3e zondag Veertigdagentijd. Schriftlezingen: - Exodus 3, 1-15 - Lucas 13, 1-9.Het is toch verschrikkelijk wat er allemaal gebeurt…. het is me wat’. Zo verzuchten veel mensen na het zien van het nieuws of na allerlei akelige verhalen die mensen elkaar graag vertellen. Het is me wat, het was verschrikkelijk…. de slavernij van de joden in Egypte: ze werden gemarteld en geslagen. Na dan: ga, ja jij! -zo klinkt het in de eerste lezing tot Mozes- Jou zend ik naar Farao, om Mijn volk , de Israëlieten uit Egypte weg te leiden.
Alles begon in het leven van deze man met een kreet van verontwaardiging, als hij het, (pas volwassen geworden aan het hof van Egypte), moet meemaken hoe één van de opzichters in dienst van de Farao een joodse slaaf bruut neerslaat. Als hij dat ziet wordt hij woedend. De woede van de man Mozes is zo onbekookt en hels, dat hij zelf moordenaar van de moordenaar wordt. Wat hij voelde was echt en het overviel hem als een goddelijk bevel maar hij maakte zichzelf onmogelijk en hij vlucht weg naar de woestijn van Midjan. Daar vindt hij rust, trouwt, krijgt een kind en past op de schapen van de kudde van schoonpapa. Maar het is geen echte rust. Het huwelijk en zijn nieuwe bestaanswijze hadden het hart van Mozes niet echt getroost. Zijn hart treurde als hij aan het lot van zijn volksgenoten dacht. Dit kan niet zo blijven en Mozes krijgt dan ook op een schijnbare rustig middaguur, terwijl de zon brandend aan de hemel staat het visioen van het brandende braambos waarin zich plotseling God openbaart. De braamstruik is de nietigste van alle struiken. Het is een nutteloos gewas, behalve dan voor een enkel schaap met een sterke tong. Het beeld van de nietige braamstruik die niet verbrandt wordt door de joodse lezers vaak gezien als het beeld van het lijden van de nietigen, de kleinen: ze lijken verbrand en vernietigd te worden maar ze komen er toch doorheen. Net zoals de braamstruik de vurige dodelijke vlammen moet trotseren en ook trotseert zo is het volk van God door alle beproevingen heen gekomen. Omdat het zich vastklampte aan God. Het gaat in het visioen van het braambos om het geheim van ieder mens die gaan wil met God en die zich door God in bezit laat nemen. God zelf is een laaiend vuur, dat ons tot as kan verbranden maar dat doet Hij niet. Hij neemt ons als zijn werktuigen aan en stuurt ons er op uit. Maar dat valt niet mee. Mozes zegt -in het stukje wat in uw boekje helaas weggelaten is: 'wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden?' En dan komt het begin van een antwoord: 'Toen zei de Eeuwige: zie, ik ben met je!' De mens die zich ergert aan het onrecht en die opkomt voor het recht is iemand die mag weten dat God met hem meetrekt. Hij is niet alleen. Heel merkwaardig is wat dan volgt: Mozes vraagt om een teken om zeker te weten dat God met hem mee zal gaan. Wij zouden verwachten dat God hem misschien dan een wondertje zou gunnen zodat Mozes zeker weten kan dat hij veilig zit bij God. Maar hij krijgt zijn wonderteken niet. Wat krijgt hij dan wel? Hem wordt iets toegezegd: 'En dit zal het teken zijn dat ik jou gezonden heb: wanneer jij je volk uit Egypte hebt geleid zul je jouw God komen dienen op deze berg.' Het teken van 'Mijn aanwezigheid,' zegt God, 'is dit: je zult goed terechtkomen, het zal lukken. Als jij je opdracht serieus neemt zul jij met een van slavernij bevrijd volk terugkomen, hier, bij deze zelfde berg.' Alle onrecht, alle slavernij, iedere marteling is een slag in het gezicht van God. Goede plannen heeft God in overvloed die staan in het goede boek maar Hij kan niets zonder ons. Maar het zit ons niet altijd mee! Het evangelie van vanmorgen gaat over allerlei gebeurtenissen in Jesus' dagen die mensen verontwaardigd maakten en die hun de vraag deden stellen of je er wel of niet iets aan kon doen. Jesus preekt erg actueel en dat is voor ons moeilijk omdat wij de gebeurtenissen waar Hij op doelt niet meer kennen zoals ze over enkele lustra moeten gaan nadenken als wij zeggen: weet je nog ENSCHEDE of VOLENDAM. Allereerst horen we spreken over mensen die Jesus komen vertellen dat er iets vreselijks gebeurd was met Galileeërs 'wiens bloed door Pontius Pilatus met dat van de offerdieren was vermengd.' Waar hebben zij het over? Gelukkig helpen andere joodse schrijvers uit Jesus' tijd ons er achter te komen. Er was in Jesus' tijd een opstand geweest tegen de Romeinse bezetters. De opstand was mislukt en als straf zijn de opstandelingen in de tempel van Jeruzalem door Pilatus -neen Pilatus was niet zo lief zoals wij hem vaak voorstellen- geëxecuteerd. Hun bloed mengde zich als het ware met het bloed van de offerdieren in de tempel. Deze gebeurtenis had diepe indruk gemaakt en er werd veel over gesproken. Er waren mensen die de opstandelingen helden vonden en ze heilig wilden verklaren. Er waren er ook die het gevaarlijke heethoofden vonden. Jesus blijft daar min of meer buiten en zegt, nadenkende over deze gebeurtenissen dat ieder mens zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en zelf moet kiezen welke weg voor hem of haar dé weg is. Ieder mens moet vruchten voortbrengen van bekering, op zijn of haar eigen manier handelen opdat andere mensen er iets aan hebben. Maar maken dan andere rampen je niet machteloos, gewoon vreselijke dingen die er gebeuren zonder dat je er iets tegen kunt doen: een vulkaan die uitbarst, een aardbeving, een vreselijke ziekte die je treft, een muur die op je hoofd valt. Overkomen zulke rampen je als straf van God: Jesus legt uit dat, als dat zo was, veel meer mensen gedood moesten worden omdat ze verkeerd leefden. Die toren zou bijv. op ons allemaal moeten vallen en Pilatus zou ons allemaal wel kunnen dood maken. Alle rampen en alle ellende overkomen ons gewoon - net zoals een straaljager die op je hoofd zou kunnen vallen- maar ze houden wel een les in: we kunnen omdat wij dingen meemaken zoals wij ze meemaken dieper gericht worden op de dingen die wezenlijk zijn en beter gaan doen wat er gedaan moet worden. Alle mensen die met een echt diep verdriet te maken hebben gehad zullen je dat kunnen vertellen. En God zelf dan? Is Hij afwezig, trekt Hij zich iets aan van onze ellende? God heeft gesproken, zo hoorden we in de eerste lezing van vandaag: 'IK HEB DE JAMMERKRETEN VAN DE VERDRUKTEN GEHOORD.' Maar ook (Hij gaat in de tweede lezing als het waren verder): 'IK KOM KIJKEN OF DE BOOM VRUCHTEN DRAAGT.' Ik ben erg benieuwd naar de vruchten die jij voortbrengt de toekomst van Mijn wereld hangt van jouw wil tot bekering af: Bekering moet dan heel letterlijk genomen worden: niet alleen maar 'braaf worden en vroom' -daar is natuurlijk niets op tegen- maar er is meer mee bedoeld: zoiets als: je keren naar het goede je inzetten voor het goede…. werkelijk iets doen, je leven veranderen... en daarom is dit evangelie op de derde zondag van de vastentijd ook weer zeer goed op zijn plaats omdat wij allemaal worden verlost uit gevoelens van machteloosheid en schuld en allen, zoals wij zijn, worden opgeroepen, daden van gerechtigheid te doen. Allemaal zijn we wel eens bang of onzeker: hoe zullen we dit volbrengen. Iedere zondag worden wij aan het eind van de viering gezegend: dat betekent eigenlijk: erop uitgestuurd om je verantwoordelijkheid te dragen. En als de onzekere mens dan nog aarzelt en zegt... 'ik ben bang' en zich afvraagt wie die God toch wel is die ons zo uitdaagt en vraagt naar zijn naam krijgt hij het eenvoudige maar tegelijk ook mysterieuze antwoord: 'MIJN NAAM IS IK BEN BIJ JE'. Dat antwoord geldt voor ieder van ons hoogst persoonlijk en dat antwoord moet ons genoeg zijn. Het is hetzelfde antwoord dat Jesus kreeg toen Hij aan het kruis hing en zich afvroeg of God Hem niet verlaten had. 'MIJN NAAM IS: IK BEN BIJ JE' ik zal je redden, IK BEN BIJ JE, ik ga met Jou door de dood heen.. nu. Met die God die Jesus uit de dood naar het leven voerde kunnen wij rustig op weg gaan, aan die God die ons door het donker heen naar het licht voert die ook ons over de goede vrijdag heen naar Pasen voert kunnen wij ons rustig toevertrouwen. Die God zal ons niet teleurstellen. Hij kent ons bij onze naam en roept ons naar Zijn nieuwe toekomst rond de Zoon van belofte, laten we daarom bidden: Alle denkbare en ondenkbare levende zielen bevelen wij U aan. Gij hebt u toch beschikbaar gesteld, wij mochten U roepen hebt Gij gezegd, 'IK ZAL ER ZIJN' was Uw naam Wij zijn de mensen die Gij gemaakt hebt. Gij die gezegd hebt 'troost mijn volk' - voor hen die eenzaam tegen de grond gaan, voor hen die niets meer hebben dan ongeluk, is er geen troost, geen woord dat redt? Zijt Gij de vriend die hen omhoog haalt? Omwille van uw volk dat vreemdeling was in Egypte bidden wij voor alle vreemdelingen in ons midden. Dat zij een goed huis mogen vinden en gelukkig zullen worden met allen die hen dierbaar zijn. Behoed ons Heer voor de gruwel van de rassenwaan en laat Uw vrede wonen in ons midden. Voor hen die kracht uitstralen, liefde geven, recht doen, dat zij staande blijven in ons midden. Voor alle mensen die deze parochie helpen dragen, mannen en vrouwen, jonge mensen, oudere mensen, jongens en meisjes op de scholen, jongens en meisjes van het koor of rond het altaar. Pastores en vrijwilligers... Gij die in den beginne hebt geroepen: 'LICHT' en de duisternis vluchtte, 'DAG' en de nacht kromp ineen, 'MENSEN' en uit het onbestaanbare werden wij mensen. Gij die zin gegeven hebt aan ons bestaan. Gij die ons hart verwarmd hebt, grondvest opnieuw dit huis vol mensen, deze aarde. Tot vrede strekke ons Uw naam: IK ZAL ER ZIJN! |