| Plant nieuw hart in mij . . . |
|
| Geschreven door Pastor E. Peijnenburg | |
| donderdag, 18 december 2003 | |
Ez. 36: 23-28 en Ef. 4: 1-6, 17-24Er is een populair liedje, in het Nederlands, waarin een jongen zingt over zijn hart: Dit is mijn hart, mijn houten hart. Van hout, niet van een duur materiaal, niet de moeite waard om te stelen, maar toch, een hart waarvan hij hoopt dat er nog iemand is dat het de moeite waard vindt. Vroeger had hij een hart van goud gehad, zo zong hij, die jongen, maar dat was door iemand meegenomen en nooit meer teruggegeven. Toch had hij daarna geen stenen hart gekozen, maar één van hout, minder kostbaar, minder kwetsbaar als er iemand toch weer overheen mocht lopen. Het hart van een mens, en ik bedoel daar mee, datgene binnen in ons, dat kan liefhebben, dat zich aan anderen kan binden, datgene, waarin medeleven naar boven kan komen en bevlogen enthousiasme – dat hart loopt tijdens een mensenleven onontkoombaar ook klappen op. En omdat het hart het centrum is, treffen die klappen ons ook als pijlen midden in de roos, kunnen ze ons volledig van ons stuk brengen, tot in ons diepste wezen geraakt. Geen wonder, dat je als mens dan ook geneigd bent om je voor een volgende aanval te wapenen, en je niet meer zo kwetsbaar op te stellen: dan maar wat minder hoge verwachtingen en een minder hoge inzet. Een houten hart, in plaats van één van goud. Maar beter een houten hart dan een hart dat versteend is. Want steen is dood, koud, gevoelloos, onbuigzaam. De profeet Ezechiël kan er over meepraten. Hij ziet dat het voorkomt, zo'n stenen hart, bij mensen om hem heen. Mensen die, net als hij, gedeporteerd waren naar Babel, om daar in gevangenschap te leven. We hoorden net in de eerste lezing hoe Ezechiël bemoedigende woorden spreekt tot zijn lotgenoten: ‘Jullie zullen weer wonen in het land dat jullie door God gegeven is'. Maar dat is geen goedkope troost, geen gemakkelijke belofte. Ezechiël behoorde niet tot de veel te optimistische profeten, die het volk een spoedige terugkeer voorspelden. Hij houdt het volk een spiegel voor, in de hoop dat zij zich zullen bekeren van hun wandaden, want alleen dan kan het beloofde land weer in het vizier komen, alleen dan kan de band met God hersteld worden. Maar dan, nadat Ezechiël gewezen heeft op de onrechtvaardigheid die onder de mensen was gaan heersen, en op de afgoden, waar ze zich voor gebogen hebben, dan spreekt hij woorden van hoop. Door al het onrecht en de misstanden die hij gezien heeft is hij uiteindelijk niet afgestompt, zijn geloof is levend gebleven, en zijn hart is niet versteend. En dat hoopt hij ook vurig van de mensen om hem heen, en hij schrijft: ‘Zo spreekt God: “Ik zal u een nieuw hart geven; Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven.” En de Geest zal over u uitgestort worden en u zult weer leven naar Gods geboden in het land dat Hij gegeven heeft aan uw vaderen.' Ook Paulus hoorden we in de brief aan de gemeente van Efeze spreken over een versteend hart. Paulus neemt dat waar bij de heidenen, dat wil zeggen: zij die niet geloven in de God van Israël. Afgestompt noemt hij ze, losbandig, toegevend aan begeerten die geen echte voldoening geven, levend voor zichzelf en ten koste van hun medemens. Zo kan het niet gaan als je Christus wilt volgen! zegt Paulus. Een mens die werkelijk door hem is aangeraakt, heeft een warm hart. Zo'n warm hart, dat klopt voor jezelf en voor anderen, daar worden we mee geboren, denk ik. Maar dat hart wordt op de proef gesteld. Door teleurstellingen, die we tegenkomen. Door idealen, die stranden als een fietser in mul zand. Door wat er tot ons komt aan verdriet en narigheid, dichtbij en ver weg, stukgelopen relaties, niet te helen wantrouwen, niet te keren woorden, door wat we in de wereld zien gebeuren, een estafette van oorlog en geweld, honger, uitzichtloze armoede, een stukgescheurde routekaart op weg naar vrede. Het is zo vaak meer dan we aankunnen, we kijken de andere kant op, of we kijken zonder dat het ons nog raakt. Ons hart versteend, cynisch? Het valt niet mee om het niet te zijn. Hoe kunnen we echt uitzien naar kerst, waarlijk geloven in een licht dat de duisternis breekt? We willen niet ongevoelig zijn en onszelf afsluiten. Ik wil niet verbitterd raken door wat ik soms meemaak, niet hopeloos door wat ik in de wereld zie gebeuren, maar hoe doe ik dat nou? Een warm hart vraagt onderhoud, denk ik wel eens, brandstof misschien, zo u wilt, een bron waaraan je je kunt laven. “Hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is één. Je zult de Heer uw God liefhebben met hart en ziel. De geboden die Ik je heden voorschrijf, prent ze in je hart. Dán zul je leven vinden.” Kernwoorden uit het Eerste Testament, die richting wijzen. Prent ze in je hart, die woorden van God, zoek ze op, hoor ze, opnieuw en opnieuw. Om het verlangen te voeden, zo mooi verwoord in een lied: Plant nieuw hart in mij, geef mijn mond een stem, mijn ziel een lichaam, keer je hart tot mij, keer mijn hart in mij. Geloven is geen gave, die je nu eenmaal hebt of niet. Het is veel meer een keuze, die inzet vraagt, een werkwoord. Je realiseren dat je gezegend bent, dat je tóch gezegend bent, dat je wat kunt doen met wat je gegeven is, dat je wat kunt betekenen voor deze wereld, groots, op je eigen kleine plek. Steeds opnieuw kiezen voor de hoop, je op sleeptouw laten nemen door anderen met inspiratie, de hand reiken aan een ander. Je hart niet laten verstenen, maar het voeden, je toch weer raken door wat mooi en goed is. Laten we ons bekeren van bitterheid en cynisme naar hoop en verwachting, laten we ons toekeren naar het licht, dat we in deze advent verwachten. |



