ZONDAG LAETARE. Schriftlezingen: -Joz.5,9a,10-12; -Lc. 15, 1-3.11-32.Halfvasten is het vandaag, zondag laetare, dat betekent: verheug je, wees blij! Dat woord is genomen uit de gregoriaanse Introitus: ‘Laetare Jerusalem’, een bemoediging van de profeet Jesaja. Het volk was in ballingschap geweest, ontreddering alom: de profeet had gewaarschuwd: 'je hebt het aan jezelf te danken, je bent ontrouw geweest aan je roeping.
Maar de profeet blijft niet treuren. Er komt een keer in het lot van de ballingen. Eerst zongen ze: 'aan de oevers van Babylon zaten wij en weenden' toen werd het: 'als God ons thuisbrengt dat zal een droom zijn' en daarna als de terugkeer naar Jeruzalem een feit is: 'toen de ballingen mochten terugkeren was het alsof wij droomden.' De werkelijkheid van de troost van God ging de stoutste verwachtingen te boven. Laeatere Jeruzalem, verheug je Jeruzalem: in je lot komt een keer! Alles zal nieuw worden, er komen nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden. 'Die in tranen zaaiden zullen oogsten met gejuich. Middenin de vastentijd, die ernstige periode van bezinning op onze manier van leven, op onze inzet als christen, in een tijd van vele problemen in de kerk roepen de heilige schrift en de liturgische traditie ons op om feest te vieren. Er zijn altijd nieuwe kansen, nooit heeft de teleurstelling het laatste woord. Gefeest werd er in het verre verleden door de mensen van Israël in het gevolg van Jozua omdat Gods volk Egypte en de woestijn voorgoed achter zich gelaten had. De grensrivier de Jordaan was overgestoken het manna dat hen in de woestijn op de been hield was niet meer nodig en houdt op te vallen. Ze kunnen Pasen vieren. in een nieuw land en dat doen ze ook een beetje onwennig etend van het vaste voedsel dat het land oplevert. Nog meer feest: De Vader in het evangelieverhaal roept uit, tot tweemaal toe: 'er moet feest en vrolijkheid zijn.' Waarom feest? 'Omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is gevonden.' Lucas schetst in zijn gelijkenis een vader, een God, die spot met al onze moraliserende en patriarchale godsbeelden. De vader ziet zijn kind, ziet mij, ziet u wij die allemaal het grote feest niet waard zijn van de ene naar de ander blunder gaan Hij let er niet op, Hij ziet zijn kind, zijn jongste zoon, u en mij al van verre aankomen en Hij wordt door medelijden bewogen en -zo oud als Hij is,- Hij rent op ons toe Hij valt zijn kind om de hals en kust het hartelijk. Hij hoopt er vurig op dat de vroeger verloren zoon -dat zijn wij eigenlijk- het goede land, de nieuwe toekomst durven binnentrekken. Het verhaal, de gelijkenis, vertelt dat je op de uitnodiging van die God op twee manieren kunt reageren. Ik dacht dat wij beide houdingen in ons dragen. De houding van de oudste zoon die niet mee wil doen lijkt mij heel herkenbaar: laten wij toch alles bij het oude houden. Laten wij toch hard zwoegen en verder gewoon doen. We weten nu waar we aan toe zijn. De verhoudingen zijn nu toch zo mooi duidelijk. Hij heeft volkomen afstand genomen de anderen die niet zo gauw willen deugen zo ook van zijn bloedeigen broer. Hij spreekt zelfs niet meer over 'zijn broer', neen hij zegt tegen zijn vader: 'die zoon van u.' We horen het woord van Kaïn als God hem vraagt waar zijn broer is, meeklinken: 'ben ik mijn broeders hoeder ?' Wat heb ik met die zoon van U, Vader, te maken ? Laat mij, laat ons toch rustig verder leven. Hij sluit zich op in zijn eigen leventje, met zijn eigen kleine verdiensten, met zijn eigen vader, zijn eigen door hem geboetseerde God. Die houding kan schuilen in ieder van ons: ik wil geen vernieuwing; ik wil er niet op uit trekken om werkelijk mijn zuster, mijn broeder te ontmoeten, laat staan bij mij binnen te halen. En zeker niet -want dat maakt het gedrag van de vader voor die oudste zoon helemaal onbegrijpelijk - als die broeder zo'n verwerpelijk leven leidt: zijn vermogen heeft verkwist, met slechte vrouwen omgaat en noem verder al het oude of moderne afwijkende gedrag maar op. Hij heeft die narigheid toch aan zichzelf te danken? Maar ik denk dat die jongste zoon die naar een terugkeer naar de Vader God ook in ons huist. Hoevelen onder ons verlangen niet naar iemand die is als een moeder, een vader die zonder allerlei voorwaarden vooraf en gemoraliseer zijn armen voor hem opent. Hoe velen verlangen er niet naar los te komen uit het verre land van verslaving, van eenzaamheid, van krampachtigheid, depressie en schuldgevoel. Verre van ook maar te peinzen over een oordeel -vertelt het verhaal- kust de vader, God, de woorden van de lippen van de mens die zijn hart uitstort. De oudste zoon, de zwoeger wordt door de vader ook op het feest genodigd en opgeroepen om de mens van wie hij vervreemd is geraakt, weer te ontvangen als zijn broeder. Vandaag vieren wij, die in deze tijd Gods volk mogen zijn, al een beetje Pasen, halfvasten, laetare. Ons huis, onze parochiegemeenschap moet een huis van feest en vrolijkheid worden, waar het oudste en het jongste kind van de vader welkom zijn. Steeds opnieuw moeten we de deuren leren open te zetten opdat iedereen zich hier welkom kan voelen. Dat geldt voor ouderen die soms een beetje schrikken omdat ze al zoveel hebben zien veranderen: ze moeten weten dat het altijd toch maar om één geloof gaat, om één gastheer en één tafel. Maar dat geldt ook voor de jongeren die in deze parochie duidelijk hun bijdrage leveren en nieuwe initiatieven bedenken. Ik wens ons op weg naar Pasen toe dat onze gemeenschap een huis van feest en vrolijkheid mag blijven en steeds meer mag worden ; een gemeenschap waar niemand wordt veroordeeld, waar mensen welkom zijn en vaste grond vinden; waar ieder -hoe oud of jong, hoe onopvallend of hoe buitenissig ook -wordt benaderd als 'mijn eigen zuster, mijn eigen broeder’. Laten wij in die feestelijke geest elkaar straks de vrede van Christus toewensen. |