Sluit je aan bij de Vriendenkring van de Nieuwe Bavo •                                         info@rkbavo.nl • (023) 55.333.77

"Heb je mij lief?" E-mail
Geschreven door Pastor E. Peijnenburg   
zaterdag, 24 april 2004

Handelingen 5:27-41, Johannes 21:1-19

 Mensen die al langere tijd een relatie met elkaar hebben, hoor je het soms wel eens vragen aan elkaar, een beetje speels en een beetje serieus: Zeg schat, hou je nog van me? In de meeste gevallen zal het antwoord op die vraag ja zijn. Maar om de een of andere reden voelt iedereen aan, dat dit "ja" niet overloopt van overtuigingskracht. En stel je voor dat de vraag nog eens herhaald zou worden. 'Hou je van me?' En hetzelfde antwoord komt. En ten derde male: "Hou je van me?" 'Jaha!!' Hoe meer keer het gevraagd wordt, des meer glipt het antwoord door je vingers. Tenminste, dat is mijn ervaring.

De vraag of iemand van je houdt, onttrekt zich aan het mechanisme van "effe checke." Het antwoord zit in duizend en één andere dingen, in aandacht, in sfeer, in gevoel. Het is een geheel van dingen die aangeven of het goed zit, of niet. Je weet het niet zeker, het is een kwestie van vertrouwen.

We hoorden net hoe Jezus tot drie maal toe aan Petrus vraagt: 'Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?' Voor Petrus een vraag om wanhopig van te worden. Uiteindelijk zegt hij maar: 'Heer, Gij weet toch alles? Gij weet dat ik u liefheb.'
Dat de vraag 'Hou je van me?' drie keer aan Petrus wordt gesteld, houdt verband met een andere vraag. Een vraag die, eerder, drie keer werd gesteld aan Petrus. Toen Petrus bij het paleis van de hogepriester kwam, waar Jezus gevangen gehouden werd, werd hem drie keer de vraag gesteld: 'Ben jij ook niet één van de leerlingen van die man?' Drie keer had Petrus toen ontkennend geantwoord. Toen het erop aankwam, had hij niet kunnen waarmaken wat hij overmoedig had gezegd: 'U in de steek laten? Nooit! Vertrouw mij maar: Mijn leven zal ik voor u geven.'

Het draait dus om vertrouwen, toen, en in het verhaal van vandaag opnieuw. Maar Jezus is niet gekomen om Petrus op zijn nummer te zetten, om hem eens even fijntjes te wijzen op waar hij in gebreke is gebleven. Op de vraag: 'Heb je mij lief?' volgt telkens een grote opdracht: 'Hoed mijn schapen.' De morgen, waarin Jezus aan de leerlingen in de boot verscheen, is opnieuw een Paasmorgen, en zeker voor Petrus. Hij kan opstaan, uit de donkere nacht, uit het gevoel gefaald te hebben, uit niet weten hoe verder. Jezus laat hem tot drie maal toe weten dat Hij Petrus nodig heeft om zijn kudde te hoeden. Hij geeft hem het vertrouwen, onvoorwaardelijk, om zorg te dragen voor zijn mensen, allen die door Jezus zijn aangeraakt, allen, die in zijn geest verder willen leven.

En vanuit die gebeurtenis opent zich het venster op de rest van de lezing. Want het verhaal dat we vandaag lazen begint ermee, dat Simon Petrus tegen een paar andere leerlingen van Jezus zegt: Ik ga vissen. Ze vangen hun dagelijks werk weer aan. Niet alsof er niets gebeurd zou zijn, maar om maar weer ergens te beginnen, in het leven van alledag. Eens had Jezus tegen hen gezegd: Ik zal u maken tot vissers van mensen. Maar hoe zou dat geschieden? Dat is voorlopig nog in het duister gehuld. Het was nacht, en ze vingen helemaal niets. Ze zwoegden zonder resultaat. Maar dan blijkt toch, dat de Verrezen Heer hen niet maar in hun eentje laat ploeteren. En Hij vraagt hen: 'Hebben jullie soms wat vis?' Een vraag van God, een vraag van Jezus in de bijbel is nooit zomaar een vraag om wat informatie. Het zijn vragen die een mens bij de waarheid, bij de essentie willen brengen. 'Adam, waar ben je?' vroeg God aan de eerste mens. Maar Adam had zich verstopt, uit schaamte. 'Kaïn, waar is je broer?' Kaïn weet maar al te goed waar zijn broer is, maar hij probeert de vraag van God te ontlopen. 'Maria Magdalena, waarom huil je?' want door verdriet overmand zoekt zij de Levende bij de doden. 'Hebben jullie soms wat vis?' vraagt Jezus aan de vissers, en die antwoorden, na een nacht vergeefs proberen, kortaf met 'nee'. Wat vissers van mensen zijn mag betekenen weten ze niet, en het lijkt wel of het gewone vissen hen ook niet meer lukt. Maar de vreemdeling op de kant slaagt er op de een of andere manier toch in hun moedeloosheid te doorbreken. Ze gooien op zijn advies het net over een andere boeg, en zie: het net raakt boordevol, 153 stuks. Precies het aantal vissen dat in die tijd bekend was, las ik ergens. Precies het aantal volkeren dat toen bekend was, las ik ergens anders. Wat het ook moge zijn: er wordt een overstelpende hoeveelheid mee aangeduid. Zeer vele vissen, zeer vele mensen zullen worden gevangen. De vissers bij het meer van Tiberias zullen het Goede Nieuws van Jezus gaan verkondigen. Tot de einden der aarde zal het verhaal worden verstaan.

Tot het moment van die grote vangst hadden de leerlingen Jezus nog niet herkend. Dat is toch wel opmerkelijk, zou je zeggen. Al twee keer is Hij na zijn dood aan hen verschenen. Ze moeten toch wel erg kort van memorie zijn. Maar het verhaal brengt geen geschiedkundig verslag van de belevenissen van de leerlingen na Jezus' dood. Het vertelt het verhaal van gelovige mensen, die nu eenmaal niet altijd meteen zien, misschien door de harde werkelijkheid van alledag niet eens meer echt rekenen op de steun van de Heer. Maar ineens ontdekken ze: Hij is nabij! Petrus wil, onstuimig als altijd, niet eens meer wachten tot het schip de oever heeft bereikt. Hij springt overboord en is als eerste bij Jezus. Daar ziet hij, opmerkelijk genoeg, een kolenvuur met vis er op, en brood. Jezus had zijn leerlingen om vis gevraagd, maar die ligt al klaar. Een mens leeft niet van wat hij zelf aandraagt, maar van wat hem van Godswege is bereid. En dan mag hij ook het zijne aandragen: Breng de vissen die jullie gevangen hebben aan land.' En dan is het Simon Petrus die de vissen aan land brengt.
Jezus geeft Petrus het vertrouwen dat hij nodig heeft, om verder gaan met zijn werk. Een vertrouwen, dat op liefde gebaseerd is. En een opdracht, die met liefde te maken heeft: zorg voor mijn kudde, draag Gods liefde voor mensen uit. Ook wij mogen ons aangesproken weten door wat Petrus en de anderen overkwam: Dat wij geliefd zijn door God, dat God onze liefde vraagt en ons het vertrouwen wil geven, te werken aan zijn Rijk. Hij heeft ons allen nodig.

Amen