• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

1 maart: Hij trekt ons er door heen

[print]

2e Zondag van de Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Genesis 22, 1-18; De binding van Isaak

  • Marcus 9, 2-10; Jesus met Elia en Mozes

Abraham hoort een stem:
neem Isaak, je zoon, je eerstgeborene
en ga naar het land Moria om hem daar,
op de berg die Ik je aanwijs,
te ….
‘ hoort Abraham het goed:
om hem als een brandoffer op te dragen.

Wat een gruwelijk verhaal.
Wat voor stem zou dat zijn???
Zou dat de stem van God kunnen zijn?
Zou Hij van mensen vragen dat ze hun kinderen offeren?

We hoeven niet zo ontsteld te doen:
mensen hebben daar niet de minste moeite mee.
Ze sturen al eeuwen lang
hun kinderen de oorlog in.
Als de grote machthebbers oorlog willen voeren
moeten de kinderen de slagvelden op
ze krijgen uniformen aan, dan lijkt het nog wat,
maar het zijn kinderen.

Bekend is het verhaal van de dolgedraaide Hitler
die toen zijn duizendjarig rijk na 4 jaar op instorten stond
jongens van 15 jaar de oorlog instuurde,
En ik herinner mij nog een bezoek, zo’n 25 jaren terug,
aan de oorlogskerkhoven in Normandië:
onafzienbare rijen kruisen met namen van jongens,
19, 20, 21 jaren jong. De hoog bejaarde ouders
trof ik even verderop biddend aan in de dorpskerk.

Abraham gaat en zijn zoon draagt het hout op zijn schouders,
een scène die afgebeeld is in veel kerken meestal naast
een kruiswegstatie omdat hij dan plotseling lijkt
op die andere zoon, die het hout op zijn schouders droeg
op weg naar Golgotha.
Abraham ging
– met God dacht hij-.
Maar nog steeds blijft de vraag staan:
zou God dat werkelijk willen
de dood van Abrahams kind?

Abraham heeft zijn zoon vastgebonden op het hout,
hij staat met het mes in zijn hand
maar dan klinkt plotseling een ander geluid,
er staat nu duidelijker bij van wie die stem is:
van de Heer, de Enige, JHWH
-de naam die we niet mogen uitspreken-
en die zegt: STOP.
al tislach jadcha‘, vergrijp je niet aan het kind.

De echte God wiens naam is: IK BEN BIJ JE
wil de dood van dit mensenkind niet.
Een ram neemt de plaats van Isaak in
en Isaak mag leven…
hij wordt als het ware
van achter de dood teruggehaald:

net zoals die ene die wij
in deze veertigdagentijd aan het volgen zijn:
Jesus, de zoon van de belofte.

Ontsteld hadden zijn leerlingen hem horen zeggen:
de mensenzoon zal
in de handen van de heidenen worden overgeleverd,
hij zal aan het hout gespijkerd worden en gedood.

Petrus roept uit: ‘maar dat mag nooit gebeuren’
en ook de anderen zeggen dat.
Vroeg Israëls Heilige werkelijk van Jesus deze weg te gaan??
Wil God zijn eigen zoon laten doden.
Is God zo hard: is God geen liefde meer?

Ja: Hij is liefde…
maar niet op de sentimentele manier:
Hij is liefde, trouw, warmte,
troost, hoop DOOR ALLES HEEN!

Kort na Jesus lijdensaankondiging horen we vertellen
over zijn tocht met zijn vrienden de berg Tabor op.

En daar horen zij een bijzonder gesprek.
Ze maken een ontmoeting, een gesprek mee met twee mensen.

Elia wordt als eerste genoemd,
hij was de profeet
die geen gemakkelijke weg was gegaan;
hij had zwaar onder zijn roeping geleden
hij had er de brui aan willen geven:
stuur maar een ander maar niet mij.
Maar God was met hem meegegaan
en toen hij stierf was hij
met een vurige wagen door God naar de hemel gebracht…
niemand had hem ooit nog gezien.
Daarom de oude joodse droom
dat hij zou terugkomen aan het einde der tijden.
Vandaar ook de blijde verbazing
bij de leerlingen als zij Elia zien
die daar met Jesus staat te praten:
dit is kennelijk dat nieuwe begin!

En Mozes staat er ook nog bij.
Ook zijn levensweg was een weg van zorg en pijn:
ik houd het niet meer vol‘.
Maar God was met hem
en hij mocht zijn volk voorgaan,
dwars door zee en woestijn heen
de vrijheid tegemoet!

De ontmoeting met deze twee, Mozes en Elia,
is wezenlijk voor Jesus’ toekomst
hij leert van hen, hij spreekt met hen
maar hij neemt wel een bijzondere positie in!!

Hij is degene die namens de mensheid
een hele bijzondere verantwoordelijkheid zal oppakken.
Wat Hij zal doen zal voor heel de wereld belangrijk zijn
en daarom staat Jesus in het volle licht, het goddelijke licht
Hij, de vriend, beter nog: de geliefde zoon van God
staat daar te glanzen in de hemelse gloria.

Petrus en Johannes
dezelfde leerlingen die later met Jesus meegaan
in de hof van olijven en Jesus daar zullen zien huilen van angst
mogen Hem hier zien in volle heerlijkheid.

Maar die duurt maar even.
Er hangt nu ook, net als in de dagen van Abraham
dreiging in de lucht:
er hangt net als in de dagen van Elia
vijandelijkheid in de lucht
er zal, net als in de dagen van Mozes
nog een zware strijd gestreden moeten worden.

In al de oude verhalen
is er ook een goede afloop:
– Abrahams God is een God van levenden en niet van doden,
– Elia’s God is een God die partij kiest voor Zijn trouwe
volgelingen en die de afgoden beschaamt doet staan:
– Mozes’ God is een God die redt uit slavernij:

Als de ‘spot’ uit is
zien de leerlingen niemand meer
dan Jesus alleen.
Het is kaal en ellendig
ze staan er weer alleen voor, alles is weer gewoon…
maar Jesus legt zijn hand op hun schouders: ‘vrees niet.’
Boven op die berg hebben zij even aan het geheim geproefd
even is hun een tip van de sluier opgelicht:
deze mens, die gemarteld zal worden,
is door God geliefd: zal door de Vader
worden opgewekt uit de doden.
Het zal nog een moeizame weg zijn
die Jesus als voorganger te gaan heeft:
de weg de hof van olijven in en verder
de leerlingen werd het soms te veel.
Het is nog een moeizame weg die wij mensen
zullen moeten volgen:
niemand van ons kent het geluk dat ons wacht
maar niemand van ons weet ook welke zware dingen
er nog van jou gevraagd zullen worden.

Niemand kent het verdriet en de pijn
die je mogelijk nog moet meemaken
maar -en dat staat zo mooi in de huwelijksliturgie
waarop sommigen zich hier al weer op
aan het voorbereiden zijn-
ons leven zal menselijker,
onze volhardingskracht sterker
en onze liefde milder zijn
als wij willen gaan in het voetspoor van Jesus Messias.

Wij zijn samen op weg,
mensen die het gemakkelijk hebben,
mensen die het moeilijk hebben.
Soms worden ons momenten van troost
als daar op de berg Tabor gegund:
en er zijn meer hoogtepunten, gelukkig…
maar ze kunnen alleen maar hoogtepunten zijn
omdat we weten dat in het gewone leven van alle dag
er een vriend is die met ons meegaat, die ons niet loslaat:
die heeft gezegd: IK ZAL ER ZIJN alle dagen.

Het was boven op de berg een feest:
Petrus, Johannes en Jakobus zijn van de partij,
Elia, Mozes… Jesus zelf..
en wij vanmorgen in het stralende licht van Gods aanwezigheid.
Luister naar Hem -zegt de Enige- tot ons
ik ben met Hem en met jullie alle dagen.

De meest troostrijke boodschap van ons geloof is:

God is een God van levenden en niet van doden:
Hij is de God die niet ver wil zijn
maar die met mensen meetrekt
overal dwars doorheen.

In het gewone leven, ook als het grauw lijkt en saai,
is Hij bij ons aanwezig.
Wij zijn nooit alleen
Hij trekt met ons mee,
vandaag en alle dagen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

22 februari: In de woestijn

[print]

1e Zondag van de Veertigdagentijd

Schriftlezingen:

  • Genesis 9, 8-15; Het nieuwe verbond

  • Marcus 1,12-15; Bij de wilde dieren

Over momenten van crisis gaan de lezingen vandaag.
Momenten van proberen te overleven,
teruggeworpen zijn op jezelf.
Zo’n crisis kan op je af komen als een dreiging,
waar je je misschien lang tegen zult verzetten,
tot het niet meer gaat.
Totdat je onderuit gaat en je wel moet erkennen:
het gaat niet meer in mijn werk, ik heb er geen plezier meer in,
ik hou dit niet vol.
Of. het gaat niet meer in mijn relatie,
er is niets meer dat ons nog bindt,
we zitten elkaar in de weg.
Of misschien wordt je getroffen
door een ongeluk of een ernstige ziekte,
die zomaar een streep zet door het leven dat je tot dan toe geleid hebt.
Ineens zit je thuis, met een gehavend of onwillig lichaam.
Of ben je uit je thuis weg, omdat je relatie in een crisis is beland.
Of zit je ineens op de bank, terwijl de dokter het oordeel heeft geveld:
Overspannen, of burned out. Daar zit je dan.
Nooit gedacht dat het jou zou kunnen overkomen.
Plotseling is allerlei franje verdwenen,
allerlei gewone dingen die zó je leven vulden dat je ook niet zoveel
na hoefde te denken over waar je mee bezig was.
Ineens ben je teruggeworpen op jezelf,
en rest alleen de vraag: wat nu?

De Bijbel vergelijkt ons leven met
een tocht door de woestijn.
Niet altijd gemakkelijk dus.
In die woestijn kunnen allerlei duivels je lastig vallen.
Spoken er vragen door je hoofd als:
Waarom kon ik mijn werk niet aan?
Waarom ben ik niet sterker geweest?
Waarom liep onze relatie op de klippen?
Wat heb ik toch fout gedaan?
Waarom moet mij deze ziekte overkomen?

Soms maken schaamte en twijfel aan jezelf het je moeilijk.
Je had ie leven toch zo mooi op orde? Waarom ging het dan mis?
Het is een oerangst van mensen. Dat de chaos ons zal overmeesteren.
Want ergens weten we, dat we allemaal kwetsbaar zijn.

We proberen ons leven goed te regelen.
We verzekeren ons ook, tegen brand en diefstal en zo.
Maar wat als er een overstroming komt, of misschien wel een oorlog.
Wat als mijn liefste mij ontvalt, wat moet ik dan?

Het is een erg troostende gedachte te weten dat het
-hoewel wij anders zouden verwachten-
Jesus zelf niet altijd zo gemakkelijk afging.
Zijn leven was een leven van geloof
maar ook van twijfel
(al klinkt dat Godslasterlijk),
van zekerheid èn onzekerheid,
van een warme goede relatie met de Vader
maar ook van beproevingen en van
God mijn God waarom hebt U mij verlaten.

Troostrijk is het te weten
dat Hij ook beproefd is,
dat Hij ook gekweld werd
door de Satan die Hem voorstelde de gemakkelijke weg te kiezen.

Daarover horen we iedere eerste zondag van de vasten spreken.
Ieder jaar door een andere evangelist.
Dit jaar is Marcus aan de beurt.

Hij is een evangelist van weinig woorden.
Hij valt vaak ‘met de deur in huis.’
Zo begint hij deze zondag:
Jesus werd terstond door de Geest naar de woestijn geleid.
De woestijn is bij alle evangelisten de plaats
waar de beproevingen van Jesus worden beschreven.
In de woestijn.
Was de woestijn niet bij uitstek de plek
van hoop en wanhoop, van geloof en twijfel:
pelgrimstocht der mensen veertig jaar woestijn.

Mozes, bij uitstek de leraar in de woestijn,
had in de woestijn de tien geboden gehoord
die zijn mensen zouden moeten gaan vervullen.

Het viel niet mee om de mensen aan dat woord te houden.
Veertig jaar woestijn was
veertig jaar hoop en vertrouwen in een nieuwe toekomst
veertig jaar je best doen
maar ook veertig jaar wanhoop en teleurstelling.
Als Mozes oud is en de tocht door de woestijn voltooid is
kijkt hij terug en hij zegt:

de Heer heeft je misschien vernederd
en op de proef gesteld..
maar dat diende niet om je te pijnigen
maar om je gezindheid te leren kennen.
Hij heeft je vernederd en je misschien honger laten lijden
maar je ook het Manna (het brood uit de hemel)
te eten gegeven en zo hebt je kunnen volharden.

Zo kijkt Mozes terug
op alle zorgen en angsten van de lange woestijntocht.
In alle beproevingen is de mens die met God mocht wandelen
steeds op de been gebleven.
Hij heeft kunnen leven van het Woord van God,
het ware brood dat uit de hemel ons is gegeven.
Daardoor is de mens rijker geworden volgens hem
en meer mens, meer kind van God ook,
volwassener partner in het Verbond.

Arme mensen die het alleen maar moeten doen
met het gewone brood:
die geen opdracht of roeping in hun leven erkennen
die niet kunnen breken en delen,
die denken dat alle geluk afhangt van mooie spullen.,
arme mensen die zich alles kunnen en willen permitteren,
arme mensen die alleen maar de kruimels
die overblijven willen geven aan de armen,
arme mens die nooit een ander ontmoet heeft en
nooit gekeken heeft in de ogen van de ongelukkigen

en zalig de mensen die zoeken,
die zoeken, die verlagen, die dromen van een nieuwe wereld,
die verdriet hebben omdat die er nog niet is.

De Heer jullie God -zei Mozes aan de rand van de woestijn-
heeft je opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt.

‘Jesus werd terstond naar de woestijn geleid
en verbleef bij de wilde dieren.’
In sobere bewoordingen roept Marcus door de woestijn te noemen:
de oude geschiedenis van het volk Israël in herinnering.
Dan klinkt er heel wat mee: hoop, wanhoop, geloof en twijfel,
zekerheid en aarzeling.

Het Koninkrijk dat nabij is volgens Jesus’ verkondiging bleef ver weg.
Alles ging door zoals het altijd gegaan was.

Aan wilde dieren en teleurstellingen geen gebrek
maar -en dat horen we ook in die paar verzen uit het evange­lie van vandaag-
God zal toch getrouw zijn en Hem er doorheen halen.

Er is een happy end -geen goedkoop happy end- in zicht.
De tegenkrachten, de machthebbers om hem heen
zullen Hem niet klein krijgen.
De Satan zal het niet winnen: Jesus komt er doorheen
want God zal naar Hem toekomen.

Hij verbleef bij de wilde dieren
zeker, het werd goede vrijdag, er was pijn, onzekerheid en angst
maar de engelen dienden hem daarna:

de engelen gaan hem dienen op de paasmorgen
en zullen het leerlingen melden:
Hij is niet hier Hij gaat voor jullie uit.

De regenboog
-waarover wij in de eerste lezing hoorden spreken-
staat als een teken van hoop aan de hemel:
God zal er voor waken
als het aan Hem ligt zal de aarde nooit, nooit ten onder gaan.

Hoezeer de zorgen ons mogen beknellen
en hoe droevig de dingen soms zijn die wij door moeten maken
Hij staat aan onze kant en geeft ons hoop.

Wij gaan niet alleen de woestijn door,
we hoeven niet te zwichten voor de bekoring.
Als wij een beproeving meemaken
kunnen we bedenken:
Hij is hier ook geweest.
Als het ons tegenvalt kunnen wij bedenken:
het is Hem ook tegengevallen.
Als wij angstig zijn:
Hij is ook angstig geweest.
In die solidariteit was Hij de gezant van Israëls trouwe God
de God die met zijn volk meetrekt alle jaren door.

Mensen die veel moeten meemaken hebben dat soms ervaren
en als ze als gelovigen terugkijken op hun levensweg
zeggen ze met Mozes mee:
inderdaad: onze voeten zijn niet gezwollen al die veertig jaren
en de kleren aan ons lijf zijn niet versleten.
We hebben het vol kunnen houden
en altijd is er wel iemand geweest
die ons troostte en weer op de been hielp.

En voor ieder van ons geldt
ook als we ooit wel eens een beetje beproefd zijn:
Altijd is er wel een engel geweest
die ons gediend heeft op dat moeilijke uur.
We zullen dus samen kunnen volharden
Hem achterna.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

18 februari: In het verborgene…

[print]

Aswoensdag

Schriftlezingen:

  • Joël 2, 12-18

  • Matteüs 6,1-6.16-18

Vasten is een tijd van goede werken doen: daden van gerechtigheid.
De daden van gerechtigheid zijn: almoezen, gebed en vasten.
Jesus noemt deze werken met nadruk..
wij moeten ze doen maar… ‘in het verborgene’.

Wonderlijk genoeg moeten wij
als goede hoorders (en doeners!) van de bergrede
èn licht en zout der wereld zijn
èn tegelijkertijd werken aan de omgang met God in het verborgene.
Zijn die dingen met elkaar in tegenspraak?
Neen. Het gaat om het vinden van je goede plaats op aarde,
om de verhouding van jou met God.
De daden zijn daar een stille maar krachtige uitstraling van… als het goed is.

Neem het voorbeeld van een klooster.
Een klooster heeft zijn uitstraling niet door de folders die verspreid worden
of het aan de weg timmeren maar vooral door het feit
dat het -als het goed is- een haard is van mensen
die in het verborgene hun relatie met God vormen.
Dat is de werkelijke aantrekkingskracht.
Een goede parochie kan ook zo’n uitstraling hebben.

Iets over de verschillende werken van gerechtigheid.

De aalmoezen als daden van gerechtigheid zijn wel belangrijk
als ze maar te maken hebben met de Vader in het verborgene.
Het boek Leviticus spreekt er over in het 19e hoofdstuk.
Gerechtigheid en het geven van aalmoezen worden in een adem genoemd.

Het geven van aalmoezen hoort niet voort te komen uit medelijden
maar uit een tot in je binnenste geraakt worden
door de nood van de ander zoals God daardoor geraakt wordt.
Er staat heel lijfelijk in de Bijbel
dat Gods ingewanden letterlijk beroerd worden
als Hij door de nood van Zijn volk ziet.

Een hele concrete bijna medische beeldspraak over Gods
-je zou bijna zeggen- lichamelijke toestand
als Hij nood van mensen ziet.
En dat is ook iets wat bij de mens wordt verwacht
opdat ook hij er beroerd van wordt
in alle betekenissen van het woord.
Opdat hij er ook ‘lichamelijk’ onder lijdt
als hij het leed van anderen ziet
en er ook echt door in beweging komt:
‘be-roerd’ in de andere zin van het woord.
Niemand kan door een beroep op onze goed sociale voorzieningen
zich onttrekken aan de praktische oefening in en beoefening van gerechtigheid.

We hebben in ons land een prachtig sociaal wets-systeem opgebouwd
en dat is heel fijn maar daarbij zal altijd blijven horen:
jouw persoonlijke betrokkenheid.
Opdat jij kunt laten zien
dat het jou ernst is met de zaak van het koninkrijk van God.

Persoonlijke daden van gerechtigheid zullen gedaan moeten worden
opdat ons eigen geloof concrete vervulling krijgt,
omdat het voor ons belangrijk God na te volgen.
In het verborgene – niet voor de show !-
maar het moet gebeuren!

Omdat deze lichamelijke expressie voor ons zelf van belang is
bij onze geestelijke vorming, is de arme in dit geval de weldoener
omdat de arme ons de mogelijkheid geeft
om zelf tot die navolging te komen.
Het volgende verhaal leert dat ons:

De kerkbestuurderen van een joodse geloofsgemeenschap in oost Polen
vragen even voor de herfst zal aanbreken aan de rabbijn:
hoe zit het met de voorbereidingen van de grote feesten?
Ze bedoelen: ‘hebt u uw preek al klaar, wat krijgen we dit jaar te horen.
Moeten er misschien nog nieuwe banken bij in de synagoge,
moet de kapel nog worden opgeknapt…
moet er nog iets gebeuren, iets belangrijks.

En dan zegt de rabbijn: ‘het moeilijkste zal ik morgen gaan doen,
jullie moeten wel even geduld hebben.

Onder elkaar vragen ze zich dan af: ‘wat zal hij gaan doen?
Hij moet zeker nog veel gaan studeren.

