Samen met zijn leerlingen ligt Jezus aan tafel, kort voor het feest van Pasen. 'Leerlingen', schrijft Johannes.
Er zijn er dus meer dan de 12, er kunnen ook vrouwen aangelegen hebben. Tijdens de maaltijd staat Jezus op en hij legt zijn bovenkleed af. Al voetenwassend gaat hij de rij langs, zwijgend en geruisloos. De leerlingen zijn met stomheid geslagen. Jezus, hun meester en heer, neemt een dienstwerk op zich, dat nooit aan een jood zou worden opgedragen. Zullen zij zich, op dat moment, uitspraken van hem herinneren, zoals: "De mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. " Jezus vereenzelvigt zich met de allerminsten, is minder dan een slaaf, bijna een voetveeg. Dan wordt de stilte doorbroken. Petrus trekt zijn voeten terug. Hij wil niet door deze Jézus gediend zijn. Hij ergert zich aan deze solidariteit met de minsten. Hij kan het op dit moment niet aan, dat er in de visie en de praktijk van Jezus geen meesters en leerlingen zijn, geen heren en knechten, maar alleen broeders en zusters. Ik vind het altijd weer een verbijsterend evangelie het evangelie van de voetwassing. Eigenlijk jammer dat we de voetwassing niet meer doen al heb ik persoonlijk wat moeite met dit ritueel... ik vind het verhaal zelf al voldoende en uiterst schokkend: Jesus die rondkruipt over de grond om zijn vrienden de voeten te wassen. Rembrandt beeldde dat uit, het staat op de kaft van uw boekje, als een zuid Amerikaanse schoenpoetsertje zit hij op de grond... Het verhaal van de voetwassing voelt wat ongemakkelijk en bedreigend aan. Jezus laat, met deze -symbolische- daad, aan zijn leerlingen en aan ons zien, dat de dienst aan elkaar en de onderlinge solidariteit de kern is van het geloven. Het gaat er om dat de mensenzoon is gekomen om te dienen, en dienen wil zeggen: de minste willen zijn, Jezus' daad is een omkering van alles wat vanzelfsprekend is. Ik gaf jullie een voorbeeld, zegt Jezus. Wil je het Koninkrijk van God waarmaken, dan zul je zó moeten handelen. Als Jezus de voeten van al zijn leerlingen heeft gewassen, zijn kleed heeft aangetrokken en weer aan tafel ligt, zegt hij tegen zijn leerlingen: "Begrijpen jullie wat ik gedaan heb? Jullie noemen mij: meester en Heer.., en dat zeg je terecht, want ik ben.dat" Met de woorden: ik ben, verwijst hij naar de Godsnaam. Met deze naam maakte de Eeuwige zich bekend aan Mozes. Ik ben, ik ben de aanwezige, degene die er is voor jou, die met je meegaat op jouw levensweg. Het is niet zomaar een mens die voeten wast, hij is het spiegelbeeld van God. Wanneer wij mensen zo met elkaar omgaan, ons in onze vermeende grootheid zo klein durven te maken voor de ander, ons dienstbaar en nederig opstellen, dan stellen wij God present. De vierde evangelist vertelt het verhaal van dat laatste avondmaal heel anders dan de andere drie. Ook bij hem is er die táfel als middelpunt, maar het zijn niet brood en wijn, waarin hij het verbond, de solidariteit, symboliseert, maar het gebaar van de voetwassing. In dit verhaal herkennen we Johannes' versie van de Eucharistie. In tegenstelling met wat gebruikelijk is, vindt de voetwassing daarom niet voor, maar tijdens de maaltijd plaats. Het symbool is verschillend, het gesymboliseerde hetzelfde. Eucharistie staat niet los van diaconie en diaconie niet los van Eucharistie. In het allereerste begin van de kerk werden er dan ook naast priester, diakens aangesteld. Zij hadden als hoofdtaak te zorgen voor de ondersteuning van de armen. Ze hadden, net als Jesus, een riskant bestaan want zij protesteerden vaak tegen onrecht en klaagden de overheden aan: Stefanus, de eerste martelaar, was zo'n diaken. Direct na Jesus' geboorte hebben wij zijn feestdag op 26 december. Toen de volgelingen van Jezus in de tweede eeuw gingen nadenken over de organisatie van de kerk en dat was met name de heilige Ignatius van Antiochië, ging men uit van twee vindplaatsen van Christus. Men kan Christus vinden in de leer en in de sacramenten- én in het gelaat van de armen, want heeft Christus niet gezegd: "Al wat je gedaan hebt voor een van de armsten, heb je voor mij gedaan." Voor de vindplaats van Christus in de leer en de sacramenten ontwikkelden ze de presbyteriale kerkstructuur en verbonden daaraan het ambt van priester. Gisteren hernieuwden de priesters van het bisdom hun beloften van trouw aan hun opdracht. Voor de vindplaats van Christus bij de armen ontwikkelden ze de diaconale structuur en verbonden daaraan het ambt van diaken. Deze beide structuren werden bij elkaar gebracht en geleid door de episcoop, de bisschop, die gisterenavond de viering voorzat. Het ambt van diaken maakte aanvankelijk een grote bloei door, maar was lange tijd slechts een opstapje naar het priesterambt. Er werden ook vrouwen tot diaken gewijd… neen, niet tot priester. Gelukkig is het ambt sinds het tweede Vaticaanse concilie in ere hersteld. Terug naar het verhaal: Die avond was het verhaal verteld van toen: van de slaven in Egypte die vrije mensen worden en die op weg gingen naar een nieuwe toekomst. Het zal met slaaf Jesus een beetje anders gaan dan met die slaven in Egypte. In Egypte hadden de legers van farao het nakijken en ontsnapten de joden aan hun wapens en hun paarden, ze zouden dwars door de zee gaan op weg naar het nieuwe leven. Maar Jesus ? Het brood zal hij breken en we horen hem zeggen: mijn leven geef ik voor jullie. De lijdenskelk zal hem niet voorbijgaan, Hij zal hem drinken, tot de bodem. En we horen hem zeggen: dit is mijn bloed. Hij schenkt zich uit, hij geeft zich voor allen opdat wij aan de kringloop van het kwaad zouden ontsnappen en in een nieuwe fase van onze geschiedenis zouden terecht komen. God heeft ons, in Jesus laten zien, hoe Hij ons nabij is God heeft - in Jezus - gekozen voor de treurenden, voor de bedroefden en de zieken, voor de verschoppelingen, wat dat Hem ook kosten gaat. God heeft zich geopenbaard; eerst aan farao in Egypte: Ik kies voor mijn lijdende volk, mijn lijdende knecht, en dat gaat - het spijt me - ten koste van jouw macht. 'Ik kies vanuit Israël voor àllen die lijden. Alle pijn, alle vergoten bloed gaat mij aan.' Maar God ging verder met zijn plan. Hij kwam tot ons in de gestalte van zijn eigen zoon die voor zijn vrienden knielde… opdat ook wij dienen, knielen, troosten, sterken en elkaar bewaren. En hoe wij ook zullen zijn in ons leven, wat wij ook doen en nalaten, telkens zullen we voortaan op onze tong, in ons hart, de smaak proeven van de wonderlijke bevrijding die in Christus gegeven is nog altijd toekomst, altijd belofte. Het is de bevrijding van onze schuld en machteloosheid omdat God iets in ons ziet. Het is mogelijk, om midden in de broosheid, ja soms zelfs de laagheid van de mens, de langzaam duidelijker wordende sporen van God te zien, de langzaam groeiende openbaring van zijn schoonheid. En dit moeten mensen, omwille van God, van elkaar geloven: dat de mens in staat is tot het goede, dat hij de gave heeft om lief te hebben, en dat Hij wat hij ook mag doen God nooit uit zijn ziel kan wegrukken. In dat vertrouwen heeft Jezus zichzelf weggeschonken, in handen gegeven van de leerlingen de mannen en vrouwen van toen, en van allen die na hen komen. Sinds dit laatste avondmaal van de Heer is het mogelijk, vertrouwen te hebben in de mens, en zich toe te vertrouwen aan de kleine gemeenschap van de leerlingen, om geen andere reden, dan omdat God zelf in hen gelooft. Zo kunnen wij verder gaan doende wat Hij ons heeft voorgedaan, brekende, delend, dienend zolang wij leven mogen AMEN. |