• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

26 april: Het hart dat ziet

[print]

4e Paaszondag

Schriftlezingen:

  • Handelingen 4,8-12

  • Johannes 10, 11-18

De zondag van de goede herder zoals die ieder jaar weer terugkomt
moet hoog nodig van zijn zoetigheid worden ontdaan.
De herder uit het evangelie is geen goeierd op de hei
maar een man die in de wildernis opkomt voor de zijnen;
iemand die met leeuwen en beren vecht.

Als er in de Bijbel over een herder gesproken wordt
gaat het altijd om iemand die opkomt voor de weerloze,
iemand die verenigt en beschermt
en die de strijd met de wolven aandurft..
in geestelijke zin: iemand die de strijd aandurft
en de macht van het kwaad ontmaskert.

Een van de oudste bijbelverhalen leert ons
hoe wij mensen allemaal geschapen zijn
om elkaars herders te zijn.

Het is het beroemde verhaal van Kaïn en Abel.
Abel is de zwakste en Kaïn is de sterke.
Maar in plaats van dat Kaïn zijn kracht gebruikt
om zijn broeder te beschermen en te bewaren
gebruikt hij zijn kracht om zijn broeder te doden.

Jaloezie en gekwetste eerzucht zijn Kains motieven
voor de eerste moord op aarde,
je zou dat eigenlijk de echte erfzonde kunnen noemen.

Dat laat God niet zo maar passeren.

HIJ is zelf immers de goede Herder die opkomt voor de zijnen
en is de mens niet naar zijn beeld geschapen en om op Hem te lijken?
En God roept Kaïn ter verantwoording:
hoe is het met je zwakke broeder?
Wat heb je voor hem betekend?

En dat stelt Kaïn de vreselijk domme vraag:
‘ben ik soms de herder van mijn broer?’
En God weer:
‘In plaats van voor hem te zorgen
heb je hem gedood en de aarde
die jij hebt gedrenkt met zijn bloed roept naar mij.
Kaïn waar is je broeder.’

Kaïn vroeg:
‘ben ik dan soms de herder van mijn broer?’

Het antwoord is JA NATUURLIJK,
geschapen naar mijn beeld als jij bent
ben je geroepen de hoeder van de broeder te zijn.

Dat geldt voor ons allen.
Wij zijn allen geroepen
herders van onze broeders en zusters te zijn,
wij zijn geschapen om elkaar te sterken en te bewaren:
dat geldt voor alle eeuwen, dat geldt voor iedereen.

In de oud christelijke catacomben
werd Jesus als DE goede herder afgebeeld:
een stoere man met een schaap op de schouders
iemand die het zwakke zou verdedigen;
later worden de schilderijen zoetelijker
en beelden ze minder goed uit
wat Johannes de evangelist ons
over Jesus wil melden.

Het evangelie van de Goede Herder Jesus
heeft voor het eerst geklonken in de winter in Jeruzalem
rond het wijdingsfeest van de tempel….
vergelijkbaar met het jaarfeest van de wijding van onze kerk
deze maand heel bescheiden gaan vieren:
dit keer de 117 e verjaardag.

In het Jeruzalem van Jesus’ dagen
-toen Jeruzalem zuchtte onder de Romeinse bezetting,
(vergelijkbaar met de Duitse bezetting van ons land)
was de viering van dat feest een gelegenheid tot protest.

Tallozen dromden samen en velen hadden
hooggespannen verwachtingen van een naderende revolutie.

Jesus werd geacht
leiding te kunnen geven aan een verzetsbeweging:
‘Hoe lang nog houdt u ons in spanning’
hadden ze hem gevraagd.

En dan gaat Jesus spreken.
Over schapen die wel of niet luisteren naar zijn stem.
Hij spreekt over een nieuw volk dat zich verzamelt rondom Hem.
‘Niemand kan ze van mij wegroven.’

Hij heeft het over een hecht verband dat wordt gesmeed rond Hem.
Want Hij is niet zomaar een verzetsheld
maar de door God gezonden aanvoerder van een heel nieuw mensenvolk
dat heel de mensheid omvatten zal:
mensen van Azië en Europa
Afrika en Amerika,

de herder van alle soorten mensen:
joden en heidenen, mensen van goede wil.

Het is wellicht een naïeve en kinderlijke vraag,
maar als Jesus de Christus, hier op aarde zou terugkomen,
zou hij dan alleen maar even naar de Paus van Rome gaan ?

Een ding is zeker:
Hij zou beginnen bij de rabbijnen in Jeruzalem.

En daarna de Paus.
Maar Hij zou zeker ook even
naar de secretaris van de Wereldraad van kerken in Genève gaan
en even langs gaan bij de patriarch van Constantinopel.

Hij is toch herder van allen,
zou Hij een Ashram in India over kunnen slaan
of een moskee waar in alle eerbied en ootmoed
de Vader aanbeden wordt.

Hij wil herder zijn van allen
en dat heeft voor ons de konsekwenties
dat het koesteren van ieder eigen gelijk moet worden uitgebannen
en ieder groepsgelijk moet worden toevertrouwd
aan de hoede van Zijn herdersstaf.
Terug naar Johannes:

Het evangelie van de goede Herder
gaat over een nieuw mensenvolk dat zich vormen zal,
een grote familie van alle stammen en naties en talen
zoals Johannes dat al voor zich zag in zijn apokalyps.

Hij zag een nieuwe mensheid die zich verzamelt
rond de solidaire herder,
zo solidair met de weerlozen
dat deze goede herder zelf
plotseling vergeleken wordt met een lam.

Luisteren naar deze verhalen over de herder en het lam
betekent uitzien naar dat nieuwe
dat al bijna 2000 geleden is aangekondigd
en dan zelf je leven veranderen.

Als wij het evangelie over de goede herder horen
worden we daardoor opgewekt ons eigen leven open te stellen
voor zijn geest van bevrijding en vernieuwing.

Het betekent dat voor ons, net als voor Jesus,
solidariteit en weerloze liefde voor
mensen het allerbelangrijkste zijn.

Om dat goed te doen heb je anderen nodig:
thuis waar je elkaars herder bent
maar ook hier in dit gebouw,
in deze schaapskooi.

Vandaag vieren wij hier roepingenzondag.
Daar is dan vooral mee bedoeld
de roeping tot het ambt, het priesterschap, het diaconaat,
de religieuze staat of het pastorale werkerschap in de kerk.

Er is veel discussie over al deze kerkelijke ambten:
vooral over wat een ieder wel of niet mag.
Dat is erg jammer, zonde van de tijd
want allemaal zijn wij nodig,
ieder op zijn of haar eigen plek.

We mogen ons naar mijn idee nooit er toe laten verleiden
mensen met verschillende roepingen
tegen elkaar uit te spelen.
De een is niet beter dan de ander.

De priester is nodig en belangrijk
maar hoeft niet apart op een voetstuk te worden geplaatst,
de diaken is nodig voor de sociale activiteiten
die de kerk moet ontwikkelen,
de pastorale werkers, mannen of vrouwen,
voor opbouwwerk en inspiratie van groepen.

Maar ook alle andere leden
van het priesterlijke volk van God zijn nodig;
organisten, koorzangers en zangeressen,
vrijwilligers in het pastoraat..
maar ook gewoon vaders en moeders,
milieuactivisten en verpleegkundigen
en allen die hun zieken thuis verplegen
en alle andere ijverige en lieve mensen
die hun leven als een roeping zien.

Wat zou het een verarming zijn
als er geen mensen waren die hun leven
niet meer als een opdracht van God, een roeping
willen en durven beleven.

Voor ieder mens geldt dat hij of zij er mag zijn en nodig is.
En dan vooral om te doen wat Kaïn weigerde:
om de herder van de ander te zijn.

Het programma van de christen
-het programma van de barmhartige Samaritaan,
het programma van Jesus-
is ‘het hart dat ziet.’
Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt ernaar.

De laatste woorden na het tenslotte
waren uit de laatste encycliek van de vorige Paus
en dus hebben ze gewicht.

Zo moge het zijn, werkt allen mee.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

7 december: Een wakkere club

[print]

2e adventszondags

Schriftlezingen:

  • Jesaja 40,1-11; troost mijn volk

  • Marcus 1,1-8; begin van de blijde boodschap

Op de dag des Heren zullen hemel en aarde dreunend vergaan
is een van de gezellige woorden van Petrus die we vandaag meekrijgen.
Een ander geluid komt van de profeet Jesaja:
Troost, troost mijn volk, de dag des Heren komt.

Een kiene schrijfster en psychoanalytica – ik zal later haar naam onthullen-
citeerde deze week opgewekt de Weense psycholoog Freud die 100 jaar geleden,
102 jaar om precies te zijn, zijn boek schreef ‘de toekomst van een illusie’
waarin hij ons als gelovigen allemaal lekker voor gek zette:
gelovigen zijn mensen die een beetje achterlijk zijn,
ze hebben behoefte aan een almachtige super-pa die ze God noemen
en ze lebberen allemaal aan de fopspeen van de troost dat
dat God alles dik in orde zal maken
en dat zij op hun eilandje van rust en vrede
zich van alle ellende in de wereld niets aan hoeven te trekken.

De meeste atheïsten of agnosten,
-het zijn soms hele gezellige mensen hoor,-
zijn inmiddels een beetje meer bij de tijd gekomen
en hebben ontdekt dat gelovigen zich juist heel veel aantrekken
van de ellende in de wereld en er ook veel aan willen doen
en er in feite al heel veel aan gedaan hebben en nog doen.

Ik heb dat mogen zien bij bezoeken aan Congo en India.
In Congo waren de kerken de enige plekken
waar mensen echt eerlijk behandeld werden.
De postbode kwam soms op de pastorieën in het binnenland langs
niet om brieven te bezorgen maar om te vragen of de pater die vast
wel eens bezoek van buiten kreeg wilde zorgen voor de verzending
omdat mensen dan de zekerheid hadden dat hun brieven echt aankwamen.
Mijn vriend Willem en ik die daar waren kregen toen ook een pak brieven mee.

De religieuzen, ook veel uit de eigen bevolking, verzorgden de ziekenzorg
en legden groentetuinen aan; de pastoor vertaalde de psalmen in het Lingala
en maakte zeep voor het hele dorp en ga zo maar door.
De bijbeldiscussies die er gevoerd werden hadden zo
door de VPRO uitgezonden kunnen worden
zo diepzinnig en actueel als ze waren.
Een levendige kerk was en is daar nog steeds actief.

Over gelovig actief gesproken: ik denk ook aan moeder Theresa in India
die wij ook mochten bezoeken.
De meest nuchtere en realistische vrouw die ik ooit ontmoet heb
als ik mijn eigen moeder even buiten beschouwing laat.

