Paaszaterdag 30 maart 2002Het verdriet van de vrouwen Het is koud en donker, maar bovenal stil op de berg Golgotha. Er staan drie kruisen, aan de middelste hangt Jezus, de rabbi uit Nazareth. Vanaf een afstand kijken vrouwen toe, hun gezichten zijn nat van de tranen.
Het zijn de vrouwen die met hem meegekomen zijn vanuit Galilea, waaronder Mirjam van Magdala, Susanna, Johanna en de moeder van Jezus, Maria. Mirjam begint zachtjes te kermen: "Oh Jezus, wat hebben ze toch - in godsnaam - met je gedaan? Je leven was alleen maar goedheid en liefde. Je bracht rechtvaardigheid en vrede In jou was geen enkel kwaad. De mensen die vandaag riepen: Aan het kruis met hem liepen vorige week nog achter je aan. Hosanna, riepen ze, met palmtakken in de hand en ze legden jassen op de grond. Koning wilden ze je maken en nu hangt dat spotschrift boven je kruis: De koning van de joden." Dan komt er een man naar hen toe. "Jullie moeten weggaan," zegt hij. Het is gevaarlijk te treuren om een ter dood veroordeelde. Mensen die dat doen, lopen de kans ook zelf gekruisigd te worden." "Maar we kunnen hem daar toch niet laten hangen?" zegt Susanna, "hij moet begraven worden." "Dat zal ik voor jullie doen," zegt de man. "Ik ben Jozef van Arimathea, ook ik had grote bewondering voor Jezus. Ik ben een belangrijk man en daarom vindt Pilatus het goed, dat ik het lichaam van Jezus in een rotsgraf leg in mijn eigen tuin." Heel voorzichtig haalt hij Jezus van het kruis af, wikkelt hem in een linnen doek en draagt hem naar het graf. De vrouwen volgen hem in stilte. Jozef roept hen binnen. "Kom…….. en neem afscheid van je vriend." Daarna rolt hij een grote steen voor het graf. De vrouwen gaan naar Bethanië naar het huis van Martha en Maria. De vreugde van de vrouwen De volgende dag is het sabbat, daarom blijven de vrouwen thuis. Ze zijn met elkaar verbonden door het grote verlies, maar ieder is nog bezig met haar eigen verdriet, haar eigen herinneringen aan Jezus. Tot Lydia opstaat en zegt: "Krom was ik, zo krom als een hoepel. Al jarenlang had ik geen mens meer in de ogen kunnen kijken en toen kwam hij en bukte zich en keek me aan. Ik voel nog zijn warme handen over mijn rug. …….. Hij heeft me weer rechtop doen staan." En dan worden de herinneringen met elkaar gedeeld en komen de verhalen los. Maria vertelt met een stralend gezicht: "Altijd maar moest ik hem verhalen vertellen uit de schriften: 'Mam, vertel nog eens het verhaal van de schepping van hemel en aarde……. en dat van de bevrijding uit Egypte, en van de ballingschap in Babylon. God moet toch wel veel van ons volk houden, dat hij op de moeilijkste momenten het dichtste bij hen was.' …… En altijd maar die vragen van hem: hoe zit dit, hoe zit dat? Hij zette Jozef en mij ook aan het denken." "Juist omdat hij zoveel wist en omdat hij zo diep over de dingen nadacht," zegt Susanna: "kon hij zo vrij met de wetten omgaan………" Maria van Klopas valt haar in de rede: "De wetten zijn er om de mensen vrij te maken en niet om ze te onderdrukken, dat zei hij steeds en zo ben ik van een bang muisje een zelfbewuste vrouw geworden." Mirjam van Magdala begint te lachen: "Ja Maria en daarom durfde jij tegen hem in te gaan, wat konden jullie soms lekker met elkaar redetwisten. Weten jullie…", zo gaat ze verder: "ik heb zelf geen kinderen en van Jezus heb ik geleerd hoe kinderen een voorbeeld voor grote mensen kunnen zijn. Herinner je je nog die keer in de heuvels van Golan. Petrus zei tegen Jezus: Stuur de mensen naar huis, want het is tijd om te eten, maar Jezus antwoordde: Geven jullie hen te eten. En toen kwam dat jongetje, Tobias heette hij. Hij had maar vijf broden en twee vissen bij zich en hij wilde daarvan delen. En Jezus nam dat eten aan, hij sprak het gebed uit, brak het brood en de vissen en deelde uit." "Ik had een paar stukjes fruit bij me, dat heb ik toen met een gezin gedeeld," zegt Johanna. "En is dat nu zomaar voorbij, alles wat we van Jezus hebben geleerd en gehoord en gezien?" vraagt Martha. Even is het doodstil. Dan zegt Maria, de zus van Martha: "Het koninkrijk van God lijkt op een mosterdzaadje, het begint heel klein, maar als het in vruchtbare aarde valt, gaat het groeien. Dan wordt het een boom met heel veel takken en bladeren. Was Jezus misschien dat mosterdzaadje en kunnen wij dan de vruchtbare aarde zijn?" Daar durft niemand antwoord op te geven. In de avond maken Salomé en Johanna kruiden en balsem klaar om daarmee het lichaam van Jezus te zalven. En 's morgen heel vroeg gaan ze allemaal naar het graf, de steen is al weggerold. De een na de ander gaat naar binnen. Ze schrikken: Ze zien het lichaam van Jezus niet. Opeens is er een licht en ze horen een stem: "Waarom zoekt u de levende bij de doden? Hij is niet hier. Hij is tot leven gewekt. Heeft hij niet zelf tegen jullie gezegd, dat hij op de derde dag weer zou opstaan?" Verdwaasd staan ze in de tuin. Wat is hen overkomen, was dat een visioen, een stem uit de hemel, een boodschap van Jezus? Ze kijken elkaar aan en beginnen dan druk te praten. "Hij is opgestaan; God heeft hem niet in de steek gelaten; we moeten zijn verhalen verder vertellen, het brood-delen gaat door, de bevrijding van mensen is niet gestopt, het mosterdzaadje zal een grote boom worden. Alles waar Jezus voor leefde, waar hij voor stierf dat heeft toekomst." De vrouwen gaan weg van het graf en opgetogen vertellen ze aan ieder die het maar horen wil dat Jezus leeft pastor Els van Dongen - Caarls |