Joz.5,9a,10-12; Lc. 15, 1-3.11-32. OPENINGSWOORD: Er waren eens twee broers, zo horen wij vandaag in de lezing van het evangelie van Lucas. Twee broers in een verhaal uit de bijbel, meestal betekent dat gedoe en gedonder al vanaf den beginne.
dam had twee zonen: Kain en Abel. Kain werd boos en sloeg hem dood. Abraham kreeg Ismael en Isaak, maar Ismael moest wijken voor Izaak. Isaak kreeg Esau en Jacob, en Jacob ontfutselt aan zijn broer zijn eerstgeboorterecht. Steeds gaat het mis, en al vanaf den beginne klinkt de vraag die de hele Bijbel door blijft klinken: ben ik dan mijn broeders hoeder? Broers worden vaak afgeschilderd als elkaar tegenpolen, ze proberen van elkaar af te komen maar kunnen in wezen niet zonder elkaar. Het gaat niet alleen om broederschap maar natuurlijk ook om zusterschap. Denken we aan het verhaal van Martha en Maria, de twee zusters die Jesus bij hen thuis ontvingen. Martha liep vol zorg te rennen en Maria koos ervoor om gewoon te luisteren. Twee tegenpolen, telkens weer, beiden met een stukje van het gelijk, twee tegenpolen, ook zo vaak in ons zelf en een vader vol liefde die elk van ons in zijn armen wil sluiten, daarover gaat het vandaag. Wij worden geroepen in vreugde hier de Eucharistie te vieren, doen we dat dan ook met een dankbaar hart en vertrouwen wij ons, met ons fouten toe, aan de Eeuwige die het werk van zijn handen niet loslaat. PREEK: Laetare Jerusalem.... met die troostende woorden werden wij vandaag welkom geheten. Een volk was in ballingschap geweest, ontreddering alom: de profeet had gewaarschuwd: 'je hebt het aan jezelf te danken, je bent ontrouw geweest aan je roeping. Maar de profeet blijft niet treuren. Er komt een keer in het lot van de ballingen. Het doet ons vandaag denken aan de komst van de oude koningin Wilhelmina en de kleine Juliana in Nederland aan het einde van de oorlog. Eerst zongen ze: 'aan de oevers van Babylon zaten wij en weenden' toen werd het: 'als God ons thuisbrengt dat zal een droom zijn' en daarna als de terugkeer naar Jeruzalem een feit is: 'toen de ballingen mochten terugkeren was het alsof wij droomden.' De werkelijkheid van de troost van God gaat onze stoutste verwachtingen te boven. Laetare Jeruzalem, verheug je Jeruzalem: in je lot komt een keer. Alles zal nieuw worden, er komen nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden. 'Die in tranen zaaiden zullen oogsten met gejuich. 2. Middenin de vastentijd, die ernstige periode van bezinning op onze manier van leven, op onze inzet als christen, roepen de heilige schrift en de liturgische traditie ons op om feest te vieren. Er zijn altijd nieuwe kansen, nooit heeft de droefheid het laatste woord. Gefeest gaat er worden door de mensen van Israël in het gevolg van Jozua omdat Gods volk Egypte en de woestijn voorgoed achter zich gelaten heeft. De grensrivier de Jordaan is overgestoken het manna dat hen in de woestijn op de been hield is niet meer nodig en houdt op te vallen. Ze kunnen Pasen vieren. in een nieuw land en dat doen ze ook een beetje onwennig etend van het vaste voedsel dat het land oplevert. Nog meer feest: De Vader in het evangelieverhaal roept uit, tot tweemaal toe: 'er moet feest en vrolijkheid zijn.' Waarom feest? 'Omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is gevonden.' Lucas schetst in zijn gelijkenis een vader, een God, die spot met al onze moraliserende en patriarchale godsbeelden. De vader ziet zijn kind, ziet mij, ziet u, ziet ons mensen, wij die allemaal het grote feest niet waard zijn van de ene naar de ander blunder gaan Hij let er niet op, Hij ziet zijn kind, zijn jongste zoon, u en mij al van verre aankomen en Hij wordt door medelijden bewogen en -zo oud als Hij is,- Hij rent op ons toe Hij valt zijn kind om de hals en kust het hartelijk. Hij hoopt er vurig op dat wij het goede land, de nieuwe toekomst durven binnentrekken; dat wij op weg durven gaan naar Zijn en ons veilige huis. Het verhaal, de gelijkenis, vertelt dat je op die God op twee manieren kunt reageren. Ik dacht dat wij beide houdingen in ons dragen. De houding van de oudste zoon lijkt mij heel herkenbaar: laten wij toch alles bij het oude houden. Laten wij toch hard zwoegen en verder gewoon doen. We weten nu waar we aan toe zijn. De verhoudingen zijn toch zo mooi duidelijk. Hij heeft volkomen afstand genomen van zijn broer. Hij spreekt zelfs niet meer over 'zijn broer', neen hij zegt 'die zoon van u.' We horen het woord van Kaïn als God hem vraagt waar zijn broer is, meeklinken: 'ben ik mijn broeders hoeder ?' Wat heb ik met die zoon van U, Vader, te maken ? Laat mij, laat ons toch rustig verder leven. Hij sluit zich op in zijn eigen leventje, met zijn eigen kleine verdiensten, met zijn eigen vader, zijn eigen door hem geboetseerde God. Die houding kan schuilen in ieder van ons: ik wil geen vernieuwing; ik wil er niet op uit trekken om werkelijk mijn zuster, mijn broeder te ontmoeten, laat staan bij mij binnen te halen. En zeker niet -want dat maakt het gedrag van de vader voor die oudste zoon helemaal onbegrijpelijk - als die broeder zo'n verwerpelijk leven leidt: zijn vermogen heeft verkwist, met slechte vrouwen omgaat en noem verder al zijn slechte daden maar op. Hij heeft die narigheid toch aan zichzelf te danken. Maar ik denk dat die jongste zoon ook in ons huist. Hoevelen onder ons verlangen er niet naar om eens even lekker allerlei rare dingen uit te proberen. Hoeveel mensen komen niet raar terecht en er is niemand meer die naar ze omziet: niemand die hem iets wil geven, al was het maar een schil uit de varkenstrog. En dat terwijl die zoon zo uitbundig en gastvrij, anderen van zijn rijkdom heeft laten genieten; zo slecht was hij nu ook weer niet. En dan, als hij vastgelopen is, als wij vastgelopen zijn kunnen wij terug. We hoeven niet ten gronde te gaan aan schuldgevoel, krampachtigheid of depressiviteit. Het verhaal vertelt: verre van ook maar te peinzen over een oordeel dat de vader, God, de lippen van de wanhopige jongen, die woorden van spijt willen gaan zeggen, kust. Er moet feest zijn voor deze zoon. Ook de oudste zoon, de zwoeger wordt door de vader uitgenodigd voor het feest maar hij wil niet; hij wil de jongen van wie hij vervreemd is geraakt, niet meer zien als een broer met wie feest gevierd kan worden. Vandaag vieren wij, die in deze tijd Gods volk mogen zijn, al een beetje Pasen, bevrijding uit Egypte, terugkeer uit het verre land. Ons huis, onze parochiegemeenschap moet een huis van feest en vrolijkheid worden, waar het oudste en het jongste kind van de vader welkom zijn. Goede gedachtes voor een kerkgemeenschap die zich bezint op haar taak in deze tijd. Er is alleen maar hoop voor de kerk als wij, net als de hemelse gastheer, de deuren leren open durven zetten opdat iedereen zich hier welkom kan voelen. Dat geldt voor ouderen die soms een beetje schrikken omdat ze al zoveel hebben zien veranderen: ze moeten weten dat het altijd toch maar om één gelooof gaat, om één gastheer en één tafel. Maar dat geldt ook voor de jongeren die ons als pastores gelukkig heel openhartig laten voelen dat er nog veel meer moet veranderen. Ik wens ons op weg naar Pasen toe dat onze gemeenschap een huis van feest en vrolijkheid mag blijven en steeds meer mag worden ; een gemeenschap waar niemand wordt veroordeeld, waar mensen welkom zijn en vaste grond vinden; waar ieder -hoe oud of jong, hoe onopvallend of hoe buitenissig ook -wordt benaderd als 'die zuster, die broeder van mij.' Amen. |