• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

3 december: Blij en waakzaam

[print]

1e Adventszondag

Schriftlezingen:

  • Jesaja 63, 16b-17,19b;64,3b-8

  • 1 Korintiërs 1,3-9

  • Marcus 13,33-37

Herhaaldelijk klinkt in onze dagen de roep om veiligheid.
Politieke partijen spinnen garen bij het onbestemd gevoel van angst
dat mensen soms in hun greep houdt:
wees waakzaam overheid zeggen ze dan
en ze denken aan meer blauw op straat.

‘Weest op uw hoede, weest waakzaam’
dat zijn de eerste woorden die we van Marcus mogen horen
in het nieuwe kerkelijke jaar.
Die waakzaamheid wordt aan ons allemaal samen opgedragen.

Jesus noemt als voorbeeld van waakzaamheid een portier, een deurwachter.
Maar het is wel een vreemde waakzaamheid.
Niet de waakzaamheid van een buldog die op de drempel ligt en gromt
maar de waakzaamheid van een koster of een organist
die spieden vanaf hun plaats of de blijde intocht van een bruidspaar al plaatsvindt
en de klokken moeten worden geluid
en de feestelijke Intrada moet worden ingezet.

Het is die waakzaamheid die Jesus bedoelt:
de waakzaamheid van een gemeente
die uitziet naar de feestelijke binnenkomst van haar Heer.
Het is de waakzaamheid van de mens
die steeds grote nieuwe dingen verwacht en daar blij naar uitziet.

Jesus wenst zijn kerk die waakzaamheid toe:
de blijde verwachting van de kloppende harten
de blijde verwachting van de kinderen die wachten op sinterklaas
of die de nacht voor hun verjaardag niet kunnen slapen
omdat ze zich zo geweldig verheugen op dat grootste feest aller feesten.

Die feestelijke verwachting zijn wij een beetje verleerd.
Wij denken gemakkelijker: ‘het zal mijn tijd wel uitduren’
en wat de komst van Gods koninkrijk betreft zijn wij vaak somber gestemd:
het wordt niets met deze wereld
en de komst van de vrede op aarde, Gods toekomst,
‘de wolf die zal slapen naast het lam
de aardbodem zal met goedheid bedekt zijn’
zoals we dat in de nachtmis zullen horen…. het zal wel.
Mooie visioenen maar weinig reëel.

Om toch in die visioenen te blijven geloven en idealen te blijven houden
is de deugd van de hoop nodig.
De hoop is de meest kwetsbare van alle deugden.
De Franse dichter Charles Peguy noemde haar
‘een klein meisje dat op straat loopt,
alle grote mensen kunnen haar onder de voet lopen molesteren en doden. ‘
De hoop is de meest gehoonde van alle deugden:
je bent gek als je nog hoopt op en gelooft in Gods nieuwe toekomst.
Maar de hoop is ook de meest heilige van alle deugden
de God welgevallige houding van mensen die volharden: en er staat geschreven:
‘Gij zult bijstaan al wie op u hopen.’ In de Jesajalezing hoorden wij dat.

Dat hopen brengt mensen – als het goed is – ook in beweging;
Jesaja gaat zo verder:

‘Gij staat bij al wie gerechtigheid beoefenen
en die bij al wat zij doen aan U denken.’
Die mens die vanuit die hoop tot actie komt,
zal mensen die bedroefd zijn gaan troosten.
Hij zal proberen te vechten tegen de bierkaai.
Hij zal opkomen voor de bescherming van het leven,
hij zal gaan proberen gerechtigheid te doen.

Deze advent houden wij de Adventsactie
voor kerken in de ontwikkelingslanden.
De christenen hebben het daar niet gemakkelijk.
Ze kijken naar onze camera’s
en –hoe weinig ze ook mogen hebben- ze lachen naar ons.

Dat is geen uiting van oppervlakkige blijdschap
maar de blijdschap van de mens die volhardt en die weet
dat God aan de kant staat van de mensen die volhouden,
die trouw zijn aan hun levensopdracht.

Trouw is de sterke beschermer
die het kleine meisje hoop nodig heeft…
trouw is het wapen tegen de luiheid.

Trouw doet leven.

De Heer moge ons allen trouw op onze post vinden
bezig met te doen wat wij moeten doen
op onze eigen plaats
trouw aan het orgel, achter de dirigentenlessenaar
trouw naast het ziekbed, trouw naast onze kinderen
trouw achter het altaar.

God geve ons allen trouwe volharding
zodat wij levend vanuit de hoop die ons samen bindt
eens kunnen genieten van de grote dingen
die God voor ons in petto heeft.

Niemand weet wanneer het grote moment daar is
van de definitieve inkomst van Jesus als Heer,
niemand weet wanneer het grote werk op aarde voltooid zal zijn
en de vrede op de aarde zal wonen.
Niemand weet ook wanneer God ons eigen leven voltooid zal achten
en zal zeggen: rust maar uit, kom maar binnen.

Laat ons zolang het nog niet zover is
de lofzang gaande houden
op onze post actief zijn
dan mag de Heer zich welkom weten
en kan God eens alles in allen zijn.

In de Adventstijd klinkt met enige regelmaat
het ‘Rorate Caeli, dauwt hemelen van boven.’

Een lied waarin we onze blunders erkennen:
we zien de puinhopen van Syrië en Irak voor ons
als we de droevige beschrijving horen van
de verwoeste tempel: ‘Jerusalem desolata est.’

We erkennen ook onze eigen schuld
aan het feit dat de gerechtigheid en de vrede zo ver weg is:
‘peccavimus’ wij hebben geblunderd.

We roepen om hulp:
‘mitte quem missurus es’
zend ons degene die U naar ons toezenden wilt: het lam
dat de geschiedenis om zal draaien.

En dan klinkt het ontroerende slotcouplet
dat iedere katholiek kent:
CONSOLAMINI.

Het is dan eind goed al goed:
‘wees getroost mijn volk –consolamini-
wees getroost:
je helper, je verlosser komt naar je toe
wees niet meer bang
de heilige, de eeuwige, de getrouwe bij uitstek is in de buurt
je verlossing is een feit.

Zo gaan we de advent in van 2017:
moge het een zegenrijke tijd zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

26 november: De grote ontmoeting

[print]

Christus Koning van het Heelal

Schriftlezingen:

  • Ezechiël 34,11-12.15-17

  • 1 Korintiërs 15,20-26.28

  • Matteüs 25,31-46

De laatste jaren denken we –meer dan voorheen- denken we nog
wel eens terug aan de betekenis van de eerste wereldoorlog:
een oorlog die Nederland voor een belangrijk deel voorbijging
maar die België en heel Europa hard trof.
Europa was daarna ontredderd. Honderdduizenden mensen
waren gesneuveld… wat moeten we nu dacht iedereen.
Toen, kort na de eerste wereldoorlog, heeft de Paus
het feest van vandaag ingesteld om de mensheid
tot de orde te roepen en uit te nodigen tot
trouw aan onze opdracht er te zijn voor allen die ons nodig hebben.
Bij Nederlandse katholieken, die wel van een feestje houden,
sloeg ook dit feest goed aan. ‘Aan U o Koning der eeuwen’
en ‘Christus vincit’ hieven wij aan
een lied wat vervolgt met: ‘Christus regnat, Christus imperat.’

Niemand die zich afvroeg waarom dit feest was ingesteld
laat staan of deze brallende woorden
wel pasten bij onze koning- Jesus Messias.
Hij – deze vreemde koning- had op de grond gekropen
voor zijn leerlingen en hun de voeten gewassen;
Hij had brood genomen en het gebroken:
‘ik geef mijn leven in solidariteit.’…
Hij had de wijn genomen: ‘ik vergiet mijn bloed voor een nieuw verbond.’
Solidariteit ten dode toe, bloed, dienst.. sombere woorden.

Christus Koning vieren we al zo’n 100 jaar. De vraag dient zich aan:
‘kwamen wij ooit, komen wij ooit aan deze Messias toe ?’
Het evangelie van vandaag vertelt ons hoe hij
mensen ter verantwoording roept.
Deze wonderlijke koning vraagt alleen maar
of je iets gedaan hebt voor de kleinen en de weerlozen.
Als blijkt dat je de vreemdelingen hebt geherbergd, de zieken hebt bezocht,
de hongerigen gespijzigd en de dorstigen gesterkt wordt gezegd:
“Wat je voor een van de geringsten van de mijnen hebt gedaan
dat heb je voor mij gedaan”. Het omgekeerde geldt ook
-en dat zijn de laatste woorden van het evangelie
die nog in onze oren blijven hangen:
“Al wat gij niet voor een van de geringsten hebt gedaan,
hebt gij niet voor mij gedaan…”

Neen, nu geen ‘ja maar’of ‘enerzijds anderszijds’
het evangelie geeft ons daarvoor geen ruimte.
Het is nu of nooit; het is jijzelf of niemand
het gaat om een antwoord HIER EN NU DOOR JOU.

‘Ja maar wat kan ik er aan doen’
verzucht de brave christen als hij de Ebola-epidemie ziet in Afrika.
‘Ja maar, ik heb het te druk’ klaagt de actieve Yuppie
als hij de zieke de zieke laat
laat staan dat hij de gevangenen aandacht geeft.
‘Nederland is vol’ is de smoes die iedereen direct bij de hand heeft
als menig vreemdeling die dreigt gemarteld te worden of vervolgd
tevergeefs klopt aan onze poort?
Dat hebben we meer gehoord:
– was het niet in de dertiger jaren- toen joodse mensen uit Duitsland
tevergeefs aanklopten aan onze poort.
Degenen die het geluk hadden levend terug te keren uit de kampen
hadden in ons goede brave Nederland
toch de grootste moeite hun huizen weer terug te krijgen.

De koning/ rechter uit het evangelie kent geen consideratie
hij heeft geen invoelingsvermogen in al onze ‘ja maren’
en ‘hebt u wel rekening gehouden met…..’
Hij houdt het simpel: ‘ik was hongerig, jij hebt mij niet gespijzigd,
ik was in de gevangenis, je hebt mij niet bezocht.
Ik was ziek, je hebt mij in de steek gelaten,
ik was vreemdeling en er was voor mij geen plaats…’

Abel Herzberg vertelde eens een ontroerend verhaal.
Een oude joodse man in Auschwitz wordt geslagen
tot bloedens toe.
Zijn medegevangenen staan machteloos toe te kijken.
Plotseling roept iemand uit:
‘en waar blijft God nou?’ Hij verwacht hemelse hulp.
Doodse stilte.

Het is dezelfde uitroep die op een berg in Judea klonk
uit de mond van een 33 jarige rabbi
die vermoord werd door de Romeinen.

Het antwoord dat de man in Auschwitz
van een mede-jood krijgt was:
‘daar is God, Hij wordt geslagen, Hij wordt vermoord.’

In het gelaat van de gekwetste man in Auschwitz
werd Gods eigen gelaat getoond:
in de gekwetste man op Golgotha
die ooit -met een doornenkroon op- had gezegd
‘KONING BEN IK’ was God aanwezig.

Het is een vreemde koning die wij dienen.
Hij is geen dictator, geen tiran:
hij is een herder,
een goede herder die het verloren schaap zoekt,
het schaap dat dreigt vertrapt te worden beschermt,
het gewondene heelt en het gebrokene sterkt.

Alle dingen die deze goddelijke rechter/koning belangrijk vindt
hebben te maken met de dingen van beneden.
Hij vraagt niet: ‘bezocht u een kerk,
was u ingeschreven bij een vroom of mooi genootschap,
welke politieke partij had uw voorkeur,
had u een belangrijke baan,
was u een belangrijk persoon.’
Het enige dat telt is: WAT HEB JE GEDAAN;
wat heb je gedaan voor de minsten der mijnen
want daar ben ik te vinden.

Vandaag is het kerkelijk oud-jaar:
dat wij hier in deze kerk de lofzang
al vele jaren -EN HOE – gaande houden
is een reden tot dankbaarheid.
want het is goed als we als broeders en zusters samen zijn
en ons mogen verzamelen rond deze Koning
die ons leven zin geeft
die ons leidt naar de Vader.

De vragen die Hij ons stelt zijn streng:
daarom is het goed niet te triomfantelijk feest te vieren
maar ons te blijven bezinnen op onze opdrachten.

Mochten wij te ver weg dwalen en onze opdracht vergeten
dan is Hij hier en nu ook de Herder
die ons terugroept naar onze levenstaak.

Ons leven krijgt zin:
wij leven niet voor niets.
In die zin geldt dan:
‘heil en geluk komen mij tegemoet mijn leven lang’.

Hebben wij die koning gediend het afgelopen kerkelijk jaar?
Volgende week Advent: we krijgen nieuwe kansen om het beter te doen.
Dat alles als voorbereiding op de grote ontmoeting
die ons ooit te wachten staat
als Hij aan ons persoonlijk vraagt:
‘wat heb je voor mij gedaan’?
Hopelijk staan we dan niet met onze mond vol tanden
en mogen we dan stamelen:
‘ik heb het geprobeerd, te doen wat u vraagt’
of misschien eerder: ‘Heer wees mij zondaar genadig. ‘

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

19 november: Vrouw en man samen in actie!

[print]

33e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Spreuken 31,10-13.19-20.30-31

  • 1 Tessalonicenzen 5,1-6

  • Matteüs 25,14-30

Het bijbelboek Spreuken eindigt opmerkelijk.
Na 30 hoofdstukken vol met spreuken en wijsheden
plotseling een heel apart hoofdstuk om het boek te besluiten.
Dat hoofdstuk is één lange lofrede op de vrouw.
Ik citeer:

‘Een sterke vrouw, haar waarde gaat uit boven die van kostbare koralen.
Het hart van haar man vertrouwt op haar
en zijn winst zal hem niet ontgaan.
Zij brengt geluk, geen ongeluk; alle dagen van haar leven.
Zij zoekt zorgvuldig wol en linnen uit
en doet ermee wat haar handen aangenaam vinden.
Zij staat op als het nog nacht is,
en deelt het voedsel uit aan haar gezin.
Zij slaat het oog op een akker en koopt die.
Van de opbrengst van het werk van haar handen plant zij een wijngaard.
Zij omgordt haar lenden met kracht, en maakt haar armen sterk.
Zij merkt dat haar ondernemingen slagen:
’s nachts gaat haar lamp niet uit.
Zij strekt haar handen uit naar het spinrokken
en zij houdt de weefspoel in haar vingers.
Zij opent haar hand voor de behoeftige,
en strekt haar armen uit naar de misdeelde.
Kracht en luister zijn haar gewaad,
ze ziet lachend de komende dag tegemoet.
Zij opent haar mond en spreekt wijze woorden,
van haar tong komen lieflijke lessen.
Zij gaat de gangen na van haar gezin
en eet haar brood niet in ledigheid.
Het hart van haar man vertrouwt op haar
en brengt hem geluk alle dagen.
Haar kinderen staan op en prijzen haar:
haar man spreekt vol roem over haar als hij zit in de poorten
en spreekt met de oudsten van het land.
Hij zegt: ‘vele vrouwen hebben zich wakker gedragen
maar jij overtreft ze alle!’
Ja, bevalligheid is bedrieglijk, schoonheid gaat voorbij
maar een vrouw die de Heer vreest moet geroemd worden:
roemt haar om de vrucht van haar handen
en prijst haar bij de poorten. ‘

En dan is het boek Spreuken uit: alles is gezegd.

Niet weinig vrouwen worden een beetje achterdochtig
wanneer ze geprezen worden.
Ik maak het wel eens mee bij een jubileum of zoiets
dat een man of een zoon geroerd in snikken uitbarst
bij het dankwoord aan echtgenote of moeder.
Als ik dat zie komt ik mij altijd de ondeugende vraag boven:
‘hoe vaak hielp deze spreker bij de afwas?’
Vrouwen vinden die lofredes soms wel mooi
maar vaak ervaren ze het toch ook
als een zeer listige methode
om hen weer in de rol vast te pinnen
die zij in opdracht van het mannelijk deel van de schepping
moeten spelen.

Volgens de verenigde Naties is die vreemde rolverdeling
tussen mannen die de dienst uitmaken
en vrouwen die feitelijk doen wat er gedaan moet worden
een van de hoofdoorzaken van de rampzalige situatie
waarin veel delen van de wereld verkeren.

Mannen verzinnen conflicten en oorlogen:
vrouwen kunnen de puinhoop opruimen.

Is het slothoofdstuk van het boek Spreuken
weer zo’n poging van de mannen
om de vrouw door haar uitbundig te prijzen
op haar plaats te houden ? Allerminst.
Want wat voor een vrouw rijst daar voor onze ogen op!
Een vrouw die werkelijk het heft in handen heeft.
Misschien is er daarom zo geschrapt in de officiële versie
van de eerste lezing van vandaag.
Deze passage bijvoorbeeld was geschrapt
maar gelukkig door ons deze morgen wel gehoord:
‘heeft ze het oog op een akker dan koopt ze die.’
Kopen en handelen hoort toch in mannenhanden te zijn.
Zij is werkelijk de spil van heel het familiegebeuren.
Fier staat zij voor ons, ze is voor de duvel niet bang:
‘ Met vreugde verwacht zij de toekomst!’
Wordt haar man misschien ook genoemd ?
Zeker. Maar in een bijrol. Hij roemt haar alleen maar
‘als hij zit (ik zet even een uitroepteken achter dat ‘zit’)
als hij zit in de poort bij de oudsten van het land.’
Wat een prachtige parodie op alle mannelijk belangrijkheidsgevoel.
De rol van de vrouw in de wereldgeschiedenis
is belangrijker dan de geschiedschrijving doet vermoeden.

Bekend is het voorbeeld van de heilige Theresia van Avila.
Julie Feldbrugge schrijft over haar:
‘wat mij treft bij haar is de integratie van zovele talenten
in één persoon. Ze bleef zich altijd bekommeren
om haar broers en zusjes, stichtte kloosters, nam de dingen in het leven
zoals ze kwamen, reisde ontzettend veel, schreef kritische brieven
aan kerkelijke autoriteiten. Ze bad, waste, kookte en borduurde,
kon goed met geld omgaan en bemoeide zich met alles
wat op haar pad kwam. Ze was een vrome maar tegelijk buitengewoon
aardse vrouw, die voor alles werd bewogen door de liefde tot God
én tot de mensen die ze ontmoette.
Vooral haar gezond-verstand-kant spreekt mij aan.’

Onze parochie heeft wat dat betreft een goede traditie gekend.
De zusters Regnata en Annette, de pastorale werksters Els en Erna
-de laatste nu actief in een andere kerk-
een magistra cantrix bij het koor.
In Rome heeft onze Paus vrouwen benoemd in het bestuur van de wereldkerk;
wat mij betreft –ik zei het al vaker- mogen ze meer worden gewaardeerd
in het ambtsgebeuren van onze katholieke kerk.

II. Het Evangelie vertelt de beroemde gelijkenis
van de talenten. Oorspronkelijk betekent het woord ‘talent’
alleen maar een geldwaarde: 40 kilo zilver om precies te zijn.
Dankzij deze parabel is het woord iets anders gaan betekenen:
je mogelijkheden, je capaciteiten.

De parabel is niet bruikbaar voor een bankdirecteur
die hierin een opdracht om geld uit geld te maken ziet.
Het gaat om een ander soort creativiteit.
Over het gebruiken van de capaciteiten
voorzover je die kunt inzetten voor het koninkrijk van God.

Een mens kan de capaciteiten die hem gegeven zijn
laten voor wat ze zijn, er niets mee doen en alles bij het oude laten.
Maar hij kan ze ook gebruiken !
Twee mensen zijn in het verhaal actief:
die met de 2 en met de 5 talenten.

De derde niet. Hij stopt zijn talent onder de grond
en geeft het later stoffig weer terug.
Hij is niet lui zoals in de oude vertalingen stond
maar bang, in de nieuwe vertaling staat het goed.

Hij staat voor de mens die niets durft.
Hij verbergt wat hij heeft,
zijn geloof bijvoorbeeld.
Hij doet er zelf niets mee
en stopt het angstig weg.

Tegen zijn Heer zal hij heel braafjes zeggen:
‘ik ben heel voorzichtig geweest,
ik heb het toevertrouwde pand bewaard.’
En dan gaat hij verder timide en angstig maar ook
sprekend vanuit een heel eigenaardig godsbesef:
‘ ik weet dat U een streng mens bent
U oogst waar ge niet hebt gezaaid
en haalt binnen wat ge niet hebt uitgestrooid.’

Hij ziet zijn Heer en God als een bedreiging,
als een concurrent.

Zijn meester ontploft dan bijna van woede.

Uit ergernis over dat rare beeld dat hij van hem ophing:
maar ook uit ergernis over de angstige besluiteloosheid
het gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef van deze man:
‘Slechte, bange knecht’ krijgt hij dan te horen.
En als consequentie van zijn bange houding wordt hem toegevoegd:
‘wie heeft hem zal gegeven worden
maar wie niet heeft hem zal nog ontnomen worden
wat hij heeft. ‘
Het gaat daarbij duidelijk niet over geld
-dat zou erg onrechtvaardig zijn-
maar over de mens die alles verliest
omdat hij zijn verantwoordelijkheid niet durft nemen
omdat hij te bang en te weinig creatief was.

Als we de talenten- parabel verder naar onze tijd toe vertalen
is de bedoeling duidelijk:
‘waag iets, kijk wat je kunt doen met je talent.’

En besef: het zijn juist de kleine dingen die het doen:
het zijn juist de kleine initiatieven van de gewone mensen
(met misschien maar één talent)
die voor de toekomst van heel de wereld het belangrijkste zijn.
In het Engelse lagerhuis zei een van de sprekers
tegen een medeparlementslid van de labourpartij:
‘jouw vader heeft nog de schoenen van mijn vader gepoest’
maar de man pareerde: ‘daar schaam ik mij niet voor
ik zou mij alleen maar schamen als hij het niet goed gedaan had.’
Niemand hoeft zich op zijn talenten te laten voorstaan:
alle talenten zijn ons gegeven.
Dat geldt in het bijzonder voor het talent van het geloof.

Er zijn velen die het in de grond verstoppen
maar gelukkig dat er in onze dagen
altijd anderen zijn:
‘zonderlingen’ in de goede zin des woords
‘merkwaardige’ mensen, waard om op te merken
die het wagen nieuwe dingen te doen.

Gelukkig dat er mensen zijn die wel iets met hun talenten doen,
hun nek uitsteken, staan voor een nieuwe toekomst,
een levende kerk, een betere wereld.

Onze God wil het talent van ieder van ons gebruiken.
Hij wil ook vandaag de God zijn
die ons roept en uitdaagt.
Die ons sterkt als wij met Hem op weg durven gaan
het avontuur tegemoet.
Op de eerste bladzijden van de bijbel
wordt er gedroomd over een prachtige harmonie.
God schiep de mens MAN en VROUW naar zijn beeld
(dat zijn ze dus alleen maar SAMEN !)
opdat ze in een harmonieus samenspel
het aanschijn der aarde kunnen vernieuwen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

12 november: Zit niet te slapen!!!

[print]

32e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Het Martinusverhaal

  • Matteüs 25,1-13

Je hebt nu eenmaal suffe mensen
en wakkere lui!!

‘Zit niet te slapen’ heeft misschien de meester
of de juf weleens naar jou geroepen.

Zelf zat ik op school vaak te denken
over diepe dingen…vond ik.

‘Wakker worden Hein Jan’ zei dan de meester.
Ik schrok dan erg.

Sint Maarten was een erg wakkere man.

Van Sint Maarten zijn mooie verhalen bekend.
Hij was eerst helemaal geen Sinte Maarten maar een heidense soldaat. Wel een hele goeje en ook een hele lieve.
-Omdat hij zijn goede soldaat was werd hij al heel vlug officier van het Romeinse leger geworden. Hij hoefde bijna nooit meer te lopen maar mocht op een mooi paard rijden. Toch had hij het niet hoog in zijn bol. Dat blijkt uit het verhaal dat jullie vast wel kennen.

-Op een dag reed hij weer op zijn paard. Het was koud en opeens ziet hij een bedelaar langs de weg liggen die rilde van de kou. Die had helemaal geen kleren alleen een klein zakdoekje. Martinus roept HO tegen zijn paard. Dat schrikt en stopt. Dan pakt hij zijn zwaard en snijdt in een keer zijn prachtige officiersmantel in tweeën en geeft de helft aan de bedelaar die het dan lekker warm heeft. Dat verhaal hoorden jullie vandaag.

Minder bekend is het verhaal wat er later gebeurde. Hij was inmiddels vriend van Jesus geworden en had zich laten dopen. Hij was ook nog uitgekozen om bisschop te worden in de grote stad Tours, in Frankrijk aan de Loire. Op een zondag zou hij de Heilige Mis gaan doen in een kerk in een buitenwijk van de stad. En weer gebeurde het dat hij een bedelaar ontmoette die geen kleren aan had.
Martinus had zijn diaken opdracht gegeven kleren voor de man te kopen, maar die had dat niet gedaan. Toen de bisschop dat ontdekte trok hij meteen zijn eigen kleren uit en beval de diaken die naar de bedelaar te brengen, ‘want’ –zei hij- ‘we moeten eerst de naakten kleden voor we de Heer kunnen ontmoeten’. Haastig kocht de diaken nieuwe kleren voor de bisschop die niet pasten. Dan maar zo het altaar op zei hij: in zijn oude kloffie, eigenlijk zijn ondergoed.

Maar de mensen in de kerk zagen iets heel anders: ze zagen Martinus rondlopen in een prachtig licht, hemels gewaad.

In het Veld, dat ligt even ten noorden van Alkmaar kun je dat afgebeeld zien op een prachtig schilderij. Kijk maar op mijn website kerkengek.nl. Leuk he?

Het verhaal dat we als evangelie lazen gaat
over meisjes.

Het zijn geen deftig schrijdende prinsessen
maar echte ‘goocheme meiden’
om het een beetje eigentijds te zeggen,
vrouwen die ter zake zijn en doen wat er gedaan moet worden.

Ze moesten heel lang wachten om binnen te kunnen
bij een bruiloftsfeest.

Er was nog geen elektriciteit toen het verhaal geschreven werd.
Dus hebben ze in het verhaal olielampjes.
En als je wilt dat die lang kunnen branden
moet je olie meenemen.

Dat hadden de goocheme meiden gedaan.
De anderen waren dat vergeten… enfin dat hoorde je.

Wij krijgen deze verhalen te horen
opdat wij wakker blijven en goed opletten
op wat er nodig is.

Wat is er nodig nu?

In deze tijd is het nodig dat we een beetje beter gaan opletten
of alle mensen in de wereld het wel goed hebben.

Vandaag is het ook diakonale zondag.
Dan denken we aan mensen in nood.

Die doen zelf vaak erg hun best
maar hebben het toch moeilijk:
ze hebben hulp nodig.

In onze kerk hebben we ook een voedselbank.
Je zult daar straks meer over horen.

Dat betekent dat allemaal wakkere mensen
die eten en geld genoeg hebben
hier in de kerk geld geven
en ook zelfs eten meenemen
waarmee andere mensen geholpen kunnen worden.

Jesus’ had wakkere meisjes als kennissen:
Maria Magdalena was er zo eentje.
Zijn vrienden waren soms wakker
maar soms ook erg slaperig.

Wij worden allemaal opgeroepen wakker te zijn.

Wakker om andere mensen te gaan helpen.

Net zoals sint Maarten dat deed
en misschien zullen we er dan ook net zo mooi gaan uitzien
als Sint Maarten toen hij zijn pak had weggegeven:
we zullen glanzen van het licht van onze liefde.
AMEN

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

5 november: Blijf kritisch naar elkaar kijken!

[print]

31e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Maleachi 1,14b – 2,2b.8-10

  • 1 Tessalonicenzen 2,7b-9.13

  • Matteüs 23,1-12

Wat een droevige zondag voor de priesters
en allen die zich voor het geloof inzetten…
we worden eens flink op de hak genomen.
De profeet Maleachi windt er geen doekjes om:
‘priesters, jullie deugen niet’
en Jesus doet het nog eens dunnetjes over:
‘wee jullie schriftgeleerden en farizeeën’.
Het woord Farizeeën heeft in ons taalgebruik
een buitengewoon slechte klank gekregen…te slecht.
We kennen toch het liedje wel ‘op de hoek van de straat… enz.
Het eindigt met: ‘het is een farizeeër.’
En dat terwijl het woord farizeeer gewoon ‘ijverige’ betekent.
De farizeeen waren wat wij in onze dagen
‘basispastores’ zouden noemen.

En dan die brave Sadduceeën,
ze zijn navolgers van de vrome Sadok, de hogepriester
die ijverig bezig was in de tijd van David
de eredienst goed te laten verlopen
in het heiligdom in Jeruzalem.

Later werden ze opgevolgd door een clan
ie zich alleen maar bezig hield met de grote tempel in Jeruzalem
waar zij, er goed aan verdienend, de tempeleredienst gaande hielden.
In tegenstelling tot hen
waren de farizeeën dicht bij de mensen.
Ze trokken rond en bemoedigden de gewone man.

Er is niet veel fantasie voor nodig
om Jesus zelf ook tot de groep van de farizeeën te rekenen
hoewel het als een godslastering klinkt
als je hem zo zou noemen.
Jesus komt in zekere zin voor hen op als Hij zegt:
LUISTERT NAAR HEN
-het klinkt bijna als wat op de berg Tabor over Jesus zelf gezegd wordt
en ‘DOET WAT ZIJ U ZEGGEN’.
Maar dan komt zijn kritiek. Felle kritiek:
‘volg ze niet na want alles wat ze doen,
doen ze om bij de mensen op te vallen.’
Jesus bekritiseert de farizeeën; kritiek mag … ja moet soms.

Als ouders hun kinderen of kinderen hun ouders
of vrienden en vriendinnen en echtelieden
het niet meer de moeite waard vinden
elkaar te bekritiseren is dat het ergste wat hen kan overkomen
je bent dan dood voor elkaar.

De Bijbel staat dan ook vol kritische opmerkingen.
De profeten uit het Eerste Testament
bekritiseren het volk overduidelijk,
en schelden soms hun geloofsgenoten uit..
dat doen ze
omdat ze veel van hen verwachten.

Jesus gaat in hun voetspoor verder.
Als wij zijn kritiek horen op de farizeeën
vraagt dat wel een juiste instelling van de hoorder.
Het gaat heel erg mis
als je jezelf boven de kritiek verheven voelt
en de kritiek niet ook naar jezelf toetrekt.

Als je jezelf een onaanraakbare buitenstaander voelt
gaat het fout;
Helaas is dat met de binnenjoodse kritiek
van Jesus op de farizeeërs en zijn medejoden gebeurd.

De kritiek is dan niet meer gezien
als gezonde kritiek
zoals die bijvoorbeeld in een familie of een groep klinkt.

Jesus is als hij de Farizeeën fel bekritiseert
niet tegen Farizeeën als zodanig.
Zijn kritiek op de mede-farizeeërs –
mede-ijveraars zeiden we- van zijn tijd is niet mals. Waarom?

Omdat Hij het hele farizeeërdom
of misschien zelfs het hele jodendom overbodig vond?
Absoluut niet. Hij wil dat er geen tittel of de wet verloren gaat.

Hij is niet tegen farizeeën
maar hij is juist voor farizeeërs,
goede farizeeërs wel te verstaan: echte ijverigen.

Jesus bedoelt niet met zijn kritiek:
op de vuilnishoop met de farizeeërs maar
‘wat zou het heerlijk zijn
als de wet die zij zo duidelijk verkondigen
nu eens echt zou worden gedaan.’
———————————————-
De afgelopen week hebben we de feesten gevierd
van de heiligen en alle andere mensen
die God liefheeft.

De Heiligen hier zo prachtig opgesteld
kijken op ons neer en wij kijken tegen we op.
Toch willen ze ons niet onrustig maken zo van:
wij zijn zo goed en jij bent maar een klungelaar.

Neen ze willen ons juist bemoedigen:
‘blijf doorgaan, span je toch in, houd vol:
het kan: helemaal van God zijn,
Hem dienen met al je krachten.

De bedoeling van de feesten is om ons te vertellen
te horen dat alle namen door God bewaard worden,
want bij God bestaat er geen standsverschil
en Hij discrimineert niet.
Samen maken we deel uit
van een grote gemeenschap van mensen van goede wil
van alle tijden.

De gemeenschap der heiligen noemen we dat
mensen van vroeger en nu
die leefden en nog leven willen met God.

Er is een verbinding mogelijk
met hen die ons zijn voorgegaan…
met de ijveraars van alle eeuwen
en met de kritici van alle eeuwen

Ons eigen geloof
kan verbonden worden
met de echte farizeeën
de ijveraars van alle eeuwen;
ons eigen zwakke geloof
kan verbonden worden met de kracht die van hun geloof uitging.

Paulus zegt ter bemoediging vandaag:
‘het woord kan echt werken in jullie.’

Gods werk met ons kan dus doorgaan
en allen die ons voor zijn gegaan
kunnen ons tot zegen en tot kracht zijn
zo moge het zijn.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

29 oktober: Erken je kwetsbaarheid

[print]

30e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Exodus 22,20-26

  • 1 Tessalonicenzen 1,5c-10

  • Matteüs 22,34-40

In het pastoraat komen vele vragen op ons af:
vragen van mensen die het soms niet meer zien zitten
en het leven niet aankunnen:
ze zoeken naar steun in het geloof.

Maar er zijn ook andere vragen:
vragen van jonge mensen die met hun geloof iets willen.
Soms herkennen ze zich niet
in de vorm waarin het geloof hun wordt doorgegeven
en vragen ze ‘waarom gaat dat zo?.
En wij die de antwoorden moeten geven denken soms:
‘ja waarom eigenlijk.’

Het begin van de wijsheid is het vragen
het aandachtig luisteren naar de antwoorden en
dan je eigen oordeel, in alle voorlopigheid verder dragen.

Vandaag in het evangelie een kort verslag
van een vraag en antwoordspel,
tussen Jesus en de vromen van zijn dagen over de kern van het geloof.

‘Kunt u mij zeggen wat nu de kern is van heel het geloof’
komt een Farizeeër aan Jesus vragen.

Jesus had zojuist de Sadduceeën,
die niet zo hevig in de verrijzenis geloofden als zij
de mond gesnoerd en nu wilden zij Jesus ook wel eens testen.
Er staat dat zij het vragen ‘om hem te beproeven’
met een nare bijbedoeling dus
maar eigenlijk is dat helemaal niet zo belangrijk.
Want zolang er vragen gesteld worden is er hoop.

Het was in de rabbijnse kringen van Jesus’ tijd
een veel gepractiseerd spelletje
om mensen te dwingen de kern van het geloof samen te vatten.
De farizeeër formuleert het zo:
‘Wat is het grootste gebod van de Wet.’

Dat lijkt een onoplosbare vraag
want er zijn in de wet 613 ge- en verboden,
de som van de dagen van het jaar (365)
en alle onderdelen van het menselijk lichaam (248).
En moeilijke vraag… hoewel:
het is natuurlijk duidelijk dat al die ge- en verboden
een innerlijke samenhang hebben. Toe Jesus, formuleer die eens?

Bekend is het antwoord van rabbijn Hillel
een collega-leraar, die precies een generatie vóór Jesus leefde.
Een heiden kwam naar hem toe en vroeg:
‘kunt u mij de kern van uw geloof uitleggen
terwijl ik op een been sta.’
Weer een andere collega van hem, rabbi Shammaj
had dat een belachelijke vraag gevonden
en hem woedend heengezonden.

Hij, Hillel, gaat serieus op de vraag in en zegt:
‘Wat vervelend is voor jou, doe dat je naaste niet aan,
dat is de kern van de Tora, de rest is commentaar.’
Maar hij voegde er wel iets aan toe:
‘ga, en word wijzer! ‘

Word wijzer…Hoe? Door na te denken
over wat belangrijk is en wat niet,
en zo alleen dingen te doen die echt waardevol zijn
voor de wereld en voor je zelf.

Jesus geeft een nog simpeler antwoord:
Hij verzint zelf niets maar citeert alleen maar twee zinnen uit de Tora:
‘bemin de Heer de Heer uw God met heel uw hart,
met heel uw ziel en heel uw vermogen’
en het tweede daaraan gelijk:
‘je zult je naaste liefhebben als jezelf.’

God liefhebben betekent:
Hem echt ruimte geven,
weten wat Hij van je verlangt
en daarnaar handelen.

Wat Hij verlangt?
Dat je de vreemdeling eerbiedigt -u hebt het in de eerste
lezing horen voorlezen- dat je de weerloze niet minacht.
Dat je de arme niet uitbuit.
Er staat zelfs een verbod om rente te vragen
in de wet van Mozes.
Als we dat werkelijk zouden praktiseren zou het gedaan zijn
met al onze westerse macht, onze economie zou instorten
… wij houden ons daarom maar niet aan dat gebod.
Maar of dat economische systeem van ons het houdt
is nog maar de vraag.

God liefhebben heeft altijd te maken met hetzelfde:
eerbied voor het weerloze
respect voor die geen macht hebben
ruimte voor de vreemdeling en de rechteloze.
Het motief is steeds: zelf was je vreemdeling in Egypte;
zelf had je geen geld en geen macht.

Na de liefde voor deze God
volgt dan het gebod om je naaste lief te hebben als jezelf.
Wat zoveel betekent als:
weet wie je zelf bent, hoe weerloos en klein
hoe hulpeloos als een ander jou niet helpt
(misschien vroeg iemand daarom in het intentieboek
achter in de kerk om ‘gebed voor mijzelf.)
Als je durf erkennen hoe kwetsbaar jijzelf bent
zal je de ander nooit meer vanuit een machtspositie tegemoet treden
maar als medeweerloze.
Jij bent zwak, hij ook,
jij hebt liefde nodig hij ook.

‘Al spreek ik met tongen van engelen en mensen, maar liefde heb ik niet:
ik ben schallend koper, een rinkelende tamboerijn.

Al ben ik een profeet, ziende het onzienlijke, in alles ingewijd, .
en is mijn geloof zo volkomen dat ik de bergen verzet, maar ik heb geen liefde,
ik ben niets.
En geef ik alles weg, en laat mij martelen als het moet,
heb ik geen liefde, dan dient het tot niets.

Liefde is ruimte geven, tijd laten, goedheid, geduld.
Liefde is niet kleinzielig, jaloers, hebzuchtig.

Liefde laat zich niet gelden, ijdel, grof, ongenaakbaar.
Wie liefheeft is niet belust op zichzelf.

Liefde wordt niet verbitterd, liefde vindt niets onvergeeflijk.
Onrecht maakt haar niet gelukkig, waarheid maakt haar blij.

Liefde houdt stand tegen alles: telkens weer gelooft zij
alles verdraagt zij, altijd opnieuw vol hoop . Nooit bezwijkt de liefde.

Profetenwoorden wel, talen verstommen, alle kennis is eindig.
Ach, al wat wij weten is stukwerk en onze visioenen: flarden licht.
Maar als het oneindige aanbreekt houdt al het eindige op.

Toen ik nog een klein kind was, praatte ik zoals kinderen doen,
en ik dacht niet verder dan kinderen doen .
Nu ik een man geworden ben, heb ik dat achter mij gelaten.

Nu nog zien wij spiegelbeelden, raadselachtig,
eenmaal staan wij oog in oog .

Nu nog weet ik niet de helft,
ooit, eenmaal, zal ik alles weten, zoals Hij alles weet van mij.

Geloof en hoop en liefde zullen blijven, alle drie, maar de grootste is de liefde.’

Dat wij samen een parochie mogen vormen
waarin die liefde ons allen leidt.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

22 oktober: Geef de keizer nooit wat God toekomt.

[print]

29e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 45,1.4-6

  • 1 Tessalonicenzen 1,1-5b

  • Matteüs 22,15-21

´Geef de keizer wat des keizers is.´
Hoe vaak heeft deze eerste helft van Jesus´ antwoord
volkomen verkeerd gefunctioneerd.
Beroemd is het voorbeeld van hoe in 1914
de Duitse keizer jongens als soldaten
probeerde te ronselen voor zijn oorlog,
gebruikmakend van deze uitspraak:
´Geef aan de keizer (aan mij) maar soldaten, dat komt mij toe.´

Het evangelie van vandaag heeft eeuwen geklonken
in onze kerken op de 22e zondag na Pinksteren.
Vooral als een voorbeeld waaruit blijkt
dat Jesus de schriftgeleerden te vlug af was:
´Ze durfden hem niets meer te vragen.´
Maar er is wel wat meer aan de orde !

Daarom heb ik deze preek een nieuw motto meegegeven
dit keer niet: ‘geef God wat God toekomt
en de keizer wat de keizer toekomt’ maar:
‘geef de keizer nooit wat God toekomt!’.
Wij moeten opletten, dat de glans van Augustus,
het machtsparadijs van wereldbeheersers,
de komst van het rijk van God niet blokkeert.

Jesus´ (en Israëls) houding tot de keizers,
koningen en andere groten der aarde is kritisch, superkritisch.
De verhouding van het jodendom tot alle machthebbers
van buiten en van binnen (de eigen koning)
is altijd een zeer moeilijke geweest
want er is immers maar één koning en dat is God.
Het was ooit al een drama geweest
toen de mensen Israël de verleiding niet konden weerstaan
om ook een koning te willen hebben. Ze wilden meetellen
in de kring der volkeren en ook een koning hebben
om dezelfde reden als kinderen soms iets willen hebben
´omdat de anderen er ook één hebben.´
De profeet Samuël reageert woedend en ter zake
door een huiveringwekkend beeld,
tegelijk een karikatuur van de koning te schetsen:
´Weet wat er gebeuren gaat:
je zonen zal hij nemen en hen dienst laten doen
als waren zij slaven
hij zal van je akkers en wijngaarden nemen
en ze aan zijn vrienden geven.

Als het volk toch een koning wil betekent dat…
terugkeer naar de slavernij.
Of het moet een koning zijn
zoals die in de koningswetten
van Mozes beschreven wordt (Deut. 17, 14 e.v.):
Daar lezen we:
´Een goede koning zal niet veel paarden
– die staan voor tanks- houden
hij zal een afschrift bij zich hebben van de Wet
en daar heel zijn leven (dag en nacht!) in lezen
en de inzettingen naarstig onderhouden,
opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders
en nooit van de goddelijke geboden afwijken.’

Als mensen, de koningen,
presidenten en ministers op de eerste plaats,
de woorden van God werkelijk gaan doen
heeft dat de komst van een totaal andere maatschappelijke orde tot gevolg.
Waar de kleinen worden geëerd, waar ruimte is voor de vreemdeling
en waar de armen de hulp krijgen die ze nodig hebben.

De belasting komt indirect in het evangelie ter sprake.
Voor goede zaken belasting betalen
is een heilzame plicht al vindt niemand het leuk.
Maar we doen dat niet alleen om de overheid, de keizer, te behagen
en koning welvaart te dienen.

Als het goed is komt er zo ook geld beschikbaar voor een schoner milieu,
en ook geld om mensen die buiten de boot vallen,
hier en in de arme landen, te steunen.

Vandaag is het wereldmissiedag,
dag van bijzondere aandacht voor de nieuwe kerken
in Afrika, Zuid Amerika en Azië.
We hoorden in deze dienst ook
een van de oudste delen van het nieuwe testament
uit Paulus’ brief aan de mensen van Tessalonica.
Hij is blij met hen en het is kennelijk met vreugde dat Paulus
in zijn brief aan de mensen van Tessalonica schrijft:
“Wij hebben u het evangelie verkondigd,
niet alleen met woorden, maar met kracht,
heilige geest en volle overtuiging
en met blijdschap denk aan alles wat jullie doen,
aan je standvastige liefde en je volharden in hoop.’

Dat kunnen we zeggen van alle missionarissen,
zusters, broeders en priesters die in de afgelopen
honderdzestig jaar (toen werd Nederland een actief
land dat duizenden missionarissen de wereld instuurde)
op weg gingen. Het hele katholieke volk was daarbij ingeschakeld,
iedereen had wel een oom of een tante of een neef of een nicht
in de missie. Zelateurs en zelatrices plaatsten missiebusjes
in alle huizen waar katholieken woonden.

In 1985, nog maar een dikke 30 jaar terug, waren er nog 4 en een half duizend
Nederlandse missionarissen in de missie werkzaam
nu nog niet eens de helft en verreweg de meesten zijn oud.
Er komen er weinigen bij.
Wat nieuw is, is dat er meer leken dan vroeger
voor enkele jaren werkzaam willen zijn in de missie.

Merkwaardig dat die oude getrouwen niet klagen:
de zusters niet en de paters niet, waarom niet?
Omdat er zich een nieuwe ontwikkeling heeft voorgedaan:
de kerken daar zijn zelfstandig geworden
en er zijn jonge mensen ter plekke
die het oude werk hebben overgenomen.

Maar ze kunnen niet zonder onze steun.
De mogelijkheden die wij hebben om anderen te helpen
zijn enorm. Ik noemde al wat de overheid kan doen
middels het belastinggeld,
de mogelijkheid die de staat heeft om mensen daar te steunen
en vooral te helpen zichzelf te helpen.
Maar daarnaast zijn er de mogelijkheden die wij ze geven
middels de collectes.
Ik noem nu de collecte die op het einde van de viering
gehouden zal worden voor de kerken in de ontwikkelingslanden.
Het is een eer dat wij hen kunnen steunen.

Ook moreel. Want er zijn daar heel wat keizers,
en koningen en machthebbers op de tronen gekomen
die veel te veel eer krijgen en tirannen die weg moeten.
Gelukkig gaat het geld van de missiecollectes
via de Pauselijke missiewerken naar de mensen beneden
zodat ze ook werkelijk geholpen worden.

Jesus heeft, staande voor de tempel van Jeruzalem de mensen opgeroepen
vooral God de eer te geven die Hem toekomt.
Dat is door te bouwen aan gerechtigheid en sjalom
dat is door vrijelijk kritiek te uiten
op wat de grote keizers en machthebbers van onze tijd willen doen.

Als het goed is zijn wij vrij van hun dwang,
niet onderworpen aan hun invloed:
wij zullen kritisch blijven tegenover alles wat zich breed maakt
want wij mensen zijn geschapen naar Gods beeld,
om op Hem te lijken.

Zo zullen we samen bouwen aan een andere wereld
met alle mensen van goede wil.

Zo zullen wij elkaar sterken en bewaren,
zolang wij leeftijd op aarde hebben! Amen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

15 oktober: Van gasten wordt ook iets verwacht

[print]

28e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 25,6-10a

  • Filippenzen 4,12-14.19-20

  • Matteüs 22,1-14

Het sombere slot van het evangelie klinkt nog na:
geween en geknars der tanden. Daarover straks.
We beginnen opgewekt: God is een geweldige gastheer!
Eerder bourgondisch dan jansenistisch.
Daar zijn joden (en vooral katholieke) christenen het over eens.
Is het niet kostelijk om in de eerste lezing van vandaag
te horen spreken
over vette spijzen en uitgelezen wijnen.
In de Talmoed kan men een uitleg vinden bij Jes. 64, 4:
´Geen oog heeft gezien, O Heer, buiten U, wat Hij bereid heeft
voor hem die op Hem wacht en wat is dat dan:
Het is de wijn die bewaard is in de druiven
sinds de zesde dag van de schepping.´

Er klinkt bruiloftsmuziek naar ons toe
als we de parabel ter hand nemen.
We vinden parallelle teksten bij collega-rabbijnen van Jesus.
Ook de man die geen bruiloftskleed aan heeft, komt bij hen voor!
En in het bijbelboek Prediker krijgen mensen
die van God willen zijn krijgen ook een kledingadvies:
´Laat op ieder tijdstip uw klederen wit zijn
en olie op uw hoofd niet ontbreken´(Pr. 9, 8).

God is in de Bijbel de bruidegom die gasten nodig heeft voor zijn feest.
Het verhaal vertelt daar onmiddellijk achteraan
dat de gasten niet willen komen.
Dat is nou toch ook wat.
Er is een feestje en je komt niet.
Toch is dat niet vanzelfsprekend: dat je komt.
Om aan een uitnodiging gehoor te geven is vaak moeilijk:
je moet losbreken uit je gewone sleur.

Het evangelie vertelt over mensen die niet willen komen.
Niet dat ze niet kunnen komen
maar ze hebben het gewoon te druk met hun normale bezigheden
en die moeten voorgaan.

Zij staan voor de mensen die door God uitgedaagd worden
maar daar gewoon geen consequenties trekken.
God daagt ze uit om antwoord te geven op zijn roepstem
maar ze doen dat niet.

Jesus vertelt dit verhaal als een aanklacht
tegen sommige oude getrouwen van Israël:
kennelijk hebben die niet actief genoeg gereageerd op zijn prediking.
Later voegt Mattheus er nog die verwoeste stad aan toe,
verwijzend naar de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70.
Dat wordt dan uitgelegd als straf voor de joden die Jesus verworpen hadden
(niet allemaal natuurlijk: alle christen van de oerkerk waren joods).

De lezers van het verhaal in de vroege kerk
zijn mensen uit de joods-christelijke gemeenschap van de eerste eeuw.
Mensen die wel hebben gereageerd op Jesus prediking.
Die mensen kunnen met enige tevredenheid luisteren
want ze zijn gekomen.
Net zoals alle kerkgangers die op zondag de moeite nemen om te komen
u dus! En wat zijn we blij met u! We kunnen u niet missen:
mensen die tijd kunnen vrij maken om hier aanwezig te zijn.

Nou, dat heb ik genoeg gezegd:
we zijn blij dat u er bent.
Maar nu het vervolg van het verhaal.
Matteus weet dat zijn lezers trouwe christenen zijn
joden-christenen om precies te zijn.
Mensen die de wet van Mozes kennen
en die daarbij nog hebben ontdekt
dat Jesus degene was die die Wet precies heeft volbracht.
Net zoals u in deze wereld hebt ontdekt
dat het de moeite waard is om te geloven.

Maar nu komt het er op aan:
voordat de lezers van Matteus
(of wij hier) gaan knorren van zelfgenoegzaamheid:
‘wat is het toch fijn dat we God hebben geantwoord,
dat we nog de moeite nemen om naar de kerk te komen’
op het moment dat zulke gevoelens bij ons naar boven gaan komen
komt er in het verhaal een andere sfeer.
We horen plotseling spreken over een man zonder bruiloftskleed
die niet naar binnen mag.
‘Dat is nou niet aardig God, u bent geen goede gastheer.

Ho ho, mag God gastheer zijn zoals Hij wil?
Wij zagen een van de vorige zondagen al
dat hij in de wijngaard aan iedereen een geweldig loon geeft
ook al komen ze eventjes binnenstappen om een halfuurtje te helpen.

Hij is een eigenzinnige gastheer.
Hij is vriendelijk en royaal
maar altijd heeft hij bijzondere verwachtingen
van de mensen die aan zijn uitnodiging gevolg geven:
ze zullen voor de bruiloft gekleed moeten zijn.
Bij de joden was de gewoonte dat er bruidskleren klaar lagen
bij de ingang van de zaal.
Je hebt dus geen excuus dat je niet tijdig je keurige pak aankreeg.
Door het bruidsgewaad kunnen anderen aan jou zien
dat je een bruiloftsganger bent.

Als Godgelovigen zullen wij –als het goed is- anders zijn dan anderen.
Neen, niet beter maar wel optimistischer.
Wij zullen mensen die in de put zitten
er niet in laten zitten maar hoop bieden en troost.

Als feestgangers bij Gods bruiloftsfeest
zullen wij anderen ook het licht in de ogen gunnen:
er meer op uit zijn –zoals Franciscus dat in zijn gebed zegt-
er meer op uit zijn te geven dan te ontvangen,
er meer op uit zijn te troosten dan getroost te worden.

Wij zijn als mensen die er toevallig bijgehaald zijn,
als gewone mensen die ook vaak aan de sleur van alle dag toegeven
van de straat van onze saaiheid worden weggehaald

Als mensen die zelf soms ook droevig zijn en weerloos
van de straat van onze droefgeestigheid afgehaald
en naar het feest geroepen.
Daar past dus ook een feestelijke mentaliteit bij
en dat is dan ons bruiloftskleed.

Het verhaal van de man zonder bruiloftskleed
die buitengesloten wordt is geen verhaal
waaruit we moeten af leiden dat God streng is.
Dat is Hij niet. Hij wil niemand buitensluiten.
Buitengesloten wordt alleen de mens die zichzelf buitensluit
en aan het grote avontuur van het leven met de tora niet mee wil doen.

De hoorder van deze gelijkenis mag zich zelf nooit
buiten de parabel plaatsen als waarnemer.
De parabels zijn tot ons gesproken
opdat ook wij ons bekeren en daarnaar handelen.

Ondanks de ernst past deze gelijkenis goed
bij de feesten die we in onze parochie graag vieren.
Maar we zijn niet alleen een feestclub.
We zijn ook een gemeenschap van troost en bemoediging
dat blijkt bij de uitvaarten en de gedachtenisvieringen de we hier houden.

Deze weken gaan ook de uitnodigingen uit voor
2 november Allerzielen. Dan komen de mensen die rouwen
troost zoeken bij ons.
Ook in droefheid houden we elkaar vast
en proberen wij ons te gedragen
als mensen die niet zonder hoop zijn.
We troosten dan elkaar
en zingen ‘als God ons thuis brengt dat zal een droom zijn.’

Het is heerlijk te weten dat God voor ons alleen maar
heerlijke verrassingen in petto heeft
en dat Hij, als een goede gastheer, ons graag ziet.
Hij verwacht dat wij zelf gezellige gasten zijn
en zelf ook goede gastheren en gastvrouwen voor anderen.

Paulus sprak daarover, hij was dankbaar voor de solidariteit
van zijn geloofsgenoten die hem kennelijk geholpen hebben
‘ik weet wat armoede is’ zegt hij.
Wij weten dat gelukkig zou ik zeggen niet meer
maar de dankbaarheid daarvoor mag ons niet passief maken
maar juist actief. Vanuit die dankbaarheid worden we opgeroepen
te breken en te delen: God heeft ons altijd nodig
als werktuigen van zijn liefde.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

8 oktober: Een moeilijk project

[print]

27e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jesaja 5,1-7

  • Filippenzen 4,6-9

  • Matteüs 21,33-43

Mijn oudste zusje viert deze week een huwelijksjubileum:
van haar oudste broer –en dat ben ik- wordt gevraagd
dat hij een paar leuke liedjes maakt.
Dapper ben ik er aan begonnen en ze zijn klaar…maar hoe zullen ze vallen??

Jesaja laat ons vandaag ook een lied horen.
Nuttig, misschien kan hij ons wat opvrolijken in de beginnende herfst.
De toon is aanvankelijk leuk luchtig. Het klinkt als een liefdesliedje:
‘Ik wil zingen over mijn vriend’.
We horen op de achtergrond het Hooglied:
het staat op naam van koning Salomo
maar volgens mij heeft Jesaja dat ook gemaakt.
Dat is een en al vrolijkheid:
het gaat over een bruid en bruidegom die elkaar toezingen:
‘ik houd van jou, waar ben je nou,
ik wil je niet missen. O kijk daar ben je dan
wat heerlijk mijn lieveling dicht bij mij’
en dan begint het geknuffel. Een wonder
dat zo’n vrolijk gedoe in de bijbel staat.
Eerbiedwaardige kerkvaders wilden het vroeger
wel eens uit de bijbel halen, ze vonden het te sexy.
Zou dit lied van Jesja ook zo leuk zijn? Luister maar:

‘Ik wil van mijn geliefde zingen.’
Dat begint vrolijk, het lied staat zo in de context
van het verbond tussen God en de mensen.
Het gaat verder:
‘Ik wil zingen over mijn vriend en zijn wijngaard.’

Die vriend –en daar is God dus mee bedoeld-
heeft hoge verwachtingen van zijn wijngaard.
Het klinkt allemaal leuk totdat blijkt dat de vriend bedrogen uitkomt.
De wijngaard, met zo’n zorg door de minnaar geplant in vruchtbare grond
en met zoveel liefde omgeven
brengt alleen maar wat armzalige zure krenten op.
En dan wordt aan de luisteraars wordt gevraagd een oordeel te geven…

Voordat we dat kunnen doen blijkt
in een plotselinge wending in de tekst,
dat de luisteraars zelf de producenten van die zure
en onbruikbare druiven zijn.

De minnaar God is zo teleurgesteld.
‘Hij verwachtte goed bestuur, maar het was bloedbestuur’;
zo luidt de letterlijke vertaling van vers 7.
De tekst gaat verder: ‘Hij verwachtte rechtsbetrachting, maar zie, het was rechtsverkrachting.’ Prachtig is in de nieuwe vertaling het Hebreeuwse binnenrijm in de tekst vertaald.

Zoals in een lied of gedicht hoort, rijmt de oorspronkelijke hebreeuwse tekst:
‘Hij zocht naar misjpat (rechtvaardigheid) maar vond mispach (een bloedbad)
(vertaald als: ‘hij zocht goed bestuur maar hij vond bloedbestuur.)
En verder:
‘Hij zocht naar tsedakah (gerechtigheid) en trof een tse’akah (angstschreeuw):
vertaald in:
‘Hij verwachtte rechtsbetrachting, maar zie, het was rechtsverkrachting.’

Het ‘Lied Van de wijngaard’ is dus geen ‘liedje-‘
maar een profetische vermaning,
eigenlijk een aaneenschakeling verwijten
zoals alleen geliefden die soms over elkaars hoofden kunnen uitstorten.

Men mag niet vergeten dat uit al deze verwijten
van de grote Hebreeuwse profeten
niets anders dan een intense, zij het dan ook gekwetste,
liefde van bruidegom God voor zijn bruid Israël spreekt.
En bij deze echtelijke ruzie past de buitenstaander
–dat zijn wij dus- bescheidenheid.

Opvallend is ook dat het bij het noemen van die ‘zure druiven’
eerder om gemeenschappelijk en publiek zondige werken gaat
dan om persoonlijke en individuele vergrijpen tegen de rechtvaardigheid.

Het gaat over de grote maatschappij waarin de verhoudingen zo zijn
dat er geen recht gedaan wordt aan alle leden van de gemeenschap,
en dat niet iedereen haar of zijn deel krijgt.

En nu kunnen wij ons de kritiek ook gaan aantrekken
want hoe zit het met ONZE goede vruchten,
hoe is het in onze maatschappij gesteld?
Het betekent niet dat de meer persoonlijke zonden er niet toe doen
maar die persoonlijke onethische beslissingen verklaren niet alle ellende.

We hebben de zaken in deze wereld zo georganiseerd,
dat de onrechtvaardigheid structureel in onze handel en wandel ingebakken zit.
Je hoeft de encyclieken van onze Pausen maar te lezen
om te weten dat ook zij die mening zijn toegedaan.

We komen nu tot het moeilijkste probleem uit de perikoop:
de toepassing van de gelijkenis van de wijngaard in Mattheüs.
Het volk Israël dat op het tempelplein ‘aan Jesus’ lippen hing’ (Lc. 19, 48)
lijkt regelrecht onterfd te worden, ten gunste van de niet- joden.

Het spreken in gelijkenissen laat vele mogelijkheden open, ook verkeerde.
Steeds als de gelijkenis wordt gebruikt
om de ander mee om de oren te slaan en het eigen gelijk binnen te halen
wordt de parabel geweld aangedaan.

Maar als de gelijkenis door andere lezers later
wordt verstaan als een opwekking tot bekering van de lezer zelf
kan de gelijkenis goed functioneren
en is ze voor ieder die hem hoort een oproep tot zelfonderzoek
en tot hernieuwd werken aan de toekomst van God.

Zoals Paulus dat vandaag van ons vraagt:
‘broeders en zusters:
houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is,
wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk
op wat deugd heet en lof verdient.
Brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd aan goeds
wat ge gehoord hebt en gezien van anderen van vroeger en nu
dan zal de God van vrede met u zijn.

II. Het evangelie van vandaag gaat over een wijngaardbezitter
die zoveel vertrouwen in zijn mensen heeft
dat hij rustig een tijdje naar het buitenland kan.
Als hij terugkomt blijkt dat zij er een rommeltje van hebben gemaakt.
Ze willen dat niet toegeven en vallen de dienaren van de Heer die
de oogst komen binnenhalen aan.
Uiteindelijk vermoorden ze ook de zoon van de baas.
U begrijpt dat dit gaat over de kritische profeten van het Oude Testament
-velen lieten het leven- en Jesus zelf als de zoon van de baas
aan wie de mensen zich vergrijpen.

De Heer ontneemt dan zijn grote vredesproject aan de arbeiders die het verbruit hebben en gaat dan op zoek naar nieuwe krachten.
Een droevig verhaal zo kort na ons Bavofeest.

‘Wij zijn uw volk’ zingen wij graag in onze kathedraal:
‘wij zijn door U gedragen’.
Dat klinkt allemaal geweldig en dat is het ook
maar de kritische verhalen van vandaag leren ons
dat we ons nooit op het feit dat God ons uitkoos voor zijn vredeswerk
mogen laten voorstaan maar altijd weer worden uitgedaagd
het nu eindelijk in onze dagen eens goed te doen.

Dezelfde Jesaja die vandaag zo somber was zegt ook:
‘de woestijn zal bloeien als een roos,
de mensen zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers’
en ‘zoals de zeebodem met water
zo zal de hele aarde met vrede bedekt zijn.’
God zegene ons bij de voltooiing van dit grootse project!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

1 oktober: Trouw aan je opdracht!

[print]

26e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Ezechiël 18,25-28

  • Filippenzen 2,1-11 of 1-5

  • Matteüs 21,28-32

In alle gezinnen speelt zich na de avondmaaltijd een vast ritueel af…
wie helpt met de afwas?
En altijd gebeurt dan hetzelfde: sommigen doen
alsof ze het niet gehoord hebben,
anderen roepen meteen IK NIET…
tot iemand zich lijkt te herinneren
dat hij of zij die week toch wel aan de beurt was
en zuchtend en brommend naar de keuken sloft.

Hoe reageren mensen op de oproep van de Heer om aan het werk te gaan?
We hebben de vorige week over het werk in de wijngaard nagedacht…
en vooral over de Heer die iedereen gelijke kansen gaf
en over de opvallend gulle beloning die de baas van de wijngaard aan iedereen
-ook de werkers van het laatste uur- geven wilde.
Het evangelie van vandaag gaat er eigenlijk aan vooraf.
Het gaat over het werk zelf.
Over twee jongens die uitgenodigd worden om aan de slag te gaan.

Merkwaardig dat in Jesus’ parabel de NEEN-zegger er zo goed uitspringt!Jesus
Wij zijn toch gewend dat je JA zeggen moet,
‘ja vader’, ‘ja moeder’, ‘ja meneer, ‘ja juffrouw’.
De eigenwijze jongen die Jesus de anderen ten voorbeeld stelt zegt NEEN.
Een moderne jongere zou je zeggen.
Moderne jonge mensen durven het wel aan om NEE te zeggen,
‘nee vader, nee moeder, nee meester, nee meneer.
Brutaal maar eigenlijk helemaal niet zo slecht.
Het betekent dat je je eigen taak niet wilt laten opdringen door een ander.
Het hoeft helemaal niet te betekenen,
en in het verhaal vandaag zeker niet, dat je lui bent.
Het gaat om iets anders. Het gaat erom dat ieder mens in ZIJN EIGEN LEVEN ZELF de beslissing moet nemen om mee te doen, ja te zeggen tegen God.
Dat antwoord is een serieuze zaak, enige bezinning vooraf kan geen kwaad.

Merkwaardig is dat bijna alle verhalen over heiligen (en dat geldt ook voor de heilige Bavo die wij de volgende week gaan bejubelen en Franciscus van 4 oktober) beginnen met te vertellen dat ze neen zeiden.
Ze waren nog niet toe aan een goed antwoord,
konden God nog geen jawoord geven.
Maar als ze zich dan tot God gewend hebben (bijna alle heiligenverhalen vertellen over een bekering) dan is het ook echt ja, een ja dat blijft.

Ieder mens moet persoonlijk aan dat ja zeggen toe zijn.
Ieder mens begint als het ware alsof hij de eerste mens is
en er nog niemand was die God antwoord heeft gegeven.

Voor God kiezen is niet gemakkelijk, en het is tegenwoordig veel moeilijker dan vroeger. Het is minder vanzelfsprekend geworden en dat is goed.
Er zijn vele jonge mensen
die de roep van God om vrede en recht heel goed verstaan
en hem zo antwoord geven door hun levenshouding en hun daden…
zonder dat ze aan kerkbezoek toe zijn.

Een jongen in Amsterdam die altijd een goed misdienaar was geweest
kwam al jaren niet meer naar de kerk.
Op een dag belde hij aan bij de pastorie:
‘ik wou even zeggen dat ik als ontwikkelingswerker naar Afrika ga om te helpen’
en we hebben voor hem gebeden de zondag voor zijn vertrek…
al vond hij het -en dat vond ik wel jammer- niet nodig
om zelf naar die Mis te komen.

‘Wie heeft de wil van de Vader gedaan’ vraagt Jesus..
de nee-zegger die toch gaat of de jazegger die niet gaat.

‘De eerste natuurlijk’ zeggen Jesus vrome luisteraars
maar ze schrikken van hun eigen antwoord als ze de consequenties overzien.
Want het is tegen vele luisteraars direct gericht:
‘Jullie zijn het die hebben geluisterd en ja gezegd’
lijkt Jesus tot zijn hoorders, de beroepsvromen en de schriftgeleerden te zeggen
maar wat gaat dat in je leven betekenen? ‘

Jesus’ luisteraars, inclusief de apostelen,
lieten hem toen het ernst werd direct in de steek.
Anderen, van wie je het niet zou verwachten
(ze golden als ontkenners van alles wat goed en heilig was, tollenaars en zondaars)
anderen wilden hun eigen leven door Jesus laten veranderen
en werden van neezeggers van nature trouwe vrienden tot in de dood.

Je toewenden naar God is niet eenvoudig.
Je toewenden naar het heil is geen simpele zaak.
Het vraagt bezinning en rust, het vraagt rijpheid,
de rijpheid van de volwassenheid waar Paulus zo graag over droomde
als hij het heeft over ‘de volle mannemaat van Christus’.

Je komt aan die volle mannemaat niet zo gemakkelijk toe.
Ieder mens zal waarschijnlijk -heiligen ook niet uitgezonderd-
zijn hele leven blijven aarzelen tussen ja en nee.
Wij lijken allemaal een beetje op allebei die jongens uit het evangelie.
Het gaat niet vanzelf.
Dat wist de oude profeet Ezechiël al.

Hij citeert een oud spreekwoord dat in Israël gebruikt werd:
‘de vaders eten zure druiven en de kinderen krijgen er stroeve tanden van’
zoiets als ‘de appel valt niet ver van de boom.’
Maar hij verzet zich tegen al dit gepraat over die druiven en dat ‘de appel valt niet ver van de boom.’ Neen, zegt de profeet
IEDER MENS IS PERSOONLIJK VERANTWOORDELIJK voor zijn keuze.

We leven waar het het maken van keuzes betreft
in een moeilijke maar ook in een interessante tijd.
De vanzelfsprekendheid van ‘natuurlijk doe je mee’ is verdwenen.
En daardoor is het veel moeilijker geworden om te kiezen.
Maar des te verheugender is het
als mensen bewust kiezen voor Jesus van Nazareth
en uit die keuze ook de consequenties trekken
door hun daden aan te passen aan hun geloof.

Het is goed om elkaar bij het maken van de juiste keuzes te ondersteunen.
En zo kom ik van Bavo bij de Bavoparochie terecht.
Het is goed om samen na te denken over wie God voor ons persoonlijk wil zijn,
om na te denken over onze roeping en om saamhorig en vastberaden
de consequenties van ons JA-WOORD te dragen.

Voor de mensen die het avontuur wagen
geldt de belofte die God ooit aan Abraham gaf die alles losliet
en het grote avontuur van de reis met God waagde:
IK GA MET JE MEE,
IK ZAL JE ZEGENEN, IK ZAL ER ZIJN.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor