• Leidsevaart 146
  • 023 - 532 30 77
  • info@rkbavo.nl

All posts by Maarten Kools

19 augustus: Nabijer kan niet

[print]

20e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Spreuken 9,1-6

  • Efesiërs 5,15-20

  • Johannes 6,51-58

In de oudste tijden van de kerk is er veel discussie,
zeg maar strijd over gevoerd. Waarover?
Over hoe het nu mogelijk was dat Jesus werkelijk mens was
én tegelijkertijd zoon van God.
Bekend is het verhaal dat in Efese aan de Bosporus in het huidige Turkije,
waar een van de oudste concilies van de kerk is gehouden over deze kwestie de visverkoopsters op de markt elkaar met rotte vissen om de oren sloegen:

‘Jesus was zozeer mens dat hij onmogelijk God kan zijn….’
zei de ene richting. En de andere:
‘Hij was zo zeer God dat hij onmogelijk echt mens heeft kunnen zijn:
hij had een schijnlichaam.’

We kunnen ons nu deze volkse theologische discussie
op de markt niet meer voorstellen
toch ging het toen over wezenlijke dingen:
is God werkelijk zo dichtbij gekomen
dat Hij mens werd in de gestalte van zijn zoon?

Het antwoord van het Concilie was:
Hij was én volledig mens, én volledig God.
Dat lijkt een goedkope oplossing
maar getuigt van grote diepzinnigheid:
God is werkelijk mens geworden.
‘Gods wijsheid heeft’, zoals de eerste lezing dat zei:
‘zijn huis onder de mensen gebouwd’,
Hij zal nergens anders meer te vinden zijn dan in de mensen.
En in Jesus is Hij, in lijf en leden
de mensen werkelijk nabij geweest.

Hij heeft pijn gehad met mensen die pijn hadden;
mensen hebben zich ook aan hem vergrepen
en zullen zich aan hem blijven vergrijpen.

Hij heeft pijn gehad met die pijn hadden.
Hij had dorst met de mensen die dorst hadden
en honger met die hongeren:
verdriet met die verdriet hadden
en vreugde met wie vreugde hadden.
Hij was nabij, dichtbij…..
en Hij is dat nog vertelt de oude goede katholieke leer.
Hij heeft zijn woonplaats bij de mensen en nergens anders.
Dat wordt bedoeld als Jesus zegt:
‘Mijn vlees is waarlijk spijs. Het klinkt vreemd in onze 21e eeuwse oren.
Maar het is een prachtige manier van spreken.
Met ‘VLEES’ is dan Jesus’ aardse verschijningsvorm bedoeld: zijn lijf.

Jesus is geen spookverschijning,
een geest die je eigenlijk niet mag aanraken.
‘Hij is vlees geworden uit de maagd Maria’
zingen we altijd weer in het Credo
en we buigen ons hoofd, als mensen een beetje verlegen
met zoveel aandacht van Godswege.

In zijn kerstevangelie zegt Johannes het nog mooier:
‘Het Woord van God is vlees geworden
en heeft zijn tentje bij ons opgeslagen.’
– en iedereen die op vakantie in een tentje heeft geslapen
tijdens een onweer weet hoe kwetsbaar dat is -.
Deze vleselijk nabije mens is medereiziger geworden
ja, het staat er nog sterker:
‘Hij is brood geworden voor onderweg.

Je zou het leven van Jesus van twee kanten kunnen belichten.

a) Wij noemen Hem het Woord. Dat is Hij, dat was Hij.
Hij probeerde door Zijn woord
de gesluierde geest van mensen open te breken
licht te brengen opdat ze de waarheid zouden zien en vinden.
We mogen dankbaar zijn voor dit woord, dit onderricht, zijn openbaring:
de bergrede met alle dingen die Hij ons leerde.
Zijn keuze voor de armen, de bedroefden, de weerlozen.
Hij was leraar, de leerlingen luisterden
en werden aangesproken door wat Hij hun aanzegde…
Hij gaf ons het brood van zijn woord.
Maar dat woord van God is niet alleen maar woord
het is ook vlees geworden. Hij gaf ons nog meer:

b) Hij heeft ons niet alleen woorden van leven gegeven
maar is zelf bron van ons leven geworden. Hij is het levende brood.

Hij heeft zijn leven
op een hele wonderlijke wijze beëindigd.

Dat was toen hij het paasmaal vierde
en toen Hij de Matze, het paasbrood ophief zei:
‘dit is mijn lichaam’. En toen daarna zijn vrienden de beker aanreikte
en zei: ‘dit is het nieuwe Verbond in Mijn bloed’.
Hij gaf toen aan tafel, de laatste avond dat Hij nog leefde, zichzelf cadeau.

Als een predikant het woord doorgeeft
staat door nog steeds predikant zus of zo
maar als hij het teken stelt
dat Jesus voordeed is Jesus zelf daar.

Dat teken van die nabijheid,
dat Hij een broer van ons wilde zijn,
heeft Johannes op een wonderlijke wijze toegelicht.
We horen Jesus al in het begin van zijn openbare leven zeggen:
‘ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’
en ‘mijn vlees is waarlijk spijs’ en
‘mijn bloed is waarlijk drank’.

Het klinkt wat vreemd en grofstoffelijk
maar bedoeld is zijn TOTALE ZELFGAVE
HIJ WIL ALLES, MAAR DAN OOK ALLES ZIJN VOOR ONS.

De rijkdom die ik u probeerde uiteen te zetten
overwegen en vieren wij van week tot week
in de beide delen van de Eucharistieviering die onmisbaar zijn:
Woord en Sacrament.

We zijn nu bezig met de dienst van het woord.
We staan nu in de verkondiging.
Het geheim van God met de mensen wordt duidelijk gemaakt
met woorden, onze woorden, mensenwoorden, mijn woorden.

Maar gelukkig, mocht ik tekort schieten,
en dat doe ik, trouwens woorden schieten tekort,
het verhaal is daarmee niet af.

Het verhaal wordt niet door ons voltooid
maar door de Heer zelf als wij straks in de Eucharistie
de serieuze woorden uitspreken
DIT IS MIJN LICHAAM, DIT IS MIJN BLOED.

Het is dat brood dat mensen op de been houdt, al eeuwen lang.
Mensen van goede wil van alle eeuwen,
(heiligen of/ en gewone mensen)
hebben van die nabijheid, van zijn trouw aan ons
hun niet altijd gemakkelijke levensweg volbracht.

Ze hebben geleefd en volgehouden omdat ze wisten van
Zijn uiterste solidariteit met ons, als mens onder de mensen,
zijn leven, zijn lijden, zijn sterven en Zijn dood voor ons.
De solidariteits- dood die duisternis en wanhoop overwon.

In het evangelie van vandaag zegt de Heer tot ons:
denk eraan…
zoals je brood nodig hebt iedere dag opnieuw,
zo wil ik in het teken van het brood duidelijk maken
dat het echte leven de verbondenheid is
met mij en de Vader met wie ik één ben.

Er is een andere dood die de onze niet mag zijn.
De definitieve dood van hen die zich losgerukt hebben
uit de verbondenheid met Hem en Zijn Gerechtigheid…
Zo ver mag je het niet laten komen:
‘kom dichterbij’ zegt Jesus:
‘wie dit brood eet zal in eeuwigheid niet sterven’.

Wie mij vasthoudt zal leven.. zegt Jesus.
Niemand van ons ontkomt aan de lichamelijke dood.
Maar die dood is de angel uitgetrokken.
Die dood heeft geen macht meer. Het leven blijft in mij.

Hij blijft in ons en wij in hen.
Het sterven naar het lichaam
kan dan alleen maar gevolgd worden door de definitieve bevestiging
van Zijn aanwezigheid in ons bestaan, van zijn weergaloze trouw…

‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt
zal in eeuwigheid niet sterven’.
Hij zegt tegen ons allen:
‘ik zal met jullie zijn alle dagen tot het einde: je zult leven!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Leo Dobbe onderscheiden met de Bavopenning

Picture1Op zaterdag 11 augustus ontving de heer Leo Dobbe de Bavopenning uit handen van Hein-Jan van Ogtrop, plebaan van de Kathedrale Basiliek Sint-Bavo te Haarlem, die deze onderscheiding namens de Bisschop van Haarlem-Amsterdam uitreikte in aanwezigheid van een delegatie van het bestuur van de Stichting Willibrordusorgel.

De heer Dobbe heeft zich vele decennia uitermate verdienstelijk gemaakt bij diverse activiteiten rond het Willibrordusorgel in de Haarlemse St.-Bavokathedraal, met name voor de ruim twintig wekelijkse Zaterdagmiddagconcerten die jaarlijks van mei t/m september plaatsvinden. De onderscheiding werd hem opgespeld door titulair-organist Ton van Eck.

Dankzij zijn grote inzet voor, en betrokkenheid bij de logistiek van de Zaterdagmiddag­con­certen vervulde de heer Dobbe een sleutelrol bij de organisatie hiervan en werd hij langzamerhand bovendien het gezicht van de Zaterdagmiddagconcerten naar buiten. Vele vaste bezoekers herinneren zich nog zijn sonore stem waarmee hij de toehoorders en de solisten welkom heette, deze laatsten zo nodig in diverse talen.

Helaas heeft de heer Dobbe deze activiteiten om gezondheidsredenen moeten beëindigen, maar door zijn vele werk heeft hij de grondslag gelegd voor een goed lopende organisatie van de Zaterdagmiddagconcerten.

Met deze onderscheiding ontving Leo Dobbe een passende blijk van waardering voor zijn langdurige, belangeloze inzet voor een van de belangrijkste culturele evenementen in de St.-Bavokathedraal aan de Leidsevaart.

12 augustus: We kunnen volhouden!

[print]

19e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 1 Koningen 19,4-8

  • Efesiërs 4,30-5,2

  • Johannes 6,41-51

Wat gebeurt er toch veel in onze parochie!
Er hebben zich weer bruidsparen gemeld
heel serieus zijn ze zich aan het bezinnen op hun levensopdracht.
Deze week heb ik weer een ziekenzalving toegediend:
een ernstige zieke, in een medische krisis
mensen in moeilijke dagen in hun leven
omringd door familie en vrienden bidden om steun
en krijgen die van elkaar maar dat is niet genoeg
samen kunnen ze niet zonder de kracht van God.
We denken na over vragen als:
heeft het zin dat ik besta? Waar leef ik voor?
En iedere keer vinden we –merkwaardig genoeg-
weer steun in de oude verhalen van de Bijbel.
De Bijbel, geen systematisch handboek van het geloof
Gelukkig maar zeg ik, al stelt dat sommige mensen
met een overdreven gevoel voor orde en netheid teleur.
De Bijbel is nu eenmaal geen systematisch handboek
maar een groot en veelkleurig document van menselijk zwoegen,
van angst en twijfel, van mistasten en tot inkeer komen.

Van steeds weer afdwalen maar ook
van steeds weer opnieuw op weg gaan en je aangesproken weten
door de woorden van oudsher,
eigenlijk door die Ene hoofdpersoon van het boek:
God die in gesprek gaat met mensen,
ze roept en uitdaagt om antwoord te geven
en hun leven zinvol op te bouwen en -indien nodig- te veranderen.

Het is een groot dramatisch verhaal
over een volk dat in alle verwarring
toch wil leven vanuit het echte,
vanuit het geloof dat het voor Iemand staat
die ze de ENIGE noemen.

Een bladzijde uit dat goede oude boek die wij vandaag opsloegen
gaat over een mens die probeert met God te leven.
ELIA was zijn naam.
Zijn naam betekent: GOD IS VOOR MIJ DE ENIGE…
Dat mag waar zijn maar voor hem was dat niet altijd even duidelijk.

Hij ligt in het verhaal van vandaag
onder een bremstruik te slapen.
Hij heeft zijn best gedaan.
Hij is opgekomen voor de naam van God.
Hij heeft , met enig succes, de valse profeten van zijn dagen,
de Baälspriesters bestreden.

Maar in plaats van dat de God die hij zo trouw gediend heeft
hem nu een veilig een rustig bestaan levert
is zijn leven nu in gevaar.
Hij is op de vlucht voor koningin Izebel en Achab
die in Samaria de dienst uitmaken en dat
-ondanks alle tekenen die Elia namens God heeft mogen tonen,-
op hun eigen slechte wijze willen blijven doen…

Alles gaat, zoals dat wel vaker gaat op deze wereld…
gewoon op de oude voet door…
wat er ook voor krachtige en authentieke goede verkondiging
mag klinken van de kant van de profeten
of andere geïnspireerde goede mensen.

Elia wil het opgeven:
het heeft geen zin meer… en hij heeft geen zin meer.
Hij wil liever sterven in zijn slaap
en niet langer profeet meer zijn.
Een herkenbaar gevoel:
‘ik zie het niet meer zitten’
is de vreselijke uitdrukking die mensen dan gebruiken.

In het verhaal gebeurt er dan iets heel merkwaardigs.
Hij wordt in zijn pessimistische zwartgalligheid
en in zijn zelfmedelijden gestoord.
Hij mag niet rustig kwaad liggen te zijn,
hij mag niet blijven verlangen naar de dood…
Hij wordt wreed gestoord in zijn gebrek aan vertrouwen in de toekomst
-net als Jona die gepreekt had in Ninive
en geen enkel vertrouwen had
in het succes van zijn woorden.

Een bode van God stoot Elia aan.
En als hij zijn ogen opslaat
staat aan zijn hoofdeinde een kruik met water en een brood.
‘Sta op en eet’ luidt het bevel !
Door de engel Gods opgejut
staat hij op en eet en hij zal daarna
-volgens dit prachtige verhaal-
veertig dagen lopen door de kracht van dit brood gesterkt
om te komen tot aan de berg van God, de Sinaï.

Het brood om weer op weg te kunnen gaan
werd hem van Godswege aangereikt.
Brood betekent hier: een teken van
de volstrekte solidariteit van God met de mens onderweg.
God is niet alleen de God van het leven na de dood
maar ook nu al onze Herder.
Er is niet alleen maar een fraai einddoel van ons leven
(in het verhaal de berg van God)
maar we worden ook onderweg regelmatig ‘opgepept’.

Het einddoel is zo ver
en de weg daarheen is lang en moeizaam
en voor mensen onderweg is de bekoring groot om af te haken:
‘laat mij slapen onder de bremstruik,
laat mij maar met rust’.

Deze week herdachten we ook nog
het feest van Jesus die zijn vrienden bemoedigt op de berg Tabor.
Hij wist dat zijn weg een weg was naar de aardse dood.
Dan neemt Hij ze mee een berg op
en daarboven gebeurt het: stralend licht
en Hij spreekt met Mozes EN MET ELIA!
Waarover? Dat vertelt alleen Lucas:
over zijn uittocht, zijn doortocht door de dood
zijn voorgaan naar het nieuwe leven.
Dit lichtvisioen duurt maar eventjes,
als de leerlingen tenten willen bouwen voor Mozes en Elia
is het afgelopen. Het wordt weer donker
en ze moeten alleen met Jesus verder
maar alles is toch anders.

Elia hoorde: sta op, eet, loop en…ik ben bij je.
En wij?
Wat krijgen wij deze te horen?

Wij horen deze zondag

IK BEN HET BROOD DES LEVENS.
Dat zegt Hij, de Zoon, Jesus van Nazareth,
Hij roept niet alleen maar wat mooie woorden uit.
en wijst niet alleen door prachtige adviezen de weg
zoals wijze goeroes dat zo prachtig kunnen………
maar op de lange tocht is Hij ZELF dichtbij
als het brood dat je opeet en in je opneemt.

Het is moeilijk om je een voorstelling te maken
van die innige nabijheid.

Het lijkt op de nabijheid van een vriend of vriendin
die achter je staat: die je leven leefbaar maakt
en die de gewone weg van dag tot dag glans verleent.
Maar de vriend of de vriendin blijft toch ook een ander,
een vreemde. Hij/zij heeft een eigen gedachtenwereld,
eigen zorgen en verwachtingen.
Je kunt je naaste heel nabij komen
maar tot het diepste in de andere mens heb je geen toegang.

Als het over Jesus (die ons levensbrood wil zijn) gaat
is dat anders.
Hij ziet mij aan met het oog van de Schepper,
Hij kan doordringen tot op het punt waarop mijn bestaan begint.

Hij heeft niets achter gehouden,
Hij gaf Zichzelf voor het leven van de wereld.
Niets leidt Hem af:
Hij kan totaal aanwezig zijn in ons bestaan
zonder enige beperking.

We kunnen ons eigen leven voorstellen
als een schakeltje in een lange reeks.
Dan zijn wij niets meer dan één moment
in een biologische keten en zijn wij als individu
weinig verschillend van andere levende wezens.
Maar in dit natuurgebeuren BREEKT HIJ IN.

En wanneer een mens HEM in vrijheid opneemt en aanvaardt
houdt de mens op een natuurprodukt te zijn.
Hij wordt op een nieuwe wijze mens,
hij wordt op een nieuwe manier levend.
Dat leren we uit de levens van de heiligen en de profeten:
Edith Stein en Elia.
Het lot en het noodlot hebben niet meer het laatste woord,
ja zelfs de dood kan die vernieuwde mens niet meer raken
want Hij neemt ons op in de onverwoestbare intimiteit
van Zijn eigen leven.

De mensen die Jesus hoorden,
morden over die woorden over het levende brood
dat Jesus wilde zijn. Geen wonder, wij morren ook.
Het is moeilijk om vrij te komen
uit de beklemming van ons eigen ik.

Alles in ons is er op gericht om zelf stand te houden.
Alleen door alles te verliezen,
ons leven te verankeren in Hem,
vinden wij -volgens het evangelie- de laatste vrijheid
waaraan zelfs de dood niets meer af kan doen.

Het komt er op aan dat wij het er met Hem op wagen.

De echte gelovige sluit de ogen
en stort zich in de handen van Hem die heeft gezegd
IK ZAL ER ZIJN.

Han Fortman voegde daar ooit aan toe:
‘ze sluiten hun ogen
omdat en opdat ze zullen weten,
dat als de nacht gevallen is,
het ware Licht zal opgaan en zal blijven stralen,
heel hun leven door, VOOR GOED!

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

5 augustus: Geloof als dagelijks brood

[print]

18e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Exodus 16,2-4.12-15

  • Efesiërs 4,17.20-24

  • Johannes 6,24-35

Brood is bijzonder.
Brood is een gave Gods, brood is heilig.
-het is moeilijk om dat nog te ervaren
als je die in plastic opgesloten broden
in de supermarkt ziet met die akelige plakbandjes
die je nooit los kunt krijgen. Toch blijft brood bijzonder,
brood belandt daarom –als het goed is- nooit in het vuilnisvat.
Ik heb het wel eens gezien bij mensen op het platte land in België,
waar mijn oudoom pastoor was.
De vrouw des huizes bij wie wij te gast waren
pakte een brood, zo’n groot rond Belgisch brood,
en sneed het niet aan voordat zij met het mes
dwars op dat grote ronde brood een kruis had getekend.

Je zou kunnen zeggen: Brood is een beginsel, een principe.
Daar neemt het leven een aanvang,
het is de basis om te groeien, om verder te leven
en opgewassen te zijn tegen de slopende krachten
die dagelijks een aanval doen op het menselijk bestaan.
Daarom is brood ook de weergave van een geheim,
want niets is zo geheimzinnig als het begin van het leven.

Hoe goed het joodse volk dit begrepen heeft,
blijkt uit het woestijnverhaal
beschreven in het boek van de ‘Uittocht’
waarin gesproken wordt over de kracht en de troost van God
beschreven als ‘brood uit de hemel’
om te kunnen overleven op je pelgrimstocht.

De gelovige ervaart zijn leven
– zeiden we de vorige week -als een reis,
niet zo maar een reis maar een pelgrimstocht.
Het boek van de uittocht vertelt daarover met verve
de prachtigste verhalen waarin we onze eigen levenssituaties
maar al te gemakkelijk kunnen herkennen.

We horen vertellen een groepje bevrijde slaven uit Egypte
die na hun doortocht de rode zee,
(- een soort doop van heel een volk namens de mensheid -)
aan hun grote reis met God gaan beginnen:
hun pelgrimstocht door de woestijn.

Hoogtepunten maak je ook mee in het leven.
Maar die duren meestal niet lang. Het komt op het gewone leven aan.
Mozes maakt zijn tocht met gewone mensen
– zo vertelde ons de eerste schriftlezing -.
en daarom heeft Mozes een moeilijke strijd
te strijden gehad met zijn volk.
Soms wilden ze plotseling niet meer verder:
– net als kinderen op een vakantietripje-
‘Waren we maar in Egypte gestorven’
roepen ze in een wanhoopsmoment uit.
De woestijngangers hadden zulke grote problemen
dat ze de hele situatie omkeerden,
Egypte, het land van de slavernij waar ze met Gods hulp uit bevrijd zijn
werd van een oord van onderdrukking
plotseling een luilekkerland: waren we maar in Egypte gebleven
waar we tenminste iets te eten hadden.

De sfeer is gespannen en daarom roept Mozes
de gehele gemeenschap op
om aan te treden voor het heiligdom,
En dan verschijnt de wolk van troost:
als een wolk komen de kwartels in de avond aangevlogen
en dan komt ook nog het brood, de morgen daarna: het Manna.
Mozes zegt daarvan:
‘Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald.’

Tijdens de lange reis door de woestijn
is plotseling de vleugelslag van Gods Geest hoorbaar
de zegen komt uit de hemel gevlogen en gevallen ter beschaming
van de Israëlieten die geen vertrouwen hadden in Gods leiding.

Het bevel luidde, dat zij van dat manna nooit méér mochten verzamelen
dan ze voor één dag nodig hadden.
Dat dwong hen om iedere dag opnieuw
uit te zien naar de leeftocht voor die ene dag
als een geschenk van de Enige.

Menselijk gesproken waren ze nooit zeker van het eten van de volgende dag
de enige zekerheid die ze hadden was de hoop,
het vertrouwen dat Hij hen niet zou vergeten:
iedere dag waren dood en leven in het geding.

Tegen die achtergrond moeten we het 6e hoofdstuk van Johannes
waaruit we deze weken in de zomer mogen lezen- verstaan.
De mensen die Jesus volgden, hebben brood gekregen,
toen ze Hem volgden in de eenzaamheid.
Dat had ze een beetje brood-dronken gemaakt,
voor brood op de plank, voor brood alleen zijn mensen altijd in.
Maar heel voorzichtig begint de Heer afstand te nemen
van de wonderbare spijziging die mensen gered had in hun nood.
Daar ging Hij niet mee door.
De mens leeft niet van brood alleen.

Manna of brood op de plank mogen nooit het eindpunt zijn
in het leven van een mens. Een goede baan, vast werk
het zijn wezenlijke noodzaken en het is geen schande
om er gelukkig mee te zijn. Maar er zal altijd een gemis blijven
dat niet te noemen is en we komen dan niet vanzelfsprekend
aan de eigenlijke levenszaken toe. Om daar meer over te weten
te komen moet u hier zijn, in de kerk!

Er is in de pers tegenwoordig veel aandacht voor geloof en kerk.
Ook voor de negatieve dingen. Die moeten inderdaad genoemd worden,
eerlijk en open duurt het langst.
Toch is er een kentering vergeleken met zo’n tien jaar terug.
Er is ook aandacht, (soms komt het niet verder dan verbazing)
voor en over het feit dat het geloof er is of nog is.
Na de eerste verbazing: ‘vreemd dat geloof er nog is,
sommigen hebben dat kennelijk nodig
een beetje te genieten van liturgie en mooie rituelen
komt er een vermoeden dat het te maken heeft
met het zoeken naar diepte in je bestaan.

Toch begrijpen ze dan nog steeds niet waar het echt over gaat.

Zo onmisbaar als voor jou brood is –zegt Jesus-
zó onmisbaar ben ik voor jou:
Ík ben het brood dat jou in leven houdt.

Alles van het goede leven is ons gegund,
een dak boven ons hoofd, brood op de plank, een fijne baan,
de weelde van het geluk samen met anderen.
Maar er is meer: Hij, God met ons, wil in ons leven binnen dringen.
Hij wil brood zijn, het beginsel van ons leven,
van iedere dag en de totaliteit van ons bestaan.

Dat betekent voor ieder van ons dat er een nieuw fundament gekomen is,
waarop ons leven en de hele menselijke samenleving moet worden gebouwd.

De Heer wil in ons leven als gelovigen niet functioneren
als randversiering, als verfraaiing…
Hij wil voor ons in volle kracht ons LEVENSBROOD zijn,
niets meer en niets minder.

Het betekent dat wij, levend vanuit Zijn Geest, kiezen moeten,
in eer en geweten, voor datgene wat werkelijk goed is voor deze wereld.
Vanuit Zijn Geest moeten we durven spreken en handelen.

Dan is, als wij leven met Hem, werken aan vrede niet langer een vroom verlangen maar een opdracht die onze voortdurende inspanning vergt. Een mooi verhaal ligt dat toe:

Ethiopië kreeg een nieuwe premier Abiy Ahmed. Hij begon goed en liet, sinds zijn beëdiging op 2 april behoorlijk wat politieke gevangenen vrij. Abiy is moslim in een land dat oud-christelijk heet te zijn. En oud-joods. De vroegere keizers dachten dat ze van koning Salomo afstanden. ‘Leeuw van Juda’ was hun titel. Het land heeft hele oude joodse en christelijke gemeenschappen. Maar het land herbergt ook een Islamitische minderheid van zo’n 35 procent. Toen de kroonprins van de Islamitische Emiraten hoorde dat een geloofsgenoot van hem het ‘christelijke Ethiopië ging leiden nodigde hij hem onmiddellijk in Abu Dhabi om hem te plezieren en samen met de president van het buurland Eritrea om een decoratie te ontvangen omdat ze hun grensconflicten bijgelegd. Kort daarna bezocht de nieuwe premier Abiy Ethiopische immigranten in de VS. Hij vertelde hoe bij die plechtigheid de kroonprins hem hulp had beloofd bij de stichting van een Islamitisch centrum in Ethiopië. De kroonprins had gezegd: “Wij zullen jullie wel onderwijs gaan geven.” Dat pikte Abiy niet en hij antwoordde: “De Islam gaat over vrede, anders dan wat jullie nu in het midden-oosten praktiseren: jullie hebben je religie verloren! Wij willen graag Arabisch leren maar dan vooral om jullie in je eigen taal de Islam uit te legen en jullie terug te leiden naar dat geloof. En of Uwe Doorluchtigheid wel wist dat er in Ethiopië meer moslims wonen dan in alle golfstaten bij elkaar?”

Terug naar ONZE eigen verantwoordelijkheid:
Als wij Jesus, ons levensbrood, als levensbeginsel aanvaarden
zal de verhongering van de helft van de wereld ons niet onberoerd laten.
Wij zullen binnentreden in zijn droefheid dat het zo met de aarde gesteld is
en luisteren, in dialoog met Hem naar datgene wat Hij ons op het hart wil drukken: en dat is: wees er voor de ander, helemaal, zoals ik er voor jou wil zijn.

Wij worden zelfs opgeroepen om nieuwe mensen te worden – waartoe Paulus ons uitdaagt – , nieuwe mensen die leven in een creatieve relatie met God.
Werken we daaraan in ons leven
bouwen we daaraan als we hier luisteren naar Zijn woord.
Groeien wij in die verbondenheid
als wij het Brood van de Eucharistie gaan eten
en gaan we zo steeds meer op Hem lijken. Zo moge het zijn, AMEN

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

29 juli: Naar het land dat ik u wijs

[print]

17e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • 2 Koningen 4,42-44

  • Efesiërs 4,1-6

  • Johannes 6,1-15

Vorige week eindigden we de dienst met een lied
dat in deze kerk als een topper geldt.
“God roept een mens op weg te gaan, het leven is een reis.”
Met graagte zingen wij in deze kerk vaak dit lied:
het heeft een pittige melodie naar toch daar gaat het niet om.
Het gaat om meer, om iets anders.
In het lied herkennen wij iets,
iets wat ons eigen leven betreft.
Wij voelen ons inderdaad vaak als reizigers,
als mensen die een levenstocht maken.
Niet zomaar op de bonnefooi maar ergens naar toe…

Deze zomer zien we weer veel mensen onderweg:
Naast de gewone vakantiereizigers al die anderen die zich inspannen
om een tocht volbrengen, een prestatie leveren:
de Tour de France, de Vierdaagse in Nijmegen en zo meer.
Beroepsatleten en amateurs die ook buiten het seizoen
de Mont Ventoux, waar de beroepsrenners soms ook komen,
op klimmen om andere mensen, kankerpatiënten, te steunen.

Maar ook wij allemaal, zelfs de thuisblijvers zijn toch bezig
allemaal op weg naar een doel:
het land dat de Enige ons als reisdoel aanwijst. Het lied zingt daarover.

Hoe je daar komen moet? Het antwoord komt in het lied:
‘verlaat wat Gij bezit, en ga op reis. ‘ .
Verlaat je luie stoel, durf dingen achter te laten,
los te laten, durf opnieuw te beginnen.

Onze levenstocht is in tegenstelling tot al die sportfestijnen,
geen plezierreis: in de Bijbel heet het daarom
een tocht door de woestijn.
Wat je mee moet maken valt soms lelijk tegen,
het is soms zwoegen en ploeteren, hopen en wanhopen,
volhouden en weer in elkaar zakken….
Maar het beeld van de woestijn reis betekent niet een en al ellende.
want er is een hele bijzondere Reisleider waar je echt wat aan hebt:
Iemand die je niet alleen laat, Iemand
die je zorgen meedraagt en je steeds uitdaagt verder te gaan
die je leidt naar een grandioos einddoel:
en je uiteindelijk brengt in een nieuw land een land van melk en honing,
een gelukkig land: het land van Kanaän.

Dat land lijkt erg ver.
Wat de mensen van deze wereld maken is soms bar en boos.
Al meer dan tien jaar terug waren jongeren uit onze parochie in Polen
en ze hebben daar Auschwitz bezocht…
en verbijsterd geconstateerd waar mensen toe in staat zijn
en elkaar het allerslechtste aandoen
en dat terwijl God ons al het goede gunt,

Het oude verhaal van God met de mensen uit de Bijbel
vertelt over de kracht die mensen die op Hem vertrouwen
keer op keer ontvangen als ze naar het nieuwe land op weg durven gaan
ondanks hun falen. Er wordt verteld over bemoediging
die mensen kregen in de woestijn:
over water uit de rots, brood uit de hemel, sterkte onderweg.

Voor ons op onze pelgrimstocht
is er vooral behoefte aan krachtvoer voor je ziel:
opdat je weet waar je voor leeft
en de moed ontvangt om vol te houden
en gemotiveerd te zijn om goed te blijven doen.

Er is nood en er is een schreeuw om hulp bij velen:
uiteindelijk is dat de roep naar God.
Tot Hem mag je dan zeggen: ‘Houd Jij mij toch in leven
wees Jij mijn kracht en mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U…’;
En dan geeft God Zijn bemoediging aan ons
meestal via de mensen die Hij naar ons toestuurt
om ons te troosten of de waarheid te zeggen:
(nieuwe mensen op ons levenspad, een partner, een vriend, een vriendin)
iemand die ons wakker maakt en in beweging brengt.

Heel, heel soms zijn er tekenen
die ons tot grote verbazing en vreugde stemmen:
een plotselinge genezing, een wonderbare bemoediging,
een stralend geluk dat ons ten deel valt.
Dat gold voor degenen die Jesus’ tekenen toen in Galilea,
toen Hij de zieken genas en het brood brak en velen verzadigde.
De schriftlezingen van vandaag vertellen ons
over Elisa de profeet, die namens God mensen hulp geeft onderweg:
een bemoediging van Godswege, en die komt altijd onverwacht.

Over het antwoord, de troost en de bemoediging
die ons ALLEMAAL in Jesus gegeven is, gaat het evangelie van vandaag.
In alle kerken over heel de wereld dat verhaal voorgelezen,
het evangelie van de zgn. broodvermenigvuldiging.

Het volk had het in Jesus’ dagen moeilijk.
De Romeinse bezetters gingen als wildemannen te keer.
De rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer.
Vroeger, in de goede dagen van koning David
kon je het nog zingen:
‘MIJN HERDER IS DE HEER
HET ZAL MIJ NOOIT AAN IETS ONTBREKEN’
-dat gaan we vandaag ook doen-
maar in Jesus’ dagen lijkt de glorie van David voorgoed voorbij.

Juist in die dagen treedt Jesus op en verkondigt dat de Heer,
de oude trouwe God van Israël er nog steeds is
en de Zijnen niet in de steek zal laten. De Herder slaapt niet!
Daarom zingen wij die tekst nog steeds in onze dagen
en zelf durven we dat bij moeilijke momenten, bij een uitvaart bijvoorbeeld.

Als wij horen spreken over broodvermenigvuldiging,
gaat het nooit alleen maar om een heel bijzonder ‘wonder’.
De enige reactie daarop zou zijn: ‘tjonge,tjonge’ of ‘hoe is het mogelijk’.
Gelukkig willen de verhalen over Jesus
die het brood overvloedig aanreikt ons meer leren.

Bij alle verhalen van de evangelisten over de broodvermenigvuldiging
gaat het nooit om de stilling van een gewone honger alleen
maar om troost voor een volk dat zich herderloos voelt.
En de Heer zal in iedere tijd opnieuw een goede Herder blijken
als Jesus het goede brood van zijn woorden,
van zijn troost en zijn bemoediging, uitdeelt.

De reactie op het teken van de broodvermenigvuldiging
is niet erg diep. De meesten hebben het teken niet verstaan.
Ze denken: ‘die Jesus moeten we te vriend houden
want wie weet wat voor voordeeltjes mij dat nog kan opleveren.
Daarom willen ze deze Jesus graag tot koning kronen want Hij kon wel wat!

Ze beseffen niet dat het om iets heel anders gaat.
Jesus zelf is geen tovenaar maar wil door de manier
waarop Hij met mensen meegaat, hun troost en bemoedigt en vooral
door de manier waarop Hij hen activeert; zelf hun levensbeginsel zijn.

Jesus roept iedere mens, u en mij, op het met Hem te wagen.
Het verhaal is dus tot ons persoonlijk gericht:
Hij zendt ons er op uit, wij worden Zijn handen.
We weten nog niet wat dat oplevert,
onze weg is nog lang niet ten einde.

We hebben waarschijnlijk allemaal nog een lange weg te gaan
maar hopelijk willen we dat doen als wakkere medewerkers
van de God die onze toekomst is en onze hoop.

Aan ons de opdracht naar die toekomst uit te zien
door het teken van de broden te verstaan.
Wetend dat het om een hele nieuwe manier van mens zijn gaat:
durven leven met God, levend vanuit Zijn idealen,
gedurfde daden stellend,
wetend dat alleen zo een nieuwe wereld in zich komt.

Hier krijgen we geen medailles
maar wel een prijs
die altijd zijn waarde behoudt
het kostbaarste wat je op aarde kunt krijgen:
het brood van Gods belofte en
het Brood van de Eucharistie
dat ons werkelijk sterkt en troost
en als het goed is ook activeert
om te doen wat Jesus ons heeft voorgedaan.

Genieten we daarvan vandaag
gaan we na de viering blijmoedig verder op onze levenstocht:
de tocht der tochten en…
onze Herder is de Heer
het zal ons echt aan niets ontbreken.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

22 juli: Nieuwe mensen worden

[print]

16e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Jeremia 23,1-6

  • Efesiërs 2,13-18

  • Marcus 6,30-34

Het evangelie van deze zondag vertelt ons:
‘Hij voelde medelijden met de schare
want hij zag hen als schapen zonder herders.’
Spreekt ons 21e eeuwers dat nog wel aan ?
Wat moeten wij met deze merkwaardige tekst.
Wij hebben geleerd om volwassen te worden
en willen niet graag met schapen worden vergeleken.

We zijn toch allemaal groot en zelfstandig.
Wij hebben de wereld in handen.
Wij bouwen en wij vernieuwen en vinden uit.
Wij organiseren,
wij proberen een maatschappij te scheppen
waarin het goed is om te leven.

Samen moeten we werken aan vrede en recht.
Ieder van ons moet daar zijn bijdrage aan leveren.
Ieder wordt geroepen terzake van ja en neen.
Dit gezamenlijk verantwoordelijkheidsbesef
is één van de zegeningen van de theologsiche
en bijbelse herbezinning van onze dagen.

Maar die beweging kan niet
zonder de beweging in de andere wereld, de kleine wereld.
De kleine wereld van de ene mens die u bent,
die ik ben.

Wij lezen met enige regelmaat in de evangelieverhalen
hoe Jesus van Nazareth, zoon Gods, bij uitstek volwassen,
zich als Hij door vele mensen omringd is
terugtrekt naar een eenzame plaats.
Hij alleen. Had Hij dat nodig?
Was Hij, ons aller Verlosser, de mensen beu?
Dat kan het niet zijn.

Hij was een herder en een herder hoort bij zijn schapen
en toch wil hij alleen zijn. Waarom?

Neen, het is geen vaandelvlucht,
Hij wil zich niet aan zijn opdracht onttrekken.
Hij wilde ‘er graag zijn’ voor de mensen die om Hem riepen.

Maar om dat te kunnen doen
moet Hij ook kunnen leven vanuit het diepe geheim van zijn zending,
zijn gesprek met de Vader.

Een gesprek dat wij alleen maar van een afstand kennen.

Hij heeft ooit 40 dagen en nachten de eenzaamheid van de woestijn gezocht
om ruimte te krijgen voor dat gesprek,
omwille van de inspiratie die hij nodig had
om daarna weer naar de mensen toe te gaan.

Dat zoeken van die rust, die oriëntatie op de Vader
was zijn eigen geheim.
Vandaag gunt Hij ons dat ook:
‘rusten jullie ook uit’, zegt Hij tot de Zijnen,
de volgelingen mogen in dat geheim gaan delen.

En dat geldt ook voor ons hier deze morgen.
Wij mogen ook, naast dat drukke leven van alledag,
een leven van organiseren van huis en maatschappij
in een kerk komen om even anders bezig te zijn
en te zoeken naar God.

Hier willen we iets anders,
hier zoeken wij wat Jesus van Nazareth zocht
als Hij alleen op de berg was, ver van de mensen.
We weten het wel maar vergeten het zo gemakkelijk:

We hebben ons werk, onze drukte,
onze belangrijkheid maar we leven als het goed is dieper.
‘Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf,
wij leven en sterven voor God onze Heer,
aan Hem behoren wij toe’.

We leven en werken voor God onze Heer en zoeken
-als het goed is- ook hartstochtelijk naar wat Jesus zocht
toen Hij zich afzonderde, als Hij niet onder de mensen was.

Wij zoeken naar vrede, naar rust in ons eigen bestaan,
naar rust voor ons onrustige hart
‘totdat het rust vindt in U Heer ‘ zei Augustinus.

Die rust is, net als het werk, geen doel op zichzelf.
Jesus verbreekt, als mensen aandringen
zonder aarzeling Zijn eigen rust
en gaat onmiddellijk weer aan het genezen,
het troosten en het bemoedigen.

Maar Hij dat allemaal niet leven volhouden zonder de stilte.
Hij zal Zijn hele leven die stilte blijven zoeken
van het wezenlijke gesprek, het gesprek met de Vader.
Het gesprek met God zoals wij dat ook zoeken.

Om dat gesprek te voeren zijn wij hier vandaag.
Het kan natuurlijk ook thuis.
Mensen zeggen dat vaak: ‘Ik heb de kerk niet nodig’.
Ik vind dat maar moeilijk, leven zonder geloof of kerk
en ik geloof ook niet dat ze dat echt kunnen
want het is zoveel gemakkelijker, zinvoller en dus eigenlijk efficiënter,
beter om dat samen te doen, in de kerk bijvoorbeeld, dat zoeken naar stilte.

Samen luister je beter, samen kun je beter stil zijn.
Samen kun je beter zoeken naar de bodem van je eigen hart.

Bij dat zoeken in de stilte
begint het eigenlijke leven van alle dag.
In die bezinning vinden wij de juiste houding in deze wereld
ten opzichte van elkaar, ten opzichte van wat wij kunnen.

Een waarschuwend woord klinkt vandaag ook.
We horen de stem van de profeet, de oude Jeremia.
Net als de andere profeten van het oude Testament
is hij met zijn hele ziel en zaligheid aanwezig
in de woorden die hij spreekt.

Hij klaagt de leiders aan, hij klaagt zichzelf aan.
Hij zegt -namens de Heer- tot de gelovigen van zijn
tijd, tot hun leiders en ook tot zichzelf:
‘door jullie schuld zijn mijn schapen verloren gegaan
zegt de eeuwige… maar Ik let wel op u.

Dat waarschuwende woord klinkt niet voor niets.
We worden er door gedwongen onze roeping serieus te nemen
en onze aandacht te richten op de ontmoeting met de Eeuwige
opdat wij daarvan kunnen getuigen in woorden en daden.

En dan is er een getuigenis een preek die mooier is dan alle andere preken:
de preek van de overtuiging, de preek van het voorbeeld,
van de levenshouding,
een preek die meestal in stilte wordt gegeven.

Als priester mag je het wel eens meemaken
dat mensen zich aanmelden om katholiek te worden.
Ze melden zich bij ons als geestelijken
en willen dan van ons ‘les hebben’.

Het is voor ons dan altijd weer een leerzame ervaring
als wij vragen hoe ze tot dit besluit om actief te gaan geloven zijn gekomen.
Dat besluit is er nooit gekomen door een plotselinge bekering
door een mooie preek of een stichtend woord van een geestelijke.
Jammer voor ons,
de geestelijken speelden nooit de hoofdrol.
Hun besluit om gelovig te willen worden
is altijd ontstaan door de ontmoeting
met gelovige mensen gewoon overdag.

Mensen die niet preekten met veel woorden,
maar die iets voorleefden – vaak zijn het hun ouders-
ze leefden iets voor, bijvoorbeeld door te kunnen luisteren naar anderen,
anders te luisteren dan de meesten doen.

Echte gelovige mensen zijn zich van die uitstraling niet bewust.
Hun optreden is niet spectaculair,
ze schreeuwen het niet van de daken en breken,
als het goed is , niet bij de anderen in.
Hun overtuigingskracht zit in de nabijheid,
de openheid, de aandacht voor die andere vragende mens
waardoor ze niet alleen kunnen luisteren naar de woorden
die uit de mond van de ander komen
maar om te luisteren naar wat er leeft in het hart van de ander.

Als het goed is zijn gelovige mensen het kanaal
waarlangs de waarheid, het goede, het zuivere zich
naar de wereld toe kan openbaren steeds meer en steeds duidelijker.
Zo maken zij de weg vrij
voor de geboorte van de Eeuwige naar deze wereld toe.

Om die boodschap te kunnen uitdragen
hoef je niet geleerd te zijn.
De jonge Salomo bad ooit:
‘geef mij een luisterend hart’.

Deze week dachten wij aan de slachtoffers van de MH17
te erg voor woorden: gezinnen en andere passagiers
zomaar uit ons midden weggerukt.
Een van de achterblijvers zei:
‘Het verdriet zal nooit verdwijnen
de herinnering kan alleen op den duur gaan bloeien.’
Dat is een troost maar de grootste troost is:
elkaar nabij blijven zijn zoals Hij dat deed
onze Goede Herder in wiens naam wij hier bijeenzijn.

Laten we bidden om kracht om die taak te volbrengen.

God geve ons rust om onze roeping te ontdekken,
een luisterend hart
opdat wij onze opdracht goed horen klinken
en iets present stellen van Jesus’ liefdevolle aanwezigheid.

Om die levenshouding gaat het.

Jesus leefde die luisterende levenshouding voor.
Hij was trouw aan Zijn opdracht,
luisterde naar de mensen,
vriendelijk en mild,
Zijn herderlijke aanwezigheid was verkwikkend.

Laat ons alles doen om op Hem,
de milde goede herder te lijken.
Laten we bidden om kracht om die taak te volbrengen.
Dan zal ook onze aanwezigheid verkwikkend zijn voor allen
die ons mogen ontmoeten.

God geve ons rust om onze roeping te ontdekken,
een luisterend hart
opdat wij onze opdracht goed horen klinken
en iets present stellen van Jesus’ liefdevolle aanwezigheid.

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Grootste museum van Nederland

Campagnebeeld (2)De Kathedraal van Haarlem, in de volksmond als Nieuwe Bavo bekend, sluit zich, samen met de Munsterkerk in Roermond en de Walburgis­kerk in Zutphen, aan bij het Grootste Museum van Nederland’, een samen­wer­king tussen Museum Catharijneconvent en zestien kerken en synagogen door heel het land.

Sinds de opening vorig jaar hebben zo’n hon­derdduizend mensen de aangesloten kerken en synagogen bezocht en kennis gemaakt met de bijzondere geschiedenis, architectuur en kunst­werken van wat niet voor niets het Grootste Museum van Nederland genoemd wordt.

Met het toevoegen van drie nieuwe locaties zet initiatiefnemer Museum Catharijneconvent samen met de kerken een volgende stap in het toegankelijk maken van het nationaal religieus erfgoed.

Fotoserie

De onderstaande foto’s zijn gemaakt door Arjan Bronkhorst.

1 juli: Wachten op leven!

[print]

13e Zondag door het Jaar

Schriftlezingen:

  • Wijsheid 1,13-15;2,23-24

  • 2 Korintiërs 8,7.9.13.15

  • Marcus 5,21-43

Het wonderlijke begin van Marcus 5 (v. 1-20) was de samenstellers van het nieuwe leesrooster blijkbaar te machtig (en werd daarom overgeslagen!): een man ‘wonend in de graven’, een legioen boze geesten dat in een kudde zwijnen de zee wordt ingejaagd … Wat moeten we daar allemaal mee? Laten we, om de opbouw van Marcus’ evangelie te kunnen verstaan, toch even luisteren. Marcus 5 begint met te vertellen over Jesus’ overtocht over de zee. Een mysterieuze reis naar het land aan de overzij. Het gebied waar het gebeuren speelt, heet Dekapolis (streek van de 10 steden). Die steden hadden weinig eenheid onderling. Wel hadden ze één gemeenschappelijke politieke wil: zo weinig mogelijk contact met Israël. De streken ten oosten van het meer van Galilea, waar het hier om gaat, waren al vroeg verloren gegaan voor Israël. Het was het gebied van de vroegere koning Og en was alleen tijdens de intocht onder Jozua ‘joods’ geweest.

Misschien is dit ook materiaal voor een leerhuis-bijeenkomst van een bijbelgroep die Marcus continu wil lezen.
Ongeveer 35 jaar na Jesus (in het jaar 66 tijdens de joodse oorlog) kwamen de Galilese joden deze streek weer binnenvallen. Ze verloren echter de oorlog tegen de Romeinen en Flavius Josephus vertelt dat vele joden toen werden uitgewezen. Voor de christenen is het interessant te weten dat na de joodse nederlaag in 70 er reeds bloeiende kerken waren in die streek.

Verder had het nog twee joodse koningen zien binnenstormen: Salomo en heel veel later de Hasmonese priestervorst Alexander Janneüs (103-76 v.Chr). Beiden bleven maar korte tijd. In Jesus’ tijd was de laatst genoemde bezetting al achter de rug. Men was er anti-joodser dan ooit.
In dit voor Israël verloren gebied waart een man rond, in kracht aan Simson gelijk, die woont ‘in de graven’ (Mc. 5,3). Hij is uit de mensengemeenschap verwijderd, werkelijk nedergedaald ‘ter helle’ (in de ‘Sjeool’, de onderwereld). Maar de heer vaart de zee over (een soort omgekeerd uittochtsverhaal) en zoekt hem daar op. De confrontatie met Jesus is onthutsend. Hij rent op Jesus toe (v. 6) en roept zo hard hij kan: ‘Wat is er tussen mij en jou, Jesus zoon van de Allerhoogste God? Ik bezweer je – bij God – dat je mij niet pijnigt!’ Weer een complete geloofsbelijdenis (waar de leerlingen nog steeds niet toe kunnen komen) en weer een stem uit de diepte (vgl. Mc. 1,24 waar de onreine geest in de synagoge Jesus ‘Heilige Gods’ noemt). Jesus vraagt de boze geest naar zijn naam. Die is: ‘legioen, want we zijn met velen’. De boze geesten worden verdreven door een enkel woord en Satan en alle andere boze geesten worden in de hel teruggedreven. De (zeer onreine!) varkens zijn voortreffelijk bruikbaar om als ‘bodedienst’ richting Sjeool (nu het donkere water) te fungeren.
Dat Jesus waarlijk Messias was, bleek voor zijn volgelingen pas ten volle, toen hijzelf over de dood triomfeerde. Het begrip dood (en ziektes liggen in zijn donkere machtsgebied) wordt in een ruime betekenis toegepast. Het duidelijkste voorbeeld vinden we in Ezechiël 37. Daar gaat het om een massa levende mensen die zijn als doden. De dorre beenderen svmboliseren het volk van alle kinderen van Israë1. Ze zuchten: ‘Vervlogen is onze hoop, verdord zijn onze beenderen.’ Als de dorre beenderen zich samenvoegen (v. 7) tot levende wezens wordt de opstanding van heel het volk verbeeld. In de evangeliën wordt dat nader uitgewerkt. Met name bij Johannes blijkt er een intrinsieke relatie te bestaan tussen de wedergeboorte uit de Geest en de opstanding uit de dood. Het een is voorwaarde voor het andere. Volgens het getuigenis van het Nieuwe Testament is Jehosjoea van Nazaret de eerste, die beide heilsfeiten aan den lijve heeft ervaren. Genezingen en opwekkingen zijn geen wondergebeurtenissen sec, maar daden van éénwording (jichoed) met God, manifestaties van de Geest, daden van naastenliefde waarbij de kracht van God zegeviert over ziekte en dood. Deze evolutie correleert met de komst van de Geest Gods (de Elohoeth), die wil wonen in de schepping, in de mens. In de messiaanse mens is deze Geest volledig aanwezig.

Jesus heeft de grenzen van het land Israël overschreden en begeeft op een terrein dat als onrein land wordt beschouwd. Iemand die zich in zo’n ‘onrein’ land in graven ophoudt, is dubbel onrein.

Zie wat daarover geschreven staat bij de 5e zondag van de veertigdagentijd, In het leerhuis van Matteus, blz. 55 e.v.

Daarom kan Jesus ook getuigen: ‘lk en de Vader zijn een.’ Samenvattend: overwinning van ziekte en dood zijn heilsfeiten die in ten profetische perspectief liggen. De van Gods Geest vervulde mens heeft hier ten bijzonder vermogen, omdat hij zich tot Gods instrument heeft gemaakt. Deze vervulling geschiedt niet verticaal als indaling, maar horizontaal als ten histo-risch gebeuren, dat in de messiaanse rnens volledig wordt. Bij deze messiaanse mens heeft ook het gebed een levenwekkende kracht (zie de opwekking van Lazarus, Joh. 11,41: ‘Ik dank U, Vader, dat U mij verhoord hebt’, en zijn woord tot het dochtertje van Jaïrus, Mc. 5,4 1: ‘Meisje ik zeg je, sta op’). Zijn trouw aan de Tora, zijn één zijn met de Vader is anderen tot zegen. Zijn werken dienen niet gezien te worden als resultaten van een magisch vermogen of van een in de mens sluimerende goddelijke kracht, maar als tekenen van een alles overwinnende liefde en van een vertrouwen, dat weet, dat voor God niets onmogelijk is. We zijn in de perikoop van vandaag die bij vers 21 begint, weer terug aan de Kafarnaüm-kant van het meer. Jesus is uit de streek van de Dekapolis (het doodse land) weggejaagd (v. 17). Alleen de genezen bezetene houdt daar het gerucht over Jesus gaande (v. 20). Jesus is nu weer thuis bij de gemeenschap waar alles begon in Kafarnaüm. In de synagoge wordt week na week de Tora gelezen: het getuigenis over God die voor zijn volk het leven wil. De vernieuwende kracht van Gods Geest wordt hier verwacht. Daarom kon Jesus’ verkondiging van het Koninkrijk hier beginnen. God zoekt zich een gemeente, ten ‘bruid’ die met Hem door de geschiedenis wil gaan, die wil kiezen voor zijn nieuwe leven. Worden daarom vandaag twee vrouwen genoemd? Zijn zij niet bij uitstek in het geding als het om het leven gaat?
Twee vrouwen in het evangelie. Een jonge vrouw (ten kind eigenlijk), het dochtertje van de overste van de synagoge met de mooie naam Jaïrus (=God kijkt naar hem) en een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt. In deze verwachtingsvolle gemeenschap hebben ziekte en dood toch nog macht. Een meisje zal in de loop van het verhaal sterven, en de zieke vrouw, die al twaalf jaren aan haar kwaal lijdt, en door de geneesheren niet van haar kwaal kan worden verlost. Zij kan niet meer garant staan voor het leven en moet (ze is onrein) volgens de officiële wet buiten de gemeenschap blijven. In beide gevallen komt er genezing.

Van Mozes wordt ook gezegd dat hij ‘als God is’ voor de zijnen (vgl. Ex. 4.16). Hiermee wordt geen identiteit met JHWH bedoeld. Jesus wijst nadrukkelijk alle vereenzelviging met de JHVM af (‘Waarom noem je mij goed? Niemand is goed dan God alleen’Lc. 18,19-20). Als hij zich bij een andere gelegenheid Zoon Gods noemt wijst hij er op dat ‘elohiem’een voor mensen ook te gebruiken term is (joh. 10,34-36). Gewichtig is ook, dat deze uiteenzetting juist volgt op de uitspraak: ‘Ik en de Vader zijn één’ (v. 30).

De vertelling van Marcus die begint in 5,21 heeft de sandwich-structuur’. Twee verwante gedeelten aan de buitenkant, het begin en het einde van het verhaal over de dochter van Jaïrus, en een middenstuk: het verhaal van de vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing lijdt.

Jesus is op weg naar het huis van het meisje. Maar onderweg wordt hij opgehouden door de vrouw die hem aanraakt. Ze grijpt Jesus bij de kwasten van zijn mantel, de gebedsmantel, die iedere jood herinnert aan de Tora.
Voor alle volkeren is dat een teken. Had de profeet niet gezegd: ‘Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van de mantel van een Judese man en zeggen: We willen met u gaan want we hebben gehoord dat God met u is.’ (Zach. 8,23) Marcus maakt zijn evangelie nog dramatischer door een vrouw uit Israël zelf te beschrijven die grijpt naar de slip van de mantel van een joodse man. Ze grijpt naar de gebedsmantel die gedragen wordt door een mens die helemaal één was met de Tora. En ze wordt helemaal genezen. Zo brengt God zijn heil onder de mensen.
Na dit onmisbare tussen-verhaal over de vrouw, die zich vastklampt aan de tekenen van de trouw aan de Tora zoals Jesus die draagt, gaat de geschiedenis verder. Van de bestuurder van de synagoge komt de boodschap dat zijn dochtertje inmiddels gestorven is. De dood heeft toch nog toegeslagen. Maar de Messias kent geen weg terug. Zijn intimi moeten mee de diepte in en met hem het sterfhuis binnengaan om het gejammer en het rouwmisbaar te horen en te zien. De Messias getuigt hier dwars tegen in: ‘Het kind is niet gestorven, maar het slaapt’ (in het schip van Mc. 4,38 sliep hijzelf als een dode). En hij spreekt namens God: ‘Meisje ik zeg je, sta op’. Terstond staat ze op en loopt heen en weer (v. 42). Pas nu het verhaal ten einde loopt horen we hoe oud (nee, hoe jong!) ze was: pas twaalf jaren. Ze staat aan de drempel van de volwassenheid; haar vruchtbaarheid kan nu beginnen. Onmiddellijk herinneren we ons dan dat de vrouw uit het midden-verhaal twaalf jaar onrein was geweest. De jonge en de oudere vrouw zijn zusters in de nood, lotgenoten onder de doem van de dood. Onder die doem vandaan kunnen ze nu beiden, dankzij Jesus’ komst in hun bestaan, tot moeders van het leven opbloeien.
Het evangelie eindigt met een nuchter gebod van de Heer om (v. 43) het opgestane meisje te eten te geven. De geschiedenis van het Koninkrijk moet verder gaan. Jesus gaat ons voor op de weg van het leven. Hij zal het levend brood zijn voor onderweg. Willen de leerlingen (en wij) deze tekenen verstaan?
Een modern joods gebed zegt het zo: ‘U, Eeuwige, hebt Hiroshima niet vernietigd, dat waren wij.
U hebt geen kinderen naar de kampen gestuurd, dat deden mensen als wij.
U hebt deze wereld niet vergiftigd, dat deden wij. Maar thans verklaren wij dat wij het leven willen kiezen, opdat onze kinderen zullen leven!

Het dochtertje van Jaïrus is niet zomaar een meisje waaraan de lieve Heer toonde wat hij kon. Zij is ‘het’ meisje, als het ware de evangelische Persefone, die volgens de Grieken ontvoerd was door Hades! Zij is uit de dood geroepen, ek-klesia, église. In het oude missaal is dit verhaal (maar dan in versie van Matteüs) gelezen vlak voor het einde van het kerkelijk jaar, juist voor het krieken van de advent, in het holst van de tijd als de laatste bladeren vallen, wordt het eind van de ballingschap, van de dood aangekondigd. Zie: W.Barnard, Binnen de tijd, Haarlem/Hilversum 1964, over de 23e zondag na Pinksteren, blz. 275-277.

Later zullen weer vrouwen in het evangelie genoemd worden. Ze zullen deze ene joodse man niet loslaten. Ook niet als zijn mantel wordt verdobbeld en hij wordt bespot (Mt. 27,35).

Hein Jan van Ogtrop, pastoor

Philadelphia Girls Choir zingt in Haarlem

TU 18 PhillyGirls HLM A3 04-001Het Philadelphia Girls Choir zal vrijdag 29 juni 2018 vanaf 20.00 uur een concert verzorgen in de Nieuwe Kerk, Nieuwe Kerksplein 36 te Haarlem. Ook onze Koor­school St. Bavo verleent haar mede­wer­king aan het concert.

Het koor uit Philadelphia, Verenigde Staten staat onder leiding van Nathan Wadley en Laura Harmon. Van de Koor­school zal de Capella Puellarum van zich laten horen, onder leiding van Sanne Nieuwenhuissen.

Iedereen is van harte welkom om dit concert bij te wonen.
De toegang is gratis!

Kerk gesloten voor bezoek tijdens Bavodag

In verband met Bavodag zal de kerk op zaterdag 9 juni niet geopend zijn voor bezoek.