

Daarvan zullen de vrouwen
de eerste getuigen zijn:
het zijn deze vrouwen
die het ambt van de apostelen gaan redden.

Ze waren wel bedroefd maar
zijn niet weggelopen:
ze bleven volharden in hun hoop
en komen dapper op het graf af.

Er waren soldaten gesignaleerd in de buurt van het graf
– dat schrikte hen niet af –
en er was een reusachtig steen
als een groot wiel gewenteld voor het graf:
– dat schrikte hen niet af –
ze vragen het zich wel af:
wie zal die steen weghalen.

Geen antwoord nog.
Wel dit:
en de zon ging op‘ vertelt Marcus fijntjes:
een ander rond wiel
het wiel van de hoop.

En dan gaat het verhaal verder.
De bezorgdheid van de kloeke vrouwen
over het weghalen van de ronde steen
was overbodig.

De vrouwen die niet weggevlucht waren mochten ervaren:
de blokkade was opgeruimd:
de steen was gewoon weg!
Er is ook iemand die hen toespreekt.
Waar hij vandaan kwam? Dat doet er niet toe:
hij is er en hij zegt:
‘schrik niet,
je zoekt Jesus van Nazareth
Hij is niet hier,
kijk dit is de plaats waar Hij werd neergelegd.
Ga het maar gauw zeggen tegen zijn vrienden:
Hij gaat je voor naar Galilea,
daar zul je hem zien, zoals Hij jullie gezegd heeft.”

Deze woorden zijn de vrouwen te machtig:
ze rennen van het graf weg
en het evangelie besluit:
van schrik vergeten ze er iemand iets van te vertellen.
Gelukkig is het daarbij niet gebleven:
ze zijn het toch wel gaan vertellen.

Als het bij die ontsteltenis gebleven was
zou het verhaal van Jesus zijn doodgelopen
en had niemand meer iets van gehoord.

Maar we hebben uit dit verslag van Marcus wel begrepen
dat het ook toen niet zo vanzelfsprekend was
dat het verhaal van God met de mensen doorging.

Dat was het niet in Marcus’ tijd en dat is het nog niet.

De kerkgemeenschap waar Marcus dit verhaal zo voor schreef
was een bedreigde kerk die samenkwam in de catacomben van Rome,
angstig wachtend op een inval van de soldaten van de keizer
die nog steeds macht had op aarde.

Marcus heeft voor die mensen in nood een wonderlijke boodschap:
de soldaten winnen niet
maar de weerlozen zullen overwinnen
net zoals Hij dat deed: Jesus onze Heer.

Maar deze Jesus,
de echte Verlosser van de mensheid is geen held,
geen glanzende persoonlijkheid.

Hij komt niet binnen in een allen overrompelende macht en majesteit
maar Hij kwam en komt als vriend van de onzekeren en angstigen,
als een weerloze solidaire vriend van mensen die lijden moeten
een vriend die meeleed, pijn had en mee-stierf.

Een heiden zette toen aan het kruis, dit Credo in:
deze was een zoon van God.

Deze mens, deze weerloze is in zijn weerloosheid
deze vriend van mensen die lijden moeten
van de onzekeren en angstigen van alle eeuwen.

Hij is niet de Heer van mensen die voldaan en zeker zijn,
de mensen die niet geraakt worden door leed en mislukking

Hij is de Heer van de mensen die treuren kunnen
zij zijn werkelijk degenen die Gods troost zullen zien.

De mensen jong of oud,
getroffen door een bijna tastbaar gevoel van eenzaamheid of hopeloosheid
krijgen te horen:
Je kunt uit je dal opkrabbelen
en het weer als een vreugde ervaren dat je er nog bent.

De voorganger van dit nieuwe mensenvolk
had zich betere vrienden kunnen wensen.
Hij wist natuurlijk hoe zwak de schouders waren en zijn
die de last van hun levensopdracht moeten dragen..
maar het is met deze kern van onzekere, angstige mensen
dat Hij een nieuw begin gemaakt heeft.

Over enkele weken zult u in het evangelie
van één van de zondagen van Pasen kunnen horen
dat Hij toch vertrouwen in ons heeft.
Johannes citeert die eigenaardige uitspraak van Jesus:
mijn werken zullen jullie doen
ja, grotere dingen dan ik zullen jullie doen.

En met deze hoopvolle woorden eindig ik deze paaspreek.
De Heer heeft vertrouwen in ons:
aan ons nu de opdracht dat vertrouwen waar te maken.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Paaswake: Heb moed!

[print]

Paaswake 2015

Pasen vieren in 2015 is een hele moeilijke opgave.
Pasen is immers het feest van de hoop;
van de overwinning op het geweld
en van de doorbraak van de liefde.

Ziet u er veel van? Ik niet.
Ik zie dode studenten in Kenia,
ik zie fanatiekelingen van IS met lijken slepen
en roepen GOD IS GROOT.

Ik heb zoiets eerder gezien… neen niet in mijn levenstijd.
Het doet mij denken aan de oude dagen van het christendom
toen in de tijden van de kruistochten
vrome christenridders
onschuldige moslims afslachten en door het bloed waadden
en riepen: Dieu le vult… GOD WIL DIT.

En ik denk aan de officieren van de SS in Auschwitz
die op de koppels van hun riemen hadden staan:
Gott mit uns.

Het is allemaal heel primitief.
Mensen die andere mensen kapot maken
en denken dat God dat fijn vindt.
Pasen is het feest van de bevrijding uit die ellende.

De Bijbel spreekt over een wurgland, Mitsraiem
het land Egypte waar de joden in slavernij werden gemarteld.
Dat wurgland, dat bijbelse Egypte staat model voor alle wurglanden
van alle tijden. Voor alle uitbuiting en dwaas geweld
waarmee mensen elkaar kwellen.
Helaas is dat Egypte dichtbij tot ons aller grote droefenis.

Maar Pasen is het feest van de bevrijding uit dat wurgland.
Het verhaal begint bij Mozes
die moest meemaken hoe één van de opzichters
in dienst van de Farao,
die zichzelf als God beschouwde,
een joodse slaaf bruut neerslaat.
Hij komt voor de weerloze op en moet vluchten
naar de woestijn. Daar vindt hij rust, trouwt, krijgt een kind
en past op de schapen van de kudde van schoonpapa.
Maar het is geen echte rust. Dit kan niet zo blijven
en Mozes krijgt dan ook op een schijnbare rustig middaguur,
terwijl de zon brandend aan de hemel staat
een visioen van een braambos dat in brand staat
maar niet verteert.

Het beeld van de nietige braamstruik die niet verbrandt
wordt door de joodse lezers vaak gezien
als het beeld van het lijden van de nietigen, de kleinen.
Ze lijken verbrand en vernietigd te worden
maar ze komen er toch doorheen.

Net zoals de braamstruik
de vurige dodelijke vlammen moet trotseren en ook trotseert
zo is het slavenvolk van God met Pasen
door alle beproevingen heen gekomen
want God was solidair met de kleinen
en niet met de namaak-God farao.
Dat wordt bij het joodse Pasen gevierd.

Onze Pasens vallen dit jaar bijna samen.
Gisteren hebben onze Joodse vrienden het oude gedesemde brood verbrand
en nu vanavond komen ze samen om de seidermaaltijd te vieren.

Jesus deed dat ook met zijn vrienden.
We vierden dat op witte donderdag
toen we samen kwamen in de Groenmarktkerk
om het ongehoord vreemde verhaal te horen
van Jesus die de voeten van zijn vrienden waste.

Hij kroop voor zijn leerlingen op de grond
en Jesus, hun meester en heer
neemt een dienstwerk op zich
dat je aan geen enkele slaaf mocht opdragen:
hij waste de voeten van zijn vrienden.
Dat zou de namaak God farao nooit gedaan hebben.

De leerlingen zijn met stomheid geslagen.
Petrus trok zijn voeten terug.
Hij wilde niet door deze Jézus gediend zijn.
Hij ergerde zich aan deze solidariteit met de minsten.

Maar Jezus’ daad is niet zomaar een actie
om onze bewondering of verbazing te wekken
Jesus zegt:
‘Ik gaf jullie een voorbeeld ter navolging,
wil je het Koninkrijk van God waarmaken, dan zul je zó moeten handelen.’

Pasen 2015.
We vieren het in een wereld van mensen die elkaar niet zo willen dienen.
Mensen staan als kemphanen tegenover elkaar.
Wie durft de minste te zijn en zich af te vragen
wat de echte oplossing zou zijn van onze problemen?
Wij dienen het wel te weten, Jesus leerde het ons toch:
Jesus onderging de konsekwenties van zijn leer:
met een treurig resultaat:
hij werd als minste der mensen opgepakt en als vuilnis verwijderd.
Daar hing hij dan aan het kruis.

Is dat nu een goed voorbeeld?
Marcus vertelt dat hij wanhopig roept: God waarom hebt u mij verlaten.
Een trieste uitroep die Johannes naar wie wij gisteren luisterden juist wegliet.
De leerlingen waren allemaal weggelopen,
gelukkig had hij een vriend, Jozef van Arimatea die een graf bezat
waarin hij kon worden neergelegd.
De definitieve mislukking van zijn zending
lijkt daar als Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses
kijken hoe hij daar wordt neergelegd.
En wat is dat een grote steen die voor de deur wordt gerold!

De machteloosheid en de wanhoop zijn thema’s
die in het Marcusevangelie, het oudste van de 4 evangelies,
nog breed wordt uitgemeten.
Het is echt: ‘wir setzen uns mit tränen nieder’.

Maar er komt een vervolg.
De mannen zijn nog steeds nergens.
Dezelfde vrouwen die zagen hoe hij in het graf was neergelegd
komen weer terug … om zijn lichaam te balsemen.
Ze hebben geen idee hoe ze die grote steen weg zouden moeten rollen
maar ze komen toch: wat een moed!
Wij zijn hier allen na de Goede vrijdag toch naar de kerk gekomen.
Maar toch vragen ik mij af:
wie zal in 2015 de steen van de wanhoop wegwentelen
als wij bedenken wat er in onze dagen aan rampzaligs gebeurt?

In het Evangelieverhaal komt dan de grote ommekeer:
de steen is weggerold.

De wanhoop en de somberheid die ons machteloos zouden kunnen maken
hebben geen bestaansrecht meer.

Er klinkt een stem die zegt:
‘Je zoekt Jesus die gekruisigd is
Hij is hier niet meer
en ga aan zijn leerlingen zeggen:
Hij gaat voor u uit naar Galilea
daar zul je hem weer zien!!!’

De vrouwen kunnen het moeilijk geloven
en Marcus vertelt dat ze in paniek wegholden… meer niet.

Wat moeten we nu met zo’n raar einde van het verhaal?
Marcus heeft daarmee een bedoeling.
Jesus’ Verrijzenis is geen show.
Het gaat erom Hem te gaan zoeken
en zelf te ontdekken
hoe wij hem daarna weer zullen ontmoeten.

Het is aan ons om te zien of wij,
als wij elkaar gaan sterken en bewaren
zullen ontdekken dat hij niet verdwenen is in het niets van de dood
dat Hij met ons meewandelt
en onze voorganger en inspirator is
als wij durven werken aan Zijn Koninkrijk.

Neen, God zal niet zomaar plotseling IS van de aardbodem doen verdwijnen
hij zal niet degene zijn die al onze oorlogen en oorlogjes oplost
dat zullen wij echt zelf moeten doen
maar Hij is wel onze echte voorganger en helper.
Hij is degene die ons ondersteunt, onze supporter met een hoofletter
die ons voorgaat naar een nieuwe wereld.

God heeft ons, in Jesus laten zien, hoe Hij ons nabij is.
God heeft – in Jezus – gekozen voor de treurenden,
voor de bedroefden en de zieken, voor de verschoppelingen,
wat dat Hem ook kosten gaat.

God kwam tot ons in de gestalte van zijn eigen zoon
die voor zijn vrienden knielde…
opdat ook wij dienen, knielen,
troosten, sterken en elkaar bewaren.

Is het mogelijk om ook in deze moeilijke dagen,
in deze tijd waarin we de laagheid en gemeenheid
van de mens zien groeien
ook tegelijkertijd de sporen van God te zien,
de langzaam groeiende openbaring van zijn schoonheid?

Omwille van God, die steeds in onze geschiedenis doordrong
mogen wij het toch gaan geloven
dat onze dode beenderen weer levend kunnen worden;
en dat er hoop is in deze gebroken wereld.

Pasen is voor mij niet opgewekt Alleluia roepen
maar geloven ondanks alles
dat de liefde het zal winnen van de haat,
dat de mens in staat is tot het goede,
dat hij de gave heeft om lief te hebben,
en dat Hij – wat hij ook mag doen –
God nooit uit zijn ziel kan wegrukken.

En ook in onze dagen
heeft het oude visioen van het brandende braambos
dat niet door het vuur verteerd wordt iets te zeggen.
God zelf is een laaiend vuur van verontwaardiging.
Alle onrecht, alle slavernij, iedere marteling
is een slag in het gezicht van God.
De mens die zich ergert aan het onrecht
en die opkomt voor het recht is iemand
die mag weten dat God aan zijn kant staat.
Hij is niet alleen.
Het teken van ‘Mijn aanwezigheid,’ zegt God, ‘is dit:
als jij je opdracht serieus neemt, zal het lukken!’

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Witte Donderdag: De dienstbaarheid als sacrament

[print]

Witte Donderdag

Schriftlezingen:

  • Exodus 12; Instelling Paasfeest

  • Johannes 13,1-15; De voetwassing

Vóór het feest van Pesach…
zo klinken de eerste woorden van Johannes 13e hoofdstuk,
de evangelielezing van vandaag.
Pesach staat voor ‘voorbijgang’,
voorbijgang van de dood. Pesach staat voor doortocht,
doortocht door de dood, op weg gaan naar het nieuwe land, het nieuwe leven.

Onmiddellijk na deze tijdsbepaling horen we:
toen Jesus wist dat zijn uur gekomen was’.
Hier geen wanhopige strijder zoals bij Marcus bijvoorbeeld,
maar een zelfbewuste koninklijke mens
die zijn weg gaat.
Toen Jesus wist dat zijn uur gekomen was uit deze wereld
weg te gaan naar zijn Vader,
toen heeft Hij de zijnen liefgehad,
hij heeft hen tot het uiterste liefgehad.