Ik zo nog even tegen Freud willen zeggen –misschien hoort hij het wel-
dat het juist de godsgelovigen zijn die de harde realiteit onder ogen willen zien.
Niks lijdzaam toezien maar samen met de anderen van goede wil
– de handen uit de mouwen steken.
Hoe dat moet leert ons de huidige Paus.
Met zijn 77 jaren, 75 jaar is eigenlijk nog niets,
ging hij op het Europese parlement af en zei hen duidelijk de waarheid:
Denk nu eens niet aan bonussen of subtiele regelgeving
maar aan werkelijke dienstbaarheid aan vrede en rechtvaardigheid
en vooral: vergeet de vreemdeling niet die roept aan de poort.

Enkele dagen daarna ging onze 77+ Paus even naar Istanboel
om met de regering in Ankara te praten –wat ons niet zo goed lukt-
en dan nog even langs te gaan in Istanboel en daar
in de Blauwe Moskee met leiders van de Islam te praten
en de volgende dag nog even langs te gaan bij de
patriarch van de Orthodoxe christenen om daar te kijken
of we het schisma van 1054 niet eens kunnen gaan opheffen.
Neen, saai is het niet in de kerk.
Hier putten wij uit de Schrift, de allerrijkste traditie die er is
Hier kunt u horen dat onze wereld nog steeds worstelt
met de gevolgen van koloniale uitbuiting.
En hier kunt u horen hoe de Europese en Noord Amerikaanse arrogantie
bij de inrichting van de wereld wordt aangeklaagd.

In de boekrol van Jesaja, waar we in deze Adventstijd uit lezen
en in de psalmen die de priesters, diakens en religieuzen
verplicht bidden -dat brevieren is geen corvee
maar een goede opdracht- horen wij steeds hetzelfde refrein:
de mens die zichzelf het allerbelangrijkste vindt
en alleen aan zijn eigen rijkdom denkt
en zijn machtspositie wil blijven beschermen
zal op zijn bek vallen – neen het staat er niet diplomatiek-
de arme zal recht gedaan worden, en God zal de Herder zijn van een nieuwe wereld: zijn Koninkrijk waarin de liefde zal heersen
die het zal winnen van de haat.

Deze wat vrije vertaling van de boodschap van het boek van de Psalmen
wordt ook iedere keer in de kerk herhaald als er een kindje gedoopt wordt.
Want niet allen priesters, diakens, religieuzen en bisschoppen zijn belangrijk
maar ook de jonge mensen met hun idealisme en goede wil
die echt gaan bouwen aan het Koninkrijk van God
en die daar misschien wel veel belangrijker bijdragen aan leveren
dan welke vrome priester, Paus of bisschop ook.

Goed dus dat er een kerken zijn:
geloofshuizen waarin mensen samen komen
om de liturgie te vieren en daar aan mee te werken:
jullie misdienaars en helpers,
zangers van vandaag ook superbelangrijk,
en u allen die niet in bed bent blijven liggen maar hier samen komt.
Hier zijn ook vrijwilligers te vinden die zorgen voor de diaconie,
voor de mensen in nood in onze eigen omgeving
en de mensen in Vietnam die we deze Advent gaan helpen.

Wij zijn hier samen, voorgangers en voorzangers
maar ook u allen die uw taak verricht.
Mensen die hun zieken verzorgen
of die zelf met hun ziektes worstelen:
ik ken er een paar en ik ben fan van hen.
En dan zijn er ook nog andere moedige mensen aanwezig
die dierbaren moeten missen maar dapper verder gaan.
Ik denk aan de familie van Chrisje die 7 jaren jong zo dapper volhield
en vorig jaar 17 december stierf.
Ik denk aan de familieleden van de omgekomen familie van Veldhuizen:
van Antoine en Simone, van Pijke 3 jr. en Quint, 6 jr. en oma Christine.
Op 17 juli neergestort in de Oekraïne;
we rouwden hier met zo’n 1200 mensen op 27 augustus.
De meisjes van de capella hielpen ons door te zingen
en talloze vrijwilligers zetten zich in om alles goed te laten verlopen.
Ook zij gaan door net als de familie.

In de kerk –ja ik ga nog even door-
zijn ook nieuw theologische ideeën gerijpt
doordat wij als christenen, katholieken en protestanten
weer in de leer zijn gegaan bij de joodse rabbijnen.
Zo zijn wij de kracht van de boodschap van het Oude Testament
die ook doorklinkt in het Nieuwe weer op het spoor gekomen.
En met andere mensen van goede wil
ook met onze broeders en zusters van de Islam
met wie we in Haarlem goed contact hebben
bouwen we aan een nieuwe wereld.
Zo verrichten wij een godgevallig werk
want God houdt van alle mensen en niet alleen van ons.

Petrus houdt ons voor dat er nog heel wat gebeuren moet,
vandaar zijn gepraat over het dreunend vergaan van hemel en aarde
dat is geen horror-praatje maar een oproep tot waakzaamheid en actie.

Johannes de Doper roept ons op tot bekering
er is nog zo veel te doen.
Maar al deze dingen staan onder de koepel
-en daar ben ik dan bij mijn hobbieonderwerp-
de koepel van de Blijde boodschap
dat God ons niet in de steek laat.

Hij heeft ons echt nodig,
Hij neemt het werk niet uit onze handen
maar Hij is wel de grote Fan met een hoofdletter
die achter ons staat en voor ons.

In deze tijd van overdreven individualisme is het goed
propaganda te voeren voor die Herder.
Een goede Herder dat is Hij.
Want Hij is enerzijds de goede Herder die ons opjut.
die ons zo nu en dan ook eens in onze zij prikt:
he jij, schiet eens op, doe eens wat
en van de andere kant is hij de herder
die het gewonde dier –soms zijn we dat ook zelf een beetje-
ook verzorgt en begeleidt
en uiteindelijk binnenbrengt in zijn grote huis
waar ruimte is voor allen, wie wij ook zijn.

Voordat het zover is, is er nog veel te doen.
Laten we opgewekt aan de slag gaan.
Lieve Anna Enquist, -jij was het met je godsdienstkritiek deze week
die mij zulk prachtig materiaal bood voor mijn preek-
je kunt mooie boeken schrijven maar had ons toch niet helemaal door
toen je mij de vorige week jouw kritiek op de geloofsgemeenschappen
als achterlijke clubjes beschreef.
We schieten als kerken wel tekort, daar heb je gelijk in
we hebben veel dingen fout gedaan en doen dat misschien nog
maar we zijn blij dat wij samen mogen komen
en onder deze koepel te voelen dat er Iemand is
met zijn beschermende ruim uitgestrekte armen
die zijn liefde aan ons spenderen wil.

Jesaja mocht meemaken dat hij in de tempel
zijn visioen had van de engelen die daar zweefden
-ik heb ze hier bijna gezien-
en die verkondigden wat boven onze hoofden geschreven staat
Sanctus, sanctus sanctus, ‘Heilig, heilig, heilig de Enige,
die de machthebbers van hun tronen stoot
en die de kleinen zal verheffen.

Zijn zoon gaf ons Zijn opdrachten door ‘bemin uw naaste als u zelf’.
En bij zijn afscheid zei hij: ‘jullie zullen dezelfde dingen gaan doen als ik
ja grotere dan die zullen jullie doen
’ zoveel ver trouwen had hij in ons.

Dank aan de Enige die ons nodig heeft en oproept tot dienstbaarheid
die benieuwd is wat de mensen,
het werk van zijn handen allemaal zullen doen
en zoveel van ons houdt
dat Hij ons trouw wil zijn tot over de dood heen.
Blijven wij Hem dienen
onze Herder vandaag en alle dagen.

Gaan we hem nu toezingen
het staat niet in uw programmablaadje
maar u vindt de tekst van het lied als nummer 341
in het Bavoliedboek.
Het koor gaat beginnen maar wij zingen
-hopelijk lekker hard mee met het refrein:
Mijn Herder is de Heer,
Nooit zal het mij aan iets ontbreken.

Zo moge het zijn: en dat vertaal ik
even in het Hebreeuws: AMEN!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

25 oktober: Requiemmis van Bernard Bartelink

[print]

De lof van de heer bezingen

Boven de aankondiging van het plotselinge overlijden
van Bernard Bartelink staat een citaat uit het boek der Psalmen:
de lof van de Heer wil ik altijd bezingen.
Op het eerst gezicht een hele toepasselijke tekst
Bernard heeft inderdaad met zijn muziek niets anders gedaan.
Hij heeft muziek gemaakt bijna 85 jaren lang,
de eerste jaren nog wat ongeordend denk ik
maar daarna iedere dag beter…heel toepasselijk dus.
Dat is zo maar er is meer.

De tekst die geciteerd wordt is uit het boek der Psalmen,
niet zomaar een liedjesboek
maar een boek waarin alle menselijke emoties benoemd worden.
Een boek waarin gescholden wordt en gezegend
een boek waarin geklaagd wordt en gejuicht.
Een boek met vreselijke klachten
maar nooit in het wilde weg.
Een boek dat weet dat er Iemand is met een hoofdletter
die naar ons luistert.

Een boek met vreselijke klachten:
God mijn God waarom hebt u mij verlaten
-een tekst die Jesus citeert hangend aan het kruis.
Maar ook een boek met gewonere klachten waarmee we bij Hem terecht kunnen
wat is ons bestaan nu waard, er is veel om over te zuchten en te klagen’.
En een wat serieuzer klacht: ‘wat is de mens zelf nu waard
hij wordt hooguit 70 jaar en als het meezit 80.

Dat kunnen we tegenwaardig wel rekken hoor maar toch…
het is wel waar: we zijn kwetsbaar.
We doen wel flink we gedragen ons alsof we het eeuwig leven op aarde hebben
maar dat hebben we niet.
Ben ik nu ook aan het zeuren? Het is niet de bedoeling.

Mijn bedoeling is het om allereerst weer te geven
wat alle mensen eigenlijk iedere dag meer moeten beseffen
dat we als mensen kwetsbaar zijn en zwak.
En daarmee wil ik u en mij niet de put inpraten
maar erop wijzen dat het zaak is te zoeken
naar de dingen die echte belangrijk zijn
en alle dagen die wij hebben te besteden
aan het opbouwen van het enige echt belangrijke project
dat er op aarde in ontwikkeling is: de opbouw van het Koninkrijk van God
de opbouw van het Koninkrijk van de Liefde.

En het tweede is dan dat we mogen horen
dat er iemand is, die Iemand met een hoofdletter
die naar ons mensen kijkt, van ons houdt
en ons tot nieuw leven zal opwekken.

Iemand zei gisteren nog tegen mij:
Bernard had wel 100 kunnen worden
en daar zag het ook naar uit.
Altijd maar bezig, altijd maar studeren
weer aan het nadenken over een tournee
in oost Europa of in Frankrijk, dat deed er niet toe.
Hij kwam overal.
En dat terwijl hij toch geen topchauffeur was:
hij was handiger achter de Setzer dan achter het stuur.
Zijn kinderen weten daar alles maar dan ook alles van.

