| Het feest van Kruisverheffing |
|
| Geschreven door Pastor F. Geels | |
| zondag, 14 september 2003 | |
|
Beste Monseigneur Punt, Hein Jan, familieleden van wijlen bisschop Bomers, beste medeparochianen en gasten. Als u het goed vindt richt ik mij eerst tot de kinderen, van het koor en in de kerk. Dat neemt niet weg dat de volwassenen ook een beetje mogen meeluisteren.
“Kinderen hebben klein verdriet”, zeggen grote mensen wel eens. Heb-ben die mensen gelijk, vind je? Ik denk van niet. Ik denk, dat de grote mensen die dat zeggen, hun kinder-tijd vergeten zijn. Kinderen kunnen ook groot verdriet hebben. Als je steeds maar weer gepest wordt op school, bijvoorbeeld. Of toen oma dood ging. Of opa. Of zelfs toen je hond of je poes of je hamster dood ging. Zelf weet je nog wel, wanneer je erg verdrietig was. Misschien ben je nu wel heel verdrietig. Het is - en nu mogen de grote men-sen weer helemaal meeluisteren - het is nacht. Nicodemus, een farizeeër - “een van de voornaamste Joden”, noemt Johannes hem – is Jezus gaan opzoeken. Sommigen van zijn colle-ga-Farizeeën hebben het niet zo be-grepen op Jezus, maar Nicodemus ziet wat in Hem. Hij moet wel van God komen, denkt hij, anders had Hij nooit de tekenen kunnen doen die Hij doet. En Nicodemus zoekt Jezus op, in de nacht. De tijd dat het stil wordt. De tijd waarin het ver-driet, meer dan overdag, op je af kan komen. De tijd, dat de grote vragen over het leven zich kunnen aandie-nen. Nicodemus zoekt Jezus op, want Die weet wel iets van die grote vragen van leven en dood, heeft Ni-codemus gedacht. En dat blijkt ook zo te zijn. Vandaag vallen we mid-den in hun gesprek. Het blijkt over Jezus zelf te gaan. De ‘Mensenzoon’ noemt Hij zich. “De Mensenzoon moet omhoog worden geheven, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn,” zegt Jezus. Een beetje moeilijke tekst, maar we hoorden er iets over in de eerste lezing. Het ver-haal van de bronzen slang in de woestijn. Het volk, op weg van Egypte naar het veelbelovende land, heeft een grote tegenslag te verwer-ken. Ze mogen niet door een bepaald gebied trekken, het gebied van Edom. Daarom moeten ze een enor-me omweg maken. En dan komt al-les op ze af: de lange weg, de hitte, het gebrek aan water, dat saaie eten. In Egypte was het allemaal veel be-ter, toch? De een steekt de ander aan, en het wordt een grote klaag- en jammerpartij. God heeft niet het goede met ons voor, jammeren ze, maar Hij wil ons in de woestijn laten omkomen. Met dat geklaag roepen ze als het ware hun eigen lot over zich af: er zijn er die nu inderdaad sterven, door de beten van giftige slangen. Dat doet het volk tot het besef komen, dat ze echt te ver zijn gegaan met hun opstand tegen God. En ze gaan naar Mozes: Mozes, bidt, dat God die slangen van ons weg-neemt. In opdracht van God maakt Mozes dan een bronzen slang. Op-geheven op een paal. Psychologen die dit lezen zullen zeggen: je moet het kwaad eerst goed onder ogen zien, voordat het genezen kan. Dat is een harde boodschap, vooral in een cultuur als de onze, waarin alles wat ook maar riekt naar lijden voor veel mensen taboe is. Het leven, zeggen zij, moet aangenaam, glad en pijn-loos verlopen. Met lijden weten we vaak niet veel raad. Ja, maar je moet er toch echt naar kijken, zegt de psy-choloog, wil je verder komen. Het verhaal van de slang gaat, denk ik, nog een beetje verder. In het boek Wijsheid lezen we over deze passa-ge: “Wie zich naar dat teken wend-de, werd niet gered door wat hij zag, maar werd gered door U, de enige redder.” En zo zijn we weer terug bij Jezus. Vanuit deze visie op de opgeheven slang, kan Jezus over zichzelf zeg-gen: “En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mo-zes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben.” Als we kijken naar het teken van het kruis, als we opzien naar de Gekrui-sigde, zullen wij gered worden van de tirannie van kwaad en dood. Veel mensen, misschien meer dan je zou verwachten, hebben in hun huis een kruisbeeld hangen. Een prachtig symbool. Het herinnert ons eraan, dat het kruis midden in ons leven staat. Als teken van het lijden, dat ieder van ons overkomt. Als teken meteen ook van de overwinning op dat lijden door Jezus. Hij ging het niet uit de weg, Hij heeft het als een mens gedragen, tot het uiterste toe. Lijden in ons leven, niemand van ons ontkomt eraan. Er zijn mensen, die door wat ze in hun leven hebben meegemaakt, verbitterd zijn gewor-den. Daardoor wordt hun lijden al-leen maar groter. Het zijn gekwetste mensen, die hun wonden verbergen achter een schild van cynisme en sarcasme. Er zijn ook mensen, die in hun leven verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt, en die niet cy-nisch geworden zijn, maar in hun geloof een weg hebben gevonden om er mee om te gaan. Zij zijn, hoe merkwaardig dat ook mag klinken, door hun lijden rijkere mensen ge-worden. Ik ken veel van die mensen en zij inspireren mijn geloof. In het paradijsverhaal horen we, hoe de slang de mens ertoe verleidt, om anders tegen de dingen aan te kijken. Er stond een boom, waarvan God had gezegd dat de mens er niet van mocht eten. De slang zei er iets over en die boom werd in de ogen van de mens de meest aantrekkelijke boom van de hele tuin. De slang opende hun ogen, staat er. En ze zien wat er niet is. Amen.
|



