Sluit je aan bij de Vriendenkring van de Nieuwe Bavo •                                         info@rkbavo.nl • (023) 55.333.77

Zien, soms even E-mail
Geschreven door Pastoor H.J. van Ogtrop   
zondag, 15 april 2007

2e zondag van Pasen.

Schriftlezingen:  Hand.5,12-16 Openbaring 1, Joh.20, 19-31

Ons kerkgebouw siddert nog een beetje na van de 1500 kinderen die hier gisteren geweest zijn:
allemaal kleine mensen die op weg worden gestuurd
in het voetspoor van Jesus van Nazareth. We hoorden vandaag spreken over het begin:
We horen spreken over de eerste christenen
die  eensgezind waren en samenkwamen
in de zuilengalerij van Salomo.
Ze sloten zich dus aan bij de eredienst in de tempel:
ze waren trouw aan de joodse liturgie op de Sabbath.

Maar, als het gewone leven zijn loop hernam,
op de eerste dag der week (zondag, toen nog een werkdag)
kwamen ze vroeg bijeen in een of ander huis
om daar te vieren dat Jesus hun verlosser leefde
en het brood te breken.

De kracht van Jesus levenbrengende Geest
bracht en hield hen in beweging.

Diezelfde kracht brengt mensen nog steeds in beweging
en nu komen we aan de kern:
het is niet zomaar een mooi ideaal dat mensen bijeenbrengt
het is ook geen vrome hobbyclub, de kerk
of een rustig historisch genootschap
zoals de vereniging oud Haarlem.

Waarom werkt zijn kracht  nog steeds?
Het antwoord vinden we in de evangelies van de paastijd.
HET IS DE HEER ZELF die zich aan de mensen
die schijnbaar zonder Hem verder moeten openbaart.
Het is de HEER ZELF die in de zijnen en met de zijnen werkt.

Neen, het is geen suggestie (verbeelding) dat de Heer leeft..
Hij leeft werkelijk en NEEMT ZELF HET INITIATIEF IN HANDEN.
'Hij blies over hen, ontvangt de Heilige Geest.’

Dat was gebeurd op de eerste paasdag
toen de leerlingen bijeen waren.

Eén was er echter niet bij
die goede Thomas die het allemaal niet zo direct kon geloven.

'We hebben hem gezien'
kraaiden de leerlingen enthousiast  maar Thomas is niet onder de indruk.

Waarom niet ?
Was hij een ongelovige – zo heet hij toch-
zoals er tegenwoordig zovele zijn
of misschien een agnost,
iemand die het allemaal niet zo goed weet
en daarom maar liever buiten schot bleef.
De leerling Thomas had de bijnaam Didymys, wat tweeling betekent:
misschien was hij een gespleten persoonlijkheid?
 
Neen, allemaal betweterij.
Door de evangelist Johannes wordt hij getekend
als een leerling die diep en trouw geloofde.
Hij is degen die op een gegeven moment tegen zijn vrienden zegt:
‘Laten we met Jesus meegaan naar Jeruzalem
om daar MET HEM te sterven.’
Als geen ander zag hij net als Jesus zelf
in waar het met zijn zending op uit zou lopen.
En hij sprak de bereidheid uit
om trouw te zijn… tot in de dood.
Thomas heeft ook het meeste verdriet
als Jesus zijn naderend afscheid ter sprake brengt.
‘Waar ik heen ga, de weg daarheen is jullie bekend’
zegt Jesus. Thomas reageert ontzet:
“Heer, wij weten helemaal niet waar gij heen gaat,
hoe weten wij dan de weg?’

Maar Thomas had ook een andere kant:
hij was ook zwak, net als de anderen van de 12.
Net als de anderen vlucht hij weg
als Jesus gearresteerd wordt.
En net zomin als de anderen
gaat hij heldhaftig met Jesus mee
en op het paasfeest weet hij de weg nog steeds niet.
Hij is Jesus kwijt en daarmee ook zichzelf,
hij wil immers navolger van Jesus zijn.

Thomas was verbijsterd
ook omdat de leerlingen zeiden Hem gezien te hebben
en -en nu komt het - geen steek bleken te zijn veranderd.

Als zij werkelijk dezelfde Heer
die gekruisigd was en gestorven
weer levende zouden hebben terug gezien
zouden ze zich toch wel anders gedragen hebben
maar neen,
Thomas trof bij thuiskomst een groepje lieden aan
die zeiden iets, beter Iemand gezien, te hebben
maar die rustig doorgingen met samen te klaverjassen
om het een beetje populair te zeggen.
Zo'n suffe kerk was geen propaganda voor de levende Heer.

Van buitenkerkelijken horen we vaak dezelfde kritiek.
Het is gemakkelijk ze ongelovig te noemen
en verder door te gaan alsof er niets aan de hand is.
Het gaat ons wel degelijk aan:
ze zijn namelijk vaak niet ongelovig
omdat ze niet willen geloven
maar omdat ze niet kunnen geloven.

En waarom kunnen ze niet geloven?
Omdat degenen die zeggen dat ze de Heer hebben gezien,
degenen die zeggen christen te zijn
er zo weinig, zo vreselijk weinig goeds van bakken.
Ghandi, de grote Indiase geestelijke leider zei eens:
'ik zou graag in Jesus willen geloven
maar omdat de christenen mij zo weinig duidelijk voorleven
wie Hij was en onderling zo verdeeld zijn
kan ik er niet achter komen wie Jesus is.'

Terug naar Thomas.
Thomas staat er op dat hij Jesus’ levende aanwezigheid
zelf ervaart, anders kan hij niet geloven in de opstanding.
Ja hij wil zijn meester zelf zien
en hij wil zelfs meer: hem aanraken.
Net als twee gelieven, die elkaar zijn kwijtgeraakt
en elkaar na een tijd weer terugvinden, niet genoeg hebben aan zien,
ze willen elkaar aanraken, in de armen vallen, kussen.

Dat wordt hem gegund! En dan roept hij ook enthousiast uit:
‘Mijn Heer en mijn God!’
En nu ziet hij meer in Jesus dan een vriend die weer terug is:
hij ziet nu ook meer dan de anderen
en benoemt hem tot Heer en God.
Dat is een echte geloofsbelijdenis,
een uitspraak die het zien overstijgt.

Maar Jesus benadert en bevraagt hem kritisch:
‘Omdat je gezien hebt, geloof je?
Zalig zij die niet zien en toch geloven.’
Zien en geloven staan met elkaar in een spanningsvolle relatie.
Waar we in geloven, dat zien we doorgaans niet.
Zelfs de leerlingen, die Jesus wel zagen
zagen daarmee nog niet meteen de dingen waarover Hij sprak:
over het licht van God, dat in mensen kan doorbreken,
over God die van de mensen houdt,
over een betere wereld en hoe die dichterbij te brengen.

Gelovige mensen zien, soms even, als in een flits.
Met de woorden van het lied dat in een van de paasdiensten zongen:
‘Gij zijt voorbijgegaan, een vreemd bekend gezicht,
een stuk van ons bestaan,
een vriend, een spoor van licht.’

Dat is zien in een visioen.
Het woord zien, visie, zit daar in verborgen.
Visioenen zijn geen denkbeelden,
hersenspinsels die we in ons hoofd halen
maar ze zijn werkelijk.

Net zo werkelijk als Jesus
die zo dicht bij zijn leerlingen was,
dat ze met hem aten en dronken
en hem konden aanraken.



De traditie wil dat Thomas de evangelieverkondiger was
het verste durfde reizen van allemaal: tot in INDIA toe.
Thomas zag de wonden in Jesus' zijde en in zijn handen.

Hij zag als visionair de nieuwe Adam die zijn zijde geopend heeft
en die zijn bruid aan zijn zijde zal ontmoeten,
de nieuwe Eva, zijn gemeenschap
en riep namens ons uit: ‘jij bent onze Heer en God.’

Thomas zag zo wie Jesus was.
Vaker helaas worden we geconfronteerd met een ander zien.
Een zien dat ons geloof en onze hoop kan bedreigen:
de eindeloze stortvloed van wereldleed,
die voortdurend op ons afkomt.
Jesus zegt  dan tegen ons:
‘Zalig zij die zonder te zien
toch tot geloven komen.’

En ik vertaal het naar onze tijd:
Zalig zij die ondanks alles wat ze zien
met hun gewone ogen op het Tv-scherm bijvoorbeeld
toch andere dingen zien:
de levende Heer voor hun uit zien gaan
ze zullen leven.       AMEN