Sluit je aan bij de Vriendenkring van de Nieuwe Bavo •                                         info@rkbavo.nl • (023) 55.333.77

Overweging bij de adventviering E-mail
Geschreven door Pastor E. Peijnenburg   
donderdag, 12 december 2002

Lezingen: Openbaring 1:1-8, 20:11-21:6, 22:10-21

Ik weet niet precies meer hoe oud ik was. Ik denk dat ik in een van de hoogste klassen van de lagere school zat. Toen mocht ik voor het eerst tijdens een viering in de kerk iets voorlezen. En ik weet nog precies wat dat was: Het was een bewerking van de Openbaring volgens Johannes, uit de Woord voor Woord kinderbijbel. Ik las over de nieuwe stad, de stad van God. En eigenlijk herinner ik me van dat alles meer het plaatje dan de woorden. Er stond namelijk een ontzettend kleurig plaatje bij, van een wereld met alleen maar mooie kleuren, dansende mensen, spelende kinderen, mensen en dieren met elkaar in harmonie. Dat beeld sprak me wel aan. Het paste ook goed bij fantasieën die ik zelf als kind had, over hoe leuk het leven zou kunnen zijn als de school bijvoorbeeld eens op een berg lag. Dan zou je elke dag naar school kunnen met een kabelbaantje. En voor het naar huis gaan waren er verschillende mogelijkheden: je kon bijvoorbeeld met een slee naar beneden, of met skies, of weer met dat kabelbaantje.

Een wereld van plezier, geen verdriet, geen ziekte. Een wereld, waarin alles goed is, waarin mensen elkaar enkel beschouwen als vrienden, een wereld waarin de liefde regeert. Welk mens droomt daar nooit van? Maar heeft zo’n wereld ooit al eens ergens op deze aarde bestaan? Soms menen mensen er wel een glimp van op te vangen. Bijvoorbeeld toen in Duitsland zo’n twaalf jaar geleden de muur viel, en mensen van beide kanten elkaar huilend van geluk in de armen vielen. Of tijdens de Flower Power van de jaren ’60, toen jongeren elkaar massaal opzochten omdat ze wilden geloven dat het mogelijk was: een wereld, gebouwd op liefde en vriendschap. Zelf kan ik me herinneren dat ik, als tiener, een keer in een vakantiekamp was met andere jongeren, waarin we, naar mijn gevoel, zulke goede gesprekken hadden en een zo’n diepgaand contact, dat ik dacht: dát is het! Zo zouden mensen altijd met elkaar moeten omgaan. Het had diepe indruk op me gemaakt. Misschien weet u zich uit uw eigen leven ook zo’n moment te herinneren. Een moment waarop u – even - een nieuwe aarde werkelijkheid zag worden. Zo’n belevenis smaakt naar meer.

Altijd en overal hebben mensen, misschien aangestoken door wat zij soms even al mochten zien en ervaren, gedroomd van een nieuwe en betere wereld. En heel wat van die mensen vonden een broeder en een lotgenoot in Johannes, de schrijver van het boek Openbaring. Het boek is ontelbare malen gelezen, becommentarieerd, en ook geschilderd, het blijft mensen fascineren.

Het is het enige boek van de bijbel, dat onomwonden vermeldt, waar het is geschreven, namelijk op Patmos, een eilandje vlak bij het huidige Turkije. Het was een strafkolonie van het Romeinse Rijk, waarheen mensen om verschillende redenen werden verbannen. Een soort Robbeneiland, zoals wij dat kennen van Zuid-Afrika, de plaats waar Nelson Mandela vele jaren opgesloten zat. Patmos moet een uiterst onherbergzaam oord zijn geweest; te midden van de eindeloze zee, rotsachtig en met weinig begroeiing, verstoken van elke vorm van cultuur en van comfort. In die tijd, waarin de christenen werden vervolgd, was Johannes veroordeeld tot ballingschap op Patmos, vanwege het geloof dat hij verkondigde. Ergens op dat eiland, volgens de overlevering in een rotsspelonk die uitkeek over zee, aanschouwde Johannes de visioenen van de Openbaring, die hij aan het papier toevertrouwde. Niet vanuit een luie stoel, een comfortabel huis en alle schaapjes op het droge zag Johannes. Maar teruggeworpen op zichzelf, verbannen en afgezonderd van zijn vrienden, om wie hij zich ongetwijfeld zorgen maakte, in een duistere wereld waarin een machtige Romeinse bezetter de dienst uitmaakte en waarin zijn vriend Jezus was vermoord, in die crisissituatie heeft Johannes gezien en geschreven.

