Ez. 33 Lucas 24,1-12 Pasen vieren in 2004 is een hele opgave. Pasen is immers het feest van de hoop van de overwinning op het geweld en van de doorbraak van de liefde.
Ziet u er veel van? Ik niet. Ik zie mensen met lijken slepen in Irak, ik zie mensen gegijzeld worden en roepen GOD IS GROOT. Ik heb zoiets eerder gezien… neen niet in mijn levenstijd. Het doet mij denken aan de oude dagen van het christendom toen in de tijden van de kruistochten vrome christenridders onschudige moslims afslachten en door het bloed waadden en riepen: Dieu le vult…. GOD WIL DIT. En ik denk aan de officieren van de SS in Auschwitz die op de koppels van hun riemen hadden staan: Gott mit uns. Het is allemaal heel primitief. Mensen die andere mensen kapot maken en denken dat God dat fijn vindt. Het Bijbelse Egypte (wel te onderscheiden van dat mooie land aan de Middellandse zee) is het land van de ellende, van de dictatuur, van de ongelijke verdeling van de rijkdommen, van het terrorisme. Dat Egypte is dichtbij, tot onze grote ergernis. Pasen is het feest van de bevrijding uit die ellende. Het verhaal begint bij Mozes die moest meemaken hoe één van de opzichters in dienst van de Farao, die zichzelf als God beschouwde, een joodse slaaf bruut neerslaat. Hij komt voor de weerloze op en moet vluchten naar de woestijn. Daar vindt hij rust, trouwt, krijgt een kind en past op de schapen van de kudde van schoonpapa. Maar het is geen echte rust. Dit kan niet zo blijven en Mozes krijgt dan ook op een schijnbare rustig middaguur, terwijl de zon brandend aan de hemel staat een visioen van een braambos dat in brand staat maar niet verteert. Het beeld van de nietige braamstruik die niet verbrandt wordt door de joodse lezers vaak gezien als het beeld van het lijden van de nietigen, de kleinen. Ze lijken verbrand en vernietigd te worden maar ze komen er toch doorheen. Net zoals de braamstruik de vurige dodelijke vlammen moet trotseren en ook trotseert zo is het slavenvolk van God met Pasen door alle beproevingen heen gekomen want God was solidair met de kleinen en niet met de namaak-God farao. Dat wordt bij het joodse Pasen gevierd. Afgelopen maandag hebben Joodse vrienden van mij hun seidermaaltijd gevierd net zoals Jesus dat deed met zijn vrienden op de witte donderdag. Op de witte donderdag kwamen wij hier samen om het ongehoord vreemde verhaal te horen van Jesus die de voeten van zijn vrienden waste. Al voetenwassend gaat hij de rij langs, zwijgend en geruisloos. Dat zou de namaak God farao nooit gedaan hebben. De leerlingen zijn met stomheid geslagen. Jezus, hun meester en heer, neemt een dienstwerk op zich, dat nooit aan een jood zou worden opgedragen. Petrus trok zijn voeten terug. Hij wilde niet door deze Jézus gediend zijn. Hij ergerde zich aan deze solidariteit met de minsten. Maar Jezus' daad is niet zomaar een actie om onze bewondering of verbazing te wekken 'maar' -zegt Jesus- 'Ik gaf jullie een voorbeeld ter navolging, wil je het Koninkrijk van God waarmaken, dan zul je zó moeten handelen.' Pasen 2004. Een wereld van mensen die tegenover elkaar staan. Neen, niet meer het vrije westen tegenover het communistische oosten: maar nu gaat het om nieuwe vragen. Zullen we het aandurven de minste te zijn zoals Hij die zich in onze handen overleverde? Gisterenavond hoorde wij dat verhaal: 'Toen Jesus de zure wijn genomen had riep Hij: het is volbracht, en met gebogen hoofd gaf Hij de Geest.' Dat lijkt het verhaal van een mislukking: het is over en uit. Daarom waren wij even stil gisterenavond en ook vandaag. Daarom kwamen wij huiverend binnen hier vanavond in het donker. Toch zette het verhaal van gisterenavond ons al op een spoor. De evangelist Johannes liet zijn verhaal rijmen op het uittochtsverhaal uit Egypte dat wij deze paasnacht lazen: 'ze braken Hem de benen niet.' Net als toen in Egypte vlak voor de uittocht: ze aten het paaslam waarvan de benen niet gebroken waren. Het slot van Johannes 'zijn lijdensverhaal van gisterenavond bracht ons zelfs de herinnering terug aan het paradijs... er wordt gesproken over een prachtige tuin waarin de dode Jesus wordt neergelegd. Een prachtige tuin net als de hof van Eden we wachten af. Treurende vrouwen met kostbare kruiden in de hand gaan de dag na de sabbath die paradijselijke tuin in en ze merken vreemde dingen. Twee mannen, twee engelen staan daar en zeggen: Hij is niet hier, Waarom zoek jij de levende bij de doden. In diezelfde paradijselijke tuin zal een vrouw, Maria Magdalena, Hem ontmoeten denkende dat Hij de tuinman is, wat Hij ook is... Hij, de nieuwe Adam, Heer van de tuin, Koning van de nieuwe aarde. Jesus die geleden heeft aan onze menselijke dwaasheden, die de wonden in zijn lijf droeg: gewond, kapot gemaakt. Thomas mag zijn wonden voelen maar Zijn dood was geen einde. Er eindigt niets op die goede vrijdag: er is een nieuw begin rond deze rechtvaardige. Er komt perspectief in ons bestaan! En heel in de verte roept een joodse man: 'Dood waar is je overwinning, dood waar is je prikkel? In zijn naam zullen wij vanavond het brood weer breken we zullen hem weer horen zeggen: dit is mijn bloed, mijn leven, ik geef ik het voor jullie. God heeft ons, in Jesus laten zien, hoe Hij ons nabij is. God heeft - in Jezus - gekozen voor de treurenden, voor de bedroefden en de zieken, voor de verschoppelingen, wat dat Hem ook kosten gaat. God kwam tot ons in de gestalte van zijn eigen zoon die voor zijn vrienden knielde... opdat ook wij dienen, knielen, troosten, sterken en elkaar bewaren. Is het mogelijk om ook in deze moeilijke dagen, in deze tijd waarin we de laagheid en gemeenheid van de mens zien groeien ook tegelijkertijd de sporen van God te zien, de langzaam groeiende openbaring van zijn schoonheid? Omwille van God, die steeds in onze geschiedenis doordrong moeten wij er toch aan geloven dat onze dode beenderen weer levend kunnen worden; en dat er hoop is in deze gebroken wereld. Pasen is voor mij niet opgewekt Alleluia roepen maar geloven ondanks alles dat de liefde het zal winnen van de haat, dat de mens in staat is tot het goede, dat hij de gave heeft om lief te hebben, en dat Hij - wat hij ook mag doen - God nooit uit zijn ziel kan wegrukken. En ook in onze dagen heeft het oude visioen van het brandende braambos dat niet door het vuur verteerd wordt iets te zeggen. God zelf is een laaiend vuur van verontwaardiging. Alle onrecht, alle slavernij, iedere marteling is een slag in het gezicht van God. De mens die zich ergert aan het onrecht en die opkomt voor het recht is iemand die mag weten dat God aan zijn kant staat. Hij is niet alleen. Het teken van 'Mijn aanwezigheid,' zegt God, 'is dit: als jij je opdracht serieus neemt, zal het lukken.' In de afgelopen dagen volgde wij de man die solidair was met de weerlozen. De meesten jouwden hem uit alleen ging Hij de berg op om geëxecuteerd te worden. Een joodse man: Simon van Cyrene hielp hem, vrouwen troosten hem, zijn moeder bemoedigde hem onderweg. Wij worden uitgenodigd zelf zo ook te zijn en de mensen die lijden, waar ook ter wereld tot steun te zijn. En als wij ons afvragen wie die God nu wel is en of Hij nog wel in onze nabijheid is in deze dagen mogen wij zijn naam goed in onze oren knopen 'IK ZAL ER ZIJN.' En bij het lege graf van Jesus geven de vrouwen ons deze nacht de boodschap door: 'Hij gaat jullie voor , Hij gaat met je mee in Galilea of waar jij ook je levensreis zult moeten gaan. AMEN |