Er hangt wel dreiging in de lucht maar het lijkt
of Jesus zelf de regie volkomen in handen heeft:
terwijl de avondmaaltijd werd gehouden en
de tegenstander, de zoon van Simon, uit Iskariot
op het hart gedrukt had om hem over te leveren
in het bewustzijn dat de Vader hem alles in handen had gegeven
dat hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde

(majestueuzer kan het niet),
stond hij op, legde zijn kleren af…

Hier doet Hij al wat later op Golgotha gebeuren zal
als hem de kleren van het lijf gerukt worden.
Hier doet Hij het zelf met koninklijke waardigheid.
Maar het gebaar is vreemd,
een koning die zijn kleren aflegt
vreemd. En het wordt nog vreemder
hij neemt een linnen doek
giet water in een wasbekken
en begint zijn leerlingen de voeten te wassen.

Hij doet wat zelfs geen joodse slaaf hoeft te doen;
hij veegt het stof van de voeten van zijn leerlingen
hij kruipt over de grond in nederigheid.
Soms doen we dat wel eens na,
in deze kerk is dat jaren geleden ook geprobeerd
maar het komt vreemd over,
het ritueel van de voetwassing navolgen
is vooral een geestelijke kwestie.

Hij is de enige die dat zelf mag voordoen lijkt het wel.
Als Hij het doet is het indrukwekkend
(Rembrandt tekende dat ook prachtig uit)
als wij het doen niet.
De verbijstering wordt door Petrus verwoord.
Nota bene Petrus, die kort tevoren had gezegd
Jij hebt woorden van eeuwig leven
wij geloven, ja weten dat jij de heilige van God bent

kan dit gebaar niet volgen en wil er geen deel aan hebben.

Hij heeft gelijk als hij het niet begrijpt
(het was ook onbegrijpelijk dat Jesus op een ezel de stad was binnengereden),
maar als je dit teken niet wilt verstaan
kom je, zonder het te beseffen,
buiten de sacramentele werkelijkheid
van het heilsgebeuren te staan.
Petrus zal dit teken moeten ondergaan.

Hij hoeft het niet te begrijpen
maar hij zal moeten weten
dat deze door God gezonden koning
slaaf wil zijn en zo onder de mensen wil zijn.

Het komt niet op het begrijpen aan maar
om het gewassen willen worden
door het water dat Jesus uitgiet.

Het heilige gebaar van water halen en de voeten wassen
is ooit door Abraham, de vader van alle gelovigen, voorgedaan
toen de drie engelen bij hem langs kwamen:
het is zo het herkenningsteken geworden
van mensen van het Koninkrijk van God.

Bij deze voetwassing gaat het om een symbolische,
samenballende daad van Jesus
waarin hij een toonbeeld stelt voor zijn leerlingen
dat de dienst aan elkaar, de onderlinge solidariteit
de kern is en het criterium van het geloven.

De voetwassing is beeld Gods,
toonbeeld van God.
Hij doet voor hoe mensen met elkaar moeten omgaan.
Hij is – dit doende, Messias- Voor-ganger
en de psalmtekst wordt vervuld:
Gij nodigt mij aan uw eigen tafel
en allen die tegen mij zijn moeten het aanzien
dat Gij mij bedient,
dat Gij mij zalft, mijn huid en mijn haren,
dat Gij mijn beker vult tot de rand.

Als Jesus zin daad van voetwassing uitlegt
roept Hij de oude Godsnaam onmiddellijk in herinnering:
jullie noemen mij meester en heer,
en dat zeg je terecht want IK BEN dat.

Met de woorden: IK BEN, verwijst hij naar de godsnaam.
Met deze naam: IK BEN maakte de Eeuwige zich bekend aan Mozes.
Ik ben, ik ben de aanwezige, degene die er is voor jou,
die met je meegaat op je levensweg.

Het is niet zomaar een mens die voeten wast,
hij is het spiegelbeeld van God.
Wanneer wij mensen zo met elkaar omgaan,
ons in onze vermeende grootheid zó klein durven te maken voor de ander,
ons dienstbaar en nederig opstellen, dan stellen wij God present.

De vierde evangelist vertelt het verhaal
van dat laatste avondmaal heel anders dan de andere drie.
Ook bij hem is er die táfel als middelpunt,
maar het zijn niet brood en wijn,
waarin hij het verbond, de solidariteit, symboliseert,
maar het gebaar van de voetwassing.
In dit verhaal herkennen we Johannes’ versie van de Eucharistie.

In tegenstelling met wat gebruikelijk is,
vindt de voetwassing daarom niet voor, maar tijdens de maaltijd plaats.
Het symbool is verschillend, het gesymboliseerde hetzelfde.
Eucharistie staat niet los van diaconie en diaconie niet los van Eucharistie.

In het allereerste begin van de kerk werden er dan ook naast priester,
diakens aangesteld. Zij hadden als hoofdzaak te zorgen
voor de ondersteuning van de armen.
Ze hadden, net als Jesus, een riskant bestaan
want zij protesteerden vaak tegen onrecht en klaagden de overheden aan:
Stefanus, de eerste martelaar, was zo’n diaken.
Direct na Jesus’ geboorte hebben wij zijn sterfdag op 26 december.

Toen de volgelingen van Jezus in de tweede eeuw gingen nadenken
over de organisatie van de kerk
-en dat deed met name de heilige Ignatius van Antiochië,-
ging men uit van twee vindplaatsen van Christus.

Men kan Christus vinden in de leer en in de sacramenten van de kerk
én in het gelaat van de armen, want heeft Christus niet gezegd:
Al wat je gedaan hebt voor een van de armsten, heb je voor mij gedaan.

Voor de vindplaats van Christus in de leer en de sacramenten
ontwikkelden ze de presbyteriale kerkstructuur
en verbonden daaraan het ambt van priester.
Gisteren hernieuwden de priesters van ons bisdom in de Bavokathedraal
hun beloften van trouw aan hun opdracht.

Voor de vindplaats van Christus bij de armen
ontwikkelden ze de diaconale structuur:
die specialisatie treffen we hier in de Groenmarkt aan,
in deze kerkgemeenschap en hiernaast bij ‘Stem in de stad.’
De diakens, gisteren hernieuwden die hun beloftes ook,
hadden die diaconie als speciaal aandachtsveld.
Deze beide” structuren werden bij elkaar gebracht
en geleid door de episcoop, de bisschop,
die gisterenavond de viéring in de Bavo voorzat.

Het ambt van diaken maakte aanvankelijk een grote bloei door,
er werden ook vrouwen tot diaken gewijd.
Maar later werd het alleen maar een opstapje naar het priesterambt.
en dus vielen de vrouwen af.

Gelukkig is het ambt sinds het tweede Vaticaanse concilie
in ere hersteld, maar nog niet
-tot mijn verbazing en mijn ergernis, voor de vrouwen.

Terug naar het verhaal:
Die avond was het verhaal verteld van toen:
van de slaven in Egypte die vrije mensen worden
en die op weg gingen naar een nieuwe toekomst.
Het zal met slaaf Jesus een beetje anders gaan dan met die slaven in Egypte.