Maar Bernard was niet zo maar een actieve en getalenteerde muzikant.
Er was in hem een hele bijzondere kracht werkzaam:
die van de onvoorwaardelijke inzet met al zijn talenten
voor zijn Heer. En wat gaf die Heer hem een geweldig talent mee
om als docent zeer velen te vormen,
om samen met Rina een geweldige uitstraling te hebben.
Om van de Bavo een tempel van cultuur te maken
en van hun huis aan de Leeghwaterstraat
een gastvrij oord waar velen werden ontvangen.

Bij de uitvaart van Rina, in november 2012 dachten wij daar over na.
We lazen toen hetzelfde evangelieverhaal als vandaag
over het huis van Martha, Maria en Lazarus
het huis waar Jesus zo graag op bezoek kwam.

In Amsterdam was het huis van Bernard en Rina
vooral een huis voor hun kinderen.
Het huis aan de Leeghwaterstraat waar Rina de gastvrouwe was
voor alle organisten en vrienden die Bernard daar naar binnen haalde
was een gastvrij Haarlems huis.

Het bezoek aan het huis van Martha zoals we dat vandaag hoorden
heeft een serieuze context: er is verdriet!
En dan doet het een beetje denken aan het huis aan de Waddenstraat
waar Rina haar ziekte toesloeg en Bernard alleen moest achterblijven.

De namen die we in het evangelie hoorden
vertellen ons al iets over wat er aan de hand is en wat dit verhaal ons wil leren.
Het verhaal speelt in Bethanië… dat betekent, plaats van verdriet
(dat doet denken aan de dood die alles leeg en donker maakt)
maar het ligt tegen de olijfberg aan,
de berg waarop de Schrift de opstanding der doden
op het einde der tijden programmeert.
Daar komen we straks op terug.

Verdriet is er: Lazarus is gestorven.
Maar ook nu gloort er hoop.
De naam LAZARUS is de Griekse weergave
van de Hebreeuwse naam Eleazar: ‘God is mijn helper’.
In deze naam heeft Israël zich herkend:
dankzij de hulp van de kant van de Eeuwige, leeft het volk.

Matha is er zeker van dat Jesus Lazarus niet zou hebben laten sterven
zijn vriendschap voor Lazarus betekende immers: trouw tot over de dood.
Ze getuigt: ‘als Gij hier waart geweest
zou mijn broeder niet gestorven zijn
‘.
Martha is dus geen sloofje
ze is een gelovige bij uitstek in de God
van Abraham Isaak en Jakob.
Maar zij is ook een gelovige in het nieuwe begin
dat er met Jesus’ komst op deze aarde gemaakt is.

Ze is nu opeens een profetes die perfect weet te getuigen:
ik weet dat mijn broeder zal verrijzen op de jongste dag
en als Jesus zegt dat Hijzelf het leven is en de verrijzenis
en vraagt of zij dat gelooft zegt ze (net als we elders Petrus horen zeggen):
JA HEER IK WEET DAT GIJ DE MESSIAS ZIJT,
DE ZOON VAN DE LEVENDE GOD.

Martha gelooft dat de kringloop van het lijden doorbroken kan worden
en is zo een goede getuige van het nieuwe leven dat ons allen ten deel kan vallen.

De twee zusjes (Marta en Maria) en de omstanders
(die ook van Je­sus’ liefde voor Lazarus weten)
krijgen te zien wat de consequentie
van het met Jesus meetrekken is:
Jesus toont Zijn trouw en Zijn vriend­schap
door Lazarus weer tot leven te wek­ken.
Er is hoop voor Lazarus, voor Martha en Maria
voor de leerlingen toen en voor ons.

Bij de voorbereiding van deze dienst hebben we naast
de lezing over Bethanië ook gekozen voor de klassieke lezing
uit Paulus’ brief aan de christenen van Thessalonica
-Bernard wilde toen we Rina hadden uitgedragen
daar nog een keer naar toe: het is er niet van gekomen.

Thessalonika is een havenplaats in noord Griekenland
waar een zeer gemengde bevolking woonde.
Daar, juist daar, klinkt Paulus’ krachtige verkondiging
van de opstanding der doden.

Er waren allerlei mooie en vage theorieën in omloop
-zoals dat ook in onze dagen nog steeds gebruikelijk is-
over een soort vaag eeuwig leven,
een opgaan in het al, een verdwijnen in de sterrenhemel of zoiets.

Het is niet mijn bedoeling die theorieën te bespotten
maar wel om ons geloof duidelijk te profileren.
Wij geloven meer! Wij geloven in de verrijzenis van het lichaam.
Met het woord lichaam is dan de mens bedoeld
in zijn unieke individuele structuur.

Dat geloof is gebaseerd op de opstanding van Jesus.
Ik citeer Paulus:
Wij geloven immers dat Jesus is gestorven en weer opgestaan’.
Dat is mooi maar nu komt het:
Evenzo zal God hen die in Jesus ontslapen zijn
levend met hem meevoeren.

Wetend dat zijn vrouw Rina Bernard voorgegaan is naar dat nieuwe leven
heeft Bernard verder geleefd.
Wel heel verdrietig en onzeker soms maar toch ook dapper.

En toen gebeurde de ramp de vorige week.
Zijn val in de supermarkt.
Hij bleek ziek, heel ziek, niemand wist dat
kinderen vermoedden misschien wel iets.

En voor we het wisten was het aardse leven van Bernard ten einde.
Gelukkig kon hij nog de ziekenzalving ontvangen
en weer lazen we een psalm:
mijn Herder is de Heer, nooit zal het mij aan iets ontbreken.

Hij was onrustig en al die medische apparaten bevielen hem niets
hij hield meer van zijn orgelregisters.
In de kerk hadden wij toen net het ‘Salve Regina’ gezongen
waarin we bidden om verlossing uit dit aardse tranendal.
Bij de stervende Bernard hebben Ton van Eck en ik
dat toen ook zachtjes gezongen
en er kwam rust. Hij ging naar zijn einde toe.

Zijn oude trouwe registrant Florentijn kwam nog,
broer Gerard uit Nijmegen en toen was het einde daar;
de zon ging onder.

Rina is bijna twee jaar geleden plotseling overleden.
Bernard nu ook.
Bij de opstanding der doden mogen zij eerst -zegt Paulus,-
wij moeten allemaal keurig op onze beurt wachten.

De kinderen en wij moeten ze nu allebei missen
allebei plotseling maar niet onvoorbereid.
Wij bidden dat wij ook zo voorbereid mogen zijn.
Houden wij in de tussentijd elkaar goed vast
zoals dat in het Vredeslied dat in deze dienst klinken zal word gepropageerd.

Intussen kunnen we met onze klachten bij God terecht.
Hij luistert naar ons huilen.
De psalmen –daar zijn ze weer-
vertellen dat God onze tranen bewaard
als waren het kostbare parels.
En wat nog belangrijker is
we lezen daar dat God van ons kwetsbare mensen houdt
en ons, het werk van zijn handen nooit loslaat.

Troostend is het te weten dat Bernard en Rina
hun taak volbracht hebben.

Daar gaan we weer over zingen, Bernards compositie:
Beati mortui qui in domino moriuntur:
zalig de doden die sterven als vrienden van de Heer
Dicit enim Spiritus ut requiescant a laboribus suis
de Geest des Heren vertelt ons dat zij mogen uitrusten van hun inspanningen
et opera illorum, sequuntur illos
de goede dingen die zij hebben gedaan
zullen hen volgen en ons tot zegen zijn.

Dat is goed troost.
Maar er is nog meer reden tot blijdschap:
wij allemaal mogen deel uitmaken van Gods liefdesplan.
Hij heeft ons nog even nodig om te bouwen aan zijn Koninkrijk
zoals Bernard en Rina dat hebben gedaan.
En als wij ons zo inzetten voor de dingen die echt belangrijk zijn
mogen ook wij weten dat wij geborgen zijn in Gods hand.

Dezelfde God Die Jesus uit de dood redde
die Rina en Bernard in zijn heerlijkheid heeft opgenomen
zal ook ons allen geleiden naar een nieuwe toekomst
naar het echte nieuwe leven!
Daarvan mogen wij tot in eeuwigheid blijven zingen

AMEN

7 september: Samen komen we verder

[print]

23e zondag door het jaar.

Schriftlezingen:

  • Ezechiël 33:7-9

  • Romeinen 13:8-10

  • Matteüs 18:15-20; begin van de kerkrede

De evangelielezing van deze 23e zondag door het jaar
maakt deel uit van de zogenaamde kerkrede
in het evangelie van Mattheus (Mt. 18).

In het Matteüsevangelie komen vijf van grote redevoeringen voor:
de bergrede (Mt. 5-7) over de grote idealen, de zendingsrede (Mt. 10) waarin de apostelen worden opgejaagd, de parabelrede (Mt. 13) voor alle luisteraars,
de kerkrede (Mt. 18, vandaag aan de orde) en de rede over de laatste dingen (Mt. 23-25). Het gaat hier waarschijnlijk om een bewust gekozen parallel
met de vijf boeken van Mozes. Vandaag dus het begin van de 4e toespraak: de kerkrede.

We worden opgeroepen samen kerk te zijn.
Eendrachtig en ook eerlijk.

Het is op de eerste plaats goed om samen parochie te zijn.
Wat goed is het en heerlijk als broeders en zusters samen zijn…
lezen we in het boek van de psalmen, ‘het is als dauw van de bergen
of als kostelijke honing die druipt in de baard van Aäron.

Op het eerste gehoor een beetje kleverig:
maar toch een beeld van uiterste genoegelijkheid: van rust, van vrede.
ZIET HOE GOED HET IS ALS MENSEN SAMENZIJN
We zijn als mensen geroepen om elkaar op te zoeken:
alleen is maar alleen.
Daarom dat bisschop Zwartkruis
het altijd zo graag had over SAMEN KERK.
Je kunt het niet alleen volhouden.

Ik zie dat jonge mensen graag een beroep doen op de kerk
ze willen er trouwen en zijn dan blij.
Ze zijn geroerd als ze een uitvaart van hun vader, moeder, oma of opa meemaken
ze staan ernstig voor je als ze hun kind laten dopen.

Ik zie dat ouders het aandurven, hun kinderen naar de koorschool te leiden
(ik zeg niet sturen) en het is op de koorschool een vrolijk geheel.
Deze week gaat alles weer van start.
Er zijn leuke kinderen, geinteresseerde ouders.
We zijn daar blij mee.
Vorige week vierden we daarom met zeer velen
de startzondag na de vakantie van onze parochieactiviteiten.
Een geweldig gebeuren.

Iets heel anders, maar zeker zo belangrijk
was de grote rouwplechtigheid op 27 augustus
toen zo’n 1500 mensen hier samenkwamen om het verdriet te verwerken
rond de plotselinge dood van een heel gezin
omgekomen bij de vliegramp in de Oekraïene

Goed dat er toch nog zoiets is als een kerk om mensen op te vangen
fijn dat die mensen hier kunnen komen
om de liturgie mee te maken of om een beroep op ons te doen.
Het is voor de kerk een eretaak hen te helpen
want mensen zijn er om samen op te trekken,
om verantwoordelijk te zijn voor elkaar.

Niet in de zin dat wij elkaar controleren en betuttelen
maar wel zo dat wij elkaar sterken en bewaren
elkaar vertellend dat er EEN is die van ons mensen houdt
die ons graag ziet en ons als Zijn helpers nodig heeft.

Vandaag zegt Jesus een uitspraak die wij vaak citeren,
bij huwelijken en bij dopen:
waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn daar ben ik in hun midden.

WAAR TWEE OF DRIE IN MIJN NAAM BIJEEN ZIJN
DAAR BEN IK IN HUN MIDDEN….

dat ervaren gehuwden
die dat met elkaar gaan vormgeven en ervaren:
ze gaan aan het delen:
hun smart— en dan wordt die half
hun vreugde — en dan wordt die dubbel.
Dat geldt ook voor ons als wij samen zingen en bidden.
Je bent samen sterker dan alleen
en je moet het ook bijhouden, je kerklidmaatschap,
want wij zijn wat betreft het volharden in onze idealen,
verant¬woordelijk voor elkaar.

We zijn ook als het niet lukt
verantwoordelijk voor elkaar.
Vandaag gaat het in het evangelie uitdrukkelijk over onze fouten
en hoe daarmee om te gaan.
Het komt neer op samen de bokken die wij schieten te bespreken;
en niet alles alleen maar aan God over te laten.

Gemakkelijk zeggen wij: God vergeeft ons wel
maar het is wel zaak om voor we dat zeggen
eerst zelf aan de gang te gaan
om te proberen onze relaties beter te maken,
anders gezegd: ons bekeren.

Rabbi Boenam:
´De grote schuld van de mens is niet de zonden die hij begaat,
-de verzoeking is sterk en zijn kracht maar klein ! –
de grote schuld van de mens is,
dat hij ieder moment kan omkeren en het niet doet.

Dat kan ik zelf niet alleen, daar heb ik andere mensen voor nodig
en als het al zin heeft om over God te spreken,
dan kan dat nooit achter de rug van mensen om.

Daarover hoorden we uitdrukkelijk spreken
in het evangelie…
er wordt verteld hoe je iemand moet wijzen
op zijn fouten, zijn zonde.

En dat is nou net een terrein
waar wij niet zo goed raad mee weten.
Ik schaamde mij wel een beetje
toen in de oude Bavo na het oecumenische middaggebed
eens iemand tegen mij zei:
Wat goed dat jullie in de kerk de biecht hebben.
Je bent dan niet alleen met je fouten en kunt ze uitspreken.

Hadden wij de biecht maar meer zo gezien en beleefd:
een zegenrijk sacrament:
De biecht op zichzelf is zo gek nog niet:
de biecht kan je bevrijden van schuldcomplexen
en jou persoonlijk nieuwe kansen geven.

Mij gaat het er nu om, eens uitdrukkelijk vast te stellen
dat we elkaar nodig hebben.
Ook om onze fouten samen te overwegen
-zoals het evangelie van vandaag zegt-
maar vooral om samen te horen dat we toch verder kunnen
als we alles doen om ze op te lossen.
Daarom heet de biecht tegenwoordig: ‘sacrament van de verzoening’
dat staat voor: het geloof in God belijden die iets,
neen die alles in de mensen blijft zien.
Zo worden wij uitgenodigd in het voetspoor te gaan
van Jesus die de mensen oproept uit de kringloop
van wantrouwen en haat te ontsnappen.

Het lijkt gekkenwerk die oude idealen te koesteren
maar het is volgens mij de enige mogelijkheid om de wereld te redden.
Het blijven koesteren van grote idealen
waarvan de vervulling verder weg lijkt dan ooit is een grote uitdaging.
Kijk hoe hoog de nood van de mensheid gestegen is.
Kijk hoe moeilijk het is het wantrouwen tussen de mensen te slopen.
Maar zie tegelijkertijd ook hoeveel mensen zoeken naar zingeving.
Kerken zijn nodiger dan ooit.

Bidden we voor deze arme wereld
waar we zelf deel van uitmaken
maar blijft u in `s hemelsnaam regelmatig hier komen
we kunnen het woord dat ons wordt doorgegeven
en het sacrament dat ons wordt aangereikt, niet missen.

Het is niet erg als wij niet aan onze idealen toekomen
als we fouten maken en wij zelf aan de vervulling ervan niet toekomen
maar het is wel erg als wij inzakken in lusteloosheid…
van de kleine bijdragen van ieder van ons
aan de opbouw van Gods nieuwe wereld
hangt de toekomst van deze aarde af.
Paulus zegt dat in zijn brief aan de christen van Rome
op een onnavolgbare manier:
zorg dat gij niemand iets schuldig zijt.
Uw enige schuld aan de ander blijve de onderlinge liefde.

Zo zij het AMEN

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

24 augustus: Wel en niet bijzonder

[print]

21e zondag door het jaar.

Schriftlezingen:

  • Jesaja 22:19-23

  • Romeinen 11:33-36

  • Matteüs 16:13-20

Het is aan buitenstaanders niet uit te leggen
of, laten we zeggen, heel moeilijk uit te leggen,
wat het geheim is van het geloof.
Een gelovig antwoord is:
God ziet toch iets in mensen.
In de kerk zingen wij bijvoorbeeld:
Hier wordt een huis voor God gebouwd,
waar mensen samenkomen
en waar Hijzelf aanwezig is, om onder ons te wonen.

Het gaat in de verkondiging van deze zondag
over de leerlingen van het begin, onzeker aarzelend
maar ook om onszelf
en om de troostrijke wetenschap
dat God geen supersterke gelovigen uitkiest voor zijn ‘keurkorps’
maar ons, gewone, hele gewone mensen.

Iedere leerling, ieder mens die poogt te bouwen aan Gods vrede
is een schakel in de keten van de geschiedenis van God met de mensen.
We hebben dat gisteren ook gezegd
toen wij met zeer velen echt aandacht besteedden
aan een door de vliegramp omgekomen Haarlems gezin
dat hier nog de kinderkerstdienst had bezocht:
allemaal unieke mensen, u zag hun foto’s hier in de kerk
wier aardse geschiedenis plotseling is afgebroken.

Ieder mens is een onderdeel van de geschiedenis,
dat geldt bijzonder voor Petrus, een hele belangrijke man in de kerk.
Misschien bent u wel eens in Rome geweest
daar staat een supergrote kerk: de Sint Pieter.
En in de koepelrand staat geschreven:
Jij bent Petrus (dat betekent rotssterke man)
en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.

Het is de tekst die vandaag gelezen is.
Jij bent een rotssterke man, jij bent Petrus…
was Jesus een beetje in de bonen of zo?

Wist hij niet hoe zwak Petrus eigenlijk was?
Hij zou Jesus tot driemaal toe verloochenen;
trouwens al zijn vrienden waren ook niet geweldig:
ze holden angstig weg toen Jesus gevangen genomen werd.
Mooie vrienden zijn dat!
Het geheim wordt een beetje onthuld in de bijnaam
die Jesus, voordat hij Petrus als eerste paus benoemt, gebruikt.
Petrus, Simon, wordt met nadruk ‘zoon van Jona’ genoemd.
U kent Jona toch? De man die van zijn roeping wegvlucht;
hij moet naar Ninive maar gaat mee met een bootje naar Spanje,
precies de verkeerde kant op.
Petrus, zoon van Jona, -zegt Jesus met nadruk-
zoon van de wegloper, de vluchteling, de zwakke
die zo in het duister tastte.

Als er staat dat de muil van het dodenrijk
de kerk van Petrus niet zal kunnen verslinden
-en dan denk ik ook even aan de walvis die Jona opslokte
maar hem redde door het keurig uit te spugen aan de kant-
als er dus staat dat de muil van het dodenrijk
de kerk van Petrus niet zal kunnen verslinden
is dat niet iets om mee op te scheppen tegenover anderen.
Neen, het is een belofte van Gods onvoorwaardelijke trouw
aan zwakke mensen.

De sleutels van het Koninkrijk worden hem in handen gegeven
net als aan die brave Eljakim uit de eerste lezing.
Sleutels die deuren openen die anderen niet kunnen openen
en deuren sluiten die anderen niet kunnen sluiten.
De kwetsbare mensen, die op God durven vertrouwen
zullen de deuren sluiten van de arrogantie en de haat
en deuren openen van liefde en trouw.

In de wereld hebben zij een bijzondere roeping
die taak te volbrengen namens en voor de anderen.
Jesus kan met zulke zwakke mensen,
(met ons dus) toch veel voor elkaar krijgen.

Dat we soms toch sterk en betrouwbaar kunnen blijken
hebben we niet aan onszelf te danken maar aan de steun van God.
Als Petrus in een helder ogenblik tegen Jesus zijn credo uitzegt:
Waarlijk U bent de Zoon van God‘,
relativeert Jesus zijn prachtige belijdenis direct door te zeggen
dat hij dat niet uit zichzelf heeft:
Niet vlees en bloed hebben je dit geopenbaard
maar de ‘Vader in de hemel’, die onze Supporter is
“.

Temidden van de mensheid
bevindt zich nog steeds de gemeenschap van Petrus,
de kerkgemeenschap rond de ene man in Rome.
Paus Franciscus heeft nu, al is hij ouder dan 75 jaar,
dapper die taak op zich genomen.
Die tekst die ik noemde en die boven in de Sint Pieter
waar de witte man voorgaat geschreven staat:
Jij bent Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen
is geen tekst om mee op te scheppen
maar een prachtige geloofsbelijdenis in het werk van Gods Geest
die de man die de pauselijke zetel bezet
en de mensen rondom hem zal bijstaan.
De jongeren die hem toejuichen,
in Zuid Amerika, in Korea
in een onzekere tijd.
Maar hij brengt hoop aan mensen
die nog niet weten wat het leven hen brengen zal,
en ook aan ouderen, soms teleurgesteld, maar nu weer hoopvol.

Van alle Pausen is bekend hoe zij altijd vroeg op staan,
om, dan nog even alleen, te bidden
-van Joannes Paulus II is bekend dat hij dat
tot in zijn allerlaatste levensmaanden deed.
Zo laten zij zien dat het hen niet om hun eigen zaak gaat
maar om de kracht van God die hem op de been houdt.

Van de zieke en gehandicapte Paus, Johannes Paulus II
zeiden de mensen wel eens: ‘hij moet aftreden
maar hij wist: hoe zwakker de Paus…
hoe beter het werk van God tot zijn recht komt.

Petrus, de rotsman kreeg zijn opvolgers:
al meerdere honderden.
Er waren veel zwakke schakels in de keten;
er waren in de tijd van Luther zelfs pausen
die we nu corrupt (of erger) zouden noemen.
De TV serie over de Borgheses laat ons dat allemaal zien.

