• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

Category Archives: Preken

13 november: Nuchter volhouden

[print]

33e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Maleachi 3, 19-20a

  • 3 Tessalonicensen 7,7-12

  • Lucas 21,5-19

Het begin van het evangelie van vandaag
geeft ons een heel apart zicht op een actuele kerkelijke problematiek.
Jesus en zijn vrienden kijken samen
naar de fraaie tempelgebouwen in Jeruzalem:
‘hoe fraai prijkt dat bouwwerk daar’ wordt er gezegd.

Nu leven wij in een tijd waarin vele kerkgebouwen
helaas niet allemaal meer fraai kunnen blijven prijken.
De sloop van kerken komt, vooral in de grote steden, regelmatig voor.
De gelukkigen die ‘hun’ kerk mogen houden
-wij van de Bavo hebben dat geluk-
voelen zich vaak extra plezierig.
Wij restaureren en genieten van wat er allemaal ontdekt wordt.
Zouden de problemen van deze tijd aan ons voorbij gaan?

Het evangelie leert ons echter dat het,
waar het het geloof betreft
nooit om de fraaiheid van het gebouw alleen gaat
maar om de ernst en de toewijding van de mens die het gebouw bezoekt.

Dat gold ook in vroeger dagen,
ook al in de dagen van de profeet Maleachi (of Malachias)
die vandaag in de eerste lezing aan het woord kwam.
Het toeval dat we bij de restauratie teksten van hem
hebben herontdekt op de topgevels.

Hij leefde ongeveer 500 jaar voor Christus.
In een tijd waarin het geloof in Jeruzalem sterk geminderd was.
Zeker, er werd nog wel wat geofferd:
‘Baat het niet dan schaadt het niet’ was een algemene gedachte.
Maar veel enthousiasme zit er niet bij.
‘Wat levert het op als wij de Heer dienen?’
vragen mensen zich zelfs af (Mal. 3,14).

In die tijd treedt deze profeet Maleachi
– zijn naam betekent Mijn (= Gods) bode- op.
Zijn boek(je) begint ons te vertellen over de sympathie
die God voor Zijn volk voelt:
‘Ik heb u lief, zegt de Heer’.
Maar dat zo zijnde wordt er van zijn mensen wel wat verwacht:
trouw aan het verbond,
een actieve inzet voor vrede en gerechtigheid.
De inzet van de echte gelovigen is beslissend
voor de afloop van de geschiedenis.
Als Maleachi het heeft over het allerlaatste uur van de beslissing,
de dag dat er orde op zaken gesteld zal worden,
heeft hij het over de mensen die volhard hebben
als degenen die de zon van de gerechtigheid
zullen zien opgaan over DEZE wereld
en dat noemt hij DE DAG VAN RUIMTE VOOR DE HEER.

Lucas spreekt in zijn evangelie op diezelfde manier
over de dag des Heren,
over het uur waarop de uiteindelijke beslissingen vallen.
Dat is geen dag om ver in de toekomst naar uit te zien
maar in jouw leven vindt als het goed is
ook al een moment, een uur van die dag plaats
waarop jij hier en nu kunt kiezen voor God en Zijn gerechtigheid.

Het gebeurde enkele jaren geleden in Twente:
kinderen in Borne hoefden niet meer naar school:
het einde der tijden was daar.
Hun profeet had het gezegd:
‘het einde der tijden is nabij,
sluit je aan bij onze groep en je zult gered worden.’

In Rusland was ooit iets soortgelijks gaande, een groepje
gelovigen hadden zich in een grot verzameld
er zaten ook weer kindertjes tussen
die in januari –inmiddels meer dan drie jaar terug-
het einde der wereld verwachtten.

Hun leiders, fanatieke predikers die mensen in hun ban hebben
wijzen ze graag op allerlei vreselijke dingen
– en helaas zijn die altijd aan te wijzen –
die op de nabijheid van het einde der tijden zouden wijzen:
‘we moeten het nog even uithouden’ zeggen ze. Maar ook:
‘als je bij ons komt zit je goed,
alleen bij ons. De anderen zullen ten ondergaan
alleen voor ons breekt binnenkort Gods nieuwe toekomst aan.’
Niet naar school dus, wachten maar. Niets doen…
en dat horen wij op de diakonale zondag van ons dekenaat
en binnenkort de Adventsactie gaan organiseren
en ons dan extra willen inzetten
om deze wereld van hier en nu te verbeteren.

De Schrift zelf is voorzichtig en verstandig
als het om het einde der tijden gaat. Jesus zelf zegt:
‘wanneer dat einde komt weet zelfs de Mensenzoon
-Jesus zelf- niet. Alleen de Vader weet daarvan.’

Het spannende van Lucas’ schrijven over de uiteindelijke dingen is
dat hij het allerlaatste
en het heden van onze eigen geschiedenis niet van elkaar los wil snijden.
De Bijbel spreekt wel regelmatig
over de uiteindelijke voltooiing van de schepping
en over alles wat daar nog aan vooraf zal gaan
maar probeert tegelijkertijd
de lezers en hoorders van iedere generatie opnieuw
te brengen tot een rustig volhardend vervullen
van hun door God gegeven taak: hier en nu, vandaag.
In de kerkgemeenschap waar Lucas voor schreef
was het élan van de christenen van het begin
al een beetje weggeëbd.

De allereerste enthousiaste christenen leefden vanuit de verwachting
dat met Jesus’ komst de geschiedenis van de mensheid
wel gauw tot zijn voltooiing zou komen.
Lucas leeft later dan Matteüs en Marcus ,
hij is door de wol geverfd en nuchter.
Daarom is zijn boodschap wat rustiger:
`problemen en ruzies zijn er ook in de kerk,
het hoort niet maar het blijft toch bestaan.
Geen paniek dus maar wel: houdt vol, wees taai en geduldig en vooral:
probeer te ontdekken welke dingen belangrijk zijn en welke niet.`

In jouw leven vinden de beslissende dingen plaats.
Maar nooit is het
-zoals de predikers uit Borne
en andere verkondigers –ik denk wel een beetje aan de getuigen van Jehova-
ons willen doen geloven,-
dat je invuloefeningen kunt gaan maken in jouw eigen tijd.

Jouw tijd is nooit slechter dan een andere tijd….
– Augustinus die ruim 1650 jaar geleden geboren is zei dat al-
jouw tijd heeft, als ieder andere tijd zijn eigen mogelijkheden
en vraagt van jou om een eigen inzet.

Nooit zijn wij in afwachting
van de grote ineenstorting van alles om ons heen.
Hoe vreselijk de dingen ook zijn die we zijn gebeuren
op de Filippijnen.

Altijd gaat het om een keuze voor het leven
die jij zelf moet doen, ook in doodse omstandigheden.

Lucas trof in zijn tijd een zieke en gehavende wereld aan,
net zoals de wereld nu ziek en gehavend is.
Maar die ziekte wordt pas echt ongeneeslijk
als er geen mannen en vrouwen meer zijn
die op weg gaan in de geest van Jesus.

Mensen die niet alleen in de zon van de gerechtigheid geloven
maar er ook aan werken dat die voor iedereen zal schijnen.

Het is een kwestie van volhouden maar ook van duidelijk uitkomen
voor de dingen waar jij voor staat: getuigen.
En dan geldt –zegt Lucas-
‘de woorden komen vanzelf
wees niet bang’ en
‘geen haar op je hoofd zal worden gekrenkt.’

We geloven hier samen in dit gebouw
-dat er gelukkig nog staat-
dat de oude en zieke wereld genezen worden,
en alle duister zal verdwijnen.

Over de Duitse reformator Luther
wordt verteld. dat men hem vroeg:
‘wat zou je doen als je wist dat de volgende dag
het einde der wereld daar zou zijn?’
Zijn antwoord was even verrassend als nuchter:
‘Ik zou een appelboompje gaan planten.’
De bedoeling is duidelijk:
je zult als christen altijd toekomstgericht en nuchter
je taak op deze aarde, tot het allerlaatste ogenblik,
volbrengen.

En wat die dag des Heren betreft, komt die dan niet.
Die komt zeker: Gods Geest kan geweldige dingen doen
met ons, ondanks ons gestuntel
Hij zal het aanschijn der aarde vernieuwen.

Lea Dasberg vertelt daarover een mooi verhaal.
Het gaat over haar eigen familie:
Toen de grote catastrofe van 1940-45 losbrak
over de hoofden van de joden
zetten velen hun rugzak klaar
voor het geval ze bij een razzia zouden worden weggehaald.
‘Mijn moeder’ -aldus Dasberg- ‘weigerde om dat te doen. Ze zei:
‘Op het moment dat ik de rugzak klaar zet,
heb ik al gecapituleerd en moet ik meegaan.’
Ze heeft dat volgehouden. Achteraf heeft ze gezegd:
‘als ik die rugzak in de kast had gehad, was ik meegegaan.’
Zo had ze niet voor de catastrofe gecapituleerd.
Ze capituleerde niet: ze geloofde.

Niemand leeft voor zichzelf,
niemand sterft voor zichzelf:
wij leven en sterven voor God onze Heer,
aan die Heer behoren wij toe.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

6 november: Kies voor het leven

[print]

32e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • 2 Makkabeeën 7,1-14

  • Lucas 20, 27-38

Hoewel mensen zeggen van het leven te houden
-we willen allemaal levendig levend blijven;
op naar de sportschool, gezond eten en ga maar door-
toch is er geen tijd geweest waarin zo nonchalant met het leven
werd en wordt omgesprongen als in onze tijd.
In deze eeuw worden talloze mensen in Azië en Afrika
het slachtoffer van machtswellust of fanatisme.

Wij gaan dan onmiddellijk bij de buren kijken
en zeggen: ‘ja de moslims zijn fanatiek
die geven niet om een mensenleven’.
Maar kijken we liever eerst naar onszelf:
in vroeger eeuwen de kruistochten.
Badend in het bloed van hun slachtoffers riepen de kruisvaarders
na duizenden moslims te hebben afgeslacht uit:
‘God heeft dat gewild.’
En er is –om wat dichter bij huis te blijven-
geen eeuw waarin zoveel slachtoffers zijn gevallen
als de vorige eeuw -de eeuw waar we bijna allemaal geboren zijn-
hier in Europa: miljoenen in de eerste wereldoorlog
miljoenen bij de revolutie in Rusland
en vele miljoenen in de tweede wereldoorlog.

Duitsland kende zo’n kleine 80 jr. geleden de Kristallnacht:
de nacht waarin de jodenvervolging in Duitsland begon
met het vernielen van de synagogen.
Het is prettig om te weten dat de Plebaan van de kathedraal in Berlijn
-Bernard Lichtenberg, inmiddels zalig verklaard, dat zal deze plebaan wel nooit overkomen- daar krachtig tegen protesteerde.
Hij werd gevangen genomen, werd ziek,
weer vrijgelaten omdat teveel mensen gingen protesteren
en stierf een dag na zijn vrijlating.
Nog net geen martelaar dus maar wel een mens die deed wat hij moest doen.
In diezelfde tijd redde een Keulse kapelaan haastig een wetsrol uit een synagoge die na allerlei omzwervingen enkele jaren terug
geheel gerestaureerd is teruggegeven aan de joodse gemeenschap van Keulen.

Verbijsterd moet God zich wel afvragen;
wat deden die mensen elkaar toch allemaal aan
en wat doen ze elkaar nog steeds aan.

Het oerverhaal dat hierover gaat is dat van Kain en Abel.
Kain slaat uit jaloezie zijn broer dood en als hij dat gedaan heeft
speelt hij de onschuld zelve als God hem tot de orde wil roepen door te vragen:
‘Kain waar is je broeder?’ Hij heeft dan de brutaliteit om te antwoorden:
‘ben ik dan de herder van mijn broer ?’ Zo verdorven is hij
dat hij niet meer weet waartoe de mens op aarde is:
om de ander te bewaren en te behoeden net zoals God dat doet.

Tegen de achtergrond van al deze menselijk onwil
klinken de schriftlezingen van vandaag ons krachtig tegemoet.

De eerste lezing gaat over een weerloze weduwe
die met haar kinderen wil kiezen
voor dienst aan de God van het leven en de vrede
maar de anderen verdragen dat niet
en zij en haar zonen worden bruut vermoord. Triomfantelijk
roepen hun moordenaars uit: ‘jullie hebben verloren.’
Maar het verhaal leert iets anders: de moordenaars hebben verloren
en de vermoorden zijn behouden.

In de evangelielezing horen we hoe Jesus’ tegenstanders
een ingewikkeld verhaal oplepelen om hem in de war te brengen.
Ze verzinnen het vreemde verhaal van die broers,
zeven nog wel die allemaal doodgaan.
Het is een erg treurig verhaal:
een verhaal van dood en onvruchtbaarheid;
ze sterven allemaal achter elkaar en
geen van allen was er in geslaagd
bij de vrouw van hun overleden broer één kind te verwekken.
‘Met wie moet die vrouw
die met al die broers getrouwd is geweest nu leven na de opstanding?.

De Sadduceeën hadden zelf dit vreemde verhaal bedacht
om Jesus te overtuigen van het absurde van het geloof in de opstanding…
Maar de evangelist Lucas lijkt -als hij dit voorbeeld citeert-
iets anders te willen zeggen:
de Sadduceeën geven hier een harde beschrijving
van de onvruchtbare situatie van hun eigen geloof.
Er is geen enkele hoop, geen enkel zicht op toekomst.
zelf zijn zij een treurige groep mensen op weg naar de dood.

Jesus’ hele levenswerk is één grote poging mensen te bemoedigen
en weer te laten zien dat God iedereen de moeite waard vindt
en dat wij allen samen op weg zijn naar het leven.
Jesus opent een nieuw perspectief.
Hij laat het absurde voorbeeld voor wat het is.
Hij laat de Sadduceeën met hun vruchteloze discussie
voor wat ze zijn en gaat aan de andere kant beginnen.
‘Als jullie niet oppassen zijn jullie het zelf die ten onder zullen gaan,
met je troosteloze ongeloof en al.
Jullie naam zal uit de geschiedenis van Israël verdwijnen.’
Hij gaat met alle duidelijkheid
en met alle hartstocht die Hem bezielt verkondigen
dat de God die Zijn God en Vader is
een God van levenden is en niet van doden.

De echte dood overkomt je niet, die dood is een keuze.
echt dood is alleen maar echt dood als je het zelf wil zijn.
En dat is het leven ook:
kies je voor God dan kies je voor het leven.
Dat was ooit al gezegd op de Sinaï
en is nu weer aan de orde rond de man van Nazareth.
Midden in de dood zijn wij in het leven
als wij van Hem willen zijn:
de God van Jesus, de God van Israël,
de God van Abraham, Isaak en Jakob.

Hij was een genie, een geweldig wiskundig talent.
Hij werd geëerbiedigd en bewonderd door tallozen.
Hij had tevreden moeten zijn met alles wat was zoals het was
en met alle geheimen die hij doorgrondde en alle wetenschap.
Toch was hij niet tevreden en kende hij geen rust.
Die onrust knaagde aan hem en de hamvraag bleef:
‘waartoe doe ik dit alles, wat is de zin,
en heeft mijn eigen leven zin?’
De naam van deze denker was Blaise Pascal.
Hij gaat langzamerhand aan kapot, geestelijk en lichamelijk.
Dan -de doktoren zijn somber over zijn gezondheidstoestand –
gebeurt er plotseling iets in het schamele kloosterkamertje
waar hij door de medelijdende religieuzen van Port Royal was opgenomen.
Het is november, net als nu, buiten miezerde de regen
maar binnen gebeurde een wonder,
een genezing, een bekering :
alles wordt nieuw!
Hij schreef de ervaring op in zijn dagboek:

‘MAANDAG 23 NOVEMBER 1645…half elf ’s avonds tot half een ’s nachts:
VUUR !!
GOD IS NABIJ !!
Neen,
NIET DE GOD VAN DE FILOSOFEN OF DE THEOLOGEN;
NIET DIE MAAR EEN ANDERE,
DE LEVENDE GOD.
DE GOD VAN ABRAHAM, DE GOD VAN ISAAK
DE GOD VAN JACOB, GOD VAN MENSEN,

ZEKERHEID, ZEKERHEID;
AANDOENING….
VREUGDE, VREUGDE,
TRANEN VAN VREUGDE.

DAT IK IN DER EEUWIGHEID
NIET VAN HEM GESCHEIDEN WORDE.
GOD VAN ABRAHAM, ISAAK EN JACOB,
LEVENDE GOD, TROUWE GOD,
MIJN GOD!!!
GOD VAN MIJ ARME
VRIEND VAN MIJ ZOEKER…

Het documentje waarop hij deze ervaring had opgeschreven
droeg hij, Blaise Pascal, altijd bij zich; tot zijn dood aan toe.
Hij had ontdekt wie God is;
geen God van geleerden en spitsvondigheden,
maar de God die met de mensen meegaat.

Misschien hebt u Hem ook wel eens zo ontmoet?
Misschien heel even maar… dat is genoeg
want Hij gaat daar wel verder mee:
Hij neemt je wel mee op weg naar het echte leven.
De God van Abraham, Isaäk en Jakob – die door Jesus genoemd wordt –
is de God van het leven en niet van de dood;
is de God van de liefde en niet van de haat
is de God van de toekomst, de God van de Vrede.
Gelukkig dienen veel mensen Hem
door zijn Geest bemoedigd
soms zonder dat ze Hem officieel kennen.
Waar halen veel mensen anders de moed vandaan
aan een goede toekomst voor deze wereld te blijven bouwen?
Dan denk ik aan de moedigen in het groot
die betrokken zijn bij de grote maatschappelijke vraagstukken
en die zich inzetten voor vrede en recht
blijven helpen in Syrië of waar ook ter wereld?

Waar halen de mensen de moed vandaan
in hun persoonlijk leven om weer verder te gaan
na pijn en verdriet, na een verlies dat niet te noemen is?
Dat komt door hun geloof dat het leven het winnen zal van de dood
en het licht de duisternis zal wegvagen.
Eigenlijk is dat hun geloof dat God in de buurt is:
de God van Abraham, Isaäk en Jakob.

De God die het bestaan van de dorre filosoof Pascal in zijn wanhoop
veranderde toen die, ziek een eenzaam op een regenachtige maandagavond
plotseling het licht zag en vol werd van troost
en toen uitriep: VREUGDE, MOED, LICHT.

Hij is het die ook het bestaan van mensen hier en nu verlicht.
Het geloof in die God van het leven:
dat verrijzenisgeloof is niet alleen een geloof in
een leven na de lichamelijke dood
maar ook en vooral een geloof in de waarde van het leven
hier en nu met God: de God van Abraham, Isaäk en Jakob.

Die God kennen verandert je leven
die God kennen betekent: treden uit het duister,
opgaan naar het licht.
Ook in onze soms zorgvolle dagen nodigt Hij ons uit tot volharding
tot zorg voor het leven van onze naaste
tot het uiterste toe.

Niemand leeft voor zichzelf,
niemand sterft voor zichzelf:
wij leven en sterven voor God onze Heer,
aan die Heer behoren wij toe.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

30 oktober: Ik wil bij jou aan tafel

[print]

31e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Wijsheid 11,23-26;12,1-2

  • Lucas 19,1-10

Een van de populairste verhalen bij de kinderen
is het verhaal van Zacheüs.

Waarschijnlijk omdat er staat dat hij ‘klein van stuk was’
en in een boom moest klimmen om Jesus te zien.

Vroeger werd dit gedeelte nooit op zondag gelezen.
Het verhaal kwam echter bij één gelegenheid wel aan de orde:
bij de inwijding van een kerk.

Dat is een goede keus.
Het verhaal van Zacheus eindigt ermee
dat Jesus bij hem komt eten: hij vindt dat geweldig.
Voor ons geldt dat in de kerk ook
het is voor ons een buitengewone eer
dat God bij ons wil binnenkomen om te eten.

Het bijbelverhaal zelf is bij uitstek een verhaal
over de bijzondere manier
waarop Jesus mensen tegemoet treedt.

Wij mensen bekritiseren anderen graag:
“ken je die of die?”
“o ja, die is zus of zo.”

Mensen moeten bij ons eerst
door een kleine controle heen:
‘of ze wel waardig zijn door ons te worden ontmoet.’

Bij Jesus is dat anders:
hij aanvaardt mensen zoals ze zijn,
hij ziet ze als beelddragers van God
hij ziet ze als mensen met vele mogelijkheden..

En dan spitst Jesus zich vooral toe
op de mogelijkheid van mensen
om zich te kunnen bekeren.
Zacheüs is rijp voor zo’n ontmoeting.
Hij is bescheiden.
Hij schaamt zich voor zijn kleine gestalte
maar meer nog voor zijn levenswijze.

Als tollenaar had hij,
in dienst van de Romeinse bezetter
heel wat gelden geïnd,
vaak meer dan hem toekwam:
hij was -net als alle collaborateurs in welke tijd ook-
niet geliefd en leefde in een isolement.

Maar Zacheüs is een mens met verlangen naar contact:
vooral met Jesus die hij graag wil zien!
Hij klimt omhoog…
Bij de kerkvaders lees je dan:
hij klom in de boom, dichter naar de hemel toe,
hij zocht God.

Jesus zie dat en zijn eerste woorden zijn heel verrassend:
‘Zacheüs ik wil bij je eten.’

Jaren geleden schreef een beroemd psychologe,
(dr. Anna Terruwe)
dat dit een grootse zin was en dat vele mensen
met grote psychologische complexen
ontzettend geholpen zouden zijn
en veel van hun complexen al lang kwijt zouden zijn
als er iemand in hun buurt geweest zou zijn
die zoiets had gezegd:
‘ik kom bij je eten.’

‘Zacheüs ik kom bij je eten’.
Geen woord over Zacheüs’ dubieuze levenswijze.
Geen spoor van verwijt
aan deze Godszoeker, deze boomklimmer:
alleen maar vriendschap en aanvaarding.

Neen niet van alles wat Zacheüs doet of eed
maar van de mens Zacheüs als in oorsprong goed
geschapen naar Gods beeld en gelijkenis
in staat om Hem te ontmoeten
en anderen tot zegen te zijn.

Jesus wil deze zoekende mens ontmoeten
en gaat met hem aan tafel.

En zo wordt de zoeker gevonden.
Er kan een nieuwe levensfase voor Zacheüs ingaan.
Als Jesus bij hem aan tafel gaat zitten
zonder èèn aanmerking gemaakt te hebben
zegt Zacheus hij direct al:
‘ik zal mijn leefwijze veranderen’.
Hij geeft de helft van al zijn bezit aan de armen
en alles wat hij teveel geind heeft
zal hij viervoudig terug geven
hij bekeert zich en wordt een nieuw mens.

´Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen´ concludeert Jesus,
´de mensenzoon is gekomen om te redden
en te zoeken wat verloren was.
Zacheüs is eindelijk gevonden.

Ook wij leven van de ontmoeting:
van de genegenheid en de sympathie van anderen
die ons willen vinden.

Kinderen kunnen niet zonder ouders
die hen niet onmiddellijk bekritiseren
maar die vooral veel van ze houden
wat voor bokken zij ook schieten.

Ouderen, gehuwd of ongehuwd, kunnen niet zonder anderen
die hen steunen
omdat ze hen wel zien zitten en van hen houden.
Zonder de aanvaarding van ons zoals wij zijn
gaan wij dood.

Het verhaal van Zacheüs vertelt ons dus iets over onszelf:
wij kunnen niet leven zonder aanvaarding
dat is de ene kant.
Maar de andere kant is zeker zo belangrijk:
als wij dat beseffen gaan
zullen wij zelf ook anders tegenover anderen zijn.
Als wij weten dat wij,
zo merkwaardig als wij misschien mogen zijn
door anderen worden aanvaard of misschien zelfs liefgehad
zullen wij ook anderen aanvaarden en liefhebben.

En als wij proberen God te vinden
door ons in te spannen
zoals Zacheüs die in zijn boom klom
zal die ons vinden!

Als wij als zoekers naar Hem
die naar ons op zoek is op zoek gaan
zullen wij echt gevonden worden
ons leven wordt nieuw
tot onze eigen verrassing!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

23 oktober: Combineer ijver met bescheidenheid

[print]

30e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Sirach 35, 1b-22

  • Lucas 18,9-14

Als kinderen naar een film kijken
is een van de eerste dingen
die ze graag zeker willen weten wie de goede is en wie de slechte.
Eén moet de goede zijn en één de slechte.

Dat speelt ons ook als volwassenen parten
bij het lezen van het evangelie van vandaag.
De Farizeeër is duidelijk de slechte.
Hij is schijnheilig en, (het vooroordeel compleet makend),
staat dan vaak model voor alle joden
(terwijl de tollenaar ook een jood was natuurlijk)..

HIJ heet slecht..maar was eigenlijk alleen maar een trouw aan wetten en regeltjes
net als alle joden dat, volgens de christenen, zijn.
Van dat vooroordeel hebben de joden veel last gehad:
het had antisemitisme tot gevolg.
De voorlaatste paus in al zijn toespraken
en ook deze paus en de bisschoppen in hun brieven zetten alles op alles
om de christenen van hun oude vooroordelen af te helpen.
In januari is in de bidweek voor de eenheid van de christenen
daarom ook een ‘dag van respect voor het jodendom’ opgenomen
opdat we ons bekeren.

‘Farizeeër’ was een scheldwoord geworden
maar nieuwere bijbelstudies hebben ons geleerd
dat Jesus –ondanks of misschien juist door zijn kritiek-
zich zeer verwant voelde aan de Farizeeën,
ja sommigen zeggen zelfs dat hij er ook een was!
Van Paulus is dat wel zeker:
Farizeeër betekent gewoon ‘ijverige’
en nu worden wij misschien een beetje ongerust:
zijn wij dat wel genoeg?

De Farizeeër van vandaag treffen we aan in de tempel
maar eigenlijk zijn Farizeeën helemaal geen tempelmensen.

Dat zijn de Sadduceeën, een nette clan vromerikken
die het hele tempelbedrijf in handen had
en goede maatjes wilde zijn vooral met de heersende klassen;
zelfs in hun contacten met de Romeinen deden ze water in de wijn.

Dat deden de Farizeeën zeker niet!
Dat waren mensen van en voor het volk.
Ze geloofden niet zo erg in grote plechtigheden in de tempel
maar in een onverbiddelijke trouw aan de opdrachten van God
om in je gewone leven te doen wat je moet doen.

Ook de man van vandaag is een voorbeeld van goeder trouw.
Hij wordt mij steeds sympathieker,
vooral omdat ik zeker weet dat over de hele wereld
iedereen weer over hem heen zal vallen… dan wordt HIJ
plotseling de underdog in plaats van de tollenaar.
Wat deed hij allemaal niet: ga er maar aan staan!
Hij vastte meerdere dagen in de week, gaf tienden van olie, koren en wijn
-zoals verplicht was- maar ook nog van alle kruiden die hij gebruikte.
Het koste hem echt een rib uit het lijf
en al die inspanningen volbracht hij echt uit edele motieven.

Wat was de wereld zonder de ijverigen van alle eeuwen
-we gaan ze 1 november als wij Allerheiligen vieren- zelfs uitgebreid eren-
wat was de wereld zonder de geloofscultuur
die ons is doorgegeven in door onze voorouders
die eren we op 2 november Allerzielen.
Maar gewoontegeloof kan ook tot hoogmoedigheid leiden
zoals we die bij onze vriend van vandaag aantroffen.

Op deze Missiezondag denken wij eraan
hoe de ijver van onze missionarissen
veel mensen in de ontwikkelingslanden heeft geïnspireerd
zodat ze, niet gehinderd door westers gewoontegeloof
op een nieuwe en oorspronkelijke wijze
hun nieuwe geloof belijden en beleven.

Ik heb dat mogen zien bij mijn bezoeken aan Zaire
-van middag heb ik er nog een artikel van zitten maken
voor mijn website kerkengek- heb dat ook gezien
in Zuid Afrika en bij moeder Theresa in India.

De Farizeeër en de tollenaar
ze staan allebei voor karaktertrekken,
typen gelovigen die allebei nodig zijn
en als het goed is zijn we allebei een beetje.

Met name in onze dagen hebben wij ze nodig, farizeeën:
ijveraars, krachtige geloofsverkondigers in woord en daad…
Maar toch -en nu komen we aan de kern van het verhaal-
deze perfecte geloofsoverdracht OP ZICHZELF
en al dit volmaakt idealisme en deze waardevolle inzet
is niet genoeg. Geloofsijver kan fanatisme worden
vervreemd van het oorspronkelijk ideaal.

Bij godsdienst, welke ook, gaat het uiteindelijk toch om iets anders:
Het gaat om het hart. Het hart, ons eigen leven in zijn diepste kern
dat wij naar God mogen keren.

Wij mogen ons tot Hem keren ONDANKS ONZELF!
Voor God zijn we allemaal, al doen we nog zoveel goede dingen,
weerloze mensen die zich open mogen stellen voor Gods liefde,
die Zijn vergeving nodig hebben en die helemaal afhankelijk zijn
van ZIJN trouw aan ons die aan al onze menselijke ijver en trouw voorafgaat.
Jesus roept ons niet op om op te scheppen
maar te bidden en te dienen en te zeggen: ‘ik ben maar een onnutte knecht.’

Van onze Heer zelf
die al deze mensen in Zijn gevolg leek te willen hebben
kan zeker gezegd worden dat hij geen status zocht en geen aanzien.
Hij, de trouwste zoon van God, heeft zich zelf aan ons laten zien
niet als een man van grote drukte maar als een gewone dienaar,
een slaaf die anderen de voeten waste.

Jesus, de ware Farizeeër, de ijveraar, de vrome bij uitstek
deed dat op zijn eigen wijze, bescheiden en dienstbaar
en in grote solidariteit met de mensen bij wie het allemaal niet zo lukte…
in vriendschap met tollenaars en zondaars
waarmee hij volgens sommigen werd besmet.

Wie de psalmen van Israël leest
krijgt de eigenaardige gewaarwording beurtelings beiden te zijn:
Farizeeër en tollenaar.
De bidder mag zijn dankbaarheid uiten
omdat hij niet is als de goddelozen
die maar wat aan leven
-en dan horen we de Farizeeër-
maar tegelijkertijd is de psalmist als de tollenaar
als hij zijn MISERERE bidt: ach Heer wees mij zondaar genadig.

De Franse schrijver Bernanos schreef een dramatisch boek
getiteld ‘le journal d’un curé de campagne’,
het dagboek van een dorpspastoor.
Het gaat over een priester die gebukt ging
onder de zorgen van zijn ambt.
De man werd onzeker, werd niet begrepen, mislukt,
raakt zijn geloof kwijt en komt op een Parijs zolderkamertje terecht.
Daar wordt hij zwaar ziek. Hij is opgegeven maar het wonder gebeurt:
hij krijgt zijn geloof weer terug en vraagt plotseling om de laatste sacramenten.
Er is alleen maar een uitgetreden ambtsbroeder in de buurt die hem die toedient.
Zo krijgt hij weer contact met Zijn Schepper
en zijn roeping bloeit weer op als hij glimlachend
zijn laatste woorden uitspreekt: ‘alles is genade.’
Zijn hospita die alles gadeslaat mompelt:
‘hier stierf een heilige.’

Mgr. Ernst zei in een preek over het evangelie van vandaag:
‘Hebben wij eerst vertrouwd op eigen inspanning
en zijn wij ontmoedigd door ons falen
dan leren we uit het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar
te vertrouwen op de genade alleen.’

De mens die dat durft zal de zin van zijn leven ontdekken
en de rust vinden die hij nodig heeft.

De mens die van uit die verwondering en verwachting wil leven
zal een toekomst tegemoet gaan
zoals geen mensenoog ooit heeft gezien
en zoals geen mensenhart dat ooit heeft bedacht.

Hij zal de ware rust vinden.
Het is zoals Augustinus ons dat eeuwen geleden heeft voorgezegd:
‘mijn hart is onrustig o Heer,
totdat het rust vindt bij U’

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

16 oktober: Handen omhoog en uit de mouwen

[print]

29e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Exodus 17,8-13

  • Lucas 18,1-8

Een vrouw reisde de wereld af op zoek naar de ware God.
Ze onderzocht alle religies en alle gemeenschappen
en alle mogelijke openbaringen van geloof
om vast te kunnen stellen
wanneer ze de volmaakte openbaring van God in het leven had ontdekt.
Op een van haar reizen stopte ze bij een klooster
en vroeg aan een van de kloosterlingen:
‘kunt u mij zeggen of uw God wonderen doet?’.
De kloosterling antwoordde:
‘Weet u, het hangt er maar van af wat u een wonder noemt.
Sommige mensen denken dat het een wonder is
wanneer God doet wat de mensen vragen.
Maar in deze kloostergemeenschap geloven we dat het een wonder is
wanneer de mensen de wil van God doen.

Sint Lucas is de evangelist
die het graag heeft over wat God van plan is
en hoe wij daaraan onze bijdrage kunnen leveren
door te bidden en te handelen.
‘Uw Rijk kome’ is de bede die Jesus zijn leerlingen
soms tot vervelens toe laat herhalen.
Wij bidden het nog: ‘Uw naam worde geheiligd Uw rijk kome.’

Heeft dat bidden eigenlijk zin?
Jesus zegt van wel: hij beveelt het erg aan,
in het evangelie van Lucas komt bidden vaak ter sprake.
‘Bidt veel en met volharding’ zegt Jesus.
Maar het is niet ezeltje strek je, tafeltje dek je..
het komt niet vanzelf naar je toe dat koninkrijk.
Hoe moet je dat Koninkrijk naar je toe laten komen?

Sint Lucas geeft zijn jonge gemeente goed onderricht:
zelf eerst opkomen voor het recht van de kleinen en verdrukten
is een wezenlijke opdracht voor de kerk.
Hoe slecht ons dat ligt leert het evangelie van vandaag.
De hoofdrol wordt gespeeld door een rechter:
een wijze die goed moet weten wat er in deze wereld loos is
en daarom er ook voor moet zorgen dat er recht wordt gedaan
aan mensen die recht verdienen te krijgen.
Maar deze rechter is slaperig en traag:
hij hoort de roep van de verdrukten niet.

Het is aan de volharding van de ontrechten, de weduwe in dit verhaal,
te danken dat er zich iets ten goed keert.
Pas als zij actief aandringen op actie
ontwaakt onze held uit zijn slaap en zegt:
‘ik zal maar toegeven aan haar gevraag.’
De rechter staat model voor alle mensen
die het onrecht op aarde misschien wel zien
maar niet van plan zijn er iets tegen te gaan doen.
Wij lijken op hem als wij in onze dagen zeggen:
ik kan er zo weinig aan doen.
Een verhaal over een prachtige combinatie van bidden en doen
hoorden wij als eerste lezing.

Een man bidt op een heuvel.
Zo wordt ons verteld in het boek van de Uittocht.
En daaronder, beneden in het dal,
Joshua met het volk dat vecht tegen een overmachtige vijand.
Zijn naam is Amalek: en die naam staat voor ONRECHT.
Maar wie is dan toch die Amalek? Zomaar een vijand?
Ieder volk heeft ooit wel een vijand gehad waar mee gevochten is.
De Heilige Bavo heeft ooit nog eens de Haarlemmers
tegen een aanval van de Alkmaarders verdedigd…
zegt de legende. Die vijandschap is inmiddels overwonnen.
Maar Amalek staat voor iets anders.
Van hem wordt verteld dat hij het volk Israël
op reis moeizaam voortsjokkend door de woestijn
in de rug aanviel en de kinderen en zwakkeren doodde.
Hij is geen gewone vijand. Hij is de boze zelf.
De onmens, die iedere keer weer de kop opsteekt in onze wereld.
De ene keer heet hij Hitler, een andere keer
is hij een veelkoppig monster.
Vandaag de dag heeft hij meerdere verschijningsvormen:
kapitalisme, het egoïsme, racisme, vreemdelingenhaat… wraakzucht
die zich vaak uit als terrorisme.
Joshua vecht tegen de boze beneden, Mozes bidt!
Het is een weerloos gebaar, een man met twee uitgestrekte armen.

Hij is niet langer de sterke Mozes
die met die stok het water van de Nijl sloeg tot bloed,
die de rots week maakte zodat er water kwam voor mens en dier.
Nu is Mozes een man zonder wapen,
een machteloze man met twee uitgestrekte armen,
het teken van overgave.
Als die twee armen terugvallen langs het lijf,
wint Amalek de vijand.
Als de armen weer omhoog gaan
is zijn volk weer aan de winnende hand.

In veel landen zijn mensen in nood.
Wij hebben een andere nood: een nood aan
zingeving en diepte. De nood van mensen die oud worden
en soms geen zin meer in hun leven ontdekken:
een hele discussie is er gaande. Moet je mogen sterven?
De kerken in de ontwikkelingslanden
leerden van ons dat de God van Israël,
die ook de Vader van Jesus was,
de God is die opkomt voor de kleinen
en die recht wil voor zijn mensen.

Vaak heffen de mensen in de ontwikkelingslanden
vertwijfeld de handen omhoog… en wij met hen.
Hoe langer wij op aarde zijn
hoe meer we onze machteloosheid constateren.
En dus past saamhorigheid en solidariteit:
ook rond mensen die het niet meer zien zitten.

De saamhorigheid zoals Aäron en Hur die lieten zien
die Mozes’ armen hielpen omhooghouden
en de solidariteit zoals Jesus zelf die opbracht
voor zijn mensen, die partij koos voor de weerlozen,
die afstand deed van zijn macht.

Als Jesus zelf de heuvel opgaat
zullen er geen vrienden zijn die zijn armen ondersteunen.
Alleen vijanden die ze vastzetten op het hout.
En aangezien dit het grootste schandaal is geweest
van heel de menselijke geschiedenis
worden wij geacht nu wijzer geworden te zijn
en nu als Zijn volgelingen werkelijk op te komen
voor alle mensen die worden gemarteld, geminacht, waar ter wereld niet.

Ook in 2016 bidden wij Uw rijk kome.
We vullen dat niet meer zo in als in vroeger dagen misschien
toen we droomden van een supermachtige kerk
die over heel de aarde verspreid;
de lofzang aanheft en haar triomfen over andere godsdiensten viert…
Neen: we weten het: ‘een kerk die niet dient, dient nergens toe’
en als wij tegenwoordig bidden: UW RIJK KOME
dat betekent dat: dat wat wij werkelijk verlangen
met heel ons wezen, met alles wat wij zijn
naar een nieuwe wereld waarin recht is en vrede voor allen:
een wereld van vrede, waarin God zelf alles kan zijn in allen:
een wereld waarin mensen tot hun recht kunnen komen en gelukkig zijn…

Het evangelie van vandaag eindigt met een eigenaardige vraag:
‘zal er als de Messias komt, de mensenzoon
nog geloof worden gevonden op aarde?’
Dat is een huiveringwekkende vraag.
Alsof het geloof zou kunnen verdwijnen.
Neen, het is niet mijn bedoeling nu plotseling heel somber te eindigen
maar wel vast te stellen dat de keuze voor God en Zijn Koninkrijk
steeds opnieuw moet worden vernieuwd,
door ieder persoonlijk.

We hopen dat wij daartoe in staat zullen zijn.
We heffen de handen omhoog naar God
opdat Zijn Heilige Geest ons moge sterken.

Uw rijk kome en
bidden wij met Maria mee:
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.

Sommige mensen denken dat het een wonder is
wanneer God doet wat de mensen vragen.
Maar het is pas een echt, groot en zegenrijk wonder
wanneer de mensen de wil van God doen.

Moge ons gebed onze dienstbaarheid onder stroom zetten
opdat ons de kracht niet ontbreken zal
om vol te houden bij de bouw aan Gods Koninkrijk
in onze dagen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

9 oktober: Na Kyrie altijd Gloria?

[print]

28e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • II Koningen 5,14-17

  • 2 Timoteus 2,8-13

  • Lucas 17,11-19

Ja, ik herinner me nog ons bezoek aan een melaatsenkolonie in Zaire.
De kerk was eenvoudig, geen mooie banken zoals hier maar lange planken,
20 centimeter boven de grond waar de melaatsen iedere zondag,
ver afgezonderd van de bewoonde wereld hun eucharistie vierden.

Diep onder de indruk vroeg ik aan een van de zusters daar
of ik wat foto’s mocht maken om het thuisfront wat te laten zien.

‘U bent toch priesters’ zei ze,
‘gaat u liever wat rond om de mensen handen te geven
en te zegenen’.
Dat deden we, met het schaamrood nog achter de kaken.

Jesus’ ontmoeting met de 10 melaatsen is een ontmoeting
met een mensengemeenschap die ten dode opgeschreven is.
Het zijn er 10, het getal dat volgens het jodendom nodig is
om een kerkdienst te kunnen beginnen. Dan kan er namens het volk,
ja zelfs namens de mensheid gebeden worden.

10 Melaatsen zijn er die roepen om hulp:
KYRIE-ELEISON roepen ze
om het even in het Grieks te zeggen
(hoewel sommigen dat ook latijn noemen).
In alle missen zingen wij dat…
“Help ons. De koorschoolkinderen leerde ik ooit
dat als ze in Griekenland in een kuil vallen
en KYRIE ELEISON moeten roepen.
Dan worden ze onmiddellijk uit kuil gehaald
en kunnen ze het Gloria aanheffen
dat de Grieken helaas niet verstaan.

KYRIE EILEISON, Help, Ebarme dich…
riepen de melaatsen uit het evangelie van vandaag.
Ze zijn verstoten door de buurt, geminacht door de gezonden,
gevreesd door de gezonden. Is er dan niemand die redt?
Ja er is er een en dat is de man van Nazareth: Jesus Messias.
En de solidariteit van Jesus met deze gemeenschap is hen tot zegen.
Ze zijn niet langer verstoten, ze worden getroost en aangesproken.
Hun isolement wordt opgeheven.

De bevrijding uit het isolement is het begin van de verlossing en die komt:
alle 10 worden ze genezen.
Alle 10 worden ze geholpen en ze kunnen samen
na hun KYRIE-geroep het GLORIA aanheffen, de lofzang tot God.
Maar ze doen het niet.

Dat er na het KYRIE-roepen een GLORIA moet volgen
weet slechts één van de tien, en dat is nog wel een vreemdeling, een Samaritaan.

Negen van de tien komen daar niet aan toe.
Ze gaan weer over tot de orde van alledag
en schieten weer wortel. Ze zijn God weer snel vergeten. Vreselijk is dat.
In de Bijbel staat dat er veel mag.
Je mag God aanklagen. Je mag met Hem vechten, kwaad zijn woedend zijn,
huilen en schelden… het mag allemaal. Het hele boek Job staat er vol mee.

Eén ding mag nooit: HEM VERGETEN;
doen alsof er niets aan de hand is,
gewoon maar doorleven wat er ook gebeurt.

Als je niet kunt huilen, als je niet kwaad kunt zijn
wordt het leven werkelijk plat en troosteloos.

Er is een mooi russisch verhaal over een man
die bij een Pope (een russische geestelijke) komt en die zegt:
‘als ik ellende zie moet ik steeds maar weer huilen,
als ik over verdriet hoor spreken komen de tranen steeds,
is daar nu niets aan te doen.’

De Pope kijkt hem peinzend aan en zegt:
‘ik weet het, jij hebt de gave der tranen.’

Tranen worden door God gezien.
Er staat geschreven in de psalmen
dat Hij die tranen zelfs –als waren het edelstenen-
bewaard in een bokaal.

Die God zal Zijn mensen niet loslaten.
Aan die God bevelen wij onze smart en onze teleurstelling aan.

De heidense Naäman uit de eerste lezing van vandaag
en de ene vreemdeling die terug komt
leren ons dat het de moeite waard is
ons aan Hem vast te klampen.

Daarom is het een grote en belangrijke taak
hem te blijven aanroepen: erbarme dich, Kyrie-eleison!
Maar als kerkmensen hebben wij ook de taak
om hem vol vertrouwen ook het Gloria toe te zingen.

Goed dat hier iemand aanwezig is die dat al 53 jaar doet:
de kerk moet het hebben van zulke trouwe mensen
die het kerkgebeuren gaande houden.
Het mag geen clan worden van zelfgenoegzamen
want er moet altijd openheid zijn voor de nieuwkomers.
Gezegend is de kerk als er trouwe volharders zijn
die de kerk tot een open gemeenschap maken.
Theo en Rina doen dat samen. Ooit viel Rina
bij een Ceciliafeestje in de oude Bavoschool
achterover in de armen van Theo
toen ze met haar naaldhakjes in een van de lange gordijnen was blijven haken.
Kort daarna trouwden ze, afgelopen donderdag was dat 50 jaar geleden
en ze trokken samen op. Er waren momenten van Gloria in Excelsis
maar ook van Kyrie Eleison. Dat was vooral toen hun jongste dochter Sandra;
een actief lid van onze jongerenclub op 21 jarige leeftijd in 1996 aan een
gemene hersentumor overleed.
Maar ze is nog in de buurt. Haar aandenken is ons tot zegen.
Trouwens, het leven is geen donkere tunnel
al koste dat Renate en Kevin en haar lieve ouders
en vrienden grote moeite om dat te beseffen.

Een mensenleven is geen doodlopende weg
(het leven is immers geen donkere tunnel)
want er is er een die ons aanmoedigt om verder te gaan.
Veel mensen vergeten hem in het gewone leven van alle dag
maar al te gemakkelijk. Maar mensen die dieper willen gaan
kunnen hem ontmoeten als degene die ons overeind wil helpen.
Om na het Kyrie weer voorzichtig en zachtjes misschien
gloria te zingen.
Samen zijn wij kerk,
het is toch zo ontzettend waardevol en nuttig hier samen te zijn
Zijn Naam hoog te houden vooral in de wereld van vandaag,
de God die heeft gezegd: IK ZAL ER ZIJN.

De God die met ons meegaat alle dagen,
vooral als wij ook andere mensen gezelschap willen houden
gastvrij zijn en vriendelijk,
niemand verloren laten rondlopen
niemand loslaten.

We zijn dankbaar dat in onze kerk
jong en oud op ons koor niet nalaten de smeekliederen te zingen
en de lofzang aan te heffen ook van de nieuwere generatie.

Tenslotte:
tot ons allen, jong en oud zegt Paulus:
God is getrouw, als hij hem vergeten, hij vergeet ons niet’
En eindigend met de tekst van zondag Gaudete:
‘Houd vol in alle verdrukking,
wees moedig en blij
ga met al je noden naar God toe,
bid zonder ophouden (erbarme Dich, Kyrieleison)
maar vergeet ook nooit Hem te danken
die heeft gezegd dat Hij ons allen
-het werk van Zijn handen-
nooit aan ons lot zal overlaten.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

2 oktober: Je gelooft nooit tevergeefs

[print]

27e Zondag door het Jaar: Bavofeest

Schriftlezingen:

  • Habakuk 1,2-3; 2,2-4

  • Lucas 17, 5-10

Enkele jaren terug, vlak voor het Bavofeest,
was ik met enkele andere vertegenwoordigers
van de Haarlemse kerken op bezoek in de Koepel
let wel die andere koepel: de Penitentiaire inrichting
beter bekend als de gevangenis aan het Spaarne.
Daar hadden wij een praatgroep met de gedetineerden
over wat geloof voor hen en voor ons betekende.
Duidelijk was dat we dat dat betreft aan hen
een voorbeeld konden nemen.
Ze hebben veel tijd om na te denken daar
en bidden dus ook veel.
Wat we daar besproken hebben?
Ik kom daar straks op terug, wel kan ik nu al zeggen
dat ik daar –ondanks de droevige omstandigheden-
toch veel geloof gevonden heb.

‘Heer, geef ons een beetje meer geloof’
is dat niet troostend voor ons,
dat de eigenste vrienden van Jesus dat vroegen.
‘Heer, geef ons een beetje meer geloof…’
de mensen zijn zo zwak, de vrede is zo ver..
de oorlog duurt zo lang,
de rechtvaardigheid is er nog lang niet:
de mensen zijn nog steeds niet wijzer.’

Jesus lijkt hun vraag te begrijpen
en wil zijn vrienden en ons dus ook een beetje helpen.
Hij had immers geen supermensen uitgekozen
maar gewone zwakke mensen.
Zwakke mensen als helpers van andere zwakke mensen.
Kijk maar even wie er allemaal
in het 14e t/m het 17e hoofdstuk van Lucasevangelie de revue passeren:
– van de straat opgeraapte gasten die een bruiloftszaal moeten vullen,
– een zwerfjongere (de verloren zoon) die van huis weggelopen is,
– een man die beroofd wordt door een paar onverlaten
maar geholpen wordt door
een gastarbeider, een Samaritaan,
– een arme weduwe die haar uitkering kwijt is,
– een collaborerende tollenaar, een corrupte rentmeester
en nog wat aanverwant volk.

De evangelist Matteüs
in wiens boek we in de komende advent weer gaan lezen
zet in zijn evangelie frisse idealisten voor ons neer:
vrededoeners, rechtvaardigen.

Dan denk ik aan een soort dappere Joggers,
Als ik een beetje vroeg op ben, tref ik ze onderweg altijd aan.
Wakkere, sportief geklede lieden, vrijwel altijd mannen.
Kennelijk hebben die verder niet genoeg lichaamsbeweging
en hebben ze het meer nodig dan vrouwen.

Ze kijken heel ernstig,
hun gezichten hebben vaak een verbeten gelaatsuitdrukking
die vaak zeer komisch overkomt
en contrasteert met het clowneske sportieve slobberpak
dat kennelijk bij dat hardlopen schijnt te horen.

We willen allemaal graag jong en actief tevoorschijn treden.
Mensen zeggen allemaal dat ze graag oud willen WORDEN
-zei een cabaretier ooit- maar niemand wil het zijn.

We leven in een maatschappij waarin we met zwakheid,
met weerloosheid, met ouderdom, met zwakheid,
in de fout gaan, ziekte geen raad weten.

Terug naar Lucas met zijn bijzondere mensen-collectie.
Waarom beschrijft hij zoveel mensen
aan de zelfkant van de maatschappij?

Niet op de eerste plaats om ons medelijden op te wekken
zodat wij iets nuttigs voor ze zouden gaan doen
maar vooral om ONS allemaal,
groot en klein, sterk en zwak, dapper of angstig, vrouw of man,
religieus of leek te doen beseffen
dat wij zelf ook maar gewone weerloze mensen zijn,
mensen die meer ondanks dan dankzij zichzelf
‘onnutte dienstknechten’ heten ze in het evangelie van vandaag
mogen meedoen aan het grote gebeuren
van Gods geschiedenis met de mensen.

Kan dat wel?
Is deze omschrijving van Jesus’ vrienden en vriendinnen
als ‘onnutte dienstknechten’
(letterlijk staat er zelfs ‘waardeloze slaven’) niet beledigend?
Mensen die hun leven met belangrijk werk weten te vullen
vinden van niet.
Ik denk aan moeder Teresa –deze maand heilig verklaard-
die ons dit voorleefde
aan Paus Franciscus en alle anderen die dit voetspoor verder gaan.

Bij de zaak van het Koninkrijk gaat het nooit echt om
‘kijk mij nu toch eens’.
Je hoeft niet assertief behandeld te worden.
Het gaat nooit om jou als (om maar even aan de paus te denken)
veel gestudeerd hebbende of minder gestudeerd hebbende..
Zelfs je karaktereigenschappen zijn ook niet eens echt belangrijk….
het is natuurlijk meegenomen als je een prettig karakter hebt
en een beetje aardig bent maar toch…
het belangrijkste is of jij met jouw eigenschappen
goede en kwade, wilt meewerken aan de zaak van God.
Of jij met jouw eigen mogelijkheden
anderen een klein beetje troost en uitzicht kunt bieden.
Niet meer dus maar ook niet minder.
Als je doet wat je te doen staat ben je bijzonder en nuttig.

De Satan in het boek Job
kon zich niet voorstellen dat de rechtvaardige leeft
om er gewoon te zijn en te handelen,
niet eens wachtend op een beloning.

Jesus zelf heeft ons die belangeloze dienst voorgeleefd.
Van Hem die tot ons sprak
en het had over de gewone dienstknechten
die wij allemaal mogen zijn kan zeker gezegd worden
dat hij geen status zocht en geen aanzien.

Hij, zoon van God, heeft zich zelf aan ons laten zien
als een gewone dienaar, ja zelfs een slaaf
die anderen de voeten waste.

En toen Hij langs de weg de zieke bedelaar Bartimeüs tegenkwam
zei hij niet hooghartig: ‘ik ga je even helpen sukkel’
maar hij knielde naast hem neer en zei
-zoals het een goede slaaf betaamt-
‘wat wil jij dat ik voor jou zal doen’.

Aan mensen die zo’n mentaliteit uitstralen
heeft de wereld behoefte.
Niet aan mensen die alles beter weten
of die zich arrogant neerbuigen vanuit hun superioriteit
maar aan mensen die naast andere mensen gaan staan.

Die met ze mee lijden en lachen,
met ze mee geloven en aarzelen,
die naast ze zijn in alle omstandigheden
namens de God die als naam heeft meegekregen:
IK ZAL ER ZIJN.

De oktobermaand die wij samen vieren is niet alleen Bavomaand
maar ook Mariamaand,
Iedere dag wordt in het brevier van de priesters
in de vespers haar lofzang gebeden:
de lofzang waarin ze zingt
dat zij ook maar een gewone onnutte dienstmaagd is maar…
wel een dienstmaagd waar God graag gebruik van zal maken
bij de volbrenging van Zijn plannen.
In haar Magnificat zingt ze – ik vertaal het een beetje vrij- :
De trotsen worden van hun tronen gestoten
en God kan met de hulp van Zijn personeel de weerlozen verheffen.
De rijken worden ledig weggestuurd en de armen worden verzadigd.
Dat allemaal dankzij mensen als zij,
die gewoon onnutte dienstknechten willen zijn.

Ieder mens die een taak verricht,
of het nu een zuster of een pastoor is,
een vader of een moeder
hoeft er echt niet altijd een warm of mooi gevoel bij te krijgen.

Hij of zij hoeft ook niet het idee te hebben
‘ik spring er aardig uit’
maar moet het gevoel hebben dat hij of zij
als mens op de plek staat
waar zij of hij hoort en daar kan doen
wat van hem of haar verwacht wordt.

Het geloof in wat er kan moet misschien groeien
zoals dat in het wonderlijke begin van het evangelie staat:
een mosterdzaadje dat tegen een moerbijboom zegt:
spring in zee… en het gebeurt!
Een groot geloof hebben is moeilijk:
de profeet Habakuk die we in de eerste lezing hoorden
roept God erbij: hij maakt God als het ware wakker
‘waarom ziet Gij de ellende maar aan ?!’.
En als door een wesp gestoken antwoordt God meteen:
‘geef het wachten niet op, het recht zal komen:
en.. jij, als je een rechtvaardige wilt zijn,
zult leven door je volharding’ je gelooft nooit tevergeefs.

SLOT:
En waar hebben we het nu over gehad daar in de koepel?
Over Bartimeus en Jesus die niet zei: ‘zielige sukkel’
maar: ‘wat wil jij dat ik voor jou zal doen.’
En toen hadden we het erover
welke mensen voor hen daar iets betekend hadden
en voor wie zij iets betekend hadden. Er kwamen verhalen:
‘ik had altijd ruzie met mijn jongste broer
maar nu is hij de enige die iedere week komt.’ Een ander, pas 18 jaar:
‘Ik bid veel en ook vraag ik mijn oma die vorige jaar stierf
om mij te helpen…en dat doet ze ook.’
Een ander –hij komt deze maandag weer vrij- was teleurgesteld:
’ik heb altijd iedereen geholpen maar nu ik hier terecht gekomen ben
heb ik geen van mijn oude vrienden meer gezien
en ik weet niet of ze mij nog willen zien.’

Toen hebben we samen gebeden, onder die koepel
en ik vertelde over onze koepel waar wij nu onder zitten
en ik zei: ‘we zullen aan jullie denken zondag
want de koepel van Gods liefde staat over ons allen uitgespreid.
Heb dus maar geloof, hij houdt van ons en zal ons allemaal helpen
God kent ons allemaal.’

Zij hadden daar –zo merkte ik- hun geloof bewaard
en het was hun tot steun,
net als het dat voor een meisje was die ernstig ziek is
en die ik de middag daarna bezocht.

Mijn bede is dat wij het ook bewaren en dan geldt:
In te Domine speravi…
op U Heer heb ik gehoopt
Non confundar in aeternam,
Ik zal nooit van streek raken. Zo moge het zijn, AMEN

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

25 september: Behoefte aan duidelijke taal

[print]

26e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Amos 6,4-7

  • Lucas 16, 19-31

Het lijkt wel een sprookje:
‘er was eens een rijk man die iedere dag feestvierde
en een arme, die Lazarus heette– die naam betekent God helpt!-
die als bedelaar aan de deur lag… ‘
maar het is helemaal geen sprookje
het is een protestverhaal van Jesus
tegen een wereld waarin rijk rijk is en blijft
en arm arm. In de arme landen zijn er honderden doden
als er een tornado komt, de gammele hutjes waaien weg
en de armen zijn weerloos.
In de rijkere landen zorgt
de rijke structuur van het land
voor steviger huizen: ze kunnen een stootje hebben.

De afgelopen week wachtte ik ademloos op wat er in ons parlement
zou worden gezegd… hoe gaan we de wereld redden?
Hoe gaan we bouwen aan een betere toekomst voor onze jeugd?
Hoe gaan we de armoede en het onrecht in de wereld te lijf?

Ik werd wat teleurgesteld. Twee dagen lang zeuren
over een premier en of die wel of niet ‘oprotten’ mag zeggen;
ik geloofde mijn oren niet.

We krijgen vandaag veel stof tot overweging.
Om te beginnen van de profeet Amos.
Neen geen verheven leraar maar een nuchtere landbouwer.

Om precies te zijn een vijgenkweker uit Tekoa,
het noorden van Israël die over een scherpe opmerkingsgave beschikte
en in woord en geschrift
de hooggeplaatsten in kerk en samenleving
onverbloemd de waarheid zei.

Zijn aanklacht laat niets aan duidelijkheid te wensen over.
‘Wee de zorgelozen in Sion,
de zelfverzekerden op Samaria’s berg.
Ze liggen op ivoren rustbedden
en strekken zich lui en vermoeid uit op hun sponden.

Ze willen ook nog wel eens vroom doen
en zingen en de harp spelen
denkend dat zij Davids gezangen evenaren;
ze drinken wijn uit brede schalen
en zalven zich met kostelijke olie maar…
de arme verkopen zij voor een paar schoenen
en de Heer walgt van jullie gezang,
hou maar op en doe recht!’
Dat was Amos,
een van de duidelijkste profeten van het Oude Testament.
Hij kwam het eerst aan het woord en daarna Sint Lucas,
de evangelist van dit kerkelijk jaar
naar wie we nog enkele weken mogen luisteren.

Het evangelie van deze zondag vertelt
over het no nonsense-denken waar ik zojuist over sprak
tot in zijn uiterste consequenties.

Ikke ikke en de rest kan….
Dat laatste, dat kunnen stikken,
geldt voor de arme weerloze Lazarus
die buiten de poort van de villa van de rijke ligt.

Alleen de honden die zijn zweren aflikken
besteedden nog aandacht aan hem.
De rijke in het verhaal is gezien in het dorp
en krijgt na zijn dood een eervolle begrafenis.

Dat laatste detail is wrang.
De begrafenis van de arme die al eerder gestorven was
is immers geheel onopgemerkt gebleven,
misschien hebben alleen de honden om hem getreurd.
Maar.. bij God is alles omgekeerd.
De arme kreeg een vorstelijke ontvangst in het koninkrijk Gods.
Hij komt in Abrahams schoot.
De rijke blijkt echter in de hel terechtgekomen te zijn.

Een onplezierig thema misschien, de hel,
maar in dit verhaal is hij echt nodig.

Na de eervolle begrafenis van de rijke met de slechte afloop dus
wordt een prachtig discussie beschreven tussen de rijke,
de arme Lazarus en Abraham die namens God spreekt.
‘Geef mij wat te drinken’
vraagt de rijke aan Lazarus de arme die in de hemel is.

‘Geef mij te drinken’,
dat had Lazarus eerder aan de rijke gevraagd,
maar steeds tevergeefs:
‘ik was dorstig, ge hebt mij niet te drinken gegeven’.

‘Geef mij wat te drinken’ smeekt de rijke nu,
maar de afstand is niet meer te overbruggen.

De consequente no-nonsense leefwijze van de rijke op aarde
wordt door God serieus genomen:
er is geen weg terug meer.
Wanhopig roept de rijke dan nog:
‘laat mij dan mijn eigen familie gaan waarschuwen’
(waarom alleen die eigen BV??).

En dan komt een zeer belangrijk antwoord:

ZE HEBBEN MOZES EN DE PROFETEN
LAAT ZE NAAR HEN LUISTEREN!!

Een zeer belangrijke les wordt ons hier gelezen,
een klemmende boodschap ons doorgegeven.

Ten eerste: wat wij hier en nu doen
is bepalend voor ons hele lot.

En ten tweede:
er worden geen speciale boodschappen doorgegeven
achter de rug van Gods profeten om.

God neemt de verkondiging van zijn eigen helpers, zijn profeten,
werkelijk serieus.

Ons Bavofeest is in aantocht:
de volgende week gaan alle registers open.
Mag dat wel zo’n feest vieren
-dat deed de rijke toch ook iedere dag.
Heb je nog wel redenen om feest te vieren
in deze voor de kerk zo zorgelijke tijd?

Ik wou dat nou toch eens een keer omdraaien:
wij leven als kerk in een gezegende tijd:
Als je gezegend wordt betekend dat
Dat je door God wordt uitgedaagd:
Bij je doop, je huwelijk, je wijding,
als je wordt aangesteld door bisschop
en collega priesters, diakens en pastorale werker.
Je wordt geroepen er iets van te maken;

En bij iedere zegen weer aan het einde van iedere viering
worden wij allemaal uitgedaagd er de komende week iets van te maken.
Iets te gaan doen bijvoorbeeld, ter bevordering van de doorbraak van Gods vrede
(we denken daar vandaag in het bijzonder aan
nu de vredesweek ten eind loopt).

Iedere dag opnieuw moeten wij ons persoonlijk de vraag stellen:
Waar ben ik mee bezig.

Ik noem deze tijd een gezegende tijd.
Een tijd waarin wij samen, jong en oud,
Worden uitgedaagd er toch te zijn;
er te zijn voor God en de mensen die ons nodig hebben.

De oude getrouwe kerkgangers
-toch nog zo’n kleine vierduizend in Haarlem vandaag-
gaan steeds minder uit sleur maar zijn aan het ontdekken
wat de werkelijke waarde is van het geloven
en kunnen zo hun geloof beter doorgeven aan anderen.

En wat onze geloofsverantwoordelijkheden betreft:
die staat ons nu, duidelijker dan vroeger, scherp voor ogen
– de arme ligt aan de poort van onze welvaartswereld
en smeekt om hulp,
– de schepping is door al ons kunnen overmeesterd en misvormd.

We ontdekken onze gezamenlijke roeping
en – en dat is tiepisch iets van nu-
we herontdekken ook persoonlijk, ieder apart,
de rijkdom en de inspiratiebronnen van ons geloof.

En in onze dagen glanst –ondanks alle problemen-
het evangelie ons weer tegemoet
in al zijn felheid
en datzelfde geldt van de krachtige verkondiging
van het Oude Testament
waar we weer gevoelig voor zijn geworden.

Een geloofsleerling zei het niet lang geleden
toen ik met hem de verwantschap van het Oude
en het Nieuwe Testament besprak: ‘COOL’ zei hij: ‘VERS!’’
(dat is het nieuwste woord voor iets geweldigs).
Zo kunnen wij wijzer worden van de wijsheid
waar Jesus zelf ook uit leefde.

Jonge mensen bidden weer
-een onderzoek leerde
dat van de jeugd kerkelijk of niet kerkelijk- 75 procent bidt;
en waar het het dopen betreft gaat het stug door.
Jonge ouders blijven – neen niet allemaal, soms tot verdriet van hun ouders-
hun kinderen naar de kerk brengen.
En als onze taak volbracht is wordt Lazarus: GOD HELPT betekende zijn naam
weer genoemd in het lied waarmee onze dierbaren worden uitgedragen:

‘In Paradisum deducant te angeli’ –zo begint het gezang-
‘Mogen de engelen u naar het paradijs geleiden
en … moogt ge met de arme Lazarus –over wie Jesus eens sprak-
de eeuwige rust genieten.’

God sterke ons allen ieder afzonderlijk
bij onze eigen taak. En bidden wij om nieuwe inspiratie
voor politici en alle mensen die verbeteringen kunnen aanbrengen
in het lot van anderen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

18 september: Doen wat je kunt doen

[print]

25e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Amos 8, 4-7

  • Lucas 16,1-13; De onrechtvaardige rentmeester

De tien eerste dagen van het nieuwe jaar (5777)
heten in de joodse traditie bezinningsdagen
en de laatste dag daarvan is de Grote Verzoendag.
In de schuldbelijdenis die in die dienst wordt uitgesproken
de WIDOEJ worden 35 ernstige fouten genoemd: ik noem er enkele:
Overmoed, onwetendheid, onbezonnen gepraat,
kwaadsprekerij, onnodig geweld, het steeds maar zoeken naar winst,
ongemotiveerde haatgevoelens… en ga zo maar door.

In deze catalogus treffen we heel wat zaken aan
die de ontwrichting van de huidige samenleving verklaren.
Goed om daar rond de vredesweek over na te denken!
Wanhopig zoeken we naar de oorzaken van het terroristisch geweld:
haat gekweekt in de harten van verknipte mensen of groepen mensen
die zich geminacht voelen, die gebruik maken van de wanhoop
van verpauperde vluchtelingen.
Dertig jaar geleden werd er gezegd: ‘in het jaar 2000 zal de wereld
vrij van honger en oorlog zijn’: we weten dat dat niet gelukt is.
Zijn wij mensen zo slecht?

In de Grote Verzoendagsliturgie wordt er over gesproken
dat we fouten maken gedwongen of uit vrije wil,
in het openbaar of in het geheim, door moedwil of per vergissing
in geestesverwarring of nuchter en ga maar door.
Wij allen schieten jammerlijk tekort
vele mensen lijden daaraan en daaronder.
Op de grote verzoendag wordt dat toegegeven, beleden: uitgebreid.
Het is ook een stricte vastendag, dat helpt bij de bezinning.
Maar aan het einde van de dag houdt het vasten op: er is een happy end:
God gaat weer verder met zijn mensen en Hij blijft dezelfde:
richt je op, eet en ga verder en God gaat met je mee;
ieder mens kan nieuwe kansen krijgen
en God is hun Supporter.. met een hoofdletter:
‘ondersteuner’ betekent dat letterlijk.
Jesus’ is daarom niet kieskeurig bij de keuze van zijn medewerkers:
hij kiest geen supermensen en Hij praat met allemaal.
Dat wordt hem kwalijk genomen… de (schijn)heiligen willen graag
dat hun op deze aarde al eer wordt aangedaan
en nu al wordt erkend dat ze beter zijn dan andere mensen.
Ze worden geërgerd door Jesus’ gebrek aan kieskeurigheid.
Ze worden ook geërgerd door Jesus’ verhalen.
Dat zijn geen vrome verhalen over mensen die het fantastisch doen
maar hele andere verhalen: verhalen over mensen
die proberen te redden wat er te redden valt.

De verloren zoon is een voorbeeld daarvan
hij holde naar zijn vader terug en wierp zich huilend aan zijn borst.
Hij had meer spijt met zijn buik -hij verrekt van de honger-
dan met zijn hart. Toch ontvangt zijn vader hem hartelijk.

De man van vandaag is net zo’n tiep: de onrechtvaardige rentmeester
de mooi weer spelende dure meneer die geen zin heeft om te spitten
en het ook niet eens zou kunnen.
Het is eigenlijk een idioot verhaal van Jesus
al klinkt dat een beetje erg oneerbiedig
maar iedere kerkganger deelt (als hij eerlijk is) mijn mening.

De verhalen van Jesus schokten de mensen in zijn tijd
maar ze schokken ook ons. Is het Jesus’ bedoeling echt
om boeven en sjacheraars te prijzen?

Neen, ik denk het niet. Wel wordt ons iets anders geleerd
en dat is dat de vermeende goedheid van ieder mens
een uiterst relatief begrip is.

We dragen allemaal, (zoals het grote verzoendagritueel ook leert),
het bederf en de zonde met ons mee. Maar… en nu komt het:
bederf en zonde hebben niet het laatste woord.
Dat hebben de genade van God, zijn erbarmen, Zijn liefde voor ALLE mensen!

Laten wij even proberen het vreemde verhaal
van de onrechtvaardige rentmeester te volgen.
Hij is in dienst van een grote rijke baas. Een grote goede gastheer.

Nu wordt ons al een sleutel gegeven:
DE Gastheer bij uitstek is God, Israëls God, Kanaäns koning,
Hij is de Heer van de olie en de tarwe die we in het evangelie hoorden noemen;
alles is van Hem!
De goederen van Gods aarde-land zijn er niet
om anderen te knechten en afhankelijk te maken.
Wij hebben als beheerders alleen maar de taak te delen
en te zorgen dat iedereen genoeg heeft.

De man uit ons verhaal heet ‘een onrechtvaardige rentmeester’ waarom ?
Nogal glad, hij deed hetzelfde als vele tollenaars van zijn dagen,
hij inde veel hogere bedragen dan hij mocht innen,
en zo buitte hij de ondergeschikten van zijn heer uit.
Zijn heer hoort dat (met die heer is dus de Heer met een hoofdletter bedoeld)
en zegt: ‘wat hoor ik van jou? Leg verantwoording af van je beheer.’

En dan gaat de slechte rentmeester haastig zijn vroegere zonden goed maken
door de mensen die hij had uitgebuit
en die hij eigenlijk nog veel langer als melkkoetjes hoopte te gebruiken
haastig hun schulden aan hemzelf, hun uitbuiter kwijt te schelden.

Als je deze manier van tegen de rentmeester aankijken volgt
is de rentmeester niet meer de man
die in ons verhaal alleen maar mooi weer speelt met het geld van een ander
en ook niet meer de handige man die alleen aan zijn eigen hagje denkt.
Maar hij is, net als de verloren zoon uit het vorige hoofdstuk,
of de vrouw die niet deugde
en die de kostelijke balsem over Jesus’ voeten uitgiet,
een mens die ziet op wat voor doodlopende weg hij liep
en die zich bekeert.
De voormalig ‘onrechtvaardige’ rentmeester
is nu onrechtvaardige rentmeester af
en zo kan hij ons zelfs een voorbeeld zijn.

De rentmeester uit het evangelie
is in zijn bekeerde toestand een weldoener geworden.
Hij doet dat op zijn manier, met de mogelijkheden die hij heeft
maar Jesus prijst hem daarom.
Mensen hebben immers, ook middels de mammon,
middels de macht van het geld, hun gezamenlijke of hun privé-geld
de macht om anderen, zeer velen zelfs, wel te kunnen doen.

Het klinkt wijs als je zegt:
‘geld stinkt’ en vroom om te zeggen ‘het is maar het slijk der aarde’
maar deze uitspraken zijn te simpel.

De eigenlijke vraag die je van godswege gesteld wordt is:
wat doe je met jouw geld.
JIJ kunt wel zeggen dat het niet belangrijk is
en je je niet voor zulke dingen interesseert
maar voor de ander kan het de redding betekenen,
een mogelijkheid zelfs om te leven, om weer op te staan uit de dood.

Er staat immers ook geschreven dat je God zult dienen met heel je hart,
met heel je ziel en met al je krachten… letterlijk staat er: ‘met heel je vermogen’.
En vat dat maar rustig in financiële zin op. Met je geld kun je God dienen.
Door met je geld op een nieuwe manier om te gaan
kun je het aanschijn der aarde veranderen.
Dat dat niet gebeurt is geen kwestie van onmacht van onwil.

Want of er wel of geen verandering in de wereldeconomie komt
ligt altijd toch in handen van de rijken en de machtigen van nu.
Wie zijn dat? Wij rijke westerlingen? De oliesjeiks van Arabië?
De wapenleveranciers van oost en west? De drugshandelaars van Azië of Zuid Amerika? Hoe gaan we het kwaad bestrijden?
Wie weet een oplossing? Is er een oplossing? Ja, die is er.

We kunnen kiezen voor de dood en we kunnen kiezen voor het leven,
we kunnen kiezen voor de oorlog en we kunnen kiezen voor de vrede.
We worden uitgedaagd
slim te zijn als de kinderen van de duisternis,
eerlijk als de kinderen van het licht,
rouwmoedig zoals het gelovigen betaamt.

We kunnen kiezen voor de chaos van de machtswellust,
de ongerechtigheid, -zoals Amos de profeet die beschrijft-
of voor de nieuwe wereldorde van God,
recht, troost, licht en toekomst voor velen.
Ieder mens wordt uitgedaagd hier en nu zijn keuze te maken
en om zijn of haar bijdrage aan een betere wereld te leveren.

Rabbi Mendel kreeg op zekere dag bezoek van een leerling.
‘Meester’ zei deze ‘mag ik u een vraag stellen?’
‘Vraag maar’, antwoordde de rabbi.
‘Meester’,zei de leerling, ‘God is volmaakt en één en goed,
Hij heeft de wereld in zes dagen geschapen.
Hoe kan het dan dat die wereld is zoals ze is,
verre van volmaakt en goed?’
‘Zou jij het anders willen doen?’, vroeg de rabbi..
‘misschien zelfs beter dan God?’. De leerling antwoordde ‘ja’
maar kreeg onmiddellijk een rood hoofd omdat hij dacht
God gelasterd te hebben.

Maar de rabbi prees hem:
‘je hebt goed geantwoord, waar wacht je nog op,
ga gauw aan het werk!’

Ga maar aan het werk, met overleg, met de mogelijkheden die jij hebt ,
je inspannend voor een samenleving waar respect groeit voor de ander,
waar ruimte is voor allen,
waar vrede, vreugde en recht werkelijkheid worden hier en nu.

God geve in deze dagen ieder van ons
— de creativiteit om samen met anderen
te zoeken naar oplossing voor de problemen
die we op onze weg vinden,
— de kracht en de wil om onszelf te veranderen als dat nodig is,
en met onze eigen capaciteiten aan Gods Koninkrijk te bouwen.

Het is goed om te bedenken
dat Hij, de Schepper, onze blunders vergeven wil,
ons bemoedigt en met vriendelijkheid en liefde.
Ja dat Hij zelf in ons de kracht is
die zorgt dat er werkelijke vrede komt,
verzoening en geluk voor allen.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

11 september: Laat je vinden

[print]

24e Zondag door het Jaar.

Schriftlezingen:

  • Exodus 32,7-14

  • Lucas 15,1-10

In het evangelie wordt verteld over een herder
die op zoek gaat naar een verloren schaap.
En als hij het vindt is hij blij.

En we horen ook over een vrouwtje
dat een heel mooi gouden geldstuk kwijt is
ze gaat zoeken en zoeken en dan vindt ze het!
Gauw roept ze haar buren erbij: kom lekker feesten,
ik heb mijn gouden munt weer terug!

Het bijzondere van deze verhalen is dat God zelf bedoeld is
met die herder die maar zoekt en zoekt.
Maar het wordt nog bijzonderder als blijkt
dat God ook vergeleken wordt met dat vrouwtje
dat zoekt naar haar kostbare muntje.

God is dus niet ver, hoog en bazig maar Hij is anders:
Hij is als die vrouw die zoekt en vindt
en als de goede herder
die op zoek gaat naar het ene schaap dat verdwaald is .
Een herder die ook nog een zekere voorkeur heeft
niet voor de flinke schapen die de weg goed kennen
maar juist speciaal voor het weerloze schaap dat de weg kwijt is.

Niet omdat het ene schaapje zielig was.
Maar omdat de ene bijzonder is, uniek,
omdat één mens het lot van velen ten goede kan keren,
omdat één mens een beslissend verschil kan maken.
Daarom is die ene van belang, juist die ene die een eigen weg ging.
Zo van belang dat de anderen daarvoor tijdelijk in de steek worden gelaten.

De mens die de eigen weg durft te gaan is kostbaar.
Een mens die zich niet laat meevoeren door wat ‘iedereen’ doet en denkt.
De mens die uit de pas durft te lopen.
In het evangelie horen we dat Jezus op bezoek is bij tollenaars en zondaars.
Mensen die uit de pas lopen, zo ziet de meerderheid dat.

Mensen vinden het prettig als er een duidelijk onderscheid is tussen hen,
de gewone, goede mensen en de slechteriken.
Alsof de zogenaamde ‘gewone’ mensen niet hun misstappen maken.

De tollenaars en zondaars hebben het stempel gekregen
van ‘zij die niet willen deugen’
en misschien hebben ze van de nood een deugd gemaakt.
Als ze dan toch niet meer bij de gewone mensen mogen horen
kunnen ze beter hun bijzondere levenswandel tot kunst verheffen
en er lekker van leven. Maar Jezus legt zich niet neer bij deze status quo.

Hij wil op zoek om de verloren schapen te redden,
zoals het in de parabel staat.
Niet om het eens en voorgoed duidelijk te maken
dat het nooit meer in zijn eentje op pad mag gaan,
en het voor altijd in de kudde moet blijven.

Nee, want wat moet God aan met een volk
waarin geen mensen opstaan die richting wijzen, zoals Mozes dat deed?
Eerder zal Jezus proberen de mensen waarmee hij aan tafel zit
andere wegen te wijzen: Ze hebben al laten zien
dat ze in staat zijn om een eigen weg te gaan, los van wat ‘iedereen’ doet.

Dat ze eigenwijs zijn, hun eigen gang durven gaan.
Afgezien van wat ze dan precies gedaan hebben is dat een kwaliteit,
dat is lef en levensdurf hebben. Jezus zal ze hebben aangemoedigd om eigenwijs te zijn in het goede, zoals hij dat zelf ook was.
Wat ‘de mensen’ er ook van mogen zeggen.

Een mens zijn die zelf durft na te denken,
die niet zijn oor laat hangen naar wat de algemene stemming is,
wat de meerderheid denkt, want het feit dat velen het denken
hoeft niet te betekenen dat het goed is.

Een mens die zelf nadenkt, het eigen geweten laat spreken.
Dat is ook een mens die als het moet durft in te gaan tegen het gezag,
of dat nou wereldlijk of kerkelijk was.
Mozes zelf schrok er immers niet voor terug
om in discussie te gaan met God, toen zijn geweten hem dat ingaf.

Dat is een van de diepe betekenissen
van die begin-woorden uit de bijbel,
dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis.
Dat maakt de mens, dat maakt ons tot een waarlijk tegenover,
onmisbaar om deze wereld de goede kant op te trekken,
in eerlijke eigenwijsheid.

De God van Israël onderscheidt zich
van alle andere goden omdat Hij anders is, avontuurlijker,
steeds op zoek is naar die eigenwijze mensen
zo vreemd en wispelturig als ze zijn.
Daarom was Hij ook zo slecht afgebeeld
door de mensen die van Hem een beeld maakten
als een sterke stier, als een supersterke, potente machthebber.

Alleen de mensen die respectvol de ander willen tegemoet treden
zullen de God van Israël in Zijn liefde kunnen ontmoeten,
alleen mensen die zelf weten wat zoeken is
zullen deze God kunnen vinden.
Alleen de mensen die weten wat angstige bezorgdheid is
om iemand of iets dat ze kwijt zijn
zullen deze God als hun God kunnen erkennen.

De zekeren hebben geen meester nodig en
-lijkt Jesus te willen zeggen- zullen hem ook niet vinden.
De mensen die zichzelf perfect achten evenmin.
Maar juist de mens die tot de ontdekking komt
dat hij het niet zonder de ander
al of niet met een hoofdletter, kan,
dat hij niet zonder genade kan leven…
die vindt in God en in Zijn Helper Jesus de Messias troost en steun.

Zoekt en gij zult vinden !!!! Is een gezegde
dat wel eens wordt gebruikt als je iets kwijt bent.
Maar vandaag slaat dat gezegde allereerst
op God op zoek naar de mens.
Hij gaat naar de mens op weg en Hij ZAL hem vinden.
Hij brengt hem terug en viert feest met vrienden en vriendinnen
om het verlorene dat teruggevonden is.

Jesus zelf zal ook een beetje verloren met de verlorenen zijn,
Hij komt aan de rand van de gewone maatschappij terecht
Hij gaat om met tollenaars en zondaars en eet met hen.

Maar met Pasen hebben wij gehoord dat de Vader zijn eigen zoon
die zo diep neerdaalde in de menselijke ellende
daar ook heeft gevonden om hem, en allen die Hij daar aantrof
in diepten van ellende, te redden
hun zonden te vergeten en te vergeven
en hen binnen te brengen in zijn vaderhuis
waar alle zoekers naar Hem ooit zullen worden binnengelaten.

Waar het de vergevende liefde van God betreft:
we kunnen ons die niet ruim genoeg voorstellen.
Het is als bij een overstroming.
Het water zal geen muizenholletje overslaan.
Zo is het ook met Gods vergevende liefde
die komt bij ons binnen en zal ons helemaal bereiken.
Hij komt in de diepte van ons bestaan
en zal ons vernieuwen en sterken.
Door de douche van Zijn overvloedige, vergevende liefde
worden wij bevrijd en opgericht
en zo kunnen wij anderen tot zegen zijn.

Dan zullen wij ook op zoek gaan
naar mensen die ons nodig hebben.
En het is ook nodig dat wij op zoek gaan
naar mensen met wie we samen de wereld beter kunnen maken.

Zouden wij christenen, moslims,
godgelovigen en mensen die niet in God willen of kunnen geloven
er in slagen zo ons best te doen
dat het nog wat wordt op deze wereld?

Durven wij afscheid te nemen van fanatisme, egoïsme,
machtswellust en op ons durven laten vinden door God
en daarom in liefde op zoek gaan naar elkaar?
Als wij zulke mensen willen zijn
kan God ons niet loslaten.

Hij zal ook ons, in onze moeizame zoeken
niet loslaten.
Ons geseculariseerde westerlingen
ook weer naar zich toetrekken in deze dagen.
Hij zal ons – en daar is geen twijfel aan-
vast en zeker vinden.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor