14e zondag door het jaar.
Schriftlezingen: Ezechiël 2 en Marcus 6, 1-6. Na alle zware liturgische tijden, de vasten, de paastijd;
na alle feesten: Pasen Pinksteren, Drieëenheidszondag,
Sacramentsdag, Petrus en Paulus
zijn we nu op de 14e gewone zondag door het jaar beland;
en dus hervatten wij de lezing uit het evangelie van Marcus,
de evangelist van het jaar, die we nu keurig
tot eind november toe zullen volgen.
Even recapituleren: Marcus vertelt
dat Jesus’ Koninkrijk zich op een overduidelijke wijze openbaart:
er worden vele genezingen gedaan
een storm wordt gestild
een legioen boze geesten wordt verdreven;
ziekte, dood en zonde lijken hun kracht te verliezen.
Indrukwekkend en hoopvol maar dan…
dan komt vandaag de anticlimax.
We worden na alle vreugde ruw op de grond gesmakt:
de voortgang van de verkondiging van het van het Koninkrijk stagneert.
Jesus verlaat zijn geliefde Kafarnaüm waar zoveel wonderen gebeurden.
In deze grens¬plaats werden werkelijk barrières doorbroken.
Die tussen vroom en niet-vroom, tussen heiden en jood,
ja zelfs die tussen dood en leven.
Jesus gaat daar weg en komt in zijn vaderstad.
Met opzet vermeldt Marcus niet de naam.
Zo kunnen wij bij de beschrijving van dit duffe plaats¬je
gemakkelijker de naam invullen die ons zelf passend lijkt,
helaas zal dat geen erenaam mogen zijn:
het is de stad van ‘laat maar’, ‘maak je nier druk’.
Het zal duidelijk worden dat deze vaderstad eigenlijk overal kan liggen
en oorlogen en crises helaas steeds weer overleeft.
Zijn de mensen van die stad die Marcus beschrijft slecht?
Daar wordt niets over gezegd.
Het is alleen een stad waar niets veranderen kan.
In Marcus' verslag wordt Jesus rustig in de synagoge ontvan¬gen.
De voorlezing uit de Tora wordt braaf aanhoord.
De reactie is minder enthousiast als bij Lucas (Lc. 4,21:
de lezing die wij ieder jaar bij de Oliewijding lezen
wanneer een heel programma wordt aangekondigd:
een genadejaar voor de Heer, vrijlating van de gevangenen,
blinden zien, doven horen en aan armen wordt de blijde boodschap verkondigd.
Bij Lucas is er een hevige reactie: positief en negatief:
ja sommigen willen Jesus zelf van de berg buiten de stad
in de afgrond storten.
In het evangelie van vandaag in deze vaderstad zonder naam
is de reactie kalmer. Gematigd positief om te beginnen.
'Allen betuigden hun instemming’ maar ook
wel wat suffig:
‘ze verwonderden zich wel over zijn woorden van genade'.
Er wordt niet ontkend,
dat Jesus bijzondere daden heeft verricht maar de vraag,
die iedereen in onzekerheid brengt,
is in dit verhaal: wat moeten wij hiermee aan?
Is deze de Messias?
Hij komt hier vandaan, moet het hier gebeuren?
Ze weten geen raad met de verschij¬ning van deze timmerman-redder.
Geen oppo¬sitie dus, maar onbegrip.
Ze lazen iedere sabbat in de profeten
maar die moeilijke visioe¬nen werden niet verstaan.
Hij tast 'in piepschuim'.
Geen enkel teken kan hij hierdoen.
De geschiedenis van het Koninkrijk kan simpel¬weg niet doorgaan.
Niemand heeft 'last' van visioe¬nen.
Alles zal bij het oude blijven, niemand is onzeker of onrustig:
'We weten alles al ... doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.'
Tegen deze loomheid is zelfs de Heer niet opgewassen.
En, wat het ergste is: deze vaderstad is inderdaad van alle tijden.
Ja zult u zeggen: de wereld buiten de kerk gelooft het wel.
Maar waarschijnlijk moeten we het ons zelf aantrekken:
de kerk gelooft het soms ook wel
en heeft weinig verwachtingen van goede dingen die kunnen gebeuren.
Misschien is ze zelf niet visionair genoeg
om open te staan voor Gods vernieuwende kracht.
Terug naar de vaderstad:
‘Jesus kon er geen wonderen doen’
Maar gelukkig is deze geslotenheid
volgens Marcus' verhaal toch niet algemeen
want we lezen:
'Hij kon daar geen enkel wonder doen,
behal¬ve dat hij een klein aantal zwakken genas,
die hij de handen oplegde.'
Waarom kan hij wel zijn tekenen volbrengen met die zwakke sjlemielen'
en waarom genas hij die anderen niet?
Antwoord: omdat die anderen niet te genezen waren.
Iemand die denkt dat hij geen genezing nodig heeft
kan ook niet genezen worden.
Niets is erger dan de eigenwijze domheid van de 'zekere' mens.
De armen en de zwakken van de stad
zijn echter in staat met andere ogen te kijken
dan de mensen die deel uitmaken van de bestaande of de religieuze orde.
Een collega van bisschop Helder Camara in Brazilië
vertelt hoe hij wekelijks een melaatsen-kolonie be¬zoekt
'om nieuwe benzine in mijn levenstank te doen'.
II. Gelukkig dat er profeten blijven komen
mensen die anderen willen oppeppen
al lijkt het soms op trekken aan een dood paard.
De profeten komen met grote regelmaat
het vrome volk bekritiseren en uitschelden,
u hoorde dat vandaag ook weer.
Maar tegelijkertijd ligt in hun kritiek vaak ook
een belofte van herstel, troost en vernieu¬wing besloten.
Ezechiël moet in Babel de uit Jeruzalem gedeporteer¬de joden
proberen wakker en gelovig te houden. Een hele opgave.
Vol¬gens de rabbijnen was de balling¬schap in Babel erger dan de slavernij in Egypte.
In Egypte werden de kinderen Israëls geslagen,
ze had¬den bijna niets te eten, maar vertrouwden op de Heer.
In Babel werden ze niet geslagen, hadden ook genoeg te eten,
maar vergaten de Heer die hen ooit had bevrijd
en hun in de woestijn ooit het Manna had gegeven voor iedere dag.
Ik zei dat in de kritiek ook de belofte van herstel werd gegeven
maar niet op een goedkope manier.
Niet van ‘stil maar wacht maar
alles wordt nieuw’ hoe leuk dat is
en ook hoe mooi om dat als je heel droevig bent
bij een uitvaart bijvoorbeeld,
met de kinderen te zingen.
De ware profeten hadden steeds verklaard
dat de verlossing uit Babel lang op zich zou laten wachten.
De echte profeet zal alleen maar zeggen:
blijf wakker, blijf luisteren
er zullen, als je goed luistert,
signalen komen waar je wakker door kunt worden.
Ezechiël doet de belofte
dat er als niemand het meer ziet zitten
een nieuwe profeet zal komen die je zal wekken.
Een hele merkwaardige belofte.
Wat heb ie nu aan zo'n profeet?
Hij is geen bevrij¬der die alle ellende komt wegnemen.
Hij is de bode van God die de onrustbarende boodschap brengt:
jij zult zelf voor God, zijn Tora, zijn Koninkrijk moeten kiezen.
De werkelijk terza¬ke doende troost van Ezechiël is
dat de profetie in Israël nooit zal ontbreken!
En Jesus is die nieuwe profeet
die zijn 'vaderstad' probeert te wekken.
Over de inhoud van Jesus' preek in zijn vaderstad
krijgen wij niets te horen bij Marcus.
Wat anders zal Jesus gezegd hebben dan:
'De tijd is vervuld en het Koninkrijk is nabijgekomen,
bekeert u en gelooft het evangelie' (Mc. 1,14).
De kleinen herkenden hem
en dat geldt tot in onze dagen.
De socio¬loog Rosier die jarenlang in de slums van Latijns Amerika was,
spreekt over 'de geweldige levenswijsheid
en het uithoudings¬vermogen van de armen.
Eigenlijk zijn ze al vrij, vrijer dan anderen.
Alleen uiterlijk moet die vrijheid nog gerealiseerd worden
door hun verlossing van corrupte machtssystemen
en de geweldscomplexen van anderen die hen schaden.'
De kleinen herkenden Jesus in zijn dagen
maar hij stond verwon¬derd over het ongeloof van de meesten in zijn vaders¬tad.
Hij gaat verder rond door de dorpen in de omtrek.
Hij geeft onderricht en heeft zijn hoop gesteld op goede verstaanders.
Misschien kunnen wij proberen zulke verstaanders te zijn?
In de afgelopen weken was er hier een bijzondere uitvaart
van een geestelijk gehandicapte jongeman.
Als kind kwam hij hier vaak in de kerk
en ging dan, hoewel dat eigenlijk niet mocht,
gewoon op het hoogkoor hier zitten.
Nu was hij opgebaard op het hoogkoor
en werd toegesproken door de medebewoners van zijn huis
die met reusachtige bloemstukken sjouwden.
Het geloof hing toen in de kerk
een groot geloof van weerloze mensen.
Neen de vaderstad zal het nooit snappen
want –en dan eindig ik met een gedicht van Huib Oosterhuis:
'Voor kleine mensen is Hij bereikbaar.
Hij zal opkomen voor de misdeelden,
Hij zal voor hen de machten breken:
Hij zal leven, onvergankelijk als de zon.
Hij geeft hoop aan rechtelozen,
Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.
Zijn naam gaat rond over de aarde,
een woord van vrede van mens tot mens!'
(Huub Oosterhuis naar Psalm 72).
AMEN
|