In een wereld, waarin een grootmacht de dienst uitmaakte, maar waarin desondanks toch wel geleefd kon worden. Ook in die dagen waren er konden christenen voorname plaatsen in de maatschappij innemen. Er waren er bijvoorbeeld die overheidsposities bekleedden, andere waren handwerklieden of kleine handelaars, en weer andere waren vermogend genoeg om reizen te kunnen maken of om in mooie huizen te wonen. Maar toch: Het was een situatie van bezetting. Met name ten tijde van keizer Domitianus, onder wiens bewind Johannes naar Patmos werd verbannen, heerste er een situatie van verdrukking en waren velen het slachtoffer van het wrede regime. Velen werden terecht gesteld zonder enige vorm van proces, of verbannen uit hun land, anderen moesten het aanzien dat hun bezittingen werden geconfisceerd. Vanuit dit klimaat van onderdrukking en bedreiging, schreef Johannes zijn visioenen. In een soort geheimtaal, want natuurlijk was het gevaarlijk om in zo’n situatie je visie onomwonden prijs te geven. Je zou zijn geschrift rustig verzetsliteratuur kunnen noemen. Het noemt de vijand – de Romeinse bezetter - niet bij naam en toenaam, maar voor geestverwanten is het meer dan duidelijk waar het over gaat. Het boek draagt niet voor niets de naam Openbaring: onthulling. Het wil niets toedekken, maar het wil de mensen de ogen openen voor het heil van Godswege, het licht, dat in de duisternis zal doorbreken. Hiervoor worden in het boek Openbaring veel toespelingen gemaakt op geschriften uit het Eerste Testament; het boek Openbaring maakt meer gebruik van de joodse bijbel dan welk ander Nieuw-Testamentisch boek ook. Het is duidelijk dat Johannes leeft vanuit beelden en visioenen van het eerste Testament, zoals een mens wel eens zo vol kan zijn van kerkliederen, dat hij of zij bewust of onbewust in fragmenten van die liederen denkt of spreekt. Johannes leunt voortdurend tegen de taal en de beeldspraak van de profeten van Israël aan. Het is af en toe zelfs, alsof zij in hem opnieuw aan het woord zijn.

De Openbaring volgens Johannes is een boek vol beeldspraak. Geschreven aan zijn vrienden, de zeven gemeenten in Azië, zoals er staat. Niet omdat het er precies zeven waren, maar zeven als aanduiding van de volheid, hij richt zich tot al zijn broeders en zusters, waarmee hij het geloof deelt in Jezus Christus. En tegen het duister in, roept Johannes vanuit zijn gevangenis overzee naar zijn vrienden: Deze Jezus is groter dan alle koningen op de aarde, groter dan alle machten die zo onwankelbaar op hun troon lijken te zitten. En zijn boek schetst de strijd van het goede tegen het kwade, van het Lam tegen het Beest, de Draak. In die strijd treffen allerhande catastrofen de aarde: aardbevingen, hongersnoden, sprinkhanen en hagel, de draak brult en schuimbekt, heeft macht over mensen menigten en met één machtige haal van zijn staart slaat hij de sterren van de hemel weg. Tussen die draak en het Lam ontbrandt een schijnbaar eindeloze strijd, maar het Lam wint uiteindelijk. Alles wat zich heeft vastgeklampt aan de draak, aan het kwade: pseudo-profeten, anti-christenen en slangen van mensen: ze vergaan allemaal en er blijft geen strohalm over. Het boek spreekt over het goede dat overwint, dat blijvend is en dat geschreven staat in het boek des levens. Het goede dat mensen doen lijkt soms maar zo klein en onbetekenend in onze wereld, maar, zegt Johannes, dat is het niet: het is van doorslaggevend belang.

Het boek Openbaring is veel door mensen bekeken als een onheilspellend visioen over de laatste dag, een voorspelling van een toekomst die nog niet aan de orde is maar mensen wel angst kan inboezemen. Maar het boek is niet geschreven als de bladmuziek voor een laatste symfonie met een definitief slotaccoord voor de wereld. Het is geschreven voor de christenen in de tijd dat Johannes leefde, en die zoveel duisternis en geweld om zich heen zagen, en het zo moeilijk hadden om desondanks te blijven geloven in het evangelie, met haar boodschap van liefde voor de naaste en alles wat klein en kwetsbaar is. Het is daarmee ook geschreven voor ons, want onze wereld is niet zoveel anders dan die uit de tijd van Johannes. We hoeven ons niet af te vragen wanneer de rampen zullen geschieden die het boek Openbaring ons voorspiegelt: We zien ze al gebeuren in onze wereld, overal waar oorlogen zijn, overal waar mensen omkomen van de honger, gebieden in de wereld die geteisterd worden door aids en armoede.

‘Zie, Ik kom spoedig, spoedig zal dit alles geschieden, we horen het meermaal vandaag. Dit ‘spoedig’ is niet tijdrekenend, het betekent niet straks, of overmorgen maar het betekent: Het is binnen jouw en mijn bereik. Het gaat om het nu, het komt er nu op aan, wat er zal geschieden. Het is nu of nooit. De woorden uit Openbaring willen de toehoorders niet doen verlammen van angst, maar juist het tegenovergestelde: ze willen de toehoorders activeren en aanmoedigen: Het komt erop aan wat jij kunt doen, en goede dat jij kunt doen, is sterker dan het kwade. De visioenen van het nieuwe Jeruzalem dat Johannes zag, doen opstaan, in beweging komen: Wie eenmaal iets ‘gezien’ heeft, bekommert zich niet meer zo erg om geduld en uitstel, hij kan niet wachten tot hij kan zeggen wat hij te zeggen heeft, en tot hij kan doen wat hem te doen staat. Zij die geloven, behoren zich te spoeden.

Waar kunnen we ons, op weg naar het kerstfeest, dan beter aan vasthouden dan aan deze belofte-volle woorden van Johannes? Het is geen illusie om te geloven in een klein lichtje, want er is maar een klein lichtje voor nodig om de duisternis te breken. Neem nou het boek van Johannes zelf, het boek Openbaring, geschreven door een kansloze balling, van alles en iedereen verlaten. Wonderlijk dat dit kleine en uiterst kwetsbare geschift in tact van het eiland Patmos is gekomen, in de loop der tijden vele malen is gekopieerd en tot op de dag van vandaag door velen wordt gelezen, terwijl van het machtige Romeinse Rijk van die dagen alleen onschuldige brokstukken over zijn. Het hangt dus van mensen af, mensen zoals Johannes, mensen zoals wij, die lichtdragers willen zijn. Zie, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, ze zijn binnen handbereik. God wil tussen de mensen wonen.

Amen