Maar God is getrouw gebleven aan zijn volk onderweg,
dankzij of ondanks de Paus van die dagen.

Wat zegt de lezing uit de Romeinenbrief dat prachtig:
O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis!
Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen,
hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Wie kan loon vragen
voor alles wat God ooit aan hem heeft geschonken.

Ondoorgrondelijk geheim dat Jesus gezegd heeft:
Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.
Ontelbare keren is deze tekst in Rome en daarbuiten gelezen
als een overduidelijke bevestiging van het pausschap
zoals dat op dat moment vorm had gekregen.
Petrus zou er van staan te kijken als hij kon zien
hoe er in latere eeuwen over deze rots-tekst gediscussieerd zou worden.

Hij zou ons uitleggen dat de ‘op jou, Petrus, zal ik mijn kerk bouwen
juist betekent dat hij, Petrus het niet te hoog in zijn bol mag hebben
en ook zijn opvolgers niet.

Petrus zou ons uitleggen dat Hij van Jesus geleerd heeft
dat hij er mocht zijn ondanks zijn eigen zwakheid
of misschien wel juist dankzij de eigen zwakheid
omdat daarin Gods grote daden het beste uitkomen.

En de rest van het volk van God, wij, christenen van het jaar 2014
mogen dat ook goed beseffen:
de wereld van vandaag heeft geen behoefte aan sterke helden en heldinnen
maar in gewone mensen die met taaie volharding aan de basis,
op de rotsbodem (Petrus is een rots, geen top van een Piramide )
beneden dus, doen wat hun te doen staat.

Weet dat je een gewone, onnutte dienstknecht bent
die toch nodig is op de plaats waar hij werkt
omdat God van ons houdt.
Weet dat ieder van ons er mag zijn
en in alle bescheidenheid en dienstbaarheid,
anderen tot zegen en troost kunt zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

17 augustus: Geen kapsones dus

[print]

20e zondag door het jaar.

Schriftlezingen:

  • Jesaja 56:1,6-7

  • Matteüs 15:21-28

Doet het er iets toe of je kerkelijk bent of niet?
Tegenwoordig lijkt het geen voordeel meer te zijn
om bij een kerk te horen.
Je krijgt duidelijk te horen wat er fout is in de kerk.
De priesters deugen niet… en dan komen er verhalen los
die helaas voor een deel waar zijn.
We hebben vroeger ook fouten gemaakt
in de middeleeuwen, daarna en daarvoor
wie wil er nu nog bij een kerk horen?
Daarom is het zo verbazingwekkend en voor ons een beetje troostend
dat er ook in onze dagen nog mensen toetreden tot de kerk
er zijn meer geloofsleerlingen dan ooit.
En een andere reden tot blijde verwondering:
veel jonge mensen willen voor de kerk trouwen
of willen hun kinderen laten dopen.
Dat alles zullen we deze week weer meemaken.

Weten die jonge mensen dan niet
dat de kerk fouten maakt?
Lezen ze geen kranten?

Natuurlijk weten ze dat
en natuurlijk lezen ze kranten.
Als ik de geloofsleerlingen voor hun opname in de kerk nog even waarschuw:
de kerk waar je bij wilt gaan horen is niet volmaakt hoor
houdt ze dat niet tegen.
Juist hardnekkiger worden ze en ze zeggen:
dat weet ik allemaal wel
maar ik weet dat diezelfde kerk
die fouten maakt
ook het allermooiste te bieden heeft dat een mens kan vinden:
het geloof in God die mijn leven de moeite waard maakt,
en het geloof in God wordt hier bewaard.

Als Jesus door het land Israël gaat
komen er allerlei mensen op hem af.
Van het oude volk Israël
maar ook anderen: het heil is voor joden en heidenen.

Twee weken geleden lazen we het verhaal van de broodvermenigvuldiging:
-de regelmatige kerkgangers weten dat nog:
neen de kerk kun je niet missen.. geen week-.
Er bleven toen twaalf manden over en ik zei
dat dat verwees naar de twaalf stammen van Israël
en hun twaalf manden met broden in de tempel.
Jesus wil het volk Israël kracht geven.
Ik vertelde u ook dat er nog een verhaal is
over een broodvermenigvuldiging in het evangelie voorkomt
waarbij er vier manden over blijven
en dat dat verwees naar de vier windstreken,
en naar alle andere volkeren die daar wonen
en die ook door de God van Israël gespijzigd zullen worden.
Tussen die twee spijzigingsverhalen door vertelt Matteüs ons vandaag
het verhaal over een heidense vrouw
die ook door Jesus geholpen wil worden

Dat de zegen van het geloof voor de joden is, is bekend
maar mogen die heidenen er ook van genieten?
De verbazing daarover wordt serieus genomen
in het verhaal van vandaag uitgelegd.
In onze oren klinkt het allemaal wat vreemd
als Jesus het verzoek om hulp van een heidense vrouw
beantwoordt met de harde opmerking:
Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden.
Nog erger wordt het als Jesus zegt: ‘Het is niet goed
het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven.

Wonderlijk genoeg is de vrouw niet boos of teleurgesteld
maar vult ze Jesus’ uitspraak aan door te zeggen:
maar de honden mogen wel van de kruimels eten
die van de tafel van hun meesters vallen.

Daarmee stelt ze zich open voor de bijzondere openbaring van God in Israël
en komt via die weg haar eigen verlossing in zicht.

Ze heeft de Davidszoon aangeroepen, de Messias,
en daarom moet haar ook iets van de overvloed toevallen
van de Messiaanse maaltijd.
Ze had volgehouden en later zal haar geloof
door Jesus worden geprezen.
Dat de volkeren er bij horen, komt ook naar voren in de eerste lezing.
Het gedeelte dat vandaag gelezen wordt dateert uit de tijd
van de terugkeer uit de ballingschap en de wederopbouw van de nieuwe tempel. Een nieuw begin voor een kleine groep teruggekeerde ballingen.
Die zullen weer op hun trouw getoetst worden aan de Enige.
Welzalig de sterveling die het recht onderhoudt,
het mensenkind dat daaraan vasthoudt.
‘ (vs. 2)

Jesaja bemoedigt zijn eigen volk: de eigen kern.
‘Houd vol’ lijkt hij te zeggen
‘wanhoop niet kleine kerk,
wees trouw aan je opdracht:

God heeft ons nodig: zo’n eigen kern van getrouwen
die zijn naam hooghouden.
Gedenkt de sabbat. Wees trouw aan het woord van de Heer.

Maar ze/wij dus mogen NOOIT denken dat zij/wij dus de enigen zijn
die door God worden bemind. Anderen zijn zeker zo belangrijk!
Laten de vreemdeling en de zwakken,
laten ze alsjeblieft niet zeggen (en laat niemand het over hen zeggen)
dat ze niet inbegrepen zijn in het heil en de gerechtigheid van de Heer.

Het is juist Gods wil dat de joden, de getrouwe gelovigen van oudsher,
er zijn voor de anderen en met name voor de niet zo zekeren
dat ze zich ook kunnen aansluiten bij Gods volk.

We hoorden het in de eerste lezing:
De vreemdelingen die de Heer willen dienen
breng ik graag naar mijn heilige berg.
Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed
en hun brand- en slachtoffers zullen mij aangenaam zijn
als zij ze op mijn altaar willen brengen.

En in later dagen horen we zeggen
dat Gods gebedshuis is zo wijd als de wereld.
In de tempel (‘daar staan de zetels van het recht‘, Ps. 122),
er is principieel plaats voor alle volkeren.

En nu ga ik iets ingewikkelds zeggen.
In het verhaal van God met de mensen
mogen wij nooit vergeten dat wij als christenen zelf ook nieuwkomers zijn.
Nooit mogen wij, horend bij die volkeren waar volgens Jesaja ook plaats voor is vergeten hoe het begonnen is,
De Samaritaanse vrouw in het Johannes-evangelie zei het al:
Ik weet het, het heil is uit de jodenJoh. 4,22) en
Jesus’ schijnbare onvriendelijkheid tegenover de niet joodse vrouw
is niet bedoeld om haar voor gek te zetten
maar om alle gelovigen van alle eeuwen
niet te laten vergeten dat het heil uit de joden is
en het je als een genade ten deel valt.

Christenen hebben zich tegenover de joden altijd erg arrogant gedragen
hoewel ze nieuwkomers zijn. Het evangelie van vandaag
wil ons tot bescheidenheid te manen: ‘je bent welkom maar weet
dat je eet van de kruimels die van de tafel zijn gevallen.

Weet dat je welkom bent en dat God van alle mensen houdt:
van de oude getrouwen èn de nieuwkomers:
van de stuntelaars en de sterken
van de talentvollen en de minder begaafden:
geloof is een genade die je om niet ten deel valt.

God houdt niet van ons omdat wij zo geweldig zijn
maar omdat met ons, te vaak falende mensen
toch zijn plannen door wil zetten om een nieuwe wereld te scheppen:
een wereld van vrede en liefde ondanks alles.
Wij mogen daar in geloven, en als wij dat niet meer doen
wie dan wel?

Houden wij elkaar vast, bemoedigen wij elkaar
en troosten wij elkaar.
Deze zaterdag komen hier familieleden en vrienden
van Antoine en Simone, ouders van 43 en 41 jaar,
van Quint en Pijke (7 en 3 jaar) en oma Christiene:
onze kerk mag als troostkerk functioneren.
Natuurlijk kunnen wij alle verdriet niet wegnemen
maar het is wel een eer dat de familie en vrienden
en alle treurende Haarlemmers hier bemoediging komen zoeken:
ik vraag dringend om uw gebed, belangrijker dan om komst nog,
(de kerk zal wel te vol worden),
dat wij hier de goede troost en gastvrijheid kunnen bieden!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

27 juli: Laten we eindelijk wijs worden!

[print]

17e zondag door het jaar.

Schriftlezingen:

  • 1 Koningen 3:5-12; Salomo vraagt wijsheid.

  • Matteüs 13:44-52; De verborgen schat.

Achter in de kerk liggen een paar boeken waarin
mensen reacties opschrijven op de ramp in de Oekraïne.
Het gaat te ver om ze allemaal te citeren.
Eén viel me op denkend aan mijn preek van vandaag:
dat de mensen er maar veel van mogen leren!

Een betere wereld. Hoe krijg je die?
Sommige fanatieke moslims willen voor een wereld
naar hun ideeën ingericht als Moslim-martelaars sterven.
Hun rouwende familie troosten zich dan met de gedachte dat
hun zonen of broers in het hemels paradijs
een beloning voor hun heldendaad ontvangen.
Anderen, Karadzic, Mladicz en Hadzic offerden duizenden andere mensen op
voor het precies omgekeerde ideaal:
een rein, volmaakt christelijk Servië, moslimvrij.
In Noorwegen was er de man met een dolgedraaide geest
die tientallen mensen op een zomervakantiekamp de dood injaagde
omdat hij waanideeën had over een nieuw, rein en vroom Noorwegen.

Er is dringend behoefte aan correctie van al die malle zelfverzonnen idealen.
De verhalen van vandaag spreken over een betere bezieling:
het je werkelijk laten leiden door de Heilige Geest.

Salomo was nog jong maar zijn naam glansde al direct:
Salomo: man van sjalom, koning van de vrede.
Hij laat zich door het succes dat hij als jonge koning heeft
niet van de wijs brengen.
Hij zoekt contact met God en hij krijgt het..
God spreekt met hem als met een vriend.
Salomo is bescheiden: ‘Ik ben nog maar een knaap.
Omdat hij die bescheidenheid kan opbrengen
door werkelijk naar God te willen luisteren
daarom kan God met hem werken.
God is een soort Supporter van hem met een hoofdletter.
Vraag wat je hebben wilt’ zegt de Heer, ‘ik geef het jou.

We kennen vele verhalen over mensen die wensen mogen doen
altijd gaat het verkeerd omdat ze niet het goede vragen.
Wat zou een koning vragen? Macht over anderen, geld… zulke zaken.

De jonge mensen in het verre of nabije oosten
zochten het Paradijs maar op een verkeerde manier.
Gefrustreerde machtige lieden zochten eeuw in eeuw uit ook het verkeerde.
Hitler en Karadzic waren allebei gefrustreerde dwalers.
Ze vroegen de macht ze kregen de macht
want mensen waren zo stom om hen die macht te geven,
duizenden en duizenden kostte dat het leven.

Terug naar Salomo. Salomo vraagt niet om macht,
niet om geld, niet om rijkdom hij vraagt zelfs niet om gezondheid
maar om het allerwezenlijkste: hij vraagt
1) om een ‘luisterend hart’ dat goed verstaat,
2) om een hart dat wijs is en
3) een hart dat goed onderscheiden kan.

1) Om met het eerste te beginnen:
een luisterend hart. Een hart dat hoort.
Hoort naar het woord van God
zoals dat op hem en ons af komt vanuit de hemel
maar ook vanuit wat andere mensen zeggen om ons heen.
In het gewone leven tussen mensen
blijkt het niet kunnen luisteren een groot,
heel groot probleem te zijn.
Hoe vaak spreken wij niet van ‘mis­ver­standen’ tussen mensen?
Als mensen elkaar goed verstaan .. is er al veel gewonnen
en als ze God willen verstaan komt er werkelijk een nieuwe wereld in zicht.

2) Als je naar God en de mensen met je hart wilt luisteren
hoor je ook wat je te doen staat.
Dat is het tweede waar Salomo om vraagt…een wijs hart.
Om dat te begrijpen wat dat met doen te maken heeft
moet je uit Amsterdam komen
dan ken je de hebreeuwse vertaling van het woord wijs
en dat is goochem: dat woord heeft met doen te maken:
handig zijn, iets nuttigs kunnen doen.

3) Het derde waar hij Salomo als jongeman om vraagt
is een hart dat onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.
De gave des onderscheids
waarmee je andere mensen kunt helpen
door ze te adviseren wat goed is en wat niet
en ze te helpen hun hart te richten op de wet van God.

De gave des onderscheids om zelf te weten
wat een opgeklopt waanidee is
en wat de echte wil van God of Alla is.

Salomo wordt,
– hij was nog geen twintig toen hij deze wensen uitsprak-
een nog jonge maar goede koning:
een mens waar God mee werken kon:
een soort Jesus nog voor die geboren werd
een zoon van belofte.

Van Jesus zelf horen we vandaag drie gelijkenissen.
De eerste gaat over een akker waarin een schat verborgen is,
de tweede over een parel die een koopman ontdekt.

Zowel de landbouwer als de koopman
zoeken naar het echt waardevolle:
ze verkopen alles wat ze hebben
en kopen die akker, die parel.

Om goud en zilver of soms nog wel over minder
maken mensen ruzie (bij een erfenis!)
maar het woord des Heren dat kostbaarder is dan zuiver goud (Ps 19:11)
is datgene waar het werkelijk om gaat.

In de derde gelijkenis wordt gesproken over een visnet
dat in de zee geworpen wor­dt. Door wie?

Als in de joodse ge­schriften
(het Nieuwe Testament is een joodse geschrift!)
het hulpwerk­woord ‘wo­rdt’ klinkt wordt er verwezen
naar Israëls Heilige. God die achter alle dingen zit.

Met ‘het net wordt uitgeworpen’ is dus bedoeld:
‘God werpt Zijn net uit.’ Hij is degene die verzamelen wil.

In een van de tafelgebeden die wij bidden
staat het zo: – het klinkt in mijn oren een beetje komisch –
altijd blijft Gij bezig U een mensenvolk te verzamelen.

God is altijd op zoek naar mensen
die met Hem mee willen doen rond Zijn woord
(goede vissen)
mensen met een luisterend hart,
die willen doen wat hun te doen staat
en die weten wat goed is en wat niet.

Dat akelige slot over die vissen die weggeworpen worden.
(een detail dat ons doet huiveren) vertelt Jesus alleen maar
opdat wij de waarde van het luisteren naar Gods opracht
sterker zullen beseffen.
Hopelijk zijn wij die mensen niet-
die niet luisteren naar de roepstem van God of de naas­te,
die geen keuzes maken of de verkeerde keuzes.

III. Jesus besluit met deze parabels zijn apostelrede:
zijn toespraak tot zijn leerlingen
waarin Hij hen wil mobiliseren en aktief maken.

Zelf is Hij bij uitstek de mensenzoon met een luisterend hart,
zelf is Hij bij uitstek degene die weet wat Hem te doen staat,
zelf is Hij bij uitstek degene die het verschil weet tussen goed en kwaad…
de nieuwe Salomo, de koning van de vrede.

Aan ons de taak om op hem te gaan lijken,
onze werkelijke roeping te ontdekken;

die schat ook te vinden.
en net als de kooplieden uit het evangelie
alles op alles te zetten,
alles te durven verkopen.

Wij worden uitgedaagd
ons leven werkelijk te richten op Hem
die ons uitnodigt van Hem te zijn.
De Eeuwige, de Enige, die ons wil inspireren en bemoedigen
die ons trouw blijft over de dood heen…

We hoeven overigens niet zo ver te zoeken,
het woord des Heren is dichtbij:
in je eigen hart
je kunt het gaan volbrengen.

In de komende weken zijn er weer kerkelijke huwelijken in aantocht.
Jonge mensen richten zich niet op schijn-idealen
maar zoeken het dichterbij.
Leven voor elkaar –is hun ideaal-
in dienstbaarheid aan een nieuwe wereld
die ze mogelijk met hun kinderen, gaan opbouwen.
Het huwelijk en de opvoeding is een groot avontuur.

We gaan ook afscheid nemen deze week van een jonge vrouw
ze was de lerares van het jaar aan een Haarlems college.
Ze werd 37 jaar en heeft gevochten met haar ziekte
en heeft familie en vrienden verzameld rond haar naderend einde
en hen een geestelijk testament nagelaten door haar eigen levensstijl.

Dat gebeurt in een parochie; we leren van elkaar.
En zullen we in het groot eindelijk eens wijs worden?
Echt bouwen aan een nieuwe wereld
zonder egoïsme en machtspolitiek.
Er zal nog veel moeten gebeuren,
in Europa, in Afrika en Azië en Amerika en waar niet.
En dan geldt alle hens aan dek!
Niemand kan gemist worden, allemaal zijn we nodig.
Oud, jong, gehuwd, ongehuwd.

Gaan we dan gauw op zoek,
naar onze eigen kostbare parel, de eigen schat,
onze eigen taak.

Wat je echt gelukkig maakt
is de ontdekking van je eigen roeping.
Het kostbaarste wat je hebt als mens kunt vinden is
het weten waartoe je geroepen bent door God
die jou, juist jou, nodig heeft.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

1 juni: Zelf de eerste stappen zetten

1 juni: ZONDAG VOOR PINKSTEREN.

Schriftlezingen:

  • Handelingen 1,12-14; Samen in gebed.

  • Johannes 17,1-19; Bewaar hen in Uw handen.

Donderdag vierden we Hemelvaart:
Jesus in kracht gesteld, wij verder.
Hemelvaart –zeiden we toen- is een moeilijk feest.
Vooral omdat we het woord ‘hemel’ horen
in een bepaalde context die niet bijbels is.
Hemel is niet een verre, hoge plek. Hemel is iets anders:
de hemel is de woonplaats van God.
Niet uitgekozen omdat het zo’n verheven oord is
maar uit strategische overwegingen.
De hemel omspant heel de aarde.
De hemel is de hemel van de Heer
om zo de hele aarde aan de mensen te kunnen geven.

De apostel Paulus noemt zijn mensen soms ‘burgers van de hemel’.
Daarmee zijn geen mensen bedoeld
die al met één voet in het graf zouden staan
maar mensen in het volle leven, die met beide benen op de grond staan
en weten wat er gedaan moet worden om Gods Koninkrijk
op aarde werkelijkheid te kunnen laten worden.

Jesus’ volgelingen zullen niet verbaasd
naar hun ten hemel gevaren Heer blijven staren
maar zelf worden ingeschakeld en…
de Geest zal hen sterken.
Jesus is de nieuwe messiaanse koning die zijn volk met actieve onderdanen
die voor Zijn programma willen kiezen, krachtig bij zal staan.

Daarom wordt aan het einde van Lucas’ evangelie ook gezegd
dat zij na de Hemelvaart meegemaakt te hebben
met blijdschap naar Jeruzalem terugkeerden,
God loofden en voortdurend in de tempel verbleven.

Ze ervoeren die Hemelvaart niet als een eind
Maar voelden: nu gaat alles pas goed beginnen:
wacht af in blijdschap:
het zal gaan beginnen:
je zult vervuld worden van de Heilige Geest !
In de eerste lezing van vandaag uit het boek Handelingen
hoorden wij het zelfde. Ze gaan naar de avondmaalszaal
in Jeruzalem terug: vol blijde verwachting:
het hele gezelschap, mannen en vrouwen, daar bijeen.
vertrouwvol wachtend op de grote dingen die komen gaan.

En hoe is het met onze toekomstverwachting?
Ons geloof in de grote dingen die God kan doen
ook in onze tijd?
We geloven heus nog wel hoor
zeggen mensen haastig als je ze ontmoet..
maar het is wel moeilijk in deze tijd te blijven geloven en hopen.

Toch zal het ook in 2014 weer het Pinksteren moeten worden maar hoe?
Kunnen wij die blijde verwachting nog wel opbrengen
van de leerlingen van toen? Eensgezind samen biddend met Maria

Tot onze troost
vertelt het evangelie van vandaag ons
dat Jesus in diezelfde zaal waar ze op Pinksteren wachtten
eerder, bij zijn laatste Avondmaal uitdrukkelijk voor ons gebeden heeft.

Hij bad eerst – en misschien is dat een bemoedigende gedachte,
dat Hij dat ook nodig had –
om kracht voor zichzelf
opdat Hij zijn eigen roeping tot het einde toe te volbrengen.
Er zal veel van Hem gevraagd worden:
een trouw aan zijn opdracht tot en met de dood.

Maar het grootste gedeelte van het gebed is een bede voor Zijn volk.
Mijn vrienden, Vader, hebben het goed gedaan
-hm. was dat zo- ‘daarom bid ik voor hen
maar ook bid ik voor degenen die later
in mij willen geloven.

Dat laatste slaat op ons
die ons op Pinksteren aan het voorbereiden zijn.

Dat is toch troostend,
te horen dat Hij voor ons gebeden heeft
opdat wij stand houden door alles heen?

Wij worden niet aan ons lot overgelaten,
hoeven niet te zuchten en te kreunen
onder de zwaarte van onze levensopdrachten.
Er is er één die voor ons opkomt en aan ons denkt wat er ook gebeurt.
Hij bidt voor ons die op Hem willen bouwen.
Die uit durven zien naar een nieuwe toekomst, een nieuwe wereld.

Over die wereld gesproken:
er staat iets merkwaardigs in het evangelie
wat ons misschien een beetje schokt:
niet voor de wereld bid ik U.
Wat bedoelt Jesus daarmee?

Als er staat dat Jesus NIET voor de wereld bidt
wordt een heel bijzonder soort wereld bedoeld.
Niet die van ons en onze kinderen,
wij doen toch ons best, net als de apostelen.
Neen met die wereld waar Hij NIET voor bidt
wordt de wereld bedoeld die wij helaas de gewone wereld noemen.
Die wereld waar het recht van de sterkste nog altijd geldt.
die wereld waarin het gaat om macht en aanzien.

Als je aan het Koninkrijk van God wilt bouwen zul je moeten beseffen
dat het ‘niet van DEZE wereld’ is.
De wereld waar Jesus wel voor bidt is een andere, een nieuwe wereld.
Waar het onmogelijke mogelijk zal blijken,
waar zacht wordt gemaakt wat verhard is
waar liefde zal regeren in plaats van haat
en waar God ooit alles in allen zal zijn.

De blijde hoop dat die zal komen mogen wij nooit verliezen
maar tegelijkertijd moeten we serieus blijven nadenken
over onze eigen bijdrage aan die nieuwe wereld
zoals Jesus die voor ogen stond.
Wat hebben we al gerealiseerd, wat niet?

Veel niet. Sommigen zeggen: eigenlijk niets.
Dat is gelukkig niet waar: de Verenigde Naties zijn opgericht
De Europese samenwerking is er;
maar de verkiezingen van de vorige week hebben ons geleerd
er moet meer gebeuren: opbouwen van respect voor elkaar
een eerlijke verdeling van de welvaart, het uitbannen van de honger
het uitbannen van haarden van terrorisme vooral door nieuwe initiatieven.
Onze Paus heeft een eigen strategie
bouwen aan nieuwe relaties: gewoon gaan bidden met elkaar:
joden en Palestijnen; christenen en Moslims,

De mensen van het Koninkrijk van God zien hoop als er geen hoop meer is,
zien licht waar iedereen alleen maar donker ziet.

Jesus gaf zijn leerlingen de belofte:
Ik zal jullie niet als wezen achterlaten.
En dat deed Hij ook niet, ze werden sterk.
Dat geldt ook voor ons nog in deze dagen van onze eeuw:
Hij laat ons niet aan ons lot over.

Hij helpt ons, Hij helpt Zijn kerk.
Hij begeleidt ons met Zijn Geest,
de Geest die zacht maakt wat onbuigzaam is,
die het kille hart koestert
en die leidt wie zelf de weg niet vond.

Een leerling vroeg de Baalsjem;
‘Hoe is het mogelijk dat iemand die God aanhangt en zich Hem nabij weet,
soms een onderbreking, een verwijdering meemaakt?’
De Baalsjem verklaarde: ‘Als een moeder haar zoontje leert lopen,
zet zij het eerst dichtbij recht tegenover zich, opdat het niet kan vallen
slaat haar handen open en zo loopt de jongen
tussen moeders handen op haar toe.
Maar zodra hij dicht bij de moeder komt, trekt die zich een beetje terug
en houdt de handen nog verder uit elkaar
en zo maar door om het kind te leren lopen.’

We hebben een moeder God, je mag hem ook Vader noemen
die ons begeleidde en nog begeleidt,
we hebben een gids op ons levenspad
maar we zullen zelf de stappen moeten zetten.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Hij wandelt mee

4 mei 2014, 3e zondag van Pasen

Schriftlezingen:

  • Handelingen 2,14.22-32, niet aan de dood prijsgegeven

  • Lucas 24,13-35, de Emmaüsgangers

Vandaag 4 mei, dag voorafgaande aan onze Bevrijdingsdag,
een dag van weemoed
omdat we denken aan de slachtoffers van de oorlog,
de 775 Haarlemse joden die hier vlak bij onze kerk werden bijeengedreven
om te worden afgevoerd naar de kampen.
Ook denken we aan de 10 gevangenen
die uit Amsterdam hier naar toe werden vervoerd
om als reactie op de aanslag op een Haarlemse collaborateur
naast onze kathedraal te worden geëxecuteerd
en alle andere slachtoffers, gewone burgers en militairen.
Wat speelde zich hier allemaal af
en wat speelt er zich nog meer af in onze dagen in onze wereld.
Deze zondag lezen we een troostend evangelie.

Ik herinner mij dat mijn vader als hij dit evangelie gehoord had,
(vroeger werd het op de tweede paasdag gelezen),
altijd zei: ‘wat is dat een mooi evangelie.’
En dan ging je er als kind extra goed naar luisteren..
naar dat wonderlijke verhaal over die twee die het
-om even een lelijke moderne uitdrukking te gebruiken-
‘niet meer zien zitten.’

Het gaat over twee mensen die mokkend van Jeruzalem weglopen,
op weg naar Emmaüs.
Natuurlijk hebben vele bijbelgeleerden zich afgevraagd
waar het dorpje Emmaüs ligt waar de twee naar op weg zijn.
Helaas… er is geen dorpje met die naam te vinden
in de onmiddellijke nabijheid van de heilige stad.
Natuurlijk wijze de gidsen in het heilig land wel zo’n plaatsje aan
maar dat is voor de commercie.

In oude historische boeken is echter wel
een Romeinse kazerne te vinden die die naam gedragen heeft
vlak bij Jeruzalem dat, zoals u weet,
door de Romeinen bezet was in die dagen.
Dat maakt het verhaal van die twee
uit het legerkamp Emmaüs des te spannender.
Ze hadden gehoopt dat Jesus degene was
die zijn volk zou komen bevrijden.
Tegen heug en meug deden ze hun werk in de Romeinse nederzetting
en nu hadden ze Jesus eerst toegejuicht op palmzondag en gehoopt
dat hij zijn volk met bekwame spoed zou komen bevrijden.

Dat was niet gebeurd, althans niet zoals zij dat verwacht hadden….
ze moeten weer terug naar hun werk in de legerplaats in dienst van de vijand.
Teleurgesteld keren ze de heilige stad de rug toe.
Maar ze zijn hun God van de bevrijding nog niet vergeten.

Want terwijl ze zich van Jeruzalem afkeren
zijn ze aan het spreken over de schrift.
Ze praten nog over hun geloof
en zolang mensen dat nog doen is er hoop.
Alleen weten ze met alles wat er gebeurd is geen raad.
En dan komt de vreemdeling die zich aan hun zijde schaart…
volkomen onverwacht.
Het staat zo mooi beschreven: ‘Hij wandelde met hen mee.’
Hij laat ze niet aan hun lot over.

Een eindje meelopen kan vaak al genoeg zijn
om anderen te helpen. Als de medewandelaar vraagt
wat hen zo dwars zit komt het hele verhaal eruit.

‘Wij waren vol van Jesus van Nazareth en dachten
dat Hij het was die Israël zou verlossen.
Maar ze hebben Hem gedood en dat is inmiddels al drie dagen geleden.
Ja, er zijn verhalen dat Hij weer zou leven…
maar wat moeten wij met verhalen.’

Wat moeten wij met verhalen..
een vraag die veel gelovigen zich stellen,
hebben we daar wat aan?

De mee-wandelaar doet NIET wat veel mensen soms doen.
Hij gaat NIET MEEKLAGEN: het is toch verschrikkelijk allemaal,
die toestand van de wereld tegenwoordig.
Sommige mensen gaan, als anderen hun nood vertellen,
een duit in het zakje doen
door er zelf nog een prachtig rampverhaal aan toe te voegen.
De wandelaar uit het evangelie luistert naar hun klachten.
Hij neemt ze serieus maar ……
Hij huilt niet mee met de wolven in het bos.
Hij gaat er tegen in en zegt:
‘is deze Jesus die zo met de mensen bevriend was,
die mensen zonder hoop weer bemoedigde, die zieken overeind hielp
en zondaars weer hoop gaf
niet precies degene die de mensen nodig hebben?

En is deze Jesus die met de mensen
die lijden moeten en gemarteld worden
zo solidair was dat Hij zelf ook gemarteld wilde worden en meeleed…
niet degene over wie de Heilige Schrift droomde,
deze trouwe knecht van God die ons iets liet zien
van vriendschap en solidariteit tot in de dood toe?’

‘Ja dat is wel mooi meneer maar wat hebben wij daaraan?’
En dan fantaseer ik een beetje door
over hoe de vreemdeling kan verder gegaan zijn:

‘Je hebt gelijk maar er is meer!
In de Schrift staat ook te lezen
dat God een God van levenden is
en dat Hij de zijnen niet in de steek laat.
Het staat in het Oude Testament te lezen,
Petrus citeerde dat zo mooi, -dat hoorden we in de eerste lezing-
‘wat de rechtvaardige betreft:
zijn ziel zult Gij niet aan het dodenrijk prijsgeven
en Uw heilige zal het bederf niet zien.’
De rechtvaardige zal niet sterven maar leven en oordelen
over allen die hem hebben vervolgd.

En terwijl ze zo praten wordt het avond.
‘Blijf bij ons’ zeggen ze dan.
En dan draait het verhaal om.

Het wordt avond en dan doen ze iets belangrijks:
ze nodigen de reiziger die opeens hulpeloos lijkt uit: kom bij ons eten.
Ze worden van klagers gastheren
en dan kunnen er nieuwe dingen gebeuren.

En die gebeuren er dan ook:
ze blijken een bijzondere gast in hun midden te hebben:
Als zij hun brood hebben willen delen
blijken ze niet alleen te zijn met elkaar
Jesus zelf, hun grote vriend, blijkt plotseling zelf aanwezig.
‘Het is de Heer’ roepen ze verbaasd uit.
‘Waar twee of drie in mijn naam bijeenzijn
daar ben ik in hun midden…’ had Hij ooit gezegd.

Het staat in de oude joodse geschriften van Jesus’ tijd
ook prachtig beschreven: ‘wanneer drie personen aan één tafel eten,
terwijl ze daarbij de woorden van God bespreken,
dan wordt het beschouwd
alsof ze eten aan de tafel van de Alomtegenwoordige.’

Het verhaal heeft een happy end gekregen.
Het is een verhaal dat in de vele eeuwen dat het verteld wordt
en gelovigen verder trekken, moeizaam en teleurgesteld,
mensen met hun teleurstelling en hun verdriet,
weer hoop geeft en troost. Geldt dat ook voor ons vandaag?
Ja, juist voor ons.

Wanhoop en teleurstelling zijn geen gevoelens van deze tijd alleen:
het zijn gevoelens van alle tijden
en ze worden door de Heer ernstig genomen.

Er wordt naar ons geluisterd door iemand,
IEMAND met een hoofdletter
die met ons mee wandelt.

Wij zullen Hem herkennen
als wij ons brood gaan breken hier in de kerk.
Wij zijn geen historisch genootschap
van mensen die een vroom gebruik handhaven,
Hij is de gastheer en is werkelijk hier.

Maar vooral is Hij aanwezig
als wij ons brood willen breken met de vreemdeling, met de arme.

Als wij dat durven gaan wij niet alleen door het leven.
Wij kunnen Hem na gaan doen door mensen te gaan opzoeken,
door met mensen mee te wandelen.
Door naar hen te luisteren en hun onderweg troost te bieden.

Wij kunnen Gods naam ook zelf waar maken in deze wereld naar anderen toe…
de prachtige naam die ons op deze zondag
van de Emmaüsgangers weer verkondigd wordt:
IK ZAL ER ZIJN! Amen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor.

Beloken Pasen: Nu wij!

27 april 2014: BELOKEN PASEN,

Schriftlezingen, Handelingen 2: ze hadden alles gemeenschappelijk Johannes 20,19-31 de achtste dag met Tomas

I. De deuren waren gesloten. Ze waren maar met zijn tienen:
Judas was weg en Tomas was er ook niet
daar zaten ze in het donker.

Ze praatten niet veel,
ze waren angstig, de vrienden van Jesus.

Er staat geschreven dat ze bang waren voor de joodse leidslieden
die met de Romeinen heulden.

Let wel niet voor ‘de Joden’
-moderne vertalingen gebruiken deze omschrijving terecht niet meer
want Joden waren ze daar allemaal- .
Ze waren bang voor een bepaald soort mensen uit hun midden
zoals wij in de tweede wereldoorlog ook bang waren verraders
mensen van ons eigen volk die overal verscholen konden zitten.

Maar zouden ze misschien ook niet een beetje angstig zijn
voor Hem, voor hun Heer die ze hadden verraden ?

Bang… want wat hadden ze gedaan.
Ze hadden hem mooi in de steek gelaten.
En nu bleek: enkele vrouwen hadden Hem weer gezien.

De vrouwen hadden zich niets te verwijten
want die waren Hem gevolgd, tot onder het kruis.

De vrouwen waren meegegaan
naar waar de mannen schitterden door afwezigheid.

Nu schaamden de mannen zich.
Het is een situatie die we allemaal wel kennen.
Je bent tegen­over iemand tekort geschoten.
Je hebt hem of haar in de steek gelaten.

En hoe zal diegene jou dan tegemoet treden?
We lezen in de Bijbel veel verhalen over ontmoetingen van mensen
die na zo’n blunder bang zijn voor elkaar.
Jakob bijvoorbeeld die hoort dat zijn broer Esau er aankomt.
(diezelfde Esau die hij zo bedrogen heeft):
hij gaat hem angstig tegemoet maar Esau omhelst hem en vergeeft.

We kennen het verhaal van de verloren zoon
die naar zijn vader teruggaat en die onderweg zijn speechje oefent:
‘vader ik heb gezondigd.’

Nu dus het verslag van de apostelen op paaszondag.
Angst, schaamte, spijt. Wat zal hun Heer zeggen?
Houdt de deur maar goed op slot!

Geen tijd om te dubben:
Hij staat plotseling midden tussen hen in.
En wat is zijn eerste woord?
Niet:
‘zo daar zijn jullie..’
niet
‘nou heb ik jullie’
neen: zijn eerste woord is VREDE.
Vrede en vertrouwen.
Geen spoor van verwijt.

Vertrouwen. Het lijkt het hoofdthema te zijn
wat steeds weer terugkomt in het evangelie: vertrouwen.

Jesus kondigt ze alleen maar vrede aan.
VREDE, SJALOOM.

Dat woord heeft een rijke inhoud.
Het staat voor een goede toekomst voor hen
en ook voor ons allen aan: SJALOOM.
Het is goed tussen ons en het wordt goed in de wereld.

Er wordt een nieuw begin gemaakt.
En net zoals God zelf de levens­adem blies in Adams neus
en net zoals de profeet Ezechiël droom­de over een nieuw begin:
de Geest van God die over de dorre beende­ren van het huis Israël zou blazen
zoals we dat hoorden in de paasnacht,
zo blaast Jesus zelf over de leerlingen.
En ze komen weer tot leven.
Ze krijgen zelfs een op­dracht:
‘zoals de Vader mij zendt zo zend ik u’.

En Hij gaat nog verder met zijn grenzeloze vertrouwen:
‘wiens zonden jullie vergeeft,
hun zijn ze vergeven.. ‘
Deze mensen die tekort geschoten zijn
krijgen niet alleen te horen:
‘ik praat er niet meer over suk­kels.’

Maar ze krijgen, hoe ver­baasd en zwak ze ook zijn,
zelfs een rol toebedeeld bij het aanwijzen van goed en kwaad.

Beter gezegd:
bij het doorgeven van de aankondiging van de vergeving.

Zij zullen zelf weer overeind gezet
het volk van God overeind gaan zetten.

Dit alles speelde zich af op de eerste paasdag-avond
als Tomas er niet bij is.

Het is een goed begin maar kennelijk nog niet voldoende
want acht dagen later -en dat is vandaag op de zondag na Pasen-
zitten ze nog steeds angstig bij elkaar met de deur op slot.

II. Het is DE ACHTSTE DAG zegt Johannes plechtig.
Dat doet denken aan een werkelijk nieuw begin
een kroon op de zevende dag.
Een werke­lijk nieuw begin. Maar zou dat komen?
Jazeker, nu pas echt en wel rond Thomas.

Thomas hanteert een hele eigen norm.
Hij wil weten of het -zoals de anderen dankzij Jesus’ ingrijpen zeggen-
werkelijk de Heer is die leeft,
de man van wie hij gehouden had,
de mens die partij koos voor de weerlo­zen,
de vriend van de armen en de onderdrukten.

Hij wil daarom -en dat is heel goed eigen­lijk-
de tekenen zien van de wonden van deze gemartelde.

Hij wil -maar dat hoeft niet echt zal blijken-
zijn handen leggen in zijn zijde.

Hij wil in deze gemartelde mens zien
de nieuwe weerloze aanvoerder
van een nieuwe mensheid die niet meer bouwt op macht of geweld.

En hij ziet de wonden in Jesus’ zijde en in Zijn handen
en ……..
in zijn zijde.
Hij ziet de nieuwe Adam die zijn zijde geopend heeft
die zijn bruid aan zijn zijde zal ontmoeten, de nieuwe Eva,
zijn kerk-gemeen­schap.

III. De achtste paasdag, vandaag,
beloken Pasen, is de dag van de voltooi­ing,
de kerkge­meenschap mag wakker worden.

Aan de zijde van de nieuwe Adam wordt op Pasen de gemeenschap gevormd
van mensen die de machten hebben afgezworen
en willen leven uit de kracht van de Geest
die de Messias ook bezielde en die alles nieuw maakt.

Zijn volgelingen leggen zich ernstig toe
-hoorden wij vandaag in de eerste lezing vertellen-
op die nieuwe levens­houding.
Ze leven samen in een echte gemeenschap
– zoals wij dat hier toch ook probe­ren –
ze zijn ijverig in het breken van het brood.
En ze bezoeken de tempel: om het oude verhaal van Mozes te horen
dat voor iedere tijd opnieuw NIEUW is
en een eigen inhoud heeft.

De kerk is geboren
en aan de opbouw van de kerk hebben de apostelen,
eenmaal wakker geschud door hun Heer,
later -na pinksteren- het hunne aan gedaan.

Ook dankzij Tomas die uiteindelijk zei:
‘mijn Heer en mijn God’.

Hij heeft het gevecht met het ongeloof aangedurfd
en daardoor wordt je alleen maar sterker!

We doen hem onrecht door hem alleen maar ‘de ongelovige’ te blijven noemen.
De traditie wil dat Thomas de evangelieverkondiger werd
die nota bene het verste kwam van allemaal: tot in INDIA toe.

Deze zondag worden in Rome twee Pausen Heilig verklaard.
Dat klinkt nogal zwaar: HEILIG toe maar.
Maar heilig is iets anders dan engelachtig:
Heilig betekent dat je je roeping serieus nam;
zo serieus dat anderen iets aan jouw voorbeeld hebben.

Paus Johannes de 23e heeft het pausschap vermenselijkt
-onze huidige Paus bouwt daarop voort-
hij riep een concilie bijeen: heel verstandig:
we kunnen het als Romeinse bestuurders niet meer alleen.
Paus Johannes Paulus de 2e had zijn sporen in Polen verdiend.
Een kerk in de verdrukking werd een kerk die niet meer
de baas kon spelen maar een kerk van echte gelovigen.
Belangrijker nog dan zijn strijd tegen het communisme
als bisschop van Krakau is dat het geloof toen naar zijn
wezenlijke waarden werd teruggebracht.
Toen hij Paus werd ging hij de dialoog aan met allen
ook met andere godsdiensten.
Een paus die ging bidden in een Moskee
-dat gebeurde nota bene in Damascus-
een Paus die een zijn spijt betuigde voor de vreselijke dingen
die ook in naam van het christendom de joden was aangedaan
en een gebedsbriefje tussen de stenen van de Klaagmuur in Jeruzalem stak
dat had toch niemand tevoren kunnen bedenken.
Dat deze Pausen heilig verklaard zijn
is een oproep aan ons om in die geest verder te gaan:
eenvoudig te zijn en gelovig,
eerbiedig en solidair met gelovigen van andere godsdiensten
en alle mensen van goede wil.

Tomas is het tot zijn laatste dagen blijven verkondigen:
deze gewonde, deze gehavende
deze mens solidair met allen die lijden.

Hij roept ons op om solidair te zijn met allen
die gewond zijn en ge­kwetst,
waar ter wereld ook.
Tomas en de apostelen, de twee heilige Pausen die voor ons
hebben geleefd hebben hun best gedaan
nu wij.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor.