Jes. 56,1.6-7 Mt. 15,21-38* Doet het er iets toe of je kerkelijk bent of niet? Tegenwoordig lijkt het geen voordeel meer te zijn om bij een kerk te horen. Je krijgt duidelijk te horen wat er fout is in de kerk.
De priesters deugen niet… en dan komen er verhalen los die helaas voor een deel waar zijn. We hebben vroeger ook fouten gemaakt in de middeleeuwen, daarna en daarvoor wie wil er nu nog bij een kerk horen? Toch is het verbazingwekkend dat er ook in onze dagen nog mensen toetreden tot de kerk er zijn meer geloofsleerlingen dan ooit. En een andere reden tot blijde verwondering: veel jonge mensen willen voor de kerk trouwen of willen hun kinderen laten dopen. Dat alles zullen we deze week weer meemaken. Weten die jonge mensen dan niet dat de kerk fouten maakt? Lezen ze geen kranten? Natuurlijk weten ze dat en natuurlijk lezen ze kranten. Als ik de geloofsleerlingen voor hun opname in de kerk nog even waarschuw: 'de kerk waar je bij wilt gaan horen is niet volmaakt hoor' houdt ze dat niet tegen. Juist hardnekkiger worden ze en ze zeggen: 'dat weet ik allemaal wel maar ik weet dat diezelfde kerk die fouten maakt ook het allermooiste te bieden heeft dat een mens kan vinden: het geloof in God want het geloof in God wordt hier bewaard.' Als Jesus door het land Israël gaat komen er ook mensen op hem af. Van het oude volk Israël maar ook anderen: het heil is voor joden en heidenen. Twee weken geleden lazen we het verhaal van de broodvermenigvuldiging: -de regelmatige kerkgangers weten dat nog: neen de kerk kun je niet missen.. geen week-. Er bleven toen twaalf manden over en ik zei dat dat verwees naar de twaalf stammen van Israël en hun twaalf manden met broden in de tempel. Jesus wil het volk Israël kracht geven. Ik vertelde u ook dat er nog een verhaal is over een broodvermenigvuldiging in het evangelie voorkomt waarbij er vier manden over blijven en dat dat verwees naar de vier windstreken, en naar alle andere volkeren die daar wonen en die ook door de God van Israël gespijzigd zullen worden. Tussen die twee spijzigingsverhalen door vertelt Matteüs ons vandaag het verhaal over een heidense vrouw die ook door Jesus geholpen wil worden. In onze oren klinkt het allemaal wat vreemd als Jesus haar verzoek om hulp beantwoordt met de harde opmerking. 'Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden.' Nog erger wordt het als Jesus zegt: 'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven.' Wonderlijk genoeg is de vrouw niet boos of teleurgesteld maar vult ze Jesus' uitspraak aan door te zeggen: 'maar de honden mogen wel van de kruimels eten die van de tafel van hun meesters vallen.' Daarmee stelt ze zich open voor de bijzondere openbaring van God in Israël en komt via die weg haar eigen verlossing in zicht. Ze heeft de Davidszoon aangeroepen, de Messias, en daarom moet haar ook iets van de overvloed toevallen van de messiaanse maaltijd. Ze had volgehouden en later zal haar geloof door Jesus worden geprezen. Dat de volkeren er bij horen, komt ook naar voren in de eerste lezing. Het gedeelte dat vandaag gelezen wordt dateert uit de tijd van de terugkeer uit de ballingschap en de wederopbouw van de nieuwe tempel. Een nieuw begin voor een kleine groep teruggekeerde ballingen. Die zullen weer op hun trouw getoetst worden aan de Enige. 'Welzalig de sterveling die het recht onderhoudt, het mensenkind dat daaraan vasthoudt.' (vs. 2) Jesaja bemoedigt zijn eigen volk: de eigen kern. 'Houd vol' lijkt hij te zeggen 'wanhoop niet kleine kerk, wees trouw aan je opdracht: God heeft het nodig: zo'n eigen kern van getrouwen die zijn naam hooghouden. 'Gedenkt de sabbat. Wees trouw aan het woord van de Heer.' Maar ze mogen niet denken dat zij de enigen zijn die door God worden bemind. 'Laat de vreemdeling en de ontmande (die die het niet van eigen kunnen meer hoeft te hebben): laten ze alsjeblieft niet zeggen (en laat niemand het over hen zeggen) dat ze niet inbegrepen zijn in het heil en de gerechtigheid van de Heer. ' Het is juist Gods wil dat de joden, de getrouwe gelovigen van oudsher, er zijn voor de anderen en dat anderen zich dan ook kunnen aansluiten bij Gods volk. Dat was altijd al zo geweest. Als het volk uit de slavernij van Egypte wegtrekt onder Mozes horen we dat er een menige meetrok van allerlei slag (Ex. 12, 38). Zij wilden die avontuurlijke tocht van Israël ook meemaken en de God van Israël ook dienen. De Bijbel zegt ons dan dat die welkom zijn en God van hen houdt. We hoorden het in de eerste lezing: 'De vreemdelingen die de Heer willen dienen breng ik graag naar mijn heilige berg. Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed en hun brand- en slachtoffers zullen mij aangenaam zijn als zij ze op mijn altaar willen brengen.' En in later dagen horen we zeggen dat Gods gebedshuis is zo wijd als de wereld. In de tempel ('daar staan de zetels van het recht', Ps. 122), er is principieel plaats voor alle volkeren.
En nu wordt het ingewikkeld want in het verhaal van God met de mensen mogen wij nooit vergeten dat wij als christenen zelf ook nieuwkomers zijn. Nooit mogen die volkeren, waar volgens Jesaja ook plaats voor is vergeten hoe het begonnen is: de Samaritaanse vrouw in het Johannes-evangelie zei het al: 'Ik weet het, het heil is uit de joden' Joh. 4,22).
Jesus' schijnbare onvriendelijkheid tegenover de niet joodse vrouw is niet bedoeld om haar voor gek te zetten maar om alle nieuwkomers, vooral die later komen gaan en die zullen vergeten dat het heil uit de joden is (de christenen van later zullen daar een handje van hebben) tot enige bescheidenheid te manen: 'je bent welkom maar weet dat je eet van de kruimels die van de tafel zijn gevallen.' Weet dat je welkom bent en dat God ze allebei nodig heeft: oude getrouwen èn nieuwkomers maar voor beiden geldt: geloof is een genade die je om niet ten deel valt. AMEN. |