| Overweging op het Bavofeest: Over de hoop voor onze wereld |
|
| Geschreven door Pastor E. Peijnenburg | |
| maandag, 4 oktober 2004 | |
Overweging bij de 27 e zondag door het jaar C, 3 oktober 2004Habakuk 1:2-3, 2:2-4 en Lucas 17:5-10Er was een zin in het evangelie van vandaag, die me onmiddellijk trof. ‘Geef ons meer geloof.' Het is een dringende vraag die de apostelen tot de Heer richten. Een vraag, die van alle eeuwen is, en zeker ook van vandaag. Want hoe komen we tot geloof, we of behouden we het geloof, in onze wereld waarin het kwaad zo groot en allesbeheersend lijkt te zijn, waarin angst heerst, en mensen zich het liefst wapenen om onverwachte aanvallers te kunnen afslaan. Hoe kunnen we blijven geloven in vrede op onze aarde, in een rechtvaardige verdeling van onze welvaart, in een vreedzaam samenleven van Joden en Palestijnen. Hoe voorkomen we dat we het geloof verliezen in de goede krachten van mensen, Heer geef ons meer geloof, we voelen ons machteloos en veel te kwetsbaar in deze wereld.Jezus antwoordt met een beeldspraak. Al heb je maar het geloof van een mosterdzaadje, zegt Hij. Daarmee kun je uiteindelijk zelfs een moerbeiboom verplaatsen. Moerbeibomen kwamen in die tijd veel voor aan de oever van het meer van Galilea. Ze kunnen erg oud worden, en hebben heel veel bijzonder taaie wortels. Om zo'n boom met wortel en al naar de zee te verplaatsen is eigenlijk onbegonnen werk. Maar toch neemt Jezus dit als voorbeeld. Mensen die geloven kunnen dingen die voor onmogelijk gehouden worden. De gewone logica, van de macht van de sterkste en de berekenbare overmacht, gaan dan lang niet altijd op. Geloof kan bergen verzetten, zo luidt een bij ons bekende beeldspraak. En dat geloof hoeft dan niet eens groter te zijn dan een mosterdzaadje. En vervolgens vertelt Jezus een gelijkenis. Geen gemakkelijke tekst. Wie een dienaar van God wil zijn, die wordt hetzelfde behandeld als een knecht. De knecht die, nadat hij alles gedaan heeft wat hem is opgedragen, geen dankjewel hoeft te verwachten. Er is geen einde aan Gods geboden, en alles wat mensen doen in gehoorzaamheid aan Gods stem, is gewoon hun plicht. In het boek Job wordt gesproken over de Satan. Hij kan niet geloven dat Job zomaar voor niets God zou dienen, zonder er iets voor terug te willen hebben, zoals welvaart of gezondheid. Het lijkt hem onmogelijk, dat mensen zich zomaar zouden inzetten voor een ander, zonder enige berekening, want, zo zegt de Satan, zo zijn de mensen niet. Krijgt hij van ons gelijk? Kunnen mensen zomaar iets doen voor anderen, om niet? Het is waar dat we wel eens zeggen: ‘O, het was niets', wanneer je bijvoorbeeld als je de buurman hebt geholpen zijn wasbak te ontstoppen. Maar dat zeg je nádat hij je bedankt heeft. Je zou het misschien niet over je lippen hebben gekregen als hij had gezwegen, of als hij had geroepen: ‘Doe nu het toilet en de douche ook nog!' Soms denk je dat je je werkelijk belangeloos voor iemand hebt ingezet, maar later, wanneer die ander je op de een of andere manier teleurstelt, ontvalt het je ineens: ‘En ik heb nog wel zoveel voor je gedaan.' Zou dat in onze verhouding tot God heel anders zijn? Het zit ons zo diep ingebakken, het idee dat je loon naar werken krijgt. Het verlossende is, dat Jezus met deze gelijkenis de overtuiging uitspreekt, dat mensen inderdaad ‘om niet' kunnen dienen, zomaar, gewoon. Zonder al dan niet bewuste berekening, en zonder schijnheiligheid. En hij gelooft het niet alleen, hij doet het ook zelf. Hij stroopt zelf zijn mouwen op en hij bedient zijn leerlingen. Hij knielt neer om ze de voeten te wassen. Petrus vindt dat eerst afschuwelijk, want hij heeft tijd nodig om te beseffen dat vrije zelfgekozen dienstbaarheid, zomaar voor niets iets doen voor een ander, echt een menselijke mogelijkheid is. En als je er oog voor hebt, dan zie je het ook om je heen gebeuren. Mensen die zich inzetten voor een vereniging of een kerk, mensen die zomaar op straat een wildvreemde helpen, mensen die trouw op bezoek gaan bij iemand die in een verpleeghuis is. We leven in een tijd waarin er van alles schijnt te moeten. We moeten opstaan, we moeten nog eten, ik moet mijn moeder nog opbellen en we moeten naar een verjaardag. Het plezier is er kennelijk wel allemaal van af. Het optreden van Jezus kan bevrijdend werken in onze ‘moeten'-cultuur. In zijn licht wordt leven tot een mogen, mogen leren, werken vieren, mensen mogen ontmoeten. En als je iets mag dan geeft dat ruimte om het ook te willen. En in die context staat dan toch ook ineens weer het woordje moeten. ‘Ik moet mijn kruis dragen', zegt Jezus meermalen. Zijn leerlingen gaan daar tegenin, en zeggen: ‘Wat afschuwelijk. Dat moet toch helemaal niet?' Maar langzaam en gaandeweg zijn ze gaan begrijpen wat Hij bedoelde, Jezus van Nazareth, die geworteld was in de Joodse traditie, met haar grootse verhaal van hoe God zijn volk bevrijdde uit Egypte. God wilde niet en wil niet dat de mensen slaven zijn, dat ze dingen doen omdat ze ertoe worden gedwongen. Opdat mensen in vrijheid goede dingen kunnen doen, zichzelf uit vrije wil en naastenliefde de plicht opleggen om iets voor een ander over te hebben. Mensen kunnen dat, zegt Jezus. En dat mogen we vieren, vandaag op dit Bavofeest. Mensen kunnen God gehoorzamen ook als het slecht uitkomt, ze kunnen trouw volhouden in de samenleving, in de kerk, ook als het misschien niet zo goed lijkt te gaan en het aankomt op de lange adem. Mensen kunnen om niet goed doen, goed zijn. En hierin ligt de hoop voor onze wereld. Het lijkt misschien maar klein wat je zelf kunt doen, en zo nietig als een mosterdzaadje, maar uiteindelijk kan het in staat zijn om een oersterke boom te verplaatsen.
Amen.
|



