• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl
In Preken

19 augustus: Nabijer kan niet

[print]

20e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Spreuken 9,1-6

  • Efesiërs 5,15-20

  • Johannes 6,51-58

In de oudste tijden van de kerk is er veel discussie,
zeg maar strijd over gevoerd. Waarover?
Over hoe het nu mogelijk was dat Jesus werkelijk mens was
én tegelijkertijd zoon van God.
Bekend is het verhaal dat in Efese aan de Bosporus in het huidige Turkije,
waar een van de oudste concilies van de kerk is gehouden over deze kwestie de visverkoopsters op de markt elkaar met rotte vissen om de oren sloegen:

‘Jesus was zozeer mens dat hij onmogelijk God kan zijn….’
zei de ene richting. En de andere:
‘Hij was zo zeer God dat hij onmogelijk echt mens heeft kunnen zijn:
hij had een schijnlichaam.’

We kunnen ons nu deze volkse theologische discussie
op de markt niet meer voorstellen
toch ging het toen over wezenlijke dingen:
is God werkelijk zo dichtbij gekomen
dat Hij mens werd in de gestalte van zijn zoon?

Het antwoord van het Concilie was:
Hij was én volledig mens, én volledig God.
Dat lijkt een goedkope oplossing
maar getuigt van grote diepzinnigheid:
God is werkelijk mens geworden.
‘Gods wijsheid heeft’, zoals de eerste lezing dat zei:
‘zijn huis onder de mensen gebouwd’,
Hij zal nergens anders meer te vinden zijn dan in de mensen.
En in Jesus is Hij, in lijf en leden
de mensen werkelijk nabij geweest.

Hij heeft pijn gehad met mensen die pijn hadden;
mensen hebben zich ook aan hem vergrepen
en zullen zich aan hem blijven vergrijpen.

Hij heeft pijn gehad met die pijn hadden.
Hij had dorst met de mensen die dorst hadden
en honger met die hongeren:
verdriet met die verdriet hadden
en vreugde met wie vreugde hadden.
Hij was nabij, dichtbij…..
en Hij is dat nog vertelt de oude goede katholieke leer.
Hij heeft zijn woonplaats bij de mensen en nergens anders.
Dat wordt bedoeld als Jesus zegt:
‘Mijn vlees is waarlijk spijs. Het klinkt vreemd in onze 21e eeuwse oren.
Maar het is een prachtige manier van spreken.
Met ‘VLEES’ is dan Jesus’ aardse verschijningsvorm bedoeld: zijn lijf.

Jesus is geen spookverschijning,
een geest die je eigenlijk niet mag aanraken.
‘Hij is vlees geworden uit de maagd Maria’
zingen we altijd weer in het Credo
en we buigen ons hoofd, als mensen een beetje verlegen
met zoveel aandacht van Godswege.

In zijn kerstevangelie zegt Johannes het nog mooier:
‘Het Woord van God is vlees geworden
en heeft zijn tentje bij ons opgeslagen.’
– en iedereen die op vakantie in een tentje heeft geslapen
tijdens een onweer weet hoe kwetsbaar dat is -.
Deze vleselijk nabije mens is medereiziger geworden
ja, het staat er nog sterker:
‘Hij is brood geworden voor onderweg.

Je zou het leven van Jesus van twee kanten kunnen belichten.

a) Wij noemen Hem het Woord. Dat is Hij, dat was Hij.
Hij probeerde door Zijn woord
de gesluierde geest van mensen open te breken
licht te brengen opdat ze de waarheid zouden zien en vinden.
We mogen dankbaar zijn voor dit woord, dit onderricht, zijn openbaring:
de bergrede met alle dingen die Hij ons leerde.
Zijn keuze voor de armen, de bedroefden, de weerlozen.
Hij was leraar, de leerlingen luisterden
en werden aangesproken door wat Hij hun aanzegde…
Hij gaf ons het brood van zijn woord.
Maar dat woord van God is niet alleen maar woord
het is ook vlees geworden. Hij gaf ons nog meer:

b) Hij heeft ons niet alleen woorden van leven gegeven
maar is zelf bron van ons leven geworden. Hij is het levende brood.

Hij heeft zijn leven
op een hele wonderlijke wijze beëindigd.

Dat was toen hij het paasmaal vierde
en toen Hij de Matze, het paasbrood ophief zei:
‘dit is mijn lichaam’. En toen daarna zijn vrienden de beker aanreikte
en zei: ‘dit is het nieuwe Verbond in Mijn bloed’.
Hij gaf toen aan tafel, de laatste avond dat Hij nog leefde, zichzelf cadeau.

Als een predikant het woord doorgeeft
staat door nog steeds predikant zus of zo
maar als hij het teken stelt
dat Jesus voordeed is Jesus zelf daar.

Dat teken van die nabijheid,
dat Hij een broer van ons wilde zijn,
heeft Johannes op een wonderlijke wijze toegelicht.
We horen Jesus al in het begin van zijn openbare leven zeggen:
‘ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’
en ‘mijn vlees is waarlijk spijs’ en
‘mijn bloed is waarlijk drank’.

Het klinkt wat vreemd en grofstoffelijk
maar bedoeld is zijn TOTALE ZELFGAVE
HIJ WIL ALLES, MAAR DAN OOK ALLES ZIJN VOOR ONS.

De rijkdom die ik u probeerde uiteen te zetten
overwegen en vieren wij van week tot week
in de beide delen van de Eucharistieviering die onmisbaar zijn:
Woord en Sacrament.

We zijn nu bezig met de dienst van het woord.
We staan nu in de verkondiging.
Het geheim van God met de mensen wordt duidelijk gemaakt
met woorden, onze woorden, mensenwoorden, mijn woorden.

Maar gelukkig, mocht ik tekort schieten,
en dat doe ik, trouwens woorden schieten tekort,
het verhaal is daarmee niet af.

Het verhaal wordt niet door ons voltooid
maar door de Heer zelf als wij straks in de Eucharistie
de serieuze woorden uitspreken
DIT IS MIJN LICHAAM, DIT IS MIJN BLOED.

Het is dat brood dat mensen op de been houdt, al eeuwen lang.
Mensen van goede wil van alle eeuwen,
(heiligen of/ en gewone mensen)
hebben van die nabijheid, van zijn trouw aan ons
hun niet altijd gemakkelijke levensweg volbracht.

Ze hebben geleefd en volgehouden omdat ze wisten van
Zijn uiterste solidariteit met ons, als mens onder de mensen,
zijn leven, zijn lijden, zijn sterven en Zijn dood voor ons.
De solidariteits- dood die duisternis en wanhoop overwon.

In het evangelie van vandaag zegt de Heer tot ons:
denk eraan…
zoals je brood nodig hebt iedere dag opnieuw,
zo wil ik in het teken van het brood duidelijk maken
dat het echte leven de verbondenheid is
met mij en de Vader met wie ik één ben.

Er is een andere dood die de onze niet mag zijn.
De definitieve dood van hen die zich losgerukt hebben
uit de verbondenheid met Hem en Zijn Gerechtigheid…
Zo ver mag je het niet laten komen:
‘kom dichterbij’ zegt Jesus:
‘wie dit brood eet zal in eeuwigheid niet sterven’.

Wie mij vasthoudt zal leven.. zegt Jesus.
Niemand van ons ontkomt aan de lichamelijke dood.
Maar die dood is de angel uitgetrokken.
Die dood heeft geen macht meer. Het leven blijft in mij.

Hij blijft in ons en wij in hen.
Het sterven naar het lichaam
kan dan alleen maar gevolgd worden door de definitieve bevestiging
van Zijn aanwezigheid in ons bestaan, van zijn weergaloze trouw…

‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt
zal in eeuwigheid niet sterven’.
Hij zegt tegen ons allen:
‘ik zal met jullie zijn alle dagen tot het einde: je zult leven!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor