6e zondag door het jaar. Schriftlezingen: - Leviticus. 13,1-2, 45-46, - 1 Kor. 10,31-11,1, - Marcus 1,40-45Het gaat vandaag over erbij horen of er niet bij horen. Je zou zeggen dat jongeren die alles wat hun doorgegeven is kritisch bekijken voor zulke dingen ongevoelig zijn: ik hoef nergens bij te horen: ik ben mijzelf!
Maar zo is het niet. Je hebt bepaalde kleren die je moet dragen bepaalde merken schoenen die je aan moet en als je dat niet doet loop je voor gek. Je moet als je, jezelf een beetje je groot vindt voor het servet en anderen je te klein vinden voor het tafellaken ook gaan roken dat staat stoer en je hoort er meteen bij. Handig maakt de reclame daar gebruik van. Iedereen wil ergens bij horen: asielzoekers zoeken een plaatsje onder de zon jongeren willen serieus genomen worden en daarom al die inspanningen die eigenlijk niet echt nodig zijn want gelukkig komen we in onze dagen tegelijkertijd tot het inzicht dat ieder mensen uniek is en waardevol is, zoals hij is. 'Degene die aan een huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen,’ hoorden we net lezen: ‘hij moet zijn haren los laten hangen; hij moet zijn baard bedekken en roepen: onrein, onrein!' (Lev. 13,45) Het gaat hier over een melaatse: wordt die met opzet buitengesloten? Melaatsheid was in die dagen ongeneeslijk. Er was geen redden aan. Vandaar die strenge reinheidswetten die de melaatsen apart hielden. Dat was afschuwelijk maar niet onverstandig. Rond deze ernstige ziekte, melaatsheid, kan heel wat ter sprake komen. Het Talmudische jodendom kent een hele ruime interpretatie van het begrip 'melaats'. Het wordt zeer pejoratief gebruikt om de bedreigende machten rond Israël (Babel, Griekenland, Rome) aan te duiden. Melaatsheid had iets te maken met een definitief verworpen zijn. De ziekte was in die dagen zo ongeneeslijk dat alleen God geacht werd de genezing daarvan teweeg te kunnen brengen (net zoals Hij alleen de doden kan doen opstaan). Des te merkwaardiger is het dat een heel hoofdstuk van het boek Leviticus gewijd wordt aan het ritueel dat moet worden toegepast wanneer een ongeneeslijk zieke toch beter wordt! Hier is sprake van een visioen van een toekomst waarin alles nieuw zal zijn. Een profetie! Als er ooit sprake zou zijn van een genezing dan moeten werkelijk alle priesters in beweging komen om deze grote daad van God te proclameren. Stellen we ons eens voor, dat de tijd is aangebroken om alle kankerpatiënten publiekelijk genezen te verklaren: het zou betekenen dat de tijd is aangebroken waarin alles werkelijk nieuw zal zijn! Het is jammer dat de coupure uit Leviticus van vandaag het 'happy end' zoals dat in hfdst. 14 beschreven wordt, niet noemt. Het lijkt wel of het Eerste Testament alleen maar somberheid mag aandragen… Al is de situatie nog zo wanhopig het gaat er in de bijbel altijd om dat er toch – bij God- onverwachte dingen kunnen gebeuren! In het Oude Testament vindt je één belangrijk reinigingsverhaal het staat in het tweede boek Koningen. De koning van Israël roept, wanneer een buitenlandse legeroverste Naäman een beroep op hem doet om zijn genezing te verzorgen eerst wanhopig uit: “Ben ik God die kan doden en levend maken’ (v.7). Voor de band met God moet je bij de profeten zijn en de profeet Elisa biedt redding in de nood door zich met het geval te bemoeien en een bad in de rivier de Jordaan voor te stellen. De Jordaan, de grensrivier van het nieuwe land waar eens het weerloze volk Israël door getrokken was met de God van Abraham, Isaak en Jakob als verlosser een nieuwe toekomst tegemoet. Die God is de enige die (ook niet joden) echt helpen kan. De genezing van de melaatse zoals in het evangelie van vandaag verteld wordt is een belangrijke gebeurtenis die een eerste cyclus verhalen over Jesus in Galilea afsluit. Een melaatse zoekt contact. Er staat geschreven dat hij naar Jesus roept. Hij verwacht van hem iets nieuws. Hij verwacht dat Jesus naar hem kijkt als mens en hem misschien ook kan verlossen van zijn vreselijke lot; dat hij hem kan verlossen van zijn alleen zijn en misschien ook van zijn ziekte. Opvallend is het ontbreken van namen. De melaatse blijft volstrekt anoniem en ook de naam van Jesus zoekt men tevergeefs. De beide hoofdrolspelers worden alleen maar aangeduid als 'hij' en 'hem' (het Grieks kent ook geen hoofdletters om ons duidelijk te maken wie wie is). Aan het slot van de lezing raakt de lezer zelfs in verwarring. Wie van de beide hoofdrolspelers verkondigt en wie blijft buiten op een eenzame plaats staan (vers 45)? De ex-melaatse wordt in Jesus' plaats verkondiger, hij kan niet zwijgen. Jesus zelf echter trekt zich na de genezing terug naar een eenzame plaats. Een prachtige uitbeelding van de eenzaamheid van de solidaire knecht die in Jesaja 53 beschreven wordt: 'Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen' Jes. 5,34). Rond die eenzame Messias verzamelt zich gelukkig echter een nieuw gemeenschap: 'Zij kwamen tot hem, overal vandaan' (Mc. 1,45). De tallozen die naar Hem toekomen bevrijden hem op hun beurt uit de eenzaamheid van de afzondering en brengen hem terug in de wereld. De schrijver Marcus hoopt dat wij het ook wagen zullen deze eenzame Messias uit zijn isolement te halen en hem ook zullen volgen op zijn weg naar andere mensen toe. De bedoeling is dat niemand hier verloren loopt dat wij niemand uitsluiten om dingen die niet belangrijk zijn en dat wij samen bouwen aan een nieuwe wereld waarin het onmogelijke mogelijk is. Een wereld waarin ruimte is voor allen en iedereen zichzelf kan zijn. Aan zo’n wereld willen wij bouwen. We horen Paulus daarvan dromen in zijn eerste Korintiërs-brief: ‘Zoals het lichaam een eenheid is en de ledematen een veelheid, en alle ledematen ondanks hun veelheid toch één lichaam vormen, zo is het ook met Christus. Want wij zijn met ons allen door de doop één lichaam geworden in de kracht van de ene Geest, of we nu Joden of Grieken, slaven of vrije mensen zijn; allemaal zijn we doordrenkt met één Geest! De medisch te omschrijven ziekte: ‘Melaatsheid’ genezen is mogelijk gebleken, zeker hier in het westen. En als we even ons best doen is heel de wereld ervan bevrijd. Dat er nu weer andere ziektes zijn die we niet zomaar kunnen bestrijden maakt ons bescheiden en laat ons beseffen dat wij mensen toch weerloze mensen zijn. Het meest pijnlijk is echter de ziekte van de haat de pijn die mensen elkaar bezorgen door hun geweldadigheid, Jesus genas de melaatse als een teken dat het onmogelijk toch mogelijk is. Zou het dan echt waar zijn dat de vrede het wint van de oorlog? Zou er echt een einde kunnen komen aan geweld en koesteren van eigenbelang? Jesus wil ons in zijn voetspoor trekken om op een nieuwe manier mens te zijn. In zijn voetspoor gaande kan het lukken, God zegene ons allen, amen. |