Sluit je aan bij de Vriendenkring van de Nieuwe Bavo •                                         info@rkbavo.nl • (023) 55.333.77

Preek voor het feest van de openbaring des heren E-mail
Geschreven door Pastor F. Geels   
zondag, 4 januari 2004
Mijn opa, beste medeparochianen, had in zijn jeugd eigenhandig een grote kerststal getimmerd. En toen mijn vader ging trouwen, kreeg hij die stal van zijn vader mee. Een van de eerste dingen die mijn ouders samen kochten was de beeldengroep voor die stal. En als wij, hun kinderen, na de nachtmis thuiskwamen, had mijn moeder intussen de stal gezet en de kerstboom opgetuigd. De kaarsjes brandden en toen was het kerstmis.

Ik kan me nog goed mijn indrukken als kind van die stal herinneren. Hij was immens groot in mijn ogen. Het grootste beeld was de kameel; die hoorde bij de drie koningen. In de kerstnacht stonden deze drie met die enorme kameel nog niet bij de stal, maar een flink eind ervandaan. Elke dag tussen Kerstmis en Driekoningen mochten we dit stel een klein stukje dichterbij schuiven, totdat ze op Driekoningen echt in de stal mochten, vlak bij het kindje. De herders moesten opzij. Zelf St. Jozef moest iets naar achteren. Die drie mannen hadden tenslotte een lange reis achter de rug en al die moeite mocht wel beloond worden.

Ik vond dit allemaal als kind erg mooi. Later ben ik gaan begrijpen, dat het ook een diepe zin had, dat die drie koningen maar beetje bij beetje bij die stal kwamen. De drie koningen – later leerde ik dat het geen koningen waren, maar meer wijzen – de drie wijzen dus kunnen in het verhaal van Matheus worden gezien als mensen op hun levensweg. Zoekende mensen. Ja, want wijze mensen zijn zoekende mensen. Wijzen, dat zijn mensen die beseffen dat er meer is in het leven dan de gewone, oppervlakkige dingen van elke dag. Daarom gaan wijze mensen op zoek, op weg, om iets te vinden dat zij nog niet kennen.

De wijze mensen staan tegenover de domme mensen. Die zitten in het verhaal van vandaag in Jeruzalem. Die zoeken niet, die weten alles al. Die hoef je niets meer te vertellen. Zij hebben de waarheid. Ze zitten erop. Maar die waarheid, die doet niets met hen. Ze komen niet in beweging. Het is een dode waarheid voor hen, die ze wel heel trouw bewaken en bewaren, en desgevraagd zelfs ook doorgeven. Maar henzelf doet het allemaal niets.

Het is zo mooi in dit verhaal beschreven. Maar wel erg confronterend, als je het goed op je laat inwerken. Drie wijze mensen, die een barre tocht ondernemen. Omdat ze in een ster nota bene – iets voor horoscooptrekkers – een teken zien dat er in het leven iets anders te zoeken valt dan ze al hebben. Ze worden beschreven als mensen die al meer hebben dan het modale, zal ik maar zeggen. Maar toch: er is iets dat ze onrustig maakt. Die onrust onderdrukken ze niet, door bijvoorbeeld weer iets nieuws te gaan kopen of een andere afleiding te zoeken. Nee, ze doen iets met die onrust. Ze gaan op weg.

Het blijkt een lange, barre tocht te zijn. Misschien dat ze onderweg gedacht hebben: waar zijn we eigenlijk mee bezig? Lopen we geen hersenschim achterna? Zoiets als de bekoringen van Israël dus, bevrijd uit Egypte, in de woestijn. Was het toch niet beter in Egypte? Wat moeten we hier, op zo'n barre tocht? We zijn wel vrij, maar wat hebben we aan zo'n vrijheid? Maar zoals Israël, met vallen en opstaan en gemor en soms veel tegenzin en altijd weer tegenvallers en heel soms maar meevallers, toch doorging, zo bleven ook de drie wijzen verder gaan, een lange, barre tocht. En ze komen in Jeruzalem, de drie zoekers. Daar moeten toch mensen zijn die het weten kunnen. Ze gaan naar de koning. Ja, in het verhaal van vandaag, van de drie wijzen, zijn er toch twee koningen. Koning Herodes en de pasgeboren koning der Joden. Koning Herodes is geschokt: een pasgeboren koning der Joden? Maar dat is een regelrechte bedreiging voor hemzelf! Slinks als een vos roept hij de hogepriesters en schriftgeleerden bijeen: daar moet hij het fijne van weten. Want dat kind, dat moet dood. Dat zegt hij natuurlijk niet; hij veinst een grootse eerbiedige belangstelling.

Degenen die wijs zouden moeten zijn, degenen die de kennis hebben, blijken nu eigenlijk dom te zijn. Ze zijn het tegendeel van de wijzen uit het Oosten. Die weten niet, maar gaan op zoek. De geleerden, die weten het al lang en blijven zitten waar ze zitten. Het doet ze niets, dat de woorden waar zij zo trouw op passen nu werkelijkheid blijken te zijn geworden. Ze geven wel heel braaf de informatie door: in Betlehem moeten jullie zijn. De wijzen, zij gaan verder met hun tocht. En zij zullen zien en andere mensen worden. “Ze gingen langs een andere weg naar huis terug.” Hun levensweg was niet meer dezelfde als daarvoor. Er was verandering gekomen. Ze hadden werkelijk gezien en dat wierp een heel nieuw licht op hun hele leven.

Het mooie van dit verhaal, beste mensen, vind ik dat je in alle personen die mee doen wel iets van jezelf kunt vinden. Allemaal zoals we hier vandaag zijn hebben we wel iets van de wijzen uit het Oosten. Als we vonden dat we het allemaal wel wisten, dat niemand ons meer iets hoefde te vertellen, dan zaten we hier niet. We zijn allemaal op een of andere manier in ons leven: zoekers. Mensen die onrustig zijn, omdat we voelen dat ons leven nooit helemaal vervuld is. En vandaag horen we, dat we daar niet ongerust over hoeven te zijn, integendeel. De zoekende wijzen uit het oosten worden, heidenen als ze zijn, ons ten voorbeeld gegeven.

Maar we hebben misschien ook wel iets van Herodes in ons. Soms kunnen er in je leven zulke dreigende dingen op je afkomen, dat je alles eraan zou willen doen om ze ongedaan te maken. En dat is op zich ook goed te begrijpen. Voor Herodes was de geboorte van de nieuwe koning natuurlijk letterlijk levensbedreigend. Vol afschuw volgen we in Matheus' verhaal wat Herodes dan gaat doen. Hij gaat de weg die helaas nog steeds mensen gaan met een ongebreidelde macht. Hij gaat, letterlijk, over lijken: de lijken van onschuldige kinderen. De grootste zonden, het meest afschuwelijke kwaad dat er wordt begaan op deze wereld, komt meestal voort uit een soort radeloze, ongebreidelde angst. En wie van ons zal daar nooit aan lijden, al was het maar in een droom?

We hebben, tenslotte, misschien ook wel iets in ons van de hogepriesters en schriftgeleerden. De houding van: we weten het wel. Een houding van zelfvoldaanheid. Wij hebben het juiste geloof, we hoeven er niets meer mee te doen dan we gewend zijn. En elk appèl van buiten, alles wat nieuw is en anders dan we gewend waren, daar sluiten we ons dan voor af.

Laten we bidden vandaag, dat de wijsheid van de drie uit het oosten bij ons de overhand mag krijgen. Dat wij op mogen staan, op weg gaan, op zoek naar Hem. Misschien stapje voor stapje, zoals de beelden bij ons thuis bij de stal van mijn opa. Maar hoe langzaam we misschien ook gaan: Hij blijft ons wenken, altijd weer. Met het licht van zijn ster. Totdat wij zullen zien. Amen.