2e zondag veertigdagentijd. Schriftlezingen: - Genesis 15,5-18 - Lc.9,28-36Het is in een stad een beetje moeilijk om de sterren aan de hemel te zien. Soms wordt ons dat nog wel een gegund als we op vakantie zijn bijvoorbeeld in een omgeving waarin nog geen kunstlichtvervuiling is en waar je ’s nachts als het echt donker is plotseling overdonderd wordt door de pracht van ene hemel vol en vol met duizenden en duizenden sterren. ‘Kijk naar de sterren aan de hemel Abraham, zo talrijk zal jouw nageslacht worden.’ Zo talrijk…
Abraham is verbijsterd zijn nageslacht bestond tot dan toe uit nul, werkelijk nul personen! Hij was op weg gegaan uit Oer, vlak bij Babel omdat hij een stem hoorde uit de hemel: ‘Abraham ik heb jou nodig’ en hij was gegaan. Met zijn vrouw Saraj en zijn neefje Lot die kennelijk veel bij Abraham en Saraj rondhing.. een lange lange reis. Het idee van die reis. Daarin herkennen wij ons als 20e eeuwse gelovigen. We voelen dat beeld mee: het leven is een reis. We zijn op weg. Sommigen zeggen naar een nieuw toekomst.. naar Sjaloom, naar vrede naar goedheid. Maar zal die er ooit komen? Het evangelie van Lucas, waaruit we dit hele jaar lezen, is bij uitstek een reisverhaal. Lucas beschrijft het hele leven van Jesus als een lange tocht. Al heel vroeg in zijn evangelie staat vermeld dat Jesus vastberaden begint aan zijn: 'opgang naar Jeruzalem'. Het levensverhaal van Jesus is een reisverhaal. Dat geldt niet alleen voor Jesus zelf. De anderen zijn ook steeds op weg. Maria haast zich naar Elisabeth, de herders haasten zich naar Bethlehem, Maria en Jozef gaan met Jesus op naar Jeruzalem. Zelfs na Jesus' verrijzenis houdt Lucas aan dat motief vast. Jesus loopt met twee van zijn volgelingen mee, en aan het einde van zijn reisverhaal worden de leerlingen er op uit gestuurd met de belofte dat Jesus 'voor hen uit zal gaan in Galilea'. Lucas zelf reisde er ook lustig op los, naar de uiteinde der aarde, met Paulus mee: hij reisde naar Judea en Samaria, naar Damascus, Fenicië, Cyprus en de Romeinse provincies van Cilicië, Galatië, Azië, Achaje, Macedonië en uiteindelijk Rome zelf, 'het einde -en tegelijk het nieuwe middelpunt- der aarde'. Het leven is een reis. En op die reis proberen Jesus' leerlingen hun meester -soms met de grootste moeite- te volgen. Het evangelie van vandaag gaat op het eerste gehoor over een rustig moment maar dat is toch niet helemaal waar: ook op de berg Tabor gaat het over de tocht beneden door het dal. Op de berg heeft Jesus Petrus, Johannes en Jakobus in zijn nabijheid. En daar doet Jesus iets wat geen van de andere evangelisten vermeldt: Jesus begint te bidden. Hij kan Zijn tocht niet volbrengen zonder de steun van Zijn Vader, de grote reisgenoot onderweg. Na dat bidden verschijnen hem Mozes en Elia. Mannen die van wanten weten. Mensen die geleefd hebben uit de kracht van de God van Israël die met mensen meegaat. De God die ooit al met Abraham meeging, die hem verbijsterd deed kijken naar al die sterren, lichten in de verte…. -de God die -zoals wij vandaag hoorden- als een laaiend vuur tussen de stukken vlees op de offerstenen voorbijging. -De God die het gelaat van Mozes deed stralen zodat de mensen hem niet durfden aan te zien voordat hij voorganger mocht zijn van God volk -de God die als een laaiend vuur Elia hielp toen hij op de berg Karmel zijn naam in ere hiel en het volk daarna weer de goede kant op gidste. Als enige evangelist vertelt Lucas ook waarover de drie daar op de berg spraken.. nl. over 'Jesus' heengaan dat Hij in Jeruzalem zal voltrekken. Letterlijk staat er 'Jesus' uittocht in Jeruzalem, Jesus' Exodus. Zijn uittocht die Hij zal voltrekken uit het oude land naar een nieuwe wereld. Een uittocht van een zieke naar een gezonde wereld, vanuit het donker naar het licht. De leerlingen worden uitgenodigd die Uittocht mee te maken. En om ze de kracht te geven te volharden wordt hun hier al een glimp gegund van het licht van de Paasmorgen dat uiteindelijk zal stralen in ons midden. Een Afrikaanse missionaris uit Zuid Afrika beschrijft hoe de straatjongens in Johannesburg vertelden hoe ze dagen lang, soms weken lang gelopen hadden op weg naar de lichten van de stad. De eerste dagen als het licht nog ver was bemoedigden zij elkaar door verhalen over dat licht in de stad. Tot ze op een goede dag de verhalen over dat licht niet meer nodig hadden omdat ze aan de horizon een licht zagen dat niet langer kwam van de maan of van de sterren maar dat het donkere oranje-achtige licht was, dat als een halve ballon over iedere stad van de wereld hangt. Dat was het licht dat hen aantrok: de grote stad! Een licht waarheen ook nu nog miljoenen vluchtelingen die hun heil zoeken in de grote wereldsteden op weg zijn. Voor hen het licht van een nieuwe wereld. Volgens Lucas zijn we allemaal op weg naar een nog beter licht naar een nieuwe betere stad: Gods lichtende definitieve aanwezigheid in ons midden. Het licht van deze ene mens die in glans verscheen op de Tabor bereidt ons daar op voor. Hij is in glans verschenen, een moment op de top van de berg, daarna is Hij zijn weg gegaan. Hoe zwaar was de tocht, hoe bitter zijn lijden, hoe bitter de pijn die Hij in Jeruzalem moest verdragen maar deze Exodus, Zijn Exodus was de bevrijdings-reis bij uitstek, de weg naar Pasen. Als wij Hem durven volgen zal het donker ons niet kunnen deren. Hij is het ware licht dat iedere mens verlichten wil die komt in deze wereld. Als wij naar zijn stem durven horen en ons op onze levensweg willen laten bijlichten door zijn woord zullen wij Zijn licht in de paasnacht aan elkaar kunnen doorgeven en samen nieuwe mensen worden. VERKLARING AAN HET BEGIN VAN DE VIERING VAN 28 FEBRUARI:
“Mijn hart zei tot U: Uw gelaat wil ik zien; ik wil Heer dat U naar mij kijkt; verberg uw aangezicht niet voor mij…” dat is een wat vrije vertaling van de Introituszang van zojuist. Welkom u allen. We komen naar God toe die van ons houdt. We mogen niet hoogmoedig zijn we weten dat wij Hem nodig hebben en zonder Hem niet echt kunnen bestaan. Er was veel tumult in de kerk deze week, kreeg u het niet mee des te beter. Enkele opmerkingen: ten eerste ben ik onder de indruk van de eerlijkheid van de reactie van de paters Salesianen en ten tweede ben ik niet onder de indruk van de gebeurtenissen in het Brabantse. Laat ik er dit van zeggen: het hoofdthema van ons Bavopastoraat is de gastvrijheid. Waarbij we dan wel moeten weten dat we geen recht hebben op de liefde van God maar dat die ons als een genade ten deel valt. Daarom proberen we allemaal te leven als mensen die God graag zou willen ontmoeten. Bescheidenheid past daarbij en dus beginnen we iedere Eucharistieviering met een schuldbelijdenis en voor we ter communie gaan zeggen we het nog een keer: “Heer ik ben niet waardig.” Als priester verricht ik nog het ritueel van de handwassing dat wil allemaal zeggen: we zijn zoals wij hier zijn mensen met onze eigen fouten afhankelijk van de milde liefde van God. Hij wil graag onder ons wonen als wij eerlijk zijn en aanvaardt onze goede wil zoals we dat straks na de schuldbelijdenis mogen horen. Vieren we zo in blijde dankbaarheid de maaltijd van de gastvrije Heer. |