Sluit je aan bij de Vriendenkring van de Nieuwe Bavo •                                         info@rkbavo.nl • (023) 55.333.77

Wie wil er nu nog bij een kerk horen? E-mail
Geschreven door Pastoor H.J. van Ogtrop   
zondag, 14 augustus 2005

 Jes. 56,1.6-7 Mt. 15,21-38*

 Doet het er iets toe of je kerkelijk bent of niet?
Tegenwoordig lijkt het geen voordeel meer te zijn
om bij een kerk te horen.
Je krijgt duidelijk te horen wat er fout is in de kerk.

De priesters deugen niet… en dan komen er verhalen los
die helaas voor een deel waar zijn.
We hebben vroeger ook fouten gemaakt
in de middeleeuwen, daarna en daarvoor
wie wil er nu nog bij een kerk horen?
Toch is het verbazingwekkend
dat er ook in onze dagen nog mensen toetreden tot de kerk
er zijn meer geloofsleerlingen dan ooit.
En een andere reden tot blijde verwondering:
veel jonge mensen willen voor de kerk trouwen
of willen hun kinderen laten dopen.
Dat alles zullen we deze week weer meemaken.

Weten die jonge mensen dan niet
dat de kerk fouten maakt?
Lezen ze geen kranten?

Natuurlijk weten ze dat
en natuurlijk lezen ze kranten.
Als ik de geloofsleerlingen voor hun opname in de kerk nog even waarschuw:
'de kerk waar je bij wilt gaan horen is niet volmaakt hoor'
houdt ze dat niet tegen.
Juist hardnekkiger worden ze en ze zeggen:
'dat weet ik allemaal wel
maar ik weet dat diezelfde kerk
die fouten maakt
ook het allermooiste te bieden heeft dat een mens kan vinden:
het geloof in God
want het geloof in God wordt hier bewaard.'

Als Jesus door het land Israël gaat
komen er ook mensen op hem af.
Van het oude volk Israël
maar ook anderen: het heil is voor joden en heidenen.

Twee weken geleden lazen we het verhaal van de broodvermenigvuldiging:
-de regelmatige kerkgangers weten dat nog:
neen de kerk kun je niet missen.. geen week-.
Er bleven toen twaalf manden over en ik zei
dat dat verwees naar de twaalf stammen van Israël
en hun twaalf manden met broden in de tempel.
Jesus wil het volk Israël kracht geven.
Ik vertelde u ook dat er nog een verhaal is
over een broodvermenigvuldiging in het evangelie voorkomt
waarbij er vier manden over blijven
en dat dat verwees naar de vier windstreken,
en naar alle andere volkeren die daar wonen
en die ook door de God van Israël gespijzigd zullen worden.

Tussen die twee spijzigingsverhalen door vertelt Matteüs ons vandaag
het verhaal over een heidense vrouw
die ook door Jesus geholpen wil worden.
In onze oren klinkt het allemaal wat vreemd
als Jesus haar verzoek om hulp beantwoordt met de harde opmerking.
'Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden.'
Nog erger wordt het als Jesus zegt:
'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is,
aan de honden te geven.'
Wonderlijk genoeg is de vrouw niet boos of teleurgesteld
maar vult ze Jesus' uitspraak aan door te zeggen:
'maar de honden mogen wel van de kruimels eten
die van de tafel van hun meesters vallen.'
Daarmee stelt ze zich open voor de bijzondere openbaring van God in Israël
en komt via die weg haar eigen verlossing in zicht.

Ze heeft de Davidszoon aangeroepen, de Messias,
en daarom moet haar ook iets van de overvloed toevallen
van de messiaanse maaltijd.
Ze had volgehouden en later zal haar geloof
door Jesus worden geprezen.

Dat de volkeren er bij horen, komt ook naar voren in de eerste lezing.
Het gedeelte dat vandaag gelezen wordt dateert uit de tijd
van de terugkeer uit de ballingschap en de wederopbouw van de nieuwe tempel. Een nieuw begin voor een kleine groep teruggekeerde ballingen.
Die zullen weer op hun trouw getoetst worden aan de Enige.
'Welzalig de sterveling die het recht onderhoudt,
het mensenkind dat daaraan vasthoudt.' (vs. 2)

Jesaja bemoedigt zijn eigen volk: de eigen kern.
'Houd vol' lijkt hij te zeggen
'wanhoop niet kleine kerk,
wees trouw aan je opdracht:

God heeft het nodig: zo'n eigen kern van getrouwen
die zijn naam hooghouden.
'Gedenkt de sabbat. Wees trouw aan het woord van de Heer.'

Maar ze mogen niet denken dat zij de enigen zijn
die door God worden bemind.
'Laat de vreemdeling en de ontmande
(die die het niet van eigen kunnen meer hoeft te hebben):
laten ze alsjeblieft niet zeggen (en laat niemand het over hen zeggen)
dat ze niet inbegrepen zijn in het heil en de gerechtigheid van de Heer. '
Het is juist Gods wil dat de joden, de getrouwe gelovigen van oudsher,
er zijn voor de anderen en dat anderen zich dan ook
kunnen aansluiten bij Gods volk.

Dat was altijd al zo geweest.
Als het volk uit de slavernij van Egypte wegtrekt onder Mozes
horen we dat er een menige meetrok van allerlei slag (Ex. 12, 38).
Zij wilden die avontuurlijke tocht van Israël ook meemaken
en de God van Israël ook dienen.
De Bijbel zegt ons dan
dat die welkom zijn en God van hen houdt.

We hoorden het in de eerste lezing:
'De vreemdelingen die de Heer willen dienen
breng ik graag naar mijn heilige berg.
Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed
en hun brand- en slachtoffers zullen mij aangenaam zijn
als zij ze op mijn altaar willen brengen.'
En in later dagen horen we zeggen
dat Gods gebedshuis is zo wijd als de wereld.
In de tempel ('daar staan de zetels van het recht', Ps. 122),
er is principieel plaats voor alle volkeren.

En nu wordt het ingewikkeld
want in het verhaal van God met de mensen
mogen wij nooit vergeten dat wij als christenen
zelf ook nieuwkomers zijn.
Nooit mogen die volkeren, waar volgens Jesaja ook plaats voor is
vergeten hoe het begonnen is:
de Samaritaanse vrouw in het Johannes-evangelie zei het al:
'Ik weet het, het heil is uit de joden' Joh. 4,22).

Jesus' schijnbare onvriendelijkheid tegenover de niet joodse vrouw
is niet bedoeld om haar voor gek te zetten
maar om alle nieuwkomers, vooral die later komen gaan
en die zullen vergeten dat het heil uit de joden is
(de christenen van later zullen daar een handje van hebben)
tot enige bescheidenheid te manen:
'je bent welkom maar weet
dat je eet van de kruimels die van de tafel zijn gevallen.'

Weet dat je welkom bent en dat God ze allebei nodig heeft:
oude getrouwen èn nieuwkomers
maar voor beiden geldt:

geloof is een genade
die je om niet ten deel valt.

AMEN.