In Egypte hadden de legers van farao het nakijken
en ontsnapten de joden aan hun wapens en hun paarden,
ze zouden dwars door de zee gaan op weg naar het nieuwe leven.

Maar Jesus?
Het brood zal hij breken
en we horen hem zeggen: mijn leven geef ik voor jullie.
De lijdenskelk zal hem niet voorbijgaan,
Hij zal hem drinken, tot de bodem.
En we horen hem zeggen: dit is mijn bloed.
Hij schenkt zich uit,
hij geeft zich voor allen
opdat wij aan de kringloop van het kwaad zouden ontsnappen
en in een nieuwe fase
van onze geschiedenis zouden terecht komen.

God heeft ons, in Jesus laten zien, hoe Hij ons nabij is
God heeft – in Jezus – gekozen voor de treurenden,
voor de bedroefden en de zieken, voor de verschoppelingen,
wat dat Hem ook kosten gaat.

God heeft zich geopenbaard
eerst aan farao in Egypte: Ik kies voor mijn lijdende volk,
mijn lijdende knecht, en dat gaat – het spijt me – ten koste van jouw macht.
Ik kies vanuit Israël voor àllen die lijden.
Alle pijn, alle vergoten bloed gaat mij aan.

Maar God ging verder met zijn plan.
Hij kwam tot ons in de gestalte van zijn eigen zoon
die voor zijn vrienden knielde…
opdat ook wij dienen, knielen,
troosten, sterken en elkaar bewaren.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

29 maart: Hem achterna!

[print]

Palmzondag

Schriftlezingen:

  • Jesaja 50,4-7

  • Marcus 14,1-15,47; Het lijdensverhaal

Marcus was een energieke jongen.
Toen hij Petrus hoorde preken wilde hij graag van de partij zijn.
Zijn naam was flink genoeg:
Marcus = ‘zoon van Mars’ (de God van de strijd)!
En strijden wilde Marcus graag, net als Petrus in zijn jonge jaren.
Maar Petrus had hem een vreemd geheim onthuld.
Dat het hem niet zat in de kracht… als je Jesus wilde volgen.
In de ordinaire kracht van het geweld.
Wel in een andere kracht, de macht van de weerloze liefde.
En die liefde breekt zich op een bijzondere wijze baan.
Kwetsbaar en schijnbaar onoverwinnelijk.

Als Jesus Jeruzalem binnen gaat
wordt dat door de collega-evangelisten van Marcus prachtig beschreven.
Enthousiast roept iedereen uit: ‘gezegend de zoon van David.’
Bij Marcus is het meer een ‘op weg naar het einde’ alle gejubel ten spijt.

We weten dat de leerlingen Jesus niet goed begrepen.
We weten hoe Jesus hen dan maar adviseert niet te praten
over de dingen die ze zien gebeuren.
De mensen zullen het toch alleen maar verkeerd kunnen verstaan.

Vandaag lazen we ook gedeelten uit het lijdensverhaal volgens Marcus.
Merkwaardig genoeg zelden op muziek gezet.
Dat is niet zonder reden. Het verhaal is te droevig.

Bij Lucas zien wij Jesus
met koninklijke waardigheid door het lijden heen schrijden.
En daar zegt Hij ook van die prachtige dingen:
‘Vader vergeef het hun’ en ‘heden zult gij met mij zijn in het paradijs.’

Mattheüs de schriftgeleerde beschrijft Jesus’ ‘passion’
als één groot gebeuren ‘opdat de Schriften vervuld worden.’

Bij Marcus horen we alleen maar spreken
over een vreselijke ontluistering van een leven dat zo veelbelovend begon.
We horen meerdere malen vertellen dat Hij werd bespot,
dat Hij echt van God verlaten was
en Hij schreeuwt het uit als Hij zijn laatste levensadem uitblaast.

Het is moeilijk te vatten
(daarom vatten de leerlingen het ook niet)
dat Gods almacht zich in onmacht openbaart.
Hoe paniekerig waren ze niet weggevlucht.
Een van hen had zelfs zijn kleed achtergelaten.
‘Zij lieten Hem in de steek en vluchtten allemaal weg ‘ horen we (in Mc.14,50).

Dat wordt niet voor niets vermeld.
Maar één ding is zeker niet de bedoeling:
dat wij op hen zouden neerzien
en denken dat wijzelf veel betere volgelingen zijn.
Neen, het tekort schieten van de leerlingen
staat model voor het voortdurend bezwijken
van de kerkgemeenschap van alle tijden.

Marcus’ hoofdthema is de openbaring van de God van Israël
als de God die solidair is met de lijdenden.
‘Ik heb het geschrei van de kinderen Israëls gehoord’
zei God bij het brandende braambos.
De openbaring van die God
is alleen voor de mensen die zelf van het lijden weten
(of het lijden van anderen mee kunnen voelen)
en die de diepe troost weten te waarderen
van een God die zich niet openbaart als een ‘glamour-God’
maar als een God die verschijnt
in de diepste onmacht van een mens die gekruisigd is.

Abel Herzberg vertelt een ontroerend verhaal.
Een oud man in Auschwitz wordt tot bloedens toe geslagen
en ligt machteloos op de grond.
Een jonge man kan zijn verontwaardiging niet voor zich houden
en roept uit: ‘waar is God.’
Een wijze oude man kijkt hem aan en zegt:
‘daar is God, Hij wordt bijna dood geslagen.’

Op witte Donderdag zullen wij zingen:
‘ubi caritas et amor ibi Deus est’
( waar liefde is en vriendschap daar is God).

Wij worden naar die blijde boodschap toe geleid
door het vreselijke verhaal van vandaag:
waar een mens is nood is,
waar mensen gekwetst worden en mishandeld…daar is God.

De mensen die volgens Marcus bij de kerk van Jesus willen gaan horen
zullen moeten beseffen dat dat inhoudt:
een weg gaan van vernedering, lijden en dood.

De kerk van Marcus is een bedreigde kerk
die het geheim van de komst van het Koninkrijk Gods verkondigt.

Dat Koninkrijk is nabij gekomen in een mens die leed en stierf.
Deze gekruisigde volgen is onze enige hoop.

Dat is geen triomfantelijke verkondiging
maar een boodschap die moeilijk te verstaan is.

Als de vrouwen op de Paasmorgen te horen krijgen
dat Jesus de Nazarener de gekruisigde verrezen is
worden zij niet blij maar we lezen
dat schrik en ontsteltenis hen bevingen
en niemand er iets van vertelden (Mc. 16,8).

Dat wij het toch weten hebben wij te danken
aan de strijdbare Marcus
die alles voor ons opgeschreven heeft
opdat wij onze eigen conclusies zouden trekken.

Neen, Jesus volgen zoals Marcus ons dat beschrijft
is niet gemakkelijk. Er wordt echte solidariteit gevraagd.

Het is een geheim van licht en donker.
Alleen wie het gegeven is het geheim van het Koninkrijk
dat ondanks alles zal doorbreken, zal begrijpen waar het om gaat.

Als wij door Marcus’ mysterieuze en uitdagende verteltrant
begrepen hebben dat het eigenlijk niet te begrijpen is,
hebben we iets van het geheim verstaan.

Leven als mensen die deze Jesus willen volgen
is leven als iemand die durft te kiezen, iemand die volhardt.

Strijdbaar zijn als Marcus die opkwam voor zijn geloof
en -net als velen van zijn gemeente- werd gemarteld en gedood.

Velen zouden nog volgen. Marcus wil ze bemoedigen.

Net als de man in het Chili van Pinochet die vanuit de gevangenis schreef:
‘als ze je zeggen dat ik gevangen zit (of niet gevangen zit), geloof ze niet.
Als ze vertellen dat ik mijn land verraden heb,
valse passen tonen, mijn handtekening laten zien of een foto… geloof ze niet.
Als ze zeggen dat de maan de maan is, een boom een boom…
geloof niets van ze zeggen, niets van wat ze je zweren, geloof ze niet.

En als eindelijk de dag zal komen dat ze je vragen binnen te komen
om het lijk te herkennen en je ziet me daar…ik ben het niet.

En als ze zeggen: … wij hebben hem gedood,
hij bezweek onder onze martelingen…
als zeggen dat ik helemaal, absoluut dood ben.. geloof ze niet.. geloof ze niet.’

Wij zouden het kunnen uitbreiden in Marcus’ geest:
‘als ze je zeggen dat de haat het gewonnen heeft van de liefde..
geloof ze niet; als ze je zeggen dat de oorlog het gewonnen heeft van de vrede… geloof ze niet; als ze je zeggen dat het donker het licht heeft weggejaagd…
geloof ze niet want:

het licht zal het winnen van de duisternis,
de liefde zal het winnen van de haat!
Dat alles hoort bij het programma van onze Messias
die voor en met ons stierf maar die nu leeft en die ons voorgaat naar Galilea.

Marcus bedankt voor je moeilijke boodschap.
Het is niet goed jouw evangelie op muziek te zetten
we kunnen in plaats van te zingen
beter die ene mens gaan volgen in doen en laten,
de Godmens die echt de moeite waard is:
Jesus die gekruisigd is en gestorven.
Hem gaan wij achterna!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

22 maart: Nu is het uur gekomen

[print]

Passiezondag

Schriftlezingen:

  • Jeremia 31, 31-34; Nieuw verbond

  • Johannes 12,20-33; Mijn uur

Vandaag gaat de passietijd in, de tijd waarin wij Jesus’ lijden overwegen.
En bezingen: een passieconcert vanmiddag, de nodige Passionen volgen,
de paarse doeken hangen om de beelden.
Is dat niet een hele vreemde zaak, een komedie bijna.

Een kritische jongere -gelukkig zijn die er nog- zei:
wat een onzin, treuren om een mens,
één mens, die stierf bijna tweeduizend jaar geleden.

Er zijn toch zoveel duizenden mensen later omgekomen…
100-en, duizenden in Afrika en Azië de Balkan..
Irak en zoveel miljoenen in de eeuwen daarvoor.

Een woord van Abel Herzberg over de moord op
de zesmiljoen joden in de 2e wereldoorlog kan ons helpen.
Hij zegt: ‘zo’n getal zegt niets, het gaat ons bevattingsvermogen te boven.
Je moet niet praten over de moord op zesmiljoen
maar zeggen: zes-miljoen keer is toen, zonder één enkele reden
iedere keer maar weer, één mens gedood.

De passiemuziek die deze dagen zal klinken is mooi,
maar het lijden waarover zij ons willen spreken niet..
Als wij de dood van Jesus, de ene rechtvaardige gedenken
willen wij ons door aan deze mens te denken
verenigen met allen die rouwen om de dood van hun dierbaren
en willen wij alle zinloos geweld van alle eeuwen aanklagen.

Johannes vertelde ons in zijn evangelie
in de vorige hoofdstukken
over Jesus’ trouw aan de Tora tot het uiterste.
Hij genas en bemoedigde.
Hij sprak over licht maar ook over verblinding…
over levenden die zijn als doden en over doden die slapen.
Hij noemde zichzelf een herder, een goede herder zelfs
-in tegenstelling tot anderen-
die mensen in Zijn goede spoor zou meetrekken
en die navolging verdiende.

Hij stelde in Jeruzalems tempel
-in het voetspoor van Jeremia- orde op zaken.
Zo werd Hij voor velen een trooster, een supporter
maar tegelijkertijd door Zijn duidelijke taal,
– midden op het tempelplein had Hij Zijn stem verheven:
krachtig, duidelijk, beangstigend duidelijk –
en door Zijn keuzes een groot gevaar
vooral voor de machthebbers,
voor de Romeinen en de joden die met hen collaboreerden.

Mensen die eerst wel iets in Hem zagen keren zich
van deze radicale leider af.
Maar onverwacht komen daar nieuwe geïnteresseerden
aan de deur.
Je leest er gauw over heen:
Enkele Grieken klampten Filippus aan en wilden Jesus spreken.
Dat deze Grieken Jesus willen zien
is een geweldige doorbraak: iets ongehoords
en in de ogen van de leerlingen misschien ook iets ongewensts.
De leerlingen schrikken er dan ook van.
Filippus weet er niet goed raad mee
en, zoals gewoonlijk, gaat hij naar Andreas om hem raad te vragen.
Samen brengen zij de moed op naar Jesus te gaan.

Als Jesus het verzoek van de Grieken om Hem te spreken hoort
en merkt hoe gespannen Andreas en Filippus zijn die hem dit melden
reageert Hij met het raadselachtige woord:
MIJN UUR IS GEKOMEN..
Neen dat betekent niet op de eerste plaats
dat hij meteen dood zal gaan -al zit dat eraan te komen-
neen het eigenlijk belangrijke is voor hem:
het grote uur is daar, het uur dat Hem deugd zal doen:
eindelijk is het zover. Er zijn nieuwe mensen
die het oude geloof omhelzen willen en mee willen doen.

Maar wel voegt Hij de enthousiasme aspirantvolgelingen
wel harde, realistische opmerkingen toe.
Hij heeft het over de pijn en moeite die
degenen die gelooft in Gods nieuwe toekomst zal ervaren.
Bij iedere doorbraak van iets nieuws
moet iets ouds en hardnekkigs worden doorbroken.
Het zaad dat tot nu toe bewaard werd,
voorzichtig binnen de veilige omheining van Israël
moet openbreken en het risico van een nieuwe confrontatie aandurven
om een nieuwe toekomst teweeg te brengen.

Jesus zegt dan: ‘mijn uur is gekomen
en ‘als de graankorrel niet in de aarde sterft
zal ze niet leven

en ‘de mensenzoon moet dit alles lijden
om zo zijn heerlijkheid binnen te gaan.

Dit is geen uitspraak van een glanzende held
of iemand die het noodlot nu eenmaal moet ondergaan.
Hij is ontroerd, er is twijfel:
moet ik vragen dat dit aan mij voorbijgaat
dus niet: Hij gaat verder op zijn gevaarlijke weg.
Niet omdat Hij graag de martelaar wil spelen.
Hij is geen masochist en Hij zal angstig zweten
in de hof van olijven en het uitgillen aan het kruis…
Het lijden zal Hij tegemoet treden om een andere reden:
omdat Hij trouw wil zijn aan de Tora, aan de Wet,
aan het grote Woord van Zijn Vader,
in solidariteit met allen die lijden moeten voor het recht.
Dit is het nieuwe verbond waar de profeten van droomden.

Er vormde zich rond Jesus een nieuw volk:
rond zijn leerlingen, rond de Grieken die mee willen doen.
Later sluiten daar de slaven van Rome bij aan,
nog later de kleinen van Europa:
mensen op zoek naar geluk en toekomst
naar een zin in hun bestaan.
De mensen uit Europa, Noord en Zuid Amerika kwamen erbij,
de dansers uit Afrika,
kleine proletariërs uit de lagere kasten in India…
en de eerlijkheid gebiedt om te zeggen
dat het in onze dagen de mensen zijn uit de armere landen
die de boodschap –en ze laten de oudere christenen beschaamd achter-
het beste verstaan.
De Paus heeft ze bemoedigd op zijn reis.
Maar dat komt niet in de krant.
Wel dat ene zinnetje in de gang van het vliegtuig
hem door een handige journalist ontlokt.

‘Mijn uur is gekomen’ zegt Jesus als de Grieken ook mee willen doen:
een geweldige nieuwe kans die hier geboden wordt.

In het voetspoor van die éne man, Jesus Messias
trekken de mensen die hem durven volgen, wij en vele anderen, verder.
Die nieuwe mensen, wij, willen niet dichtgroeien in hun eigen zekerheden,
ze geloven niet meer in ideologieën en waandenkbeelden
als de exclusiviteit van het eigen ras,
de puurheid van de eigen natie.

Ooit ging het volk van God op weg uit Egypte
Hun aanvoerder was Mozes die de slaven eerst vergeten was

Uit het vuur riep Hem een stem die riep IK ZAL ER ZIJN.
Hij bracht die boodschap over aan zijn mensen
en omdat ze innerlijk wisten dat ze mee moesten
gingen ze op weg de onzekerheid van de toekomst in.
En in hun voetspoor volgden anderen de eeuwen door.
Niet altijd enthousiast..
soms slofte het gezelschap van Gods gelovigen moeizaam voort,
soms strompelden ze en vielen ze… maar ze gingen door.

Verbaasd nagestaard door velen die blijven kiezen voor wat bekend is:
die blijven zweren bij macht, aanzien of geweld.

Waarom zijn gelovigen zo hardnekkig?

Omdat Hij, voorganger Jesus, zijn weg is gegaan ten einde toe.
In solidariteit met iedere mens die ooit nog het donker in moet
is Hij ons voorgegaan: ten einde toe.

De veertigdagentijd is de tijd
waarin ook WIJ herinnerd worden aan onze roeping tot trouw.

De lijdenstijd die nu aanbreekt
is de tijd waarin wij het schandaal overwegen
van de dood van deze rechtvaardige
en de dood van alle andere rechtvaardigen
die niet capituleren voor de machten
maar die kiezen voor God en Zijn Koninkrijk.

Jesus’ trouw was ijzersterk, zijn handelen consequent,
Hij ging de nacht in van het lijden
-wij volgen Hem nu vanaf deze passiezondag
op weg naar het einde.

Maar daar is Hij gevonden
door de Vader, de God voor wie ieder mens telt.
En tot de mensen die nog in zijn voetspoor durven gaan
zegt Hij: houd vol, ga verder:
durf te kiezen voor deze koning.

Hij zal je gelukkig maken en wakker
en… ‘wat je voor de minste der mijnen hebt gedaan
dat heb je voor mij gedaan.
Innig verbonden trekken we zo samen
dwars door de dood heen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

15 maart: Het licht heeft zich in Jesus geopenbaard

[print]

Zondag Laetare

Schriftlezingen:

  • 2 Kronieken 36; terug uit de ballingschap

  • Johannes 3,14-21; het oordeel is het licht

Het was me wel wat geweest die ballingschap in Babel.
De koning van Babel was Jeruzalem zo’n kleine 600 jr. voor Christus- binnengevallen
-dat hoorde u ook in de terugblik waarmee de eerste lezing begon-
De koning doodde de jongemannen, zelfs in de tempel- het leek de I.S. wel-
hij had met niemand mededogen, of ze nu jong of oud waren, man of vrouw.

Hij haalde alle voorwerpen, tot de kleinste toe, uit de tempel weg,
hij legde beslag op alle tempelschatten;
hij voerde alle bezittingen van de joden mee naar Babel,
stak de tempel in brand.
De arme joden joeg hij de wildernis in en de rijken en bestudeerden
nam hij mee naar Babel voor de Arbeitseinsatz.

Daar zaten ze… aan de rivieren van Babylon,
en huilden. Het boek van de psalmen vertelt ons
dat de bewakers daar hen een vroegen een liedje voor hen te zingen
maar -vertelt het boek van de psalmen ons verder-
ze konden het niet in die situatie:
Jeruzalem hoe kan ik jou vergeten en doen alsof er niets aan de hand is
zeggen ze. Een tekst die ook in de pop-muziek terecht gekomen is:
At the rivers of Babylon,
there we sat and wept as we remembered Sion.

Maar…
ER KWAM EEN EINDE AAN DE BALLINGSCHAP..
en die aankondiging, op de laatste bladzijde van
de joodse Bijbel hoorden wij vandaag.

Enthousiast mag iedereen aansluiten:
Laten allen die tot het volk van de Heer horen,
onder de hoede van de Heer, terugkeren naar Jeruzalem…

Als God ons thuisbrengt dat zal een droom zijn‘…
hadden ze jaar in jaar uit gedroomd..
en nu was het zover: er was een nieuw begin:

Jeruzalems tempel zal herbouwd worden
en de muren weer opgericht onder Ezra en Nehemia
als die namen u iets zeggen.

Soms worden dromen werkelijkheid.
Nu mag je zeggen:
Toen God ons thuisbracht uit onze ballingschap
was het alsof wij droomden.

Gods troost gaat soms je droom te boven,
soms is de werkelijkheid die je mee mag maken
mooier dan je ooit had kunnen denken.

Maar vaak valt alles ook weer tegen.
En dat was in Jeruzalem ook later weer gebeurd.
Inderdaad: de joden waren teruggekomen naar Jeruzalem:
de tempel was er weer en functioneerde
maar.. was dat nou alles:
de mensen bleven even schijnheilig en even slecht
dus blijft het verlangen:
wanneer breekt er eindelijk een volmaakte wereld door ?

II. De vorige week hebben wij in het evangelie gehoord
hoe Jesus op de na de ballingschap
weer herbouwde tempel van Jeruzalem afdaverde
en deze tempel had gereinigd
omdat hij niet tegen de schijnheiligheid kon
van het tempelbedrijf zelf waarbij
de hogepriesters aandelen hadden in de geldwisselwinkeltjes
en ook verdienden aan de provisie
die hun neven die de schapen fokten
die verkocht werden voor de offerdienst binnenhaalden enz.

Na Jesus’ conflict met de tempelbeheerders
(de Sadduceeën waren dat vooral)
komt onmiddellijk iemand uit de kring van de Farizeeën
op Jesus af: Nikodemus.
Wil hij Jesus bij hun partij laten komen en
doet hij daarom zo geheimzinnig door in de nacht te komen?
We zullen het nooit weten.

Het gaat trouwens over het gesprek zelf.
Het is een goed gesprek.
Men verstaat elkaar al met een half woord.

Het onderwerp dat in deze discussie centraal staat is:
hoe zal de toekomst van God er uitzien?
Nikodemus ziet wat Jesus doet en vraagt zich af:
zal nu alles anders worden.

Zullen we nu eindelijk echt thuiskomen??
Zal Jesus zijn krachtige strijd tegen schijnheiligheid
en corruptie voortzetten,
zal hij misschien ook de Romeinen die het land bezet hielden
gaan aanvallen? Moesten ze zich voorbereiden op
een revolutie. Hoe bloedig of juist niet bloedig.

Jesus verrast hem door geen pasklare oplossing te bieden.
Hij legt de nadruk op de mens zelf,
en ene mens, ieder individu dat zelf de toekomst in handen heeft.
Hij antwoordt heel mysterieus:
ALS IEMAND NIET OPNIEUW GEBOREN WORDT
KAN HIJ HET RIJK VAN GOD NIET ZIEN.

Als wij horen spreken over wedergeboorte
denken we misschien aan hele moeilijke dingen.
Nikodemus kan het ook niet volgen:
moet ik als oude man de moederschoot weer in‘.

Jesus denkt als een goede jood echter aan het gewone leven,
aan een nieuw begin dat ieder mens persoonlijk kan maken,
aan hele nuchtere dingen.
Niet dat je opeens een heilige wordt
maar dat je in je leven nieuwe actiepunten
nu eens duidelijk op de eerste plaats zet.

Het zal mij niet meer gaan om geld of gewin
maar om de mensen voor wie ik leven mag,
het zal mij vanaf heden gaan
om de dingen die echt belangrijk zijn of niet.

Opnieuw geboren worden zal een zaak moeten zijn
van je hele persoonlijkheid,
van water en geest… een nieuwe geboorte van jou zelf.

Jesus verwijst naar de doop die alle mensen van goed wil zal verzamelen
-het water- en ook naar de Geest, die als het goed is mensen zal gaan bezielen.

Wat Jesus zelf allemaal zal ‘voorleven’
aan vernieuwing, aan inzet
zal in deze wereld voor velen van belang zijn.
Vandaag horen we Jesus ook spreken
over de consequenties van zijn echte manier van handelen.

‘De mensenzoon zal omhoog geheven worden
als de slang in de woestijn.’
Ooit hadden zieke joden in de woestijn
die door slangen waren gebeten op kunnen zien
naar dat beeld van die koperen slang en waren ze gered geweest…
nu worden wij allen als lezers van het evangelie
middels dat beeld herinnerd aan het feit
dat het opzien naar Jesus ons leven kan veranderen.

De Romeinen en de machthebbers van Jesus dagen
hebben hem de ruimte om te leven niet gegund:
hij moest worden weggevaagd van deze wereld.
Hij bracht teveel onrust omdat Hij geleerd had
da egoïsme niet de weg is naar het echte geluk.

Hij maakte de rijken nerveus omdat hij zei
dat ze moesten breken en delen:
verkoop alles maar wat je bezit en geef het weg.
Daarom werd bij de oproerkraaiers en de misdadigers gerekend;
omhoog geheven aan een paal
net als die koperen slang in de woestijn.
Maar daarmee is hij niet uitgeschakeld
want iedereen kon hem toen op Golgotha zien:
de echte Vriend van de mensen,
de ware getuige van goddelijke solidariteit,
van waarachtige trouw en liefde:
een nieuw begin voor alle mensen.

Het oordeel van God kwam in de wereld,
het licht heeft zich in Jesus geopenbaard.

Zo komen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in zicht.
Wij kunnen daar onze eigen bijdrage aan leveren.

Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap
wordt waar als wij elkaar thuis brengen
en deze wereld tot een goede wereld maken voor elkaar.
Zondag Laetare… verheug je.
Die vreugde zal echt en overvloedig zijn
als wij elkaar de vreugde en de liefde gunnen
die ieder mens zo bitter had nodig heeft.

De liefde kan het winnen van de haat
de vrede kan het winnen van de oorlog
als wij God zelf alles in allen zijn
als wij hem willen toelaten
hier en nu, in onze wereld en vooral in ons eigen leven…

We moeten keuzes maken.
Willen we echt elkaar gelukkig maken.
of conflicten over niets blijven koesteren
en ruzie maken over dingen die het ruzie maken niet waard zijn.

God bemint ons, Zijn licht wil voor ons stralen
als wij maar radicaal willen uitbannen wat dat licht verduistert
en alleen maar willen leven met en voor anderen
onder de stralende zon
van Zijn liefde, barmhartigheid en trouw.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

8 maart: Ik ben jullie bevrijder

[print]

3e Zondag van de Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Exodus 20,1-17; De tien geboden

  • Johannes 2,13-25; Tempelreiniging

Ergens tussen de Eufraat en de Tigris
waar de wereld mooi is en vruchtbaar
in een gebied dat nu deel uitmaakt van het grote land Irak
een land dat we niet paradijselijk meer kunnen noemen
lag –volgens de Bijbel- het aardse Paradijs.
Ergens in Irak, hopelijk is er geen bom op gevallen,
staat in een park een boom
met daarop een bordje:
dit is de boom van kennis van goed en kwaad.
Kennis van goed en kwaad, die hebben we nog niet echt.

We hebben hulp nodig van God
om het goede te ontdekken
en het van het kwaad te onderscheiden.

Wel hebben we hulp gekregen
toen in de Sinaï
toen het volk van God de tien geboden kreeg.

Het was een uniek gebeuren…
de gave aan de mensheid van de tien geboden.
Zo beginnen ze:
IK BEN DE HEER JULLIE GOD
DIE JULLIE UIT EGYPTE HEB BEVRIJD!!
Dat woord is, volgens de Joodse telling, het eerste gebod.
Het kerngebod, waar alles aan vastzit,
het woord dat we goed in onze oren moet knopen is:
Dit woord werd in de oude katholieke en protestantse lijsten
niet meegeteld, het was geen echt gebod.
Terwijl het om de kern gaat… het woord dat je laat zien
in welk licht alle woorden die komen moeten worden gelezen:
als een programma van verlossing en vrijheid!
Wanneer zullen wij trouw zijn aan dit gebod?

God heeft ons bevrijd, God is de sterke Minnaar.
Er is sprake van een ‘Entführung aus dem Serail‘,
een ontvoering door God van zijn geliefde
die Hij uit het slavenhuis heeft geschaakt.
En op de vijftigste dag na die ontvoering, na de uittocht
legt Hij zijn beschermende handen
met de tien vingers van de tien geboden, op Zijn volk.
Al die geboden hebben met die unieke geschiedenis
van bevrijding en troost te maken…
Binnen die geschiedenis van bevrijding en vernieuwing
past ook een nieuw gedrag van degenen die bevrijd zijn.
Niet alleen omdat God dat wil
maar vooral omdat dat
bij die nieuwe fase van de geschiedenis
die we samen met Hem kunnen binnengaan, past.
Als God bevrijder is
zul je zelf ook werken aan bevrijding.

1. Je zult je eerst goed moeten realiseren
wie die God is. En dus alle valse goden wegdoen.
Geen op maat gesneden godsbeelden graag,
geen zichtbare Goden van geld en macht dienen.

2. De naam van God zul je niet misbruiken,
door hem op je soldatenriem te zetten bijv.
zoals de S.S-ers dat deden in de oorlog
of op de gulden, zoals wij dat nog steeds doen.

3. Bij het op weg gaan met die bevrijdende God
hoort ook het doen van de Sabbath:
het hakken van bijten in de ijzige saaiheid van dag na dag.
De Sabbath om je te bezinnen op de dingen die wezenlijk zijn;
om je niet af te jakkeren maar om te genieten
en tot jezelf te komen…
en naar de kerk gaan hoort daar toch bij.

4. De traditie die je vader en je moeder je doorgeven
helpt je bij jouw gewetensvorming.

5. Het niet moorden is dan het volgende gebod
dat als een gong door onze wereld galmt
maar niemand die zich er iets van aantrekt:
wij gaan onzorgvuldig met het leven om.

Als wij de tien geboden ernstig nemen
gaat het niet om vage algemene fatsoensregels,
maar om woorden/uitdagingen, die mensen hoogst persoonlijk
tot keuzes willen brengen en in beweging proberen te krijgen
zodat er een nieuwe mensheid ontstaat,
opdat er gebouwd zal worden aan het leven
en opdat er (het 6e gebod) trouw en liefde op aarde gevonden zal worden,
en er niet gestolen zal worden (het 7e gebod) maar gedeeld.

7-9. We zullen eerlijk getuigen, goede woorden spreken over elkaar
en niet begeren wat van een ander is.

Ieder mens wordt persoonlijk aangesproken.
De tien geboden zijn daarom ook allemaal in het enkelvoud gesteld,
om je te leren‘ zeggen de joodse leraren uit Jesus’ tijd
dat -ook al wijkt de hele wereld van de Tora af-
jij de wereld niet mag volgen.
Want de Tora is aan jou gegeven, en alleen aan jou!

De tien woorden nodigen uit tot creativiteit
en vragen om mensen met veel fantasie die ze durven doen.
Als wij die mensen zijn is God dik tevreden.
Ja alles is Hem gelegen aan Zijn Wet.

Ik‘ zegt God ‘heb liever dat ze Mij verlaten,
als ze mijn Wet maar bewaren.
En mijn Wet bewaren ze door de woorden te doen.

En komt God dan zelf niet tekort?

God zelf is er niet zo ongerust over.
Want God besluit dan -aldus rabbi Chija-
Al ze Mij verlaten maar mijn Wet onderhouden,
dan zal de gist erin hen wel benieuwd maken
naar Degene die dit allemaal verzonnen heeft
en hen nader tot Mij brengen.

God wil een goede Partner zijn,
een trouwe Vriend voor de Zijnen.
Nog steeds is het wachten op een echte goede reactie
van Zijn mensen, de partners in Zijn verbond.
Samen kunnen wij het goede programma verwezenlijken:
de opbouw van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Als wij meedoen staat er een koepel van genade
over ons uitgebouwd: tot in het duizendste geslacht..zegt de Schrift.

De tien geboden werden ooit bewaard
in de tempel van Jeruzalem.
Vele Jeruzalemmers waren maar wat trots op al dat fraais.
Ze gingen prat op de tempel
zo zaten ze toch goed?

Maar tegen die denkwijze
hadden de oude profeten al geprotesteerd:
zo mag je niet praten..
zeg niet ‘de tempel, de tempel, de tempel des Heren is hier maar
-en dan komt het doel waarvoor de tien geboden gegeven zijn:
VOER ZE UIT;
LAAT ZE IN JE EIGEN LEVEN WERKELIJKHEID WORDEN.

In het evangelie van vandaag komt Jesus op Jeruzalem af.
Hij wil dat Jeruzalem glorieert.
Hij heeft het beste voor met de heilige stad
maar wat was er in Gods stad terecht gekomen
van de vervulling van de tien geboden
die altijd met zoveel zorg
in de tempel werden bewaard?

Het verhaal van vandaag is een hard verhaal:
Hij gaat op de tempel af en Hij zuivert de tempel.
Neen niet omdat Jesus niet tegen lawaai of rommel kan:
niet in de zin van: iedereen moet stil zitten en braaf zijn.
Kinderen mag je in de kerk best horen
en een hond in de kerk mag ook best.

Een wereldwinkel met producten die
ten bate van de armsten worden
mag volgens mij ook.
Maar wat dan niet? Wat wekt de toorn van Jesus op?
Het tempelbedrijf zelf.
De hogepriesters hadden aandelen in de geldwisselwinkeltjes
de schapen die de mensen voor hun offers moesten kopen
werden door de neef van de hogepriester gefokt.
Tegen dat gedoe, en tegen alle vrome commercie
van alle eeuwen keert Jesus’ actie zich.
Gij zult niet… schijnheilig zijn.
Dit conflict zal Hem veel kosten.
……….de geselslagen in de tempel
krijgen een echo in de geselslagen op Zijn eigen rug.

Jesus staat voor trouw aan de Wet,
echte trouw aan de tien geboden.
Die zijn er niet allereerst om in een kist te worden gestopt,
die in een tempel van hout en steen bewaard moet worden.

Het gaat Hem niet om het huis van hout en steen
maar om een huis van vlees:
een tempel van vlees…
een mens die ze uitvoert.

Jesus zelf zal zo’n tempel van vlees zijn,
een mens, dè mens
die de woorden van God doet.
Ze zullen deze tempel van vlees, deze mens vermoorden
maar -u kent het vervolg-
BINNEN DRIE DAGEN ZAL HIJ WEER OPSTAAN.

Het gaat deze zondag bijna halfvasten zo ook al
om het geheim van de opstanding van Jesus,
de trouwe doener van de tien geboden.
En het gaat ook over ons.
Wij kunnen als het goed is
ook tempels zijn van de heilige Geest.

Het is helemaal niet zo erg
dat de oorspronkelijke stenen platen
waarop de tien geboden stonden zijn zoekgeraakt.
Mulish schreef een boek, dat ook verfilmd is:
‘de ontdekking van de hemel’
waarin hij ervan uitgaat dat de stenen platen
ergens in Rome verborgen zijn
en door God worden teruggeëist omdat de mensen
ze niet waard zijn. Maar dat is fantasie.

De platen met de tien geboden zijn al heel lang weg
en ook de tempel van Jeruzalem is er niet meer.
Sommigen willen hem gaan herbouwen
maar echt vrome joden zeggen: ‘neen, dat nooit.
God heeft immers echt behoefte aan mensen die de woorden doen…
die zelf de woorden de geschiedenis in dragen.

Ieder die Zijn Zoon,
als trouwe uitvoerder van de Wet
volgen wil is welkom:
Hij zal een weg gaan van dienstbaarheid en trouw:
een weg die veel vraagt
maar die een mens gelukkig kan maken
want daartoe zijn wij immers op aarde?

De wereld schreeuwt om zulke mensen
die de enige echt God gaan dienen
die alle afgoden overbodig maakt.

En als mensen samen die ene God willen dienen,
samen bouwen aan werkelijke vrijheid en toekomst
komt er nieuwe hoop. En dan blijkt het paradijs
dat verloren lijkt plotseling weer in zicht te komen:
een nieuwe wereld waarin God alles zal zijn in allen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor