5e zondag van Pasen: Schriftlezingen: - Hand.14,21-27, - Openbaring 21, 1-5a, - Johannes 13, 31-35Vóór Pinksteren lezen we in de eerste lezingen regelmatig uit het bijbelboek dat ‘de Handelingen van de Apostelen’ heet, een verslag over het enthousiaste begin van de kerk. We horen hoe de christenen alles samen delen, hoe ze trouw nog de tempel bezoeken in Jeruzalem daarna het brood breken in een of ander huis.
We horen de omstanders zeggen: `kijk eens hoe die van elkaar houden.` En we horen hoe de kring zich uitbreidt iedere dag komen er nieuwe mensen die mee willen doen: joden maar ook niet joden allemaal enthousiast…. wat lijkt dat lang geleden voor ons. Tot onze troost: dat was al gauw verleden tijd. Al gauw kwamen er ruzies en ruzietjes tussen de eerste christenen. Al gauw kwam er een grote afstand tussen joden en niet joden al gauw werden christenen verdacht gemaakt en maakten zij op hun beurt de anderen verdacht. De goede begintijd is lang geleden. Maar het was ook al lang geleden voor de Johannes die zijn boek van de openbaring schreef de tweede lezing waarmee ik straks deze preek zal besluiten. Johannes van Patmos is gevangen genomen en is in een troosteloze situatie verzeild geraakt. De machten van de duisternis lijken het te winnen van de zachte kracht van het licht. Hij schrijft daar in gevangenschap zijn boek dat bekend is geworden als het boek van de Openbaring of de Apocalyps. Een boek met beelden en visioenen. Hij schrijft aan zeven parochietjes in de buurt, met een deftig woord 'de zeven kerken van klein Azië genoemd.' Hij schrijft over engelen en dieren. Hij schrijft over de aartsengel Michaël en over draken... allemaal bijbelgedeelten die veel mensen vaak heel vreemd uitleggen maar pas op: het gaat over een heel troostend gebeuren: de overwinning van het kwade door het goede. En al die draken en andere enge beesten zijn niet bedoeld om onschuldige mensen de stuipen op het lijf te jagen maar ze dienen alleen maar om zijn verhaal te stofferen en ons te vertellen hoe gruwelijk de machten van het kwaad soms kunnen zijn en hoe moeilijk de doorbraak van het goede werkelijkheid wordt. Tegen het einde van zijn boek daalt er een rust neer over het toneel en ziet hij een nieuwe maatschappij voor zich. Hij schrijft dan -wat wij vandaag mochten horen- 'Ik Johannes zag een nieuwe stad uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich getooid heeft voor haar man.' Daar zal geen smart meer zijn en geen pijn want God is werkelijk aanwezig in een geheel vernieuwde mensenmaatschappij. 'ZIE IK MAAK ALLES NIEUW' zegt de Heer, een geweldige belofte! 'Een nieuw gebod geef ik u' zegt Jesus in het evangelie van vandaag. Zijn leven loopt ten einde en Hij vertelt zijn vrienden nog een keer waar het om draait. En wat is dat dan ? Wat is dat nieuwe, dat heel de wereld vernieuwende gebod: 'gij moet elkaar liefhebben' Jonge, jonge wat is dat nieuw. Dat weten we toch al lang? Een nieuw gebod... Klopt dat eigenlijk wel? Ja en nee. Neen, omdat het gebod van de naastenliefde zo oud is als de Wet van Mozes zelf. Het boek Leviticus (Lev.19,18) vermeldt het uitgebreid. Maar waarom dan toch 'een nieuw gebod' ? Omdat het gaat om de persoonlijke invulling door ieder van ons. En wij christenen geloven dat Jesus’ eigen beleving het oude gebod werkelijk nieuw heeft gemaakt. Aan ons de opdracht dat te doen vandaag. Maar dat valt niet mee. Hoe moet dat dan ? Er is een mooi joods verhaal dat ons leert dat liefhebben niet iets romantisch is maar een heel werk is, echt een opdracht. Een deftige Romeinse dame komt naar Rabbi José Bar Chalafte en vraagt: 'ik hoorde dat jullie God de wereld in zes dagen heeft geschapen.' 'Dat is juist', antwoordt de rabbijn. 'Een mooi rustig leven' heeft die God van jullie zei de dame toen. 'En wat doet Hij dan daarna?' 'De Heilige zit in de Hemel en heeft het druk met het regelen van huwelijken.' 'Is dat alles?' riep de dame uit, dat kan ik ook! Ik heb wel honderd knechten en dienstmeisjes en om die aan elkaar te verbinden heb ik een uurtje nodig, meer niet.' 'Voor God is het regelen van de huwelijken op aarde nu nog moeilijker dan het opzij vegen van de rode zee, toen het volk Israël uit Egypte trok.' antwoordt de Rabbijn. Wat deed de dame? Ze nam haar 100 knechten en 100 dienstmeisjes, zette die op een rij en gaf het bevel: 'jij moet trouwen met die en jij met die.' En zo trouwden zij allen in één nacht. Schijnbaar had zij haar weddenschap met de Rabbijn gewonnen. Maar hoor wat de volgende dag gebeurde. De dame was nog niet wakker geworden of al de jonggehuwden kwamen allemaal bij haar klagen, de een met een gebroken been, de ander met een blauw oog, een derde met een gekneusde neus. De één zei: 'Ik wil die niet meer.' De ander zei: 'ik wil die niet meer.' De dame liet rabbi José weer komen en zei tot hem: 'werkelijk jouw God is een bijzondere God, Hij kan wat niet kan: mensen elkaar doen liefhebben.' En Rabbi José zei: 'heb ik het niet gezegd; Hij kan dingen tot stand brengen die moeilijker zijn dan het open doen gaan van een hele zee.' Het is een mooi verhaal, vind ik. Het gaat over het geheim van Gods omgang met de mensen. Ieders vrije invulling van zijn of haar levensopdracht maakt deel uit van het scheppingsplan van God. Mensen moeten elkaar liefhebben en dat is een nieuw gebod: dat is een uniek gebeuren, een groot mysterie. En het mooiste van dat geheim is dat dat altijd blijft bestaan want iedereen gaat het doen, op zijn eigen, unieke manier. En hoe ver mensen ook van God of gebod lijken af te dwalen zolang ze dat gebod vervullen blijft God in de buurt en is er hoop! Het is vanuit die gedachte dat Johannes zijn droom overeind hield die ik u voorlees uit zijn boek van de Openbaring: Ik, Johannes zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de vervaarlijke zee bestond niet meer. En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon: ‘Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij GOD-MET-HEN, zal hun God zijn. En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij.’ En Hij die op de troon was gezeten sprak: ‘Zie, Ik maak alles nieuw.’ Zo zij het, AMEN. |