Maar neen, de volgende dag loopt de rabbijn
de hele dag maar rond in de armste wijken van de stad.
Vol verbazing zien ze dat aan
en de dag daarop komen ze hem dan ook vragen:
HEBT u zich eigenlijk wel voorbereid op de feestdagen?
Hij antwoordt: ‘jazeker en wees verheugd ik ben geslaagd.
Ja maar, wat hebt u dan gedaan?

Ja‘ zegt hij ‘ik heb de armen gevraagd
of ze alsjeblieft jullie aalmoezen willen aannemen
en ze hebben zich bereid verklaard om dat te doen… is dat niet heerlijk.

U begrijpt de bedoeling van dit verhaal.
Wie is de weldoener? Dat is de arme.

Het bidden wordt in het evangelie van vandaag ook genoemd.
Bidden als activiteit: het richten van jouw eigen hart op God.
Bidden, het ‘in het verborgene’ verkeren met de Vader.
We hebben daartoe weer nieuw kansen in de Veertigdagentijd
laten we ze benutten!

Het vasten sluit de rij van werken van gerechtigheid.
Om je niet te zeer te hechten aan het aardse
is er toch de mogelijkheid om te vasten.
Het gaat dan niet om de ascetische prestatie
maar om de wil tot solidariteit om samen met andere mensen
te willen leven naar een nieuwe toekomst toe.
Het gaat dan nooit om zelfkwelling
maar goed vasten heeft altijd te maken
met de verhouding tot God en de naaste en het verstaan
van de oproep tot terugkeer tot die twee.
De joodse traditie kent twee vastendagen
de christenen ook vroeger altijd de woensdag en de vrijdag.
Het vasten is naast een oefening in rouwbeklag
en ommekeer voor jezelf
ook een oefening tot deling.
Opdat we allen weten mogen dat wij er allen zijn
om alles samen te hebben.

Er is ook zo’n mooie psalm, het oude tafelgebed:
wij danken U Heer dat u spijs geeft aan al uw schepselen.‘ (Ps.144,15-16)
Als wij dat horen, tenminste dat gevoel heb ik, denken we:
dat is niet leuk God want wat dacht U van Afrika en Azië te maken?
Maar de psalm zegt het heel uitdagend:
wij danken U God dat U al uw schepselen te eten geeft.
De bedoeling van het bidden van die psalm is dat het schaamrood
ons naar de kaken stijgt.

Immers: op het moment dat we die gaan bidden
zouden we eigenlijk onmiddellijk moeten weghollen van de tafel
en moeten gaan zorgen dat er gedeeld wordt,
dat het koninkrijk van God werkelijkheid kan worden
omdat alles anders kan worden dankzij ons.

De aalmoezen, het bidden en het vasten
zijn allemaal de daden van de gerechtigheid
waardoor we kunnen laten zien dat het ons ernst is
met de zaak van het koninkrijk van God.
Moge de komende vastentijd een goede tijd zijn
in plaats van een tijd van minder,
een tijd van meer.

Meer tijd nemen voor de goede dingen waar je mee bezig bent;
meer aandacht besteden aan je relatie;
meer stilstaan bij je manier van leven;
meer aandacht hebben voor het grote wereldgebeuren
en tegelijk:
meer in jezelf keren;
meer rust nemen.

Meer van al die zaken en dingen
die de overige dagen van het jaar vergeten worden.

Ik wens ons allen een goede vastentijd toe.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

15 februari: Het onmogelijke mogelijk

[print]

6e zondag door het jaar

Schriftlezingen:

  • Leviticus 13, 1-2.45-46

  • Korintiërs 10, 31-33; 11,1.45-46

  • Marcus 1,40-45

Het gaat vandaag over erbij horen
of er niet bij horen.
Je zou zeggen dat jongeren
die alles wat hun doorgegeven is kritisch bekijken
voor zulke dingen ongevoelig zijn:
ik hoef nergens bij te horen: ik ben mijzelf!

Maar zo is het niet.
Je hebt bepaalde kleren die je moet dragen
bepaalde merken schoenen die je aan moet
en als je dat niet doet loop je voor gek.

Je moet als je, jezelf een beetje je groot vindt voor het servet
en anderen je te klein vinden voor het tafellaken ook gaan roken
dat staat stoer en je hoort er meteen bij.

Handig maakt de reclame daar gebruik van.
Iedereen wil ergens bij horen:
asielzoekers zoeken een plaatsje onder de zon
jongeren willen serieus genomen worden
en daarom al die inspanningen die eigenlijk niet echt nodig zijn
want gelukkig komen we in onze dagen tegelijkertijd tot het inzicht
dat ieder mensen uniek is
en waardevol is, zoals hij is.

Degene die aan een huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen,
hoorden we net lezen:
hij moet zijn haren los laten hangen;
hij moet zijn baard bedekken en roepen: onrein, onrein!
‘ (Lev. 13,45)
Het gaat hier over een melaatse: wordt die met opzet buitengesloten?

Melaatsheid was in die dagen ongeneeslijk.
Er was geen redden aan.
Vandaar die strenge reinheidswetten
die de melaatsen apart hielden.
Dat was afschuwelijk maar niet onverstandig.

Rond een van de ernstigste ziekten, de melaatsheid,
kan heel wat ter sprake komen.

Het Talmudische jodendom
kent een hele ruime interpretatie van het begrip ‘melaats’.
Het wordt zeer pejoratief gebruikt om de bedreigende machten rond Israël
(Babel, Griekenland, Rome) aan te duiden.
Melaatsheid had iets te maken met een definitief verworpen zijn.
De ziekte was in die dagen zo ongeneeslijk
dat alleen God geacht werd de genezing daarvan teweeg te kunnen brengen
(net zoals Hij alleen de doden kan doen opstaan).
Des te merkwaardiger is het dat een heel hoofdstuk van het boek Leviticus
gewijd wordt aan het ritueel dat moet worden toegepast
wanneer een ongeneeslijk zieke toch beter wordt!
Hier is sprake van een visioen van een toekomst waarin alles nieuw zal zijn.
Een profetie!

Als er ooit sprake zou zijn van een genezing
dan moeten werkelijk alle priesters in beweging komen
om deze grote daad van God te proclameren.
Stellen we ons eens voor, dat de tijd is aangebroken
om alle kankerpatiënten publiekelijk genezen te verklaren:
het zou betekenen dat de tijd is aangebroken
waarin alles werkelijk nieuw zal zijn!

Het is jammer dat de coupure uit Leviticus van vandaag
het ‘happy end’ zoals dat in hfdst. 14 beschreven wordt, niet noemt.
Het lijkt wel of het Eerste Testament alleen maar somberheid mag aandragen…

Al is de situatie nog zo wanhopig
het gaat er in de bijbel altijd om
dat er toch – bij God- onverwachte dingen kunnen gebeuren!
In het Oude Testament vindt je één belangrijk reinigingsverhaal
het staat in het tweede boek Koningen.
De koning van Israël roept,
wanneer een buitenlandse legeroverste Naäman een beroep op hem doet
om zijn genezing te verzorgen eerst wanhopig uit:
“Ben ik God die kan doden en levend maken’ (v.7).

Voor de band met God met je bij de profeten zijn
en de profeet Elisa biedt redding in de nood
door zich met het geval te bemoeien
en een bad in de rivier de Jordaan voor te stellen.
De Jordaan, de grensrivier van het nieuwe land
waar eens het weerloze volk Israël door getrokken was
met de God van Abraham, Isaak en Jakob als verlosser
een nieuwe toekomst tegemoet.
Die God is de enige die (ook niet joden) echt helpen kan.
De genezing van de melaatse
zoals in het evangelie van vandaag verteld wordt
is een belangrijke gebeurtenis
die een eerste cyclus verhalen over Jesus in Galilea afsluit.

Een melaatse zoekt contact.
Er staat geschreven dat hij naar Jesus roept.
Hij verwacht van hem iets nieuws.
Hij verwacht dat Jesus naar hem kijkt als mens
en hem misschien ook kan verlossen van zijn vreselijke lot;
dat hij hem kan verlossen van zijn alleen zijn
en misschien ook van zijn ziekte.

Opvallend is het ontbreken van namen.
De melaatse blijft volstrekt anoniem
en ook de naam van Jesus zoekt men tevergeefs.
De beide hoofdrolspelers worden alleen maar aangeduid als ‘hij’ en ‘hem’
(het Grieks kent ook geen hoofdletters om ons duidelijk te maken wie wie is).

Aan het slot van de lezing raakt de lezer zelfs in verwarring.
Wie van de beide hoofdrolspelers verkondigt
en wie blijft buiten op een eenzame plaats staan (vers 45)?

De ex-melaatse wordt in Jesus’ plaats verkondiger,
hij kan niet zwijgen.
Jesus zelf echter trekt zich na de genezing terug naar een eenzame plaats.
Een prachtige uitbeelding van de eenzaamheid
van de solidaire knecht die in Jesaja 53 beschreven wordt:
‘Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen’ Jes. 5,34).

Rond die eenzame Messias verzamelt zich gelukkig echter een nieuw gemeenschap:
Zij kwamen tot hem, overal vandaan‘ (Mc. 1,45).
De tallozen die naar Hem toekomen
bevrijden hem op hun beurt uit de eenzaamheid van de afzondering
en brengen hem terug in de wereld.
De schrijver Marcus hoopt dat wij het ook wagen zullen
deze eenzame Messias uit zijn isolement te halen
en hem ook zullen volgen op zijn weg naar andere mensen toe.

De bedoeling is dat niemand hier verloren loopt
dat wij niemand uitsluiten om dingen die niet belangrijk zijn
en dat wij samen bouwen aan een nieuwe wereld
waarin het onmogelijke mogelijk is.
Een wereld waarin ruimte is voor allen
en iedereen zichzelf kan zijn.
Aan zo’n wereld willen wij bouwen.
We horen Paulus daarvan dromen in zijn eerste Korintiërs-brief:
‘Zoals het lichaam een eenheid is en de ledematen een veelheid,
en alle ledematen ondanks hun veelheid toch één lichaam vormen,
zo is het ook met Christus.
Want wij zijn met ons allen door de doop één lichaam geworden
in de kracht van de ene Geest,
of we nu Joden of Grieken, slaven of vrije mensen zijn;
allemaal zijn we doordrenkt met één Geest!

De medisch te omschrijven ziekte: ‘Melaatsheid’ genezen
is mogelijk gebleken, zeker hier in het westen.
En als we even ons best doen
is heel de wereld ervan bevrijd.

Dat er nu weer andere ziektes zijn
die we niet zomaar kunnen bestrijden
maakt ons bescheiden en laat ons beseffen
dat wij mensen toch weerloze mensen zijn.

Het meest pijnlijk is echter de ziekte van de haat
de pijn die mensen elkaar bezorgen
door hun geweldadigheid,

Jesus genas de melaatse
als een teken dat het onmogelijk toch mogelijk is.
Zou het dan echt waar zijn
dat de vrede het wint van de oorlog?
Zou er echt een einde kunnen komen
aan geweld en koesteren van eigenbelang?

Jesus wil ons in zijn voetspoor trekken
om op een nieuwe manier mens te zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

8 februari: Bid en troost

[print]

5e zondag door het jaar

Schriftlezingen:

  • Job 1, 1-7

  • Marcus 1,29-39

In Heemstede was het groot feest,
een kleine nieuwe synagoge is ingericht
aan de Lanckhorstlaan; voor Haarlem en omstreken.
Een groep jongeren van onze parochie heeft enkele jaren terug
een bezoek gebracht aan de oude synagoge van Haarlem
een klein zaaltje op de 1e verdieping van een villa aan het Kenaupark.

Synagoges, de gebedsruimtes voor de joden,
zijn over heel de wereld verspreid.
Vooral toen er geen tempel meer was in Jeruzalem
werden al die kleine dorpskerkjes heel belangrijk.
In Amsterdam gingen we met de kinderen ook eens
naar de grote synagoge bij de dokwerker.
Daar is geen elektrisch licht.
Alleen maar grote kaarsenkronen verlichtten het gebouw…
voor de kinderen heel vanzelfsprekend..
want: ‘toen Jesus daar naar de kerk ging was er ook nog geen stroom.

Heel vanzelfsprekend. Zo’n oude synagoge
hier moest Jesus zeker nog geweest zijn. Maar helaas…
Jesus was nooit in de synagoge in Amsterdam
maar wel in een synagoge, de synagoge van Kafarnaum
aan het meer van Galilea.
Daar was hij naar binnen gegaan om de verhalen te horen
van God die van de mensen houdt
maar die ook veel van hen verwacht.
De sjabbat is de wekelijkse ruimte in de tijd
voor de gedachtenis van God verlossing en bevrijding.
Maar dat vraagt om actie als vervolg. Dat is bij Jesus ook zo.
Op de dag van het gebed gaat hij na gebeden te hebben,
onmiddellijk van het gebedshuis naar het huis van de zieke schoonmoeder
van zijn vriend Simon die later Petrus zal heten.
Een grappig idee dat de eerste Paus, Simon Petrus getrouwd was.
Maar terug naar het verhaal. Jesus’ bezoek aan de synagoge en daarna.
Het gaat bij kerkgebouw en synagoge
nooit om de kerk of de synagoge alleen
maar altijd om wat wij daar horen.
En dat is dat de mens buiten die geholpen moet worden.

Je komt niet alleen naar de kerk
voor de gezelligheid of de mooiigheid
maar om als je de kerk verlaten hebt
en je de verhalen hebt gehoord van God met de mensen
je zelf ook zo gauw mogelijk op die mensen afgaat
om ze te gaan helpen.

Jesus helpt de zieke schoonmoeder van Simon,
en als de mensen daar eenmaal gemerkt hebben
dat Hij troost te bieden heeft en genezing
komen ze in drommen aan de deur.
Een beetje zoals de mensen ooit op Jomanda in Tiel afkwamen:
voor de sensatie of het wonder.

Eigenaardig genoeg lezen we dan dat Hij er gauw vandoor gaat.
Dat doet Hij niet om ze in steek te laten
maar om gauw naar andere mensen te kunnen gaan
en ze te vertellen dat God van hen houdt
en dat ook zij elkaar moeten helpen.
Jesus genas niet als een tovenaar
als gebedsgenezer
maar als een helper… die ons opjutten wil
opdat wij zoveel mogelijk ons best zouden doen
elkaar ook te genezen, te troosten en te helpen
en dat kunnen wij heel goed.

Dat deden de vrienden van Job allerminst.
Misschien kent u het verhaal:
Job was eerst rijk en gezond
en plotseling verliest hij alles…
zijn rijkdom, zijn huis,
zijn kudde… de pest slaat toe.
Dan komen zijn vrienden hem troosten.
Zou het? Deden ze dat maar.
Ze troosten hem niet maar zeggen alleen maar:
je zult vast wel eens een scheve schaats gereden hebben vroeger
zodat je dit als straf verdient hebt.

Dat is een slechte troost.
Toch komen mensen er vaak mee aanzetten.
Een nieuw benoemde bisschop –geen succes-
in het zuiden van de Verenigde Staten
vertelde ooit dat de overstromingen enkele jaren terug
een straf waren van God. Net zoals vrome Zeeuwen dat zeiden
bij de watersnood meer dan 50 jaar terug:
‘straf van God voor de zedeloosheid op de stranden.’
Dat is niet de God van de Bijbel.
Het hele boek Job verzet zich tegen die gedachte.
De hele boodschap van het Job is juist:
niemand verdient het lijden.
En ook al zou er iets gebeuren in je leven wat niet goed is
en wat je eigen schuld zou zijn…
dan nog is dat de vraag niet
die andere mensen moet bezig houden.

Want het enige belangrijke dat ik mij moet bedenken is:
hoe kan ik de ander die lijdt of pijn heeft,
die ziek is, die een ongeluk heeft gehad;
die moeilijkheden heeft in zijn of haar huwelijk
die gescheiden is of bijna gescheiden,
hoe kan ik die mens nabij zijn en troosten.

In de avond brachten ze allen die lijden of bezeten zijn tot hem.
Als het donker is en mensen somber worden
is het goed als er mensen zijn die je troosten.
Hij is wanhopig alleen blijkt, door vrienden gehoond en verlaten.

Job zucht in zijn eenzaamheid:
’s Avonds denk ik wanneer wordt het morgen?
En Job kreunt ’s morgens ook:
wat moet ik aan met deze nieuwe dag, was het maar weer avond.

Aan het einde van de vorige eeuw werd rond deze tijd
Mgr. Bekkers uitgeroepen tot katholiek van de eeuw.
Velen herkenden zich in zijn manier van geloven
die de gewone traditie doorbrak. Zo ook bij zijn uitvaart.
Toen hij door een hersentumor geveld
veel te jong stierf werd er (en dat was voor het eerst
in en katholieke uitvaartdienst) gelezen uit het boek Job.
Nooit tevoren had bij een uitvaart
zo’n klacht, zo’n vrijmoedige aanklacht van God geklonken!
Uit het 14e hoofdstuk werd toen gelezen:
Zou een dode weer tot leven kunnen komen?
Ach, heel mijn leven zou ik op wacht blijven staan tot mijn aflossing komt.
Ik zou antwoorden als God roept, hunkerende naar uw eigen schepsel.

Job schildert zich bijna af als een dode.
Op Jom Kippoer (de grote verzoendag)
kleden de aanwezigen zich in de synagogen in witte gebedsmantels…
lijkwaden eigenlijk. Het is de weg van de complete ontluistering:
Levend zijn we zonder Gods erbarmen als doden.
Job is aan de diepste twijfel toe, als hij zegt dat de draad ten einde is.
Er staat ‘tikva’: draad. Een woord dat ook vertaalbaar is met ‘hoop’
(bekend van het Israëlische volkslied ‘ha-tikva’).

Maar de levende doden in de synagoge op de grote verzoendag
en allen die zonder hoop lijken te zijn,
weten toch dat er Eén is die al dat vragen hoort, die antwoorden kan
en die alle leven en toekomst van de mensheid in handen heeft.
De God die als naam draagt: ‘Ik zal er zijn’.

Jesus staat vroeg in de morgen op en trekt zich terug in gebed
Hij zoekt contact met de hemelse Vader:
God die heeft gezegd: ik laat je nooit alleen.
Job en alle mensen die lijden mogen weten:
je bent nooit alleen,
er is Iemand met een hoofdletter die van je houdt.
Het zou heerlijk zijn als er omdat uit te beelden
iemanden met een kleine letter
naar die mensen in nood toe zouden gaan…
het zou goed zijn
als wij die mensen zouden durven zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

1 februari: Wat er ook gebeurt… de goede weg volgen

[print]

4e zondag door het jaar

Schriftlezingen:

  • Deuteronomium 18, 15-20

  • Marcus 1,21-28

David Hartmann, hoogleraar in Jeruzalem zegt:
Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven:
onze wereld stinkt! De beerput staat open!
Heeft men in vroeger tijden het deksel er nog op gehouden
(wat maar net lukte), in deze jaren wordt onze ongerechtigheid openbaar!

Het kwade moet benoemd worden en onderkend
en –even teruggaande naar David Hartman-
het deksel op de beerput die open gaat zetten lukt niet.
De oorzaken van de stank vinden en bestrijden
is de enige redding voor ons:
we moeten samen een nieuw begin maken.

Het evangelie van Marcus dat wij dit jaar lezen
heeft als hoofdthema: het altijd mogelijke nieuwe begin.
Het nieuwe begin van Marcus’ eigen leven,
en dat van ieder die later nog naar hem luisteren wil,
is volgens Marcus te vinden in een Joodse man:
Jesus, die men de Christus, de Messias ging noemen.
Die Jesus nodigt ons allen uit:
bekeert u en luistert naar deze blijde boodschap:
het Koninkrijk van God is nabij,
het is nu de goede tijd.. doe mee, hier en nu.

Hier: God wil zijn koninkrijk niet op een andere planeet maar hier,
waar het zo stinkt. En als je Hem wilt volgen
mag, ja moet het kwaad ter sprake komen en bevochten.

Jesus gaat ons daarin voor.
Marcus vertelt ons dat Jesus na zijn doop
terstond de woestijn in gaat
waar de demon hem tartte.
Terstond gaat hij dan naar de ruige vissers aan het meer toe
die de dodelijke gevaren van het water kennen.
Maar hij zoekt ook het goede op
Hij gaat de synagoge binnen.

De synagoge waar de woorden van Mozes,
de grote profeet waarover de eerste lezing sprak,
klinken. En Jesus is een goede verstaander van Mozes woord
een trouw doener van de wet die alles nieuw kan maken.
als Jesus spreekt wordt alles anders.
Mensen ervaren troost in zijn woorden;
worden moedig, worden wakker, staan op. Alles wordt nieuw!

Maar dan blijkt het kwade toch nog sterker dan Hij dacht..
de hel barst letterlijk los.
Een boze geest, (hij had zich tijdelijk gevestigd in een man)
roept uitdagend naar Jesus: ‘Wat moet dat allemaal!
Ik weet wel wie je bent, je bent de Heilige Gods,
je mooie praatjes komen van de God van de liefde
die onze macht, de macht van het kwade ondermijnt.

Jesus ontkent de macht van het kwade niet
maar Hij schrikt niet en gaat de confrontatie aan:
Hij verdrijft de boze geest.

Als christenen hebben wij de neiging om te zeggen:
goed dat Jesus dat deed
Hij is onze Verlosser en heeft ons welgedaan.

Maar daarom alleen wordt dat verhaal ons niet verteld.
Neen, we mogen ons niet beperken tot een dankbare lofprijzing
aan Jesus die alles goed heeft gedaan.

De bedoeling is dat wij Hem volgen
en gesterkt door zijn voorbeeld
ook zelf de strijd tegen de boze aangaan.
Terstond als je durft!

Marcus wil degenen die zijn verhaal over Jesus horen
oproepen tot onmiddellijke navolging.
Tot verbreiding van het evangelie en
tot het afremmen van de macht van het kwaad.
Maar dat niet alleen. Hij wil hen ook bemoedigen:
de boze geesten hebben het niet meer voor het zeggen.

Nog iets over morgen: Maria Lichtmis;
we hebben de kaarsen al gewijd en zullen straks met de kaarsen
gekruist gezegend worden.

Blijf niet staan bij wat vroeger was’ willen de voorgangers
zo tot u zeggen:
sta niet stil in het verleden
ik – zegt de Heer- ga iets nieuws beginnen…
het is al begonnen merk je het niet.

Dat zijn woorden van hoop,
woorden uit een van de boekrollen
van Israëls profeten, Jesaja om precies te zijn: er is uitzicht, er is hoop;
vertrouwen in Israëls heilige, die met Zijn mensen meetrekt.
Altijd is er verwachting van een grote toekomst
die God met de mensen wil beginnen..
een grote ook een beetje beangstigende toekomst.

Morgen is het de veertigste dag
van kerstmis:
de profeet Maleachi die dan aan het woord komt zegt:
wie zal er staande blijven wanneer Hij verschijnt.
Wie kan de komst van de Heer verdragen?

Is het de bedoeling ons de stuipen op het lijf te jagen
ons bang te maken?

Maleachi is net als Jesaja en Jona die we de vorige week hoorden
achter in onze kerk uitgebeeld.
Hij kijkt onder een doek die zijn gelaat
tegen de ergste zonnestralen moet beschermen door naar de verte.

Wie kan de komst van de Heer verdragen….

Wat voor een wereld is het waarin God binnen mag komen.
Wat voor een ruimte is er voor vrede, liefde, vriendelijkheid en trouw?

Op de 40e dag stonden in de tempel
twee mensen klaar om de Messias, te ontvangen:

Simeon… de bekendste van de twee die zei
laat nu uw dienaar gaan in vrede want mijn ogen hebben het heil aanschouwd.

En Anna of Hanna, dat is dezelfde naam:
zij is minder bekend. Haar naam betekent:
‘God is genadig.’

In de tempel van Jeruzalem
zijn de woorden van de profeten bekend
dat alles nieuw zal worden; in onze kerken ook.
Maar of er echt oor is voor Gods vernieuwende woord
of wij echt het kwade willen onderkennen en bestrijden
en echt mensen willen zijn, dragers van het nieuwe licht?

We hopen van wel.
Als wij ons laten zegenen met de kaarsen
betekent dat duidelijk
dat wij rond Jesus Messias, het ware licht.
samen echt willen proberen een nieuw begin te maken.

Even terug naar het evangelie van deze zondag:
de demonen zijn verslagen.
Wij kunnen –als wij het willen en durven-
vandaag nog, hier en nu een nieuw begin maken
hem achterna: Jesus Messias, die met ons, voor ons stierf,
maar verrezen en opgestaan nu voor ons leeft en ons voorgaat
in deze, onze dagen.
Gaan wij vertrouwvol verder, levend van Gods genade
getuigend van het licht.

Het licht dat het winnen zal van de duisternis,
de liefde die het winnen zal van de haat ..

Wees gezegend, wees sterk – wordt straks tot ons gezegd-
geloof, word wakker: handel!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

25 januari: Nieuwe kansen niet blokkeren

[print]

3e zondag door het jaar

Schriftlezingen:

  • Jona 3,1-5.10

  • Marcus 1,14-20

Toen Jona in de walvis zat en gebraden stokvis at…
is een oud kinderliedje dat velen van u nog wel kennen hoop ik.
Wie was Jona?

Als u hem op gaat zoeken in de Bijbel -u moet het eens doen –
treft u hem aan tussen de twaalf kleine profeten…
hij is ook afgebeeld op de kapitelen helemaal achter in de kerk
onder de balustrade waar het prachtige Willibrordorgel op staat.
Jona zijn naam betekent: ‘duif’, bode.
Het bijbelboek dat zijn naam draagt is met veel humor geschreven…
ik hoop dat ik daar iets van kan overbrengen.

Jona begeef je op weg naar Ninive‘ zo begint het.
Kondig de mensen daar aan dat ze hun levenswijze moeten veranderen,
dat ze zich moeten bekeren…anders zal de stad worden omgekeerd, verwoest.

Maar Jona is een onwillige postduif; hij wil de verkeerde kant op.
Hij voelde zich als trouwe gelovige te goed voor een missietocht naar Ninive..
Hij verwachtte niets van die heidenen daar.

Jona verzint een list. Ninive ligt in het oosten dus gaat Jona op een schip
zover mogelijk naar het westen. Hij boekt voor Spanje.

Maar een storm slaat toe en de bijgelovige zeelieden zien
-een beetje terecht eigenlijk wel- Jona als oorzaak van hun ellende en…
hij wordt van je een twee drie de zee in gejonast..
einde van Jona ware het niet dat God
hem ook uit de diepten van de zee weet op te halen
zoals Hij steeds mensen uit de diepten omhoog haalt
… en in het verhaal treedt dan de walvis op
als vervoermiddel.

Ninive is een hele grote stad, het kost drie dagen om er doorheen te trekken..
lezen we in het boek Jona.
Als Jona na wat vertraging daar aankomt begint hij
-hij gelooft nog steeds niet in het nut van zijn opdracht-
wat knorrig aan zijn verkondiging:
nog veertig dagen en de stad van Ninive zal
– tenzij u zich vlug bekeert –
worden verwoest, ondersteboven gekeerd.

Hij heeft er geen vermoeden van dat zijn weinig overtuigend gebrachte preekje
inderdaad een omkeringseffect zal hebben
in de harten van de mensen van Ninive.

De heidenen van Ninive worden diep in hun hart geraakt
ze blijken vromer en goedwillender te zijn
dan Jona ooit vermoed had:
ze bekeren zich terstond, de koning roept een vasten uit
en mens en dier doen mee.

Maar Jona heeft daarvan niets in de gaten.
Hij houdt zijn preekje, sjouwt de hele stad door
en gaat zeer vermoeid na het vervullen van zijn opdracht
op een heuvel even buiten de stad zitten….
wachten op de verwoesting van Ninive..
want dat wil hij wel eens zien.

Jona… de meest arrogante gelovige die je je maar kunt indenken;
de gelovige die zich verheugt op de ondergang van de goddelozen.
En dan zijn we al bij het laatste hoofdstuk van het boek Jona.

Jona zit op dat heuveltje en krijgt last van de zon.
God heeft medelijden en laat een boom opschieten
met grote bladeren om Jona te beschermen: God is immers liefde.

Jona vindt deze goddelijke zorg voor hem als echte gelovige
vanzelfsprekend maar hij begrijpt absoluut niet
wat er rond om hem heen gebeurt is
en blijft (zoals mensen die op ongeluk hopen
als ze langs de snelweg zitten te kijken)
wachten op de verwoesting van de stad…
maar die gaat niet door.

Dan wordt Jona boos en scheldt God uit…
hij bestaat het om God aan te klagen en te zeggen:
ja ik wist het wel…
u bent een barmhartige God
mild voor de zondaars…

Na deze merkwaardige woede-uitval
beginnen de bladeren van de boom
die Jona tegen de zon beschutte af te vallen.

En Jona’s woede neemt nog toe:
is dat nu het loon dat ik verdien.
En dan komen de laatste regels van het boek Jona:
God neemt het woord:
Jona, jij bent bedroefd omdat de bladeren van
jouw boompje afvallen…
zou ik niet veel bedroefder zijn
als de mensen van Ninive,
argeloze mensen die het verschil tussen goed en kwaad
nooit goed geleerd hebben
ten onder zouden gaan?

Einde verhaal.
Een verhaal dat ons wil leren
dat wij als oude/of jonge getrouwe gelovigen
altijd moeten oppassen niet vast te roesten
en altijd vertrouwvol moeten uitzien
naar de nieuwe goede dingen
die er onder onze eigen ogen
ook buiten de kerk gebeuren.

Toch blijf je ze altijd houden,
de mensen die maar al te graag willen blijven geloven
dat zij de enigen zijn die door God geliefd zijn,
de enigen die goed zitten
en hun eigen gelijk wordt pas echt bevestigd
door het ongeluk of de ondergang van de ander.

Misschien is dat wel het grootste probleem van de kerk van nu:
dat wij net als Jona de tekenen van hoop en goede wil van zovelen
niet WILLEN zien.

Mensen willen zo graag de goede boodschap horen,
snakken naar geloof, zoeken naar een zin in het leven.

Ze bieden hun kinderen aan voor de doop,
willen dat hun kind de eerste communie doet,
willen voor de kerk trouwen…..

Van ons als vaste kerkgangers wordt verwacht
dat wij zoveel mogelijk mensen
met het koninkrijk van God in contact brengen.

Een beetje blij gezicht
bij de verkondiging van die boodschap
die immers blijde boodschap heet
is wezenlijk wil het verhaal over komen.

En dan lazen we ook nog Marcus.
Zelf een heidense jongen
door Petrus op een van zijn reizen ooit meegenomen.
Hij droeg in zijn naam nog de naam mee
van de Romeinse oorlogsgod MARS ..
maar Petrus had gezegd:
laat maar, het gaat om je hart.

De eerste regel van het Marcusevangelie luidt:
Dit is het begin van de blijde boodschap…
DIT IS HET NIEUWE BEGIN
HET nieuwe begin van Marcus’ eigen leven,
en dat van ieder die later nog naar hem luisteren wil,
is volgens Marcus te vinden in een Joodse man:
Jesus, die men de Christus, de Messias ging noemen.

Die Jesus riep apostelen samen
van achter hun netten vandaan:
terstond, meteen gingen ze mee.
Tegelijk nodigt Hij ons allen uit:
bekeert u en luistert naar deze blijde boodschap:
het Koninkrijk van God is nabij,
het is nu de goede tijd.. doe mee.

Dat willen wij proberen in onze kerk samen:
rond Jesus van Nazareth een nieuw begin…
Een nieuwe begin? We mogen het hopen.
Neen: we moeten zeggen: we gaan er samen aan werken.
Laten we elkaar nu al vast gelukwensen
en er samen aan gaan staan,

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

7 december: Een wakkere club

[print]

2e adventszondags

Schriftlezingen:

  • Jesaja 40,1-11; troost mijn volk

  • Marcus 1,1-8; begin van de blijde boodschap

Op de dag des Heren zullen hemel en aarde dreunend vergaan
is een van de gezellige woorden van Petrus die we vandaag meekrijgen.
Een ander geluid komt van de profeet Jesaja:
Troost, troost mijn volk, de dag des Heren komt.

Een kiene schrijfster en psychoanalytica – ik zal later haar naam onthullen-
citeerde deze week opgewekt de Weense psycholoog Freud die 100 jaar geleden,
102 jaar om precies te zijn, zijn boek schreef ‘de toekomst van een illusie’
waarin hij ons als gelovigen allemaal lekker voor gek zette:
gelovigen zijn mensen die een beetje achterlijk zijn,
ze hebben behoefte aan een almachtige super-pa die ze God noemen
en ze lebberen allemaal aan de fopspeen van de troost dat
dat God alles dik in orde zal maken
en dat zij op hun eilandje van rust en vrede
zich van alle ellende in de wereld niets aan hoeven te trekken.

De meeste atheïsten of agnosten,
-het zijn soms hele gezellige mensen hoor,-
zijn inmiddels een beetje meer bij de tijd gekomen
en hebben ontdekt dat gelovigen zich juist heel veel aantrekken
van de ellende in de wereld en er ook veel aan willen doen
en er in feite al heel veel aan gedaan hebben en nog doen.

Ik heb dat mogen zien bij bezoeken aan Congo en India.
In Congo waren de kerken de enige plekken
waar mensen echt eerlijk behandeld werden.
De postbode kwam soms op de pastorieën in het binnenland langs
niet om brieven te bezorgen maar om te vragen of de pater die vast
wel eens bezoek van buiten kreeg wilde zorgen voor de verzending
omdat mensen dan de zekerheid hadden dat hun brieven echt aankwamen.
Mijn vriend Willem en ik die daar waren kregen toen ook een pak brieven mee.

De religieuzen, ook veel uit de eigen bevolking, verzorgden de ziekenzorg
en legden groentetuinen aan; de pastoor vertaalde de psalmen in het Lingala
en maakte zeep voor het hele dorp en ga zo maar door.
De bijbeldiscussies die er gevoerd werden hadden zo
door de VPRO uitgezonden kunnen worden
zo diepzinnig en actueel als ze waren.
Een levendige kerk was en is daar nog steeds actief.

Over gelovig actief gesproken: ik denk ook aan moeder Theresa in India
die wij ook mochten bezoeken.
De meest nuchtere en realistische vrouw die ik ooit ontmoet heb
als ik mijn eigen moeder even buiten beschouwing laat.

Ik zo nog even tegen Freud willen zeggen –misschien hoort hij het wel-
dat het juist de godsgelovigen zijn die de harde realiteit onder ogen willen zien.
Niks lijdzaam toezien maar samen met de anderen van goede wil
– de handen uit de mouwen steken.
Hoe dat moet leert ons de huidige Paus.
Met zijn 77 jaren, 75 jaar is eigenlijk nog niets,
ging hij op het Europese parlement af en zei hen duidelijk de waarheid:
Denk nu eens niet aan bonussen of subtiele regelgeving
maar aan werkelijke dienstbaarheid aan vrede en rechtvaardigheid
en vooral: vergeet de vreemdeling niet die roept aan de poort.

Enkele dagen daarna ging onze 77+ Paus even naar Istanboel
om met de regering in Ankara te praten –wat ons niet zo goed lukt-
en dan nog even langs te gaan in Istanboel en daar
in de Blauwe Moskee met leiders van de Islam te praten
en de volgende dag nog even langs te gaan bij de
patriarch van de Orthodoxe christenen om daar te kijken
of we het schisma van 1054 niet eens kunnen gaan opheffen.
Neen, saai is het niet in de kerk.
Hier putten wij uit de Schrift, de allerrijkste traditie die er is
Hier kunt u horen dat onze wereld nog steeds worstelt
met de gevolgen van koloniale uitbuiting.
En hier kunt u horen hoe de Europese en Noord Amerikaanse arrogantie
bij de inrichting van de wereld wordt aangeklaagd.

In de boekrol van Jesaja, waar we in deze Adventstijd uit lezen
en in de psalmen die de priesters, diakens en religieuzen
verplicht bidden -dat brevieren is geen corvee
maar een goede opdracht- horen wij steeds hetzelfde refrein:
de mens die zichzelf het allerbelangrijkste vindt
en alleen aan zijn eigen rijkdom denkt
en zijn machtspositie wil blijven beschermen
zal op zijn bek vallen – neen het staat er niet diplomatiek-
de arme zal recht gedaan worden, en God zal de Herder zijn van een nieuwe wereld: zijn Koninkrijk waarin de liefde zal heersen
die het zal winnen van de haat.

Deze wat vrije vertaling van de boodschap van het boek van de Psalmen
wordt ook iedere keer in de kerk herhaald als er een kindje gedoopt wordt.
Want niet allen priesters, diakens, religieuzen en bisschoppen zijn belangrijk
maar ook de jonge mensen met hun idealisme en goede wil
die echt gaan bouwen aan het Koninkrijk van God
en die daar misschien wel veel belangrijker bijdragen aan leveren
dan welke vrome priester, Paus of bisschop ook.

Goed dus dat er een kerken zijn:
geloofshuizen waarin mensen samen komen
om de liturgie te vieren en daar aan mee te werken:
jullie misdienaars en helpers,
zangers van vandaag ook superbelangrijk,
en u allen die niet in bed bent blijven liggen maar hier samen komt.
Hier zijn ook vrijwilligers te vinden die zorgen voor de diaconie,
voor de mensen in nood in onze eigen omgeving
en de mensen in Vietnam die we deze Advent gaan helpen.

Wij zijn hier samen, voorgangers en voorzangers
maar ook u allen die uw taak verricht.
Mensen die hun zieken verzorgen
of die zelf met hun ziektes worstelen:
ik ken er een paar en ik ben fan van hen.
En dan zijn er ook nog andere moedige mensen aanwezig
die dierbaren moeten missen maar dapper verder gaan.
Ik denk aan de familie van Chrisje die 7 jaren jong zo dapper volhield
en vorig jaar 17 december stierf.
Ik denk aan de familieleden van de omgekomen familie van Veldhuizen:
van Antoine en Simone, van Pijke 3 jr. en Quint, 6 jr. en oma Christine.
Op 17 juli neergestort in de Oekraïne;
we rouwden hier met zo’n 1200 mensen op 27 augustus.
De meisjes van de capella hielpen ons door te zingen
en talloze vrijwilligers zetten zich in om alles goed te laten verlopen.
Ook zij gaan door net als de familie.

In de kerk –ja ik ga nog even door-
zijn ook nieuw theologische ideeën gerijpt
doordat wij als christenen, katholieken en protestanten
weer in de leer zijn gegaan bij de joodse rabbijnen.
Zo zijn wij de kracht van de boodschap van het Oude Testament
die ook doorklinkt in het Nieuwe weer op het spoor gekomen.
En met andere mensen van goede wil
ook met onze broeders en zusters van de Islam
met wie we in Haarlem goed contact hebben
bouwen we aan een nieuwe wereld.
Zo verrichten wij een godgevallig werk
want God houdt van alle mensen en niet alleen van ons.

Petrus houdt ons voor dat er nog heel wat gebeuren moet,
vandaar zijn gepraat over het dreunend vergaan van hemel en aarde
dat is geen horror-praatje maar een oproep tot waakzaamheid en actie.

Johannes de Doper roept ons op tot bekering
er is nog zo veel te doen.
Maar al deze dingen staan onder de koepel
-en daar ben ik dan bij mijn hobbieonderwerp-
de koepel van de Blijde boodschap
dat God ons niet in de steek laat.

Hij heeft ons echt nodig,
Hij neemt het werk niet uit onze handen
maar Hij is wel de grote Fan met een hoofdletter
die achter ons staat en voor ons.

In deze tijd van overdreven individualisme is het goed
propaganda te voeren voor die Herder.
Een goede Herder dat is Hij.
Want Hij is enerzijds de goede Herder die ons opjut.
die ons zo nu en dan ook eens in onze zij prikt:
he jij, schiet eens op, doe eens wat
en van de andere kant is hij de herder
die het gewonde dier –soms zijn we dat ook zelf een beetje-
ook verzorgt en begeleidt
en uiteindelijk binnenbrengt in zijn grote huis
waar ruimte is voor allen, wie wij ook zijn.

Voordat het zover is, is er nog veel te doen.
Laten we opgewekt aan de slag gaan.
Lieve Anna Enquist, -jij was het met je godsdienstkritiek deze week
die mij zulk prachtig materiaal bood voor mijn preek-
je kunt mooie boeken schrijven maar had ons toch niet helemaal door
toen je mij de vorige week jouw kritiek op de geloofsgemeenschappen
als achterlijke clubjes beschreef.
We schieten als kerken wel tekort, daar heb je gelijk in
we hebben veel dingen fout gedaan en doen dat misschien nog
maar we zijn blij dat wij samen mogen komen
en onder deze koepel te voelen dat er Iemand is
met zijn beschermende ruim uitgestrekte armen
die zijn liefde aan ons spenderen wil.

Jesaja mocht meemaken dat hij in de tempel
zijn visioen had van de engelen die daar zweefden
-ik heb ze hier bijna gezien-
en die verkondigden wat boven onze hoofden geschreven staat
Sanctus, sanctus sanctus, ‘Heilig, heilig, heilig de Enige,
die de machthebbers van hun tronen stoot
en die de kleinen zal verheffen.

Zijn zoon gaf ons Zijn opdrachten door ‘bemin uw naaste als u zelf’.
En bij zijn afscheid zei hij: ‘jullie zullen dezelfde dingen gaan doen als ik
ja grotere dan die zullen jullie doen
’ zoveel ver trouwen had hij in ons.

Dank aan de Enige die ons nodig heeft en oproept tot dienstbaarheid
die benieuwd is wat de mensen,
het werk van zijn handen allemaal zullen doen
en zoveel van ons houdt
dat Hij ons trouw wil zijn tot over de dood heen.
Blijven wij Hem dienen
onze Herder vandaag en alle dagen.

Gaan we hem nu toezingen
het staat niet in uw programmablaadje
maar u vindt de tekst van het lied als nummer 341
in het Bavoliedboek.
Het koor gaat beginnen maar wij zingen
-hopelijk lekker hard mee met het refrein:
Mijn Herder is de Heer,
Nooit zal het mij aan iets ontbreken.

Zo moge het zijn: en dat vertaal ik
even in het Hebreeuws: AMEN!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

25 oktober: Requiemmis van Bernard Bartelink

[print]

De lof van de heer bezingen

Boven de aankondiging van het plotselinge overlijden
van Bernard Bartelink staat een citaat uit het boek der Psalmen:
de lof van de Heer wil ik altijd bezingen.
Op het eerst gezicht een hele toepasselijke tekst
Bernard heeft inderdaad met zijn muziek niets anders gedaan.
Hij heeft muziek gemaakt bijna 85 jaren lang,
de eerste jaren nog wat ongeordend denk ik
maar daarna iedere dag beter…heel toepasselijk dus.
Dat is zo maar er is meer.

De tekst die geciteerd wordt is uit het boek der Psalmen,
niet zomaar een liedjesboek
maar een boek waarin alle menselijke emoties benoemd worden.
Een boek waarin gescholden wordt en gezegend
een boek waarin geklaagd wordt en gejuicht.
Een boek met vreselijke klachten
maar nooit in het wilde weg.
Een boek dat weet dat er Iemand is met een hoofdletter
die naar ons luistert.

Een boek met vreselijke klachten:
God mijn God waarom hebt u mij verlaten
-een tekst die Jesus citeert hangend aan het kruis.
Maar ook een boek met gewonere klachten waarmee we bij Hem terecht kunnen
wat is ons bestaan nu waard, er is veel om over te zuchten en te klagen’.
En een wat serieuzer klacht: ‘wat is de mens zelf nu waard
hij wordt hooguit 70 jaar en als het meezit 80.

Dat kunnen we tegenwaardig wel rekken hoor maar toch…
het is wel waar: we zijn kwetsbaar.
We doen wel flink we gedragen ons alsof we het eeuwig leven op aarde hebben
maar dat hebben we niet.
Ben ik nu ook aan het zeuren? Het is niet de bedoeling.

Mijn bedoeling is het om allereerst weer te geven
wat alle mensen eigenlijk iedere dag meer moeten beseffen
dat we als mensen kwetsbaar zijn en zwak.
En daarmee wil ik u en mij niet de put inpraten
maar erop wijzen dat het zaak is te zoeken
naar de dingen die echte belangrijk zijn
en alle dagen die wij hebben te besteden
aan het opbouwen van het enige echt belangrijke project
dat er op aarde in ontwikkeling is: de opbouw van het Koninkrijk van God
de opbouw van het Koninkrijk van de Liefde.

En het tweede is dan dat we mogen horen
dat er iemand is, die Iemand met een hoofdletter
die naar ons mensen kijkt, van ons houdt
en ons tot nieuw leven zal opwekken.

Iemand zei gisteren nog tegen mij:
Bernard had wel 100 kunnen worden
en daar zag het ook naar uit.
Altijd maar bezig, altijd maar studeren
weer aan het nadenken over een tournee
in oost Europa of in Frankrijk, dat deed er niet toe.
Hij kwam overal.
En dat terwijl hij toch geen topchauffeur was:
hij was handiger achter de Setzer dan achter het stuur.
Zijn kinderen weten daar alles maar dan ook alles van.

Maar Bernard was niet zo maar een actieve en getalenteerde muzikant.
Er was in hem een hele bijzondere kracht werkzaam:
die van de onvoorwaardelijke inzet met al zijn talenten
voor zijn Heer. En wat gaf die Heer hem een geweldig talent mee
om als docent zeer velen te vormen,
om samen met Rina een geweldige uitstraling te hebben.
Om van de Bavo een tempel van cultuur te maken
en van hun huis aan de Leeghwaterstraat
een gastvrij oord waar velen werden ontvangen.

Bij de uitvaart van Rina, in november 2012 dachten wij daar over na.
We lazen toen hetzelfde evangelieverhaal als vandaag
over het huis van Martha, Maria en Lazarus
het huis waar Jesus zo graag op bezoek kwam.

In Amsterdam was het huis van Bernard en Rina
vooral een huis voor hun kinderen.
Het huis aan de Leeghwaterstraat waar Rina de gastvrouwe was
voor alle organisten en vrienden die Bernard daar naar binnen haalde
was een gastvrij Haarlems huis.

Het bezoek aan het huis van Martha zoals we dat vandaag hoorden
heeft een serieuze context: er is verdriet!
En dan doet het een beetje denken aan het huis aan de Waddenstraat
waar Rina haar ziekte toesloeg en Bernard alleen moest achterblijven.

De namen die we in het evangelie hoorden
vertellen ons al iets over wat er aan de hand is en wat dit verhaal ons wil leren.
Het verhaal speelt in Bethanië… dat betekent, plaats van verdriet
(dat doet denken aan de dood die alles leeg en donker maakt)
maar het ligt tegen de olijfberg aan,
de berg waarop de Schrift de opstanding der doden
op het einde der tijden programmeert.
Daar komen we straks op terug.

Verdriet is er: Lazarus is gestorven.
Maar ook nu gloort er hoop.
De naam LAZARUS is de Griekse weergave
van de Hebreeuwse naam Eleazar: ‘God is mijn helper’.
In deze naam heeft Israël zich herkend:
dankzij de hulp van de kant van de Eeuwige, leeft het volk.

Matha is er zeker van dat Jesus Lazarus niet zou hebben laten sterven
zijn vriendschap voor Lazarus betekende immers: trouw tot over de dood.
Ze getuigt: ‘als Gij hier waart geweest
zou mijn broeder niet gestorven zijn
‘.
Martha is dus geen sloofje
ze is een gelovige bij uitstek in de God
van Abraham Isaak en Jakob.
Maar zij is ook een gelovige in het nieuwe begin
dat er met Jesus’ komst op deze aarde gemaakt is.

Ze is nu opeens een profetes die perfect weet te getuigen:
ik weet dat mijn broeder zal verrijzen op de jongste dag
en als Jesus zegt dat Hijzelf het leven is en de verrijzenis
en vraagt of zij dat gelooft zegt ze (net als we elders Petrus horen zeggen):
JA HEER IK WEET DAT GIJ DE MESSIAS ZIJT,
DE ZOON VAN DE LEVENDE GOD.

Martha gelooft dat de kringloop van het lijden doorbroken kan worden
en is zo een goede getuige van het nieuwe leven dat ons allen ten deel kan vallen.

De twee zusjes (Marta en Maria) en de omstanders
(die ook van Je­sus’ liefde voor Lazarus weten)
krijgen te zien wat de consequentie
van het met Jesus meetrekken is:
Jesus toont Zijn trouw en Zijn vriend­schap
door Lazarus weer tot leven te wek­ken.
Er is hoop voor Lazarus, voor Martha en Maria
voor de leerlingen toen en voor ons.

Bij de voorbereiding van deze dienst hebben we naast
de lezing over Bethanië ook gekozen voor de klassieke lezing
uit Paulus’ brief aan de christenen van Thessalonica
-Bernard wilde toen we Rina hadden uitgedragen
daar nog een keer naar toe: het is er niet van gekomen.

Thessalonika is een havenplaats in noord Griekenland
waar een zeer gemengde bevolking woonde.
Daar, juist daar, klinkt Paulus’ krachtige verkondiging
van de opstanding der doden.

Er waren allerlei mooie en vage theorieën in omloop
-zoals dat ook in onze dagen nog steeds gebruikelijk is-
over een soort vaag eeuwig leven,
een opgaan in het al, een verdwijnen in de sterrenhemel of zoiets.

Het is niet mijn bedoeling die theorieën te bespotten
maar wel om ons geloof duidelijk te profileren.
Wij geloven meer! Wij geloven in de verrijzenis van het lichaam.
Met het woord lichaam is dan de mens bedoeld
in zijn unieke individuele structuur.

Dat geloof is gebaseerd op de opstanding van Jesus.
Ik citeer Paulus:
Wij geloven immers dat Jesus is gestorven en weer opgestaan’.
Dat is mooi maar nu komt het:
Evenzo zal God hen die in Jesus ontslapen zijn
levend met hem meevoeren.

Wetend dat zijn vrouw Rina Bernard voorgegaan is naar dat nieuwe leven
heeft Bernard verder geleefd.
Wel heel verdrietig en onzeker soms maar toch ook dapper.

En toen gebeurde de ramp de vorige week.
Zijn val in de supermarkt.
Hij bleek ziek, heel ziek, niemand wist dat
kinderen vermoedden misschien wel iets.

En voor we het wisten was het aardse leven van Bernard ten einde.
Gelukkig kon hij nog de ziekenzalving ontvangen
en weer lazen we een psalm:
mijn Herder is de Heer, nooit zal het mij aan iets ontbreken.

Hij was onrustig en al die medische apparaten bevielen hem niets
hij hield meer van zijn orgelregisters.
In de kerk hadden wij toen net het ‘Salve Regina’ gezongen
waarin we bidden om verlossing uit dit aardse tranendal.
Bij de stervende Bernard hebben Ton van Eck en ik
dat toen ook zachtjes gezongen
en er kwam rust. Hij ging naar zijn einde toe.

Zijn oude trouwe registrant Florentijn kwam nog,
broer Gerard uit Nijmegen en toen was het einde daar;
de zon ging onder.

Rina is bijna twee jaar geleden plotseling overleden.
Bernard nu ook.
Bij de opstanding der doden mogen zij eerst -zegt Paulus,-
wij moeten allemaal keurig op onze beurt wachten.

De kinderen en wij moeten ze nu allebei missen
allebei plotseling maar niet onvoorbereid.
Wij bidden dat wij ook zo voorbereid mogen zijn.
Houden wij in de tussentijd elkaar goed vast
zoals dat in het Vredeslied dat in deze dienst klinken zal word gepropageerd.

Intussen kunnen we met onze klachten bij God terecht.
Hij luistert naar ons huilen.
De psalmen –daar zijn ze weer-
vertellen dat God onze tranen bewaard
als waren het kostbare parels.
En wat nog belangrijker is
we lezen daar dat God van ons kwetsbare mensen houdt
en ons, het werk van zijn handen nooit loslaat.

Troostend is het te weten dat Bernard en Rina
hun taak volbracht hebben.

Daar gaan we weer over zingen, Bernards compositie:
Beati mortui qui in domino moriuntur:
zalig de doden die sterven als vrienden van de Heer
Dicit enim Spiritus ut requiescant a laboribus suis
de Geest des Heren vertelt ons dat zij mogen uitrusten van hun inspanningen
et opera illorum, sequuntur illos
de goede dingen die zij hebben gedaan
zullen hen volgen en ons tot zegen zijn.

Dat is goed troost.
Maar er is nog meer reden tot blijdschap:
wij allemaal mogen deel uitmaken van Gods liefdesplan.
Hij heeft ons nog even nodig om te bouwen aan zijn Koninkrijk
zoals Bernard en Rina dat hebben gedaan.
En als wij ons zo inzetten voor de dingen die echt belangrijk zijn
mogen ook wij weten dat wij geborgen zijn in Gods hand.

Dezelfde God Die Jesus uit de dood redde
die Rina en Bernard in zijn heerlijkheid heeft opgenomen
zal ook ons allen geleiden naar een nieuwe toekomst
naar het echte nieuwe leven!
Daarvan mogen wij tot in eeuwigheid blijven zingen

AMEN

7 september: Samen komen we verder

[print]

23e zondag door het jaar.

Schriftlezingen:

  • Ezechiël 33:7-9

  • Romeinen 13:8-10

  • Matteüs 18:15-20; begin van de kerkrede

De evangelielezing van deze 23e zondag door het jaar
maakt deel uit van de zogenaamde kerkrede
in het evangelie van Mattheus (Mt. 18).

In het Matteüsevangelie komen vijf van grote redevoeringen voor:
de bergrede (Mt. 5-7) over de grote idealen, de zendingsrede (Mt. 10) waarin de apostelen worden opgejaagd, de parabelrede (Mt. 13) voor alle luisteraars,
de kerkrede (Mt. 18, vandaag aan de orde) en de rede over de laatste dingen (Mt. 23-25). Het gaat hier waarschijnlijk om een bewust gekozen parallel
met de vijf boeken van Mozes. Vandaag dus het begin van de 4e toespraak: de kerkrede.

We worden opgeroepen samen kerk te zijn.
Eendrachtig en ook eerlijk.

Het is op de eerste plaats goed om samen parochie te zijn.
Wat goed is het en heerlijk als broeders en zusters samen zijn…
lezen we in het boek van de psalmen, ‘het is als dauw van de bergen
of als kostelijke honing die druipt in de baard van Aäron.

Op het eerste gehoor een beetje kleverig:
maar toch een beeld van uiterste genoegelijkheid: van rust, van vrede.
ZIET HOE GOED HET IS ALS MENSEN SAMENZIJN
We zijn als mensen geroepen om elkaar op te zoeken:
alleen is maar alleen.
Daarom dat bisschop Zwartkruis
het altijd zo graag had over SAMEN KERK.
Je kunt het niet alleen volhouden.

Ik zie dat jonge mensen graag een beroep doen op de kerk
ze willen er trouwen en zijn dan blij.
Ze zijn geroerd als ze een uitvaart van hun vader, moeder, oma of opa meemaken
ze staan ernstig voor je als ze hun kind laten dopen.

Ik zie dat ouders het aandurven, hun kinderen naar de koorschool te leiden
(ik zeg niet sturen) en het is op de koorschool een vrolijk geheel.
Deze week gaat alles weer van start.
Er zijn leuke kinderen, geinteresseerde ouders.
We zijn daar blij mee.
Vorige week vierden we daarom met zeer velen
de startzondag na de vakantie van onze parochieactiviteiten.
Een geweldig gebeuren.

Iets heel anders, maar zeker zo belangrijk
was de grote rouwplechtigheid op 27 augustus
toen zo’n 1500 mensen hier samenkwamen om het verdriet te verwerken
rond de plotselinge dood van een heel gezin
omgekomen bij de vliegramp in de Oekraïene

Goed dat er toch nog zoiets is als een kerk om mensen op te vangen
fijn dat die mensen hier kunnen komen
om de liturgie mee te maken of om een beroep op ons te doen.
Het is voor de kerk een eretaak hen te helpen
want mensen zijn er om samen op te trekken,
om verantwoordelijk te zijn voor elkaar.

Niet in de zin dat wij elkaar controleren en betuttelen
maar wel zo dat wij elkaar sterken en bewaren
elkaar vertellend dat er EEN is die van ons mensen houdt
die ons graag ziet en ons als Zijn helpers nodig heeft.

Vandaag zegt Jesus een uitspraak die wij vaak citeren,
bij huwelijken en bij dopen:
waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn daar ben ik in hun midden.

WAAR TWEE OF DRIE IN MIJN NAAM BIJEEN ZIJN
DAAR BEN IK IN HUN MIDDEN….

dat ervaren gehuwden
die dat met elkaar gaan vormgeven en ervaren:
ze gaan aan het delen:
hun smart— en dan wordt die half
hun vreugde — en dan wordt die dubbel.
Dat geldt ook voor ons als wij samen zingen en bidden.
Je bent samen sterker dan alleen
en je moet het ook bijhouden, je kerklidmaatschap,
want wij zijn wat betreft het volharden in onze idealen,
verant¬woordelijk voor elkaar.

We zijn ook als het niet lukt
verantwoordelijk voor elkaar.
Vandaag gaat het in het evangelie uitdrukkelijk over onze fouten
en hoe daarmee om te gaan.
Het komt neer op samen de bokken die wij schieten te bespreken;
en niet alles alleen maar aan God over te laten.

Gemakkelijk zeggen wij: God vergeeft ons wel
maar het is wel zaak om voor we dat zeggen
eerst zelf aan de gang te gaan
om te proberen onze relaties beter te maken,
anders gezegd: ons bekeren.

Rabbi Boenam:
´De grote schuld van de mens is niet de zonden die hij begaat,
-de verzoeking is sterk en zijn kracht maar klein ! –
de grote schuld van de mens is,
dat hij ieder moment kan omkeren en het niet doet.

Dat kan ik zelf niet alleen, daar heb ik andere mensen voor nodig
en als het al zin heeft om over God te spreken,
dan kan dat nooit achter de rug van mensen om.

Daarover hoorden we uitdrukkelijk spreken
in het evangelie…
er wordt verteld hoe je iemand moet wijzen
op zijn fouten, zijn zonde.

En dat is nou net een terrein
waar wij niet zo goed raad mee weten.
Ik schaamde mij wel een beetje
toen in de oude Bavo na het oecumenische middaggebed
eens iemand tegen mij zei:
Wat goed dat jullie in de kerk de biecht hebben.
Je bent dan niet alleen met je fouten en kunt ze uitspreken.

Hadden wij de biecht maar meer zo gezien en beleefd:
een zegenrijk sacrament:
De biecht op zichzelf is zo gek nog niet:
de biecht kan je bevrijden van schuldcomplexen
en jou persoonlijk nieuwe kansen geven.

Mij gaat het er nu om, eens uitdrukkelijk vast te stellen
dat we elkaar nodig hebben.
Ook om onze fouten samen te overwegen
-zoals het evangelie van vandaag zegt-
maar vooral om samen te horen dat we toch verder kunnen
als we alles doen om ze op te lossen.
Daarom heet de biecht tegenwoordig: ‘sacrament van de verzoening’
dat staat voor: het geloof in God belijden die iets,
neen die alles in de mensen blijft zien.
Zo worden wij uitgenodigd in het voetspoor te gaan
van Jesus die de mensen oproept uit de kringloop
van wantrouwen en haat te ontsnappen.

Het lijkt gekkenwerk die oude idealen te koesteren
maar het is volgens mij de enige mogelijkheid om de wereld te redden.
Het blijven koesteren van grote idealen
waarvan de vervulling verder weg lijkt dan ooit is een grote uitdaging.
Kijk hoe hoog de nood van de mensheid gestegen is.
Kijk hoe moeilijk het is het wantrouwen tussen de mensen te slopen.
Maar zie tegelijkertijd ook hoeveel mensen zoeken naar zingeving.
Kerken zijn nodiger dan ooit.

Bidden we voor deze arme wereld
waar we zelf deel van uitmaken
maar blijft u in `s hemelsnaam regelmatig hier komen
we kunnen het woord dat ons wordt doorgegeven
en het sacrament dat ons wordt aangereikt, niet missen.

Het is niet erg als wij niet aan onze idealen toekomen
als we fouten maken en wij zelf aan de vervulling ervan niet toekomen
maar het is wel erg als wij inzakken in lusteloosheid…
van de kleine bijdragen van ieder van ons
aan de opbouw van Gods nieuwe wereld
hangt de toekomst van deze aarde af.
Paulus zegt dat in zijn brief aan de christen van Rome
op een onnavolgbare manier:
zorg dat gij niemand iets schuldig zijt.
Uw enige schuld aan de ander blijve de onderlinge liefde.

Zo zij het AMEN

Hein Jan van Ogtrop